Aanspreken is geen staandehouden; openen koffer zonder toestemming onrechtmatig met vrijspraak tot gevolg.

Rechtbank Amsterdam 6 maart 2013, LJN BZ6214

Feiten

Op woensdag 5 september 2012 waren verbalisanten E, F en G belast met treinsurveillance in de internationale trein Thalys, komende uit Parijs met als eindbestemming station Amsterdam Centraal. Nadat de trein was vertrokken uit station Rotterdam Centraal is E door een reizigerscompartiment gelopen waarbij hij alle reizigers heeft aangekeken, met als doel een mogelijke reactie op te wekken. F en F, die achter bleven op het balkon, hadden zicht op de in dit rijtuig zittende reizigers. E en F zagen dat verdachte E achterna keek. Verdachte hing vanaf zijn zitplaats aan de raamzijde over de lege stoel naast hem, zijdelinks met zijn hoofd in het gangpad. F en G vonden dit opvallend gedrag en zijn met verdachte in de Engelse taal in gesprek gegaan. Verdachte vertelde daarbij dat hij alleen een zwarte tas, die lag in het bagagerek boven zijn zitplaats, bij zich had. Naast de zwarte tas lag een wit koffertje. Verdachte vertelde dat dat witte koffertje niet van hem was en dat hij alleen de zwarte tas bij zich had.

Aangekomen op station Amsterdam Centraal, zagen E, F en G dat verdachte uit de trein stapte en over het perron liep met het witte koffertje, met daarop de zwarte tas. E, F en G vonden dit opmerkelijk omdat verdachte hen eerder had verteld dat alleen de zwarte tas van hem was. E, F en G hebben daarop verdachte aangesproken en hem geconfronteerd met wat hij eerder vertelde over zijn bagage. Verdachte vertelde dat het witte koffertje van hem was en dat hij dit in de trein ook had gezegd. Omdat E, F en G het vreemd vonden dat verdachte eerst ontkende dat het koffertje van hem was en nu het tegenovergestelde verklaarde, heeft F verdachte gevraagd om de inhoud van het koffertje te laten zien.

E heeft verdachte hierop medegedeeld dat het openen van het koffertje niet verplicht was. Verdachte vertelde het koffertje te willen openen. Verdachte heeft het koffertje vervolgens geopend. Verbalisanten zagen dat het koffertje geheel gevuld was met twee naast elkaar gelegen stapels kleding. Verdachte heeft de kleding uit het koffertje gehaald en op het lege deksel van het koffertje gelegd. Toen er door verdachte een stapel uit de koffertje was gehaald, zagen E, F en G dat er een verdikking onder de bekleding van het koffertje zichtbaar was. Verdachte legde ook de tweede stapel in het deksel. Verdachte pakte vervolgens een laatste kledingstuk en legde dit over de verdikking die zichtbaar was onder de bekleding van het koffertje. F heeft hierop het kledingstuk, dat over de verdikking in het koffertje was gelegd, weggehaald, zag dat zich in de bekleding van het koffertje een rits bevond en heeft de rits vervolgens geopend. E, F en G zagen dat er enkele bundels met geld onder de bekleding lagen. Verdachte is vervolgens ter zake van witwassen aangehouden.

In het koffertje achter de beschermhoes lagen:

  • 5 bundels met in totaal 1057 bankbiljetten van € 20, en € 50,00, in totaal € 36.000,00, zijnde na aftrek van enige valse biljetten een totaal bedrag van € 35.870aan inbeslaggenomen geld
  • een Italiaans paspoort op naam van A; 
  • een Italiaanse identiteitskaart ten name van A; 
  • een Italiaans verblijfsdocument ten name van A; 
  • een Italiaans paspoort ten name van B; 
  • een Italiaanse identiteitskaart ten name van B; 
  • een Italiaanse verblijfsdocument ten name van B; 
  • een Italiaans paspoort ten name van C; 
  • een Italiaanse identiteitskaart ten name van C; 
  • een Italiaans verblijfsdocument ten name van C; 
  • een Italiaans paspoort op naam van D; 
  • een Italiaanse identiteitskaart ten name van D; 
  • een Italiaans verblijfsdocument ten name van D. 

Na controle op de echtheid bleek dat er 1 bankbiljet van 50 en vier bankbiljetten van € 20 vals te zijn.

Na controle op de echtheid bleken bovenstaande twaalf identiteitsdocumenten vals te zijn.

Standpunt verdediging

Verdachte is in de internationale trein Thalys, nadat ze zagen dat verdachte een verbalisant nakeek, door verbalisanten aangesproken. De raadsman heeft betoogd dat dit aanspreken moet worden aangemerkt als het gebruik maken van een dwangmiddel. Het moet worden aangemerkt als een met staande houden vergelijkbare bevoegdheid. Voor staande houden is een redelijk vermoeden van schuld nodig. Het nakijken in de trein levert naar het oordeel van de verdediging geen redelijk vermoeden van schuld op. Het aanspreken van verdachte was dan ook onrechtmatig.

Verdachte is, nadat hij op Amsterdam CS was uitgestapt en verbalisanten zagen dat hij met een wit koffertje liep, op het perron nogmaals aangesproken. Bij het aanspreken van verdachte op het perron moest hij, verdachte, van hen blijven staan en werden hem opnieuw vragen gesteld. Hieruit kan worden afgeleid dat feitelijk sprake was van een situatie dat hij werd staande gehouden. Ook nu was geen redelijk vermoeden van schuld aanwezig. Het lopen met een koffertje waarvan verdachte volgens verbalisanten in de trein zou hebben gezegd dat dit koffertje niet van hem was, levert geen redelijk vermoeden van schuld op. Ook het aanspreken/staande houden op het perron was daarom onrechtmatig.

Verdachte betwist dat hij vrijwillig het koffertje heeft geopend. Verdachte heeft immers niet op basis van volledige en juiste informatie over de reden voor en het doel van het verzoek om het koffertje te openen, het koffertje geopend. Hierbij dient in aanmerking te worden genomen dat verdachte als buitenlander in Nederland met vakantie was, de Nederlandse taal en de in Nederland geldende regelgeving niet kent. Verdachte behoefde daarom bijzondere bescherming, alvorens hij afstand zou doen van zijn rechten.

De raadsman stelt dat op grond van bovenstaande dat het bewijsmateriaal onrechtmatig is verkregen en om die reden dient te worden uitgesloten van bewijs, zodat verdachte van de hem ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken.

Standpunt OM

De officier van justitie is van oordeel dat verdachte zodanig opvallend gedrag vertoonde dat dit voldoende reden was om verdachte aan te spreken, zowel in de trein als op het perron. Dienaangaande is geen sprake geweest van het toepassen van dwangmiddelen.

Verdachte is expliciet medegedeeld dat het openen van het koffertje niet verplicht was. De vondst van de goederen in het koffertje is derhalve rechtmatig.

Oordeel rechtbank

Aanspreken verdachte 

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het enkele aanspreken van een persoon door de politie niet kan worden aangemerkt als een met staande houden vergelijkbare bevoegdheid, waarvoor een redelijk vermoeden van schuld nodig is. Het in de trein en op het perron aanspreken van verdachte kan worden geacht te zijn geschied in het kader van de algemene politietaak krachtens artikel 2 van de Politiewet 1993.

Vrijwillig openen koffer door verdachte 

Eveneens anders dan de raadsman is de rechtbank voorts van oordeel dat ook het vragen door de politie aan een persoon om vrijwillig een meegedragen koffer te openen, is toegestaan. Daarbij is niet van belang of op het moment van vragen sprake is van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit op basis van feiten en omstandigheden, die op dat moment aan de verbalisant, die om vrijwillige opening van de koffer vraagt, bekend zijn De rechtbank baseert dit oordeel mede op het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2012 (LJN BY5315).

Openen koffer door verbalisant 

De rechtbank overweegt dat uit het proces-verbaal van bevindingen van 6 september 2012 volgt dat verdachte vervolgens eerst zelf de koffer opent en de inhoud ten overstaan van de verbalisanten uit de koffer haalt.

Uit het proces-verbaal blijkt echter niet dat verdachte, op het moment dat E, F en G een verdikking onder de bekleding van het koffertje zagen dan wel op het moment dat verdachte een kledingstuk pakte en dit over de verdikking legde, toestemming gaf aan (een van de) verbalisanten om zelf in de koffer te zoeken en de rits in de koffer te openen zoals vervolgens gebeurde. Evenmin volgt uit het proces-verbaal dat E, F en G op dat moment het gerechtvaardigd vermoeden hadden dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan een strafbaar feit. Dientengevolge is niet komen vast te staan dat het koffertje te openen en te kijken wat er achter de bekleding van het koffertje zat respectievelijk te onderzoeken wat de verdikking veroorzaakte. Dit handelen kan, naar het oordeel van de rechtbank, niet geacht worden te zijn verricht in het kader van de eerdere vrijwillige opening door verdachte van zijn koffer.

Kortom: of wel de verbalisant had alvorens de rits te openen eerst nadrukkelijk om toestemming dan wel de medewerking van verdachte moeten vragen, of er is gehandeld omdat er sprake was van een zodanige verdenking van een strafbaar feit dat een eigenmachtige zoekactie was toegestaan. Van het een noch het ander is gebleken.

Conclusie 

Voornoemde zoekactie van de verbalisant wordt als onrechtmatig beoordeeld. Daardoor is sprake van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het wetboek van Strafvordering. Het betreft hier een ernstig verzuim nu is gehandeld zonder toestemming van betrokkene en zonder wettelijke grondslag waarbij inbreuk is gemaakt op de eigendom van betrokkene. De resultaten van de zoekactie, het aangetroffen geld en de documenten, worden derhalve als "fruits of the poisonous tree" van het bewijs uitgesloten. Nu er geen ander wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zal verdachte daarvan worden vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF