Rb: Onderzoek integriteit Club Reeperbahn deugde niet

De burgemeester van Breda weigerde in 2014 onterecht een exploitatievergunning aan Club Reeperbahn. De burgemeester baseerde de weigering op een onderzoek van het Landelijk Bureau Bibob. De rechtbankZeeland-West-Brabant bepaalde donderdag dat de conclusies uit dit onderzoek onjuist zijn.

Misbruik

Club Reeperbahn deed in 2014 een aanvraag voor een vergunning voor de uitoefening van een seksinrichting. De burgemeester vond de manier van financiering van de club en de bedrijfsvoering onduidelijk. Ook bestond het vermoeden dat misbruik zou worden gemaakt van de aangevraagde vergunning. Hierop vroeg de burgemeester advies aan het Landelijk Bureau Bibob (Wet bevordering integriteitsbeoordeling door het Openbaar bestuur).

‘Strafbare feiten’

Bureau Bibob concludeerde in 2015 dat de aangevraagde vergunning mogelijk wordt gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten financieel voordeel te halen en strafbare feiten te plegen en adviseerde de gemeente de vergunning niet te verlenen. Bureau Bibob beschouwde de vorige eigenaar als mede-exploitant in de periode september 2009 tot mei 2014 . Daarmee zou de destijds afgegeven vergunning strijdig zijn met de APV. De burgemeester keurde daarop ook deze vergunningaanvraag af.

Vorige eigenaar geen exploitant

Club Reeperbahn stapte vervolgens naar de rechter. Op 21 juli concludeerde derechtbank in Breda dat uit het rapport niet is gebleken dat de club in overtreding was en er mogelijk strafbare feiten zijn gepleegd. De vorige eigenaar kon namelijk niet als exploitant worden aangemerkt, ook al was hij betrokken bij de bedrijfsvoering. De burgemeester had de aanvraag voor een exploitatievergunning dan ook niet hierom mogen weigeren. Omdat het bij de rechter niet duidelijk was of de burgemeester nog andere redenen heeft om een vergunning te weigeren moet de burgemeester zijn besluit opnieuw overwegen.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF