10 maanden celstraf voor oplichting Residentieorkest en Nuffic

Rechtbank Den Haag 3 augustus 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:9150

De Haagse rechtbank heeft een 30-jarige man veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden voor oplichting van het Residentieorkest en het Nuffic (een organisatie ter bevordering van internationale samenwerking in het hoger onderwijs).

De man werkte in 2013 bij het Residentieorkest op de financiële administratie en heeft zijn werkgever benadeeld voor ruim €100.000. In 2014 werd hij financieel medewerker van het Nuffic, deze instelling benadeelde hij voor ruim €150.000. De civiele rechter had hem reeds eerder veroordeeld tot terugbetaling van deze bedragen aan het Residentieorkest en het Nuffic. Ter zitting is gebleken dat verdachte nog niets betaald had.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Fiscale constructie met Antilliaanse Stichting Particulier Fonds (SPF): Veroordeling belastingadviseur voor frauduleuze handelingen

Rechtbank Oost-Brabant 21 juli 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:3916

De rechtbank Oost-Brabant heeft een 63-jarige man uit Breda veroordeeld tot een taakstraf van 50 uur en een geldboete van 10.000 euro voor onder meer belastingfraude en valsheid in geschrift. Zijn 54-jarige zwager uit België en zijn 49-jarige schoonzus uit Eindhoven krijgen voor hun aandeel een taakstraf van 50 uur, de schoonzus krijgt deze geheel voorwaardelijk opgelegd. De rechtbankspreekt de verdachten vrij van witwassen, net als de 83-jarige schoonvader van de Bredanaar.

De 2 mannen en de vrouw hebben zich tussen 2002 en 2010 schuldig gemaakt aan het opzettelijk onjuist doen van belastingaangiften, namelijk het nalaten van het “kruisen” van de trustvraag. In mei 2008 verstrekten ze, per brief, opnieuw onjuiste inlichtingen aan de belastingdienst en tussen 2000 en 2010 werden er onder meer volmachten en notulen vals opgemaakt.

De 63-jarige man was werkzaam als belastingadviseur en partner bij een accountantskantoor en gespecialiseerd in internationaal belastingrecht. Zo regelde hij alles en maakte alle valse documenten op.

De rechtbank honoreerde het beroep op afwezigheid van alle schuld van de zwager en schoonzus maar ten dele. Ondanks dat zij minder deskundig waren dan hun zwager/belastingadviseur, vond de rechtbank dat zij, vanaf mei 2008, niet zondermeer mochten blijven afgaan op zijn belastingadviezen. Een accountant had hen namelijk toen duidelijk gemaakt dat de juistheid van die adviezen geenzins vaststond. Zij hadden toen nader moeten informeren, al dan niet bij de belastingdienst zelf. Aan de verdachten werd ook verweten dat zij ten onrechte niet hadden opgeven dat zij, ondanks een andere juridische structuur, toch feitelijk de beschikking hadden over vermogen dat door de schoonvader was weggezet in een Antilliaanse stichting (SPF). Hier achtte derechtbank de opzet tot het doen van onjuiste aangifte echter niet aanwezig en sprak de verdachten daarvan vrij.

Bij het bepalen van zijn straf weegt de rechtbank mee dat de man uit Breda een leidinggevende rol speelde. Hij had, gelet op zijn opleiding en vakgebied, de aangiften op een juiste wijze moeten invullen en bij twijfel had moeten voorleggen aan de belastingdienst. De man, zijn zwager en schoonzus handelden puur uit winstbejag en zij wilden voorkomen dat de gebruikte constructie ter ontwijking van belastingheffing bekend zou worden bij de fiscus. Anderzijds weegt de rechtbank mee dat de 3 verdachten niet eerder zijn veroordeeld en dat deze zaak jarenlang boven hun hoofd heeft gehangen. Tot slot houdt de rechtbank er bij het bepalen van de straf rekening mee dat de redelijke termijn is overschreden waarbinnen de behandeling van de strafzaak moet zijn afgerond.  Weliswaar kan een deel van de 43 maanden overschrijding worden gerechtvaardigd omdat op verzoek van de verdediging getuigen zijn gehoord bij de rechter-commissaris en er rechtshulpverzoeken in het buitenland zijn gedaan. Desondanks blijft er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een behoorlijke overschrijding.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Rb: Onderzoek integriteit Club Reeperbahn deugde niet

De burgemeester van Breda weigerde in 2014 onterecht een exploitatievergunning aan Club Reeperbahn. De burgemeester baseerde de weigering op een onderzoek van het Landelijk Bureau Bibob. De rechtbankZeeland-West-Brabant bepaalde donderdag dat de conclusies uit dit onderzoek onjuist zijn.

Misbruik

Club Reeperbahn deed in 2014 een aanvraag voor een vergunning voor de uitoefening van een seksinrichting. De burgemeester vond de manier van financiering van de club en de bedrijfsvoering onduidelijk. Ook bestond het vermoeden dat misbruik zou worden gemaakt van de aangevraagde vergunning. Hierop vroeg de burgemeester advies aan het Landelijk Bureau Bibob (Wet bevordering integriteitsbeoordeling door het Openbaar bestuur).

‘Strafbare feiten’

Bureau Bibob concludeerde in 2015 dat de aangevraagde vergunning mogelijk wordt gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten financieel voordeel te halen en strafbare feiten te plegen en adviseerde de gemeente de vergunning niet te verlenen. Bureau Bibob beschouwde de vorige eigenaar als mede-exploitant in de periode september 2009 tot mei 2014 . Daarmee zou de destijds afgegeven vergunning strijdig zijn met de APV. De burgemeester keurde daarop ook deze vergunningaanvraag af.

Vorige eigenaar geen exploitant

Club Reeperbahn stapte vervolgens naar de rechter. Op 21 juli concludeerde derechtbank in Breda dat uit het rapport niet is gebleken dat de club in overtreding was en er mogelijk strafbare feiten zijn gepleegd. De vorige eigenaar kon namelijk niet als exploitant worden aangemerkt, ook al was hij betrokken bij de bedrijfsvoering. De burgemeester had de aanvraag voor een exploitatievergunning dan ook niet hierom mogen weigeren. Omdat het bij de rechter niet duidelijk was of de burgemeester nog andere redenen heeft om een vergunning te weigeren moet de burgemeester zijn besluit opnieuw overwegen.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Wrakingsverzoek afgewezen: Geen sprake van objectief gerechtvaardigde vrees van vooringenomenheid door gepubliceerde interview met rechter in NRC i.c.m. eerdere uitspraak van de rechter in vergelijkbare strafzaak

Rechtbank Rotterdam 14 januari 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:5884 Op 27 februari 2015 is verzoeker in de zaak met parketnummer 10/960147-14 gedagvaard om op 11 maart 2015 te verschijnen voor de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank. Het onderzoek op de terechtzitting is in de loop van 2015 een aantal malen voor onbepaalde tijd geschorst in verband met verwijzingen naar de rechter-commissaris voor het verrichten van onderzoek. Op de openbare terechtzitting van 14 januari 2016 is door de meervoudige kamer voor strafzaken van deze rechtbank, van welke kamer de rechter deel uitmaakt, de behandeling van de strafzaak tegen verzoeker voortgezet. Bij gelegenheid van die behandeling heeft de raadsman van verzoeker wraking van de rechter verzocht.

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoeker het volgende aangevoerd:

Een dag voor de zitting verscheen op 13 januari 2016 in het NRC Handelsblad een artikel getiteld “Pedofielen en jihadisten zijn lastig te straffen”. De door de voorzitter in dat artikel gedane uitlatingen leveren voor de verdediging reden op om te veronderstellen dat de voorzitter vooringenomenheid koestert. In dat interview laat de voorzitter zich uit over straffen voor jihadisten. Ik citeer de volgende passage uit het interview, op pagina 2, “Je kijkt als rechter ook altijd naar de effectiviteit van een straf. Of een proeftijd met bijzondere voorwaarden werkt voor deze categorie daders, weten we niet. Ook ziet de reclassering soms geen aanknopingspunten voor begeleiding van deze daders. In zo’n geval moet de rechter terugvallen op zijn klassieke strafopvatting: een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.” Indien de strafkamer tot bewezenverklaring komt, zal zij een beslissing moeten nemen over de op te leggen straf. De reclassering rapporteert in de zaak tegen mijn cliënt geen uitspraak te kunnen doen omtrent de recidive. De verdediging is voornemens onder meer te gaan pleiten voor een voorwaardelijke gevangenisstraf. Gelet op de inhoud van het interview is bij verzoeker de indruk ontstaan dat hij geen fair trial krijgt en dat de voorzitter niet openstaat voor oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf. Dat was ook het geval in een strafzaak, waarin deze rechtbank op 8 juni 2015 uitspraak heeft gedaan. Daar heeft de rechtbank de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd. Ook in die zaak was deze rechter voorzitter van de meervoudige kamer voor strafzaken. Gezien het interview in combinatie met deze uitspraak is er bij verzoeker sprake van vrees van vooringenomenheid van de rechter.

De rechter heeft niet in de wraking berust.

De rechter heeft te kennen gegeven dat geen sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking kan opleveren. Daarbij is het volgende aangevoerd:

Op 25 november jl. heb ik een interview gegeven aan het NRC Handelsblad. Dat interview is gisteren pas gepubliceerd. Het zou eigenlijk een week na het interview al worden gepubliceerd, maar dat is niet gebeurd. Ik ben ook niet gelukkig met het moment van publicatie. Ik heb een algemene opvatting gegeven en mij niet over specifieke zaken uitgelaten. Het is niet zo dat een gevangenisstraf voorop staat. In het interview zeg ik ook dat juist eerst naar andere opties gekeken moet worden. Er wordt ten onrechte een vergelijking gemaakt met de uitspraak van 8 juni 2015. Het feitencomplex en de omstandigheden in die zaak waren wezenlijk anders dan hier het geval is. Ik citeer uit de strafmotivering van die uitspraak:

“De rechtbank ziet, gelet op de ernst en aard van het misdrijf, het voornoemde hoog gemiddelde recidiverisico en het hoge risico op onttrekken aan voorwaarden, geen aanleiding om een gedeelte van de op te leggen gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm, al dan niet met bijzondere voorwaarden, op te leggen”.

Het zou een probleem zijn als een strafrechter – buiten een strafzaak om – zich niet mag uitlaten over straffen in zijn algemeenheid.

De officier van justitie heeft gemotiveerd geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.

Beoordeling

Wraking is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de door verzoeker geuite vrees voor vooringenomenheid van de rechter door objectieve factoren gerechtvaardigd is.

De wrakingskamer ziet zich geplaatst voor de vraag of door het gepubliceerde interview van de rechter in het NRC Handelsblad in combinatie met de genoemde uitspraak van 8 juni 2015, sprake is van een objectief gerechtvaardigde vrees van vooringenomenheid van de rechter. De wrakingskamer beantwoordt die vraag ontkennend, waarbij wel opgemerkt wordt dat de timing van de publicatie van het interview daags voor de inhoudelijke behandeling van de onderhavige strafzaak, weinig gelukkig is, hetgeen overigens door de rechter ook is erkend.

De door verzoeker aangehaalde passage uit het interview is naar het oordeel van de wrakingskamer onvoldoende concreet om daaruit die vrees af te leiden. In het begin van het interview heeft de rechter aangegeven dat hij zich niet uitspreekt over specifieke zaken, maar slechts over terrorismerechtspraak in het algemeen. Letterlijk staat er in het interview:

“Bij uitzondering stemde de magistraat een maand geleden toe met een interview. Hij wil zich niet uitspreken over specifieke zaken, wel over terrorismerechtspraak in het algemeen. Van der Groen zegt dat het in dit type zaken moeilijk is een strafmaat te bepalen. Volgens hem is nauwelijks iets bekend over de effectiviteit van straffen voor jihadisten. En dat is lastig voor een rechter die de straf moet bepalen”.

Uit het vervolg van het interview blijkt dat de rechter een lans wil breken voor meer zinvolle begeleiding van daders in dit soort zaken en een voorkeur heeft voor andere opties dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

In de alinea die verzoeker zelf heeft geciteerd wordt weliswaar het woord “moeten” gebruikt, hetgeen bij eerste lezing imperatief lijkt, doch die zinsnede moet gelezen worden in combinatie met de zin daarvoor, waarin aangegeven wordt dat de reclassering soms (cursief rechtbank) geen aanknopingspunten ziet voor begeleiding van deze daders. De combinatie van beide zinnen vormt naar het oordeel van de wrakingskamer een uitspraak van algemene aard. Die zinnen vormen des te minder aanleiding voor de conclusie dat sprake is van een objectief gerechtvaardigde vrees van vooringenomenheid van de rechter, wanneer bedacht wordt dat uit de slotregel van die alinea en de vervolgalinea van het interview blijkt dat andere opties dan onvoorwaardelijke gevangenisstraf de voorkeur hebben van de rechter. Letterlijk staat in het interview:

“Je kijkt als rechter ook altijd naar de effectiviteit van een straf. Of een proeftijd met bijzondere voorwaarden werkt voor deze categorie daders, weten we niet. Ook ziet de reclassering soms geen aanknopingspunten voor begeleiding van deze daders. In zo’n geval moet de rechter terugvallen op zijn klassieke strafopvatting: een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Terwijl je liever eerst naar andere opties kijkt.

We zouden veel meer moeten investeren in onderzoek naar het effect van straffen op jihadisten. Daar is te weinig over bekend. Wel hebben wij goede ervaringen met de enkelband. Ik ken geen zaken waarbij een verdachte met enkelband alsnog uit Nederland is vertrokken”.

In het licht van hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van het interview levert hetgeen verzoeker gesteld heeft ten aanzien van de uitspraak van 8 juni 2015 evenmin grond op voor wraking van de rechter.

Het verzoek is mitsdien ongegrond. Het verzoek wordt afgewezen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Beleggingsfraude Costa Rica. Niet-ontvankelijkheidsverweer op basis van niet vernietigde geheimhoudergesprekken faalt. In het nadeel van verdachte wordt meegenomen dat hij moet worden gezien als initiator.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21 juli 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:4518 en ECLI:NL:RBZWB:2016:4518

De hoofdverdachte van herhaalde grootschalige beleggingsfraude moet in totaal meer dan twee jaar de cel in. De fraude vond plaats in 2002-2003 en 2005-2006. De verdediging beriep zich onder meer op schending van de redelijke termijn. Desondanks legde de rechtbank Zeeland-West-Brabant de verdachte onvoorwaardelijke celstraffen op van 15 en 12 maanden.

Beleggingen

De verdachte zette de bedrijven New World Products en Finacor op en was op het moment van de start van het opsporingsonderzoek bezig nogmaals een nieuw, soortgelijk bedrijf op te zetten. Investeerders dachten dat ze met deze bedrijven belegden in citrus- en ananasplantages in Costa Rica, maar het geld verdween en de bedrijven gingen failliet. De rechter acht bewezen dat voor meer dan 1,5 miljoen euro aan beleggingen is gefraudeerd.

Onvoorwaardelijk

De verdediging van de verdachte verzocht eerder om de zaak niet ontvankelijk te verklaren. Dit vanwege de vertraging in de vervolging en het feit dat verslagen van vertrouwelijke telefoontaps met geheimhouders als bijvoorbeeld advocaten in het dossier terecht waren gekomen. De rechtbank wees dit verzoek af vanwege de ernst van de verdenkingen: de verdachte heeft meer dan eens bewust gefraudeerd en leiding gegeven aan een criminele organisatie. Met inachtneming van de forse overschrijding van de redelijke termijn, de schending van de geheimhoudersgesprekken en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, legt de rechter een straf op van 12 maanden onvoorwaardelijke celstraf in zijn aandeel in Finacor en 15 maanden voor zijn aandeel als initiator in de fraude met New World Products.

Medeverdachten

Zijn medeverdachten in de Finacorzaak zijn veroordeeld tot respectievelijk 12 maanden gevangenisstraf onvoorwaardelijk, 44 dagen gevangenisstraf (gelijk aan het voorarrest) alsmede 240 uur taakstraf, en 9 dagen gevangenisstraf (gelijk aan het voorarrest) alsmede 180 uur taakstraf.

 

Lees hier de volledige uitspraken:

 

Print Friendly and PDF ^