Aan het enkele voorhanden hebben van door afpersing ontvreemde goederen kan niet zonder meer de conclusie worden verbonden dat de betrokkene die goederen ook door afpersing heeft verkregen

Hoge Raad 19 februari 2013, LJN BY0102 Feiten

Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens afpersing veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

Door de verdediging was betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken omdat verdachte niet de dader van de afpersing is, maar slechts een mobiele telefoon, buitgemaakt bij een afpersing, heeft gekocht.

Middel

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

Vooropgesteld moet worden dat aan het enkele voorhanden hebben van door een vermogensdelict ontvreemde goederen niet zonder meer de conclusie kan worden verbonden dat de betrokkene die goederen ook door het plegen van dat vermogensdelict heeft verkregen. Voor de beoordeling van de betekenis die aan dat voorhanden hebben moet worden gehecht, zijn de feiten en omstandigheden van het geval van belang.

In casu heeft het Hof uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat het de verdachte is geweest die het in de bewezenverklaring omschreven feit heeft gepleegd.

Het middel faalt.

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Conclusie AG Vellinga: anders

De omstandigheid dat bij een afpersing buitgemaakte goederen bij de verdachte worden aangetroffen, dan wel door de verdachte aan een ander zijn overgedragen, kan weliswaar bijdragen aan het bewijs dat de verdachte het slachtoffer heeft afgeperst, maar wil bewezen kunnen worden dat verdachte degene is geweest die heeft afgeperst dan dienen er wel voldoende omstandigheden aanwezig te zijn waaruit kan blijken dat de verdachte degene is geweest die de afpersingshandeling heeft verricht, omdat het bezit of de overdracht van de afgeperste voorwerpen anders hooguit een vorm van heling c.q. witwassen kan opleveren.

De door het Hof gebezigde bewijsmiddelen houden ten aanzien van de gebeurtenis enkel in dat aangeefster slachtoffer 1 door een - niet nader omschreven - man onder bedreiging van een zwart, klein compact model, vierkant vuurwapen is gedwongen tot afgifte van haar handtas, met daarin diverse goederen, waaronder een mobiele telefoon en een portemonnee. Ook houden de bewijsmiddelen in dat de verdachte sinds augustus 2010 in het bezit was van een zwart plastic balletjespistool.

De bewijsmiddelen houden echter niet in dat verdachte door aangeefster als de afperser is herkend en/of dat het bij verdachte aangetroffen balletjespistool soortgelijk was aan het vuurwapen waarmee aangeefster is afgeperst.

Voorts kan uit het gedrag van de verdachte ten aanzien van de sd-kaart wel worden opgemaakt dat hij iets te verbergen had maar niet dat dit geen heling maar afpersing was. Nu ook overigens uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte degene was die aangeefster heeft afgeperst, kan uit de gebezigde bewijsmiddelen niet worden afgeleid dat het de verdachte is geweest die op 3 december 2010 aangeefster slachtoffer 1 onder bedreiging van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft gedwongen tot afgifte van haar handtas. De bewezenverklaring is op dit punt derhalve ontoereikend gemotiveerd.

Het middel slaagt.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF