Regulering kansspelen op internet

De opkomst van het online kansspelaanbod is voor staatssecretaris Dijkhoff (Justitie) aanleiding om de wetgeving te moderniseren. Het voorkomen van kansspelverslaving, het beschermen van de consument en het tegengaan van illegaliteit en criminaliteit. Dit zijn de belangrijkste doelstellingen van het kansspelbeleid van de staatssecretaris en van zijn wetsvoorstel dat vooral is gericht op het reguleren en kanaliseren van het nu nog verboden aanbod op internet. Helder (PVV) is op hoofdlijnen positief. Maar Van Toorenburg (CDA), Schouten (ChristenUnie) en Bisschop (SGP) zijn niet overtuigd: gokverslaving zal door legalisering van het internetaanbod eerder toe- dan afnemen. Swinkels (D66) en Kooiman (SP) zetten vraagtekens bij de privacywaarborgen voor spelers.

AANDACHT VOOR GEVAREN GOKVERSLAVING

Wat kan de overheid doen om gokverslaving te bestrijden? Naast een verslavingsfonds zet Dijkhoff een register op om mensen vrijwillig of onvrijwillig uit te sluiten van kansspelen. Een minimumtermijn voor vrijwillige inschrijving kan mensen tegen zichzelf beschermen, suggereert Bisschop. Van Wijngaarden (VVD) wil dat onvrijwillige uitsluiting terughoudend wordt toegepast: afkicken heeft alleen zin als men gemotiveerd is. Verbied gokprogramma's op open televisiekanalen, suggereert Schouten. Zij stelt ook voor de minimumleeftijd voor gokken te verhogen naar 21 jaar. Mei Li Vos (PvdA) wil dat aanbieders waarschuwen voor de risico's van onmatige deelname aan kansspelen. Maak de reclameregels voor gokken net zo streng als voor alcohol, suggereert Kooiman.

ILLEGALE ACTIVITEITEN AANGEPAKT

Dijkhoffs wetsvoorstel is mede bedoeld om illegale kansspelactiviteiten te bestrijden. Zo krijgt de Kansspelautoriteit de bevoegdheid om gokwebsites zonder de vereiste vergunning te blokkeren. Swinkels gaat dit te ver: een inbreuk op de technische werking van internet ondergraaft het vertrouwen van de gebruikers. De Kansspelautoriteit moet op dit terrein juist meer bevoegdheden krijgen, vindt Van Toorenburg: het verbieden van apparatuur (zoals apps) bedoeld voor deelname aan illegale kansspelen. Vergroot de handhavingscapaciteit door het aantal fte's van de autoriteit te verhogen, stelt Kooiman voor. Van Wijngaarden en Vos willen matchfixing voorkomen door een verbod op risicovolle sportweddenschappen en een meldplicht voor verdachte gokpatronen.

MEER GELD VOOR DE SPORT?

Een belangrijk deel van de gokmarkt bestaat uit het voorspellen van sportwedstrijden. Veel sportbestuurders hopen dat er meer geld naar de sport gaat vloeien als het internetaanbod wordt gelegaliseerd. Maar een voorstel van Van Toorenburg zou roet in het eten kunnen gooien. Ter voorkoming van belangenverstrengeling wil zij namelijk bedrijven die weddenschappen over sporters, sportteams of sportclubs aanbieden, verbieden om deze ook te sponsoren. Van Wijngaarden en Vos willen dat de meeropbrengst van de verhoogde kansspelbelasting, naar schatting 8 tot 10 miljoen per jaar, ten goede komt aan de sport. Maar Bisschop ziet niets in het op deze manier doorsluizen van belastinggeld.

Het debat gaat op een later moment verder met de reactie van de staatssecretaris op de eerste termijn van de Kamer.

Print Friendly and PDF ^

Nadere uitwerking regels voor Brzo-bedrijven

Sinds 8 juli 2015 is het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 (Brzo 2015) van kracht. De Regeling risico’s zware ongevallen (Rrzo) geldt sinds 4 maart 2016. Hiermee implementeert Nederland de Europese eisen die zijn opgenomen in de SEVESO III richtlijn. Voor de werkingssfeer van het Brzo2015 gelden de drempelwaarden voor bedrijven die activiteiten doen met bepaalde categorieën gevaarlijke stoffen en mengsels en met stoffen die met naam genoemd zijn (Bijlage I, deel 1 en 2 van Seveso III). De inwerkingtreding van het Brzo 2015 en de wijzigingen in de indeling van gevaarlijke stoffen en mengsels door de CLP-verordening, hebben consequenties voor bedrijven waarop Brzo 2015 van toepassing is.

 

Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^

Toezichthouders AFM en DNB krijgen meer mogelijkheden voor waarschuwingen, vergelijkingen en weerwoord

Op 20 juni jl. is het concept wetsvoorstel transparant toezicht financiële markten ter consultatie aangeboden. Het concept wetsvoorstel beoogt een transparanter toezicht op financiële markten mogelijk te maken door een viertal wijzigingen van Afdeling 1.5.2 van de Wet op het financieel toezicht.

  1. Een uitbreiding van de mogelijkheden van de toezichthouders om een openbare waarschuwing uit te vaardigen.
  2. Een bevoegdheid voor AFM en DNB om namen van afzonderlijke instellingen te noemen wanneer zij resultaten van themaonderzoeken naar de mate van naleving en risico's voor de naleving, bekend maken.
  3. Een mogelijkheid voor de toezichthouders om te kunnen reageren op mededelingen van instellingen over het toezicht.
  4. Een grondslag voor DNB om bij amvb aan te wijzen kerncijfers van banken te publiceren.

Het voornemen bestaat om de bevoegdheden 2 en 3 ook in de Wet toezicht accountantsorganisaties, de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling op te nemen, voor zover deze daar nog niet in zijn opgenomen.

Het concept wetsvoorstel geeft de toezichthouders nieuwe bevoegdheden tot publicatie van informatie. Hierdoor wordt het toezicht transparanter. Deze nieuwe bevoegdheden sluiten aan bij bestaande praktijken. De bevoegdheden zullen worden toegepast op reeds bij de toezichthouder aanwezige informatie zodat het gebruik van die nieuwe bevoegdheden niet tot nieuwe kosten zal leiden.

Meer informatie: 

 

Print Friendly and PDF ^

Inwerkingtreding Wet herziening strafbaarstelling faillissementsfraude & Wet civielrechtelijk bestuursverbod per 1 juli 2016

Op 1 juli 2016 treden zowel de Wet herziening strafbaarstelling faillissementsfraude als de Wet civielrechtelijk bestuursverbod in werking. 

Wet herziening strafbaarstelling faillissementsfraude

Dit wetsvoorstel moderniseert in het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de economische delicten de mogelijkheden voor opsporing en vervolging en voorkoming van faillissementsfraude. Met dit voorstel wordt de wettelijke positie van de curator versterkt door het niet juist voeren van de administratie en het bewaren daarvan strafbaar te stellen.

De bepalingen inzake faillissementsfraude – eenvoudige bankbreuk en bedrieglijke bankbreuk – dateren van het einde van de negentiende eeuw. Ze zijn sindsdien weliswaar op onderdelen gewijzigd, maar dit neemt niet weg dat deze wetgeving te karakteriseren is als complex en op punten verouderd. De strafbepalingen hebben evenwel voor een deel hun waarde behouden in de huidige praktijk, getuige ook de rechtspraak. Om die reden heeft het kabinet volstaan met een partiële herziening van de bepalingen, waarbij is gestreefd naar een verbeterde structuur en inhoud.

De in deze wet neergelegde modernisering van de bepalingen heeft vorm gekregen in Titel XXVI van Boek 2 van het Wetboek van Strafrecht. Bijna alle bepalingen zijn aangepast met het oog op verbetering van de bruikbaarheid en effectiviteit. De wet introduceert echter niet een volledig nieuw strafrechtelijk faillissementsrecht. Er wordt, voor zover niet uitdrukkelijk anders vermeld, geen breuk geforceerd met bestaande rechtspraak en indien mogelijk wordt de wettelijke terminologie gehandhaafd. Dit betekent dat ten aanzien van de in de wet gehandhaafde en onbesproken bestanddelen van de strafbepalingen inzake faillissementsfraude ook in het vervolg de uitleg zal gelden die daaraan bij invoering of sindsdien door wijziging of als gevolg van verduidelijking in de rechtspraak is gegeven.

Alle gedragingen die in de artikelen 194 en 340 tot en met 344 Sr zijn strafbaar gesteld vereisen de omstandigheid dat het faillissement is ingetreden of een schuldsaneringsregeling van toepassing is geworden.

De artikelen 340 tot en met 344b Sr zien alle tevens op gedragingen die worden verricht vóór intreding van het faillissement of (voor zover het de artikelen 341, 344, 344a en 344b Sr betreft) toepassing van de schuldsaneringsregeling. In dat geval is het uitspreken van het faillissement of het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling een bijkomende voorwaarde voor strafbaarheid, zonder welke geen voltooid delict of strafbare poging mogelijk is.

Voorts is het opzetverband in de bepalingen tegen het licht gehouden. Alle in het kader van faillissementsfraude strafbaar gestelde gedragingen dienen opzettelijk te worden begaan. Echter is in een aantal gevallen aanvullend opzet van de dader vereist, gericht op (het intreden van) het faillissement en de daaruit voortvloeiende benadeling van schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden. In plaats van de term ‘ter bedrieglijke verkorting’, waarmee dit opzet tot dusver tot uitdrukking wordt gebracht, kiest het voorstel voor een term (‘wetende dat een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld’) die nauwer aansluit bij de standaardwijzen die in het wetboek worden gebruikt om het opzetverband aan te duiden.

Ten slotte bevat de wet een duidelijk onderscheid tussen de strafbaarstelling van enerzijds delicten gepleegd in het kader van het faillissement van een natuurlijk persoon en anderzijds delicten gepleegd in verband met het faillissement van een rechtspersoon (of vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid). Op basis van het onderscheid dat in de wet is aangebracht, kan de strafrechtelijke normstelling in het vervolg preciezer worden toegesneden op het faillissement van een rechtspersoon en de relevante gedragingen van betrokken bestuurders en commissarissen in dat verband.

 

Wet civielrechtelijk bestuursverbod

Op 5 april jl. heeft de  Eerste Kamer ook het wetsvoorstel civielrechtelijk bestuursverbod aangenomen en is het op 8 april 2016 in het Staatsblad gepubliceerd. Hoewel nog geen besluit ten aanzien van de inwerkingtreding is gepubliceerd, wordt verwacht dat ook deze wet per 1 juli 2016 in werking treedt.

Wet civielrechtelijk bestuursverbod leidt tot de invoeging van de artikelen 106a t/m 106e in de Faillissementswet en voegt daarmee aan de faillissementswet de mogelijkheid toe om een civielrechtelijk bestuursverbod, van ten hoogste 5 jaren, op te leggen aan een bestuurder die faillissementsfraude pleegt of zich schuldig heeft gemaakt aan wangedrag in aanloop naar een faillissement. De regering wil hiermee faillissementsfraude en onregelmatigheden rond een faillissement bestrijden en voorkomen dat frauduleuze bestuurders hun activiteiten voort kunnen zetten.

Een bestuurder met een bestuursverbod mag geen bestuursfunctie of commissariaat (meer) uitoefenen bij een andere organisatie. Een bestuursverbod wordt opgelegd door de civiele rechter op verzoek van het Openbaar Ministerie of op verzoek van de curator in het kader van het faillissement van een rechtspersoon waarbij de bestuurder betrokken was.

De positie van de curator wordt aanzienlijk versterkt door ook hem de mogelijkheid tot het indienen van een verzoek tot het opleggen van een bestuursverbod toe te kennen. De curator heeft in de toekomst aldus een aanzienlijke stok achter de deur door in voorkomende gevallen zowel de bestuurder aansprakelijk te stellen als om een bestuursverbod te vorderen. Hiermee zal hij prudent, zorgvuldig en voldoende terughoudend moeten omgaan. Volgens de Memorie van toelichting moet een civielrechtelijk bestuursverbod immers “een uitzonderlijke sanctie voor uitzonderlijke situaties” vormen en zal een bestuursverbod na een faillissement geen automatisme mogen zijn.

Een bestuursverbod kan niet op het uitsluitende verzoek van de schuldeisers worden gevorderd. Wel kunnen schuldeisers de rechter-commissaris vragen de curator een vordering tot een bestuursverbod bij de rechter in te dienen.

 

Herijking faillissementsrecht

Eind 2012 is de herijking van het faillissementsrecht in gang gezet. Deze berust op drie pijlers, te weten modernisering, versterking van het reorganiserend vermogen van bedrijven en fraudebestrijding. Om faillissementsfraude effectiever te kunnen bestrijden, zijn drie wetsvoorstellen ingediend. Twee daarvan hebben het wetgevingsproces inmiddels doorlopen en treden per 1 juli 2016 in werking. Het betreft het wetsvoorstel civielrechtelijk bestuursverbod en het wetsvoorstel herziening strafbaarstelling faillissementsfraude.

Versterking positie curator

Het derde wetsvoorstel heeft eveneens tot doel een bijdrage te leveren aan de bestrijding van faillissementsfraude. In dit wetsvoorstel wordt daartoe de positie van de curator versterkt. Ten eerste door de informatiepositie van de curator te versterken door de inlichtingen-, medewerkingsplichten en de plicht tot het overleggen van de administratie in faillissement te verduidelijken en te versterken. Ten tweede voorziet dit wetsvoorstel in de wettelijke institutionalisering van de fraudesignalerende rol van de curator en in een versterking hiervan door te voorzien in vervolgstappen voor de curator als hij in het faillissement onregelmatigheden signaleert. De versterking van de informatiepositie en van de fraudesignalerende rol van de curator zijn bedoeld om bij te dragen aan het vergroten van het boedelactief. Daarmee draagt het wetsvoorstel ook bij aan de beperking van de maatschappelijke schade van faillissementen.

Het wetsvoorstel ligt nu nog ter behandeling bij de Tweede Kamer.

Documenten:

 

Print Friendly and PDF ^

Reactie Wiebes op rapport Europese Rekenkamer mbt de aanpak van btw-fraude

In maart 2016 heeft de Europese Rekenkamer een speciaal verslag gepubliceerd met de titel “De aanpak van intracommunautaire btw-fraude: er zijn meer maatregelen nodig”. Op 27 mei jl. heeft Wiebes, staatssecretaris van Financiën, zijn reactie op dit rapport aan de Tweede Kamer gezonden. De Europese rekenkamer heeft onderzocht of de EU de intracommunautaire btw-fraude doeltreffend bestrijdt en constateert dat het EU-systeem niet doeltreffend genoeg is en komt daarom met 14 aanbevelingen gericht aan de Europese Commissie, de lidstaten, de Raad en het Europees Parlement.

Het publicatiemoment van het speciale verslag van de Rekenkamer viel mooi samen met het op 7 april 2016 verschenen btw-actieplan van de Europese Commissie waarin ook de aanpak van btw-fraude een belangrijk onderwerp is. Over dit actieplan heeft uw Kamer inmiddels een BNC-fiche ontvangen met het standpunt van de Nederlandse regering.

Wiebes schetst in zijn brief aan de Twwede Kamer op welke wijze de aanbevelingen, hoewel soms aan de Europese Commissie gericht, in het Nederlandse beleid passen en waarom sommige juist niet.

Nederlands beleid aanpak btw-fraude

Volgens Wiebes is het belang van een doeltreffende btw-fraudebestrijding groot, niet alleen omdat met de fraude veel geld verloren gaat maar ook - zoals de Rekenkamer verwoordt - vaak in verband wordt gebracht met georganiseerde misdaad. De EU-brede btw-fraude wordt geschat op circa 50 miljard Euro per jaar.

In Nederland is de aanpak van btw-fraude dan ook onveranderd stevig en in lijn met een groot aantal aanbevelingen van de Europese Rekenkamer. De aanpak van de btw-fraude is zowel preventief als repressief van aard. De aanpak is gericht op het reduceren van de mogelijkheden tot het plegen van fraude, het zo snel mogelijk stopzetten van lopende fraude en het voorkomen van nieuwe. Op basis van vermoedens van fraude wordt in een zo vroeg mogelijk stadium actie ondernomen om een (beginnende) fraude de pas af te snijden. Door maatregelen zoals het niet verlenen dan wel intrekken van btw-nummers worden verschillende wegen voor fraudeurs afgesloten. Daarnaast zijn goede informatie-uitwisseling en snelle detectie onontbeerlijk om hen in een vroeg stadium op te sporen en aan te pakken. In die zin is de oprichting van Eurofisc een goede stap in die richting geweest. Binnen dit early-warning netwerk wordt binnen verschillende werkvelden gerichte informatie over fraudesignalen met de Lidstaten gedeeld. Deze informatie in combinatie met onze nationale analyse methodiek kan snel en gericht verlies door btw-fraude worden beperkt of zelfs worden voorkomen.

Al enige tijd werkt de Belastingdienst met zogenoemde waarschuwingsbrieven waarmee ondernemers worden geïnformeerd dat ze vermoedelijk betrokken zijn bij frauduleuze ketens. Hierbij worden goedwillende ondernemers beschermd tegen ongewilde deelname aan een fraude en kunnen kwaadwillende ondernemers beter aangepakt worden. De Nederlandse waarschuwingsbrieven liggen in lijn met de aanbeveling van de Europese rekenkamer om ondernemers bij frauduleuze ketens in gebreke te stellen (aanbeveling 10).

Ook tijdens het Nederlandse Voorzitterschap van de EU is fraudebestrijding in de btw een belangrijk speerpunt. Daarom heb ik tijdens het Nederlandse Voorzitterschap het fraude analyse instrument (Transaction Network Analysis) gepromoot. Het Voorzitterschap werkt aan Conclusies van de Ecofin Raad die o.a. het belang van dit fraudebestrijdingsinstrument benadrukken. Zoals het er nu naar uitziet kunnen alle lidstaten die dit willen hiermee snel van start gaan. Een gezamenlijke risico analyse in EU verband, wat een belangrijk wapen is tegen de fraudeurs, is hiermee een feit (aanbeveling 4).

De Belastingdienst, Douane en FIOD werken bovendien hard om de informatie uitwisseling verder te optimaliseren en zoeken hierbij ook nadrukkelijk aansluiting met andere landen in de EU. Hierbij wordt bijvoorbeeld ook gepromoot om – indien nodig en als het kan – grensoverschrijdende controles in te stellen. (aanbeveling 2, 3,11).

Ten slotte passen een aantal aanbevelingen niet in het Nederlandse beleid (5, 9,12,14). De redenen hiervoor verschillen deels maar komen er in feite allemaal in de kern op neer dat deze maatregelen niet effectief zijn, nadelig zijn voor het bona fide Nederlandse bedrijfsleven en soms zelfs fraude in de hand kunnen werken. Een voorbeeld hiervan is het toekennen van 2 btw nummers; 1 voor nationaal gebruik en 1 voor internationaal gebruik. Naast de extra last voor het bedrijfsleven ziet Wiebes niet in hoe dit de fraude aan kan pakken.

Een groot aantal van de aanbevelingen heeft inmiddels zijn weg gevonden in de raadsconclusies naar aanleiding van het Btw-actieplan. Dit laat zien dat de lidstaten de aanpak van btw fraude zeer serieus nemen en daarbij inventieve oplossingen niet schuwen. Nederland is één van de landen die daarin voorop lopen.

 

 

Print Friendly and PDF ^