Gevangenisstraf voor belastingfraude, valsheid in geschrift en onttrekken van gelden aan het pandrecht van de Belastingdienst

Rechtbank Limburg 24 juni 2016, ECLI:NL:RBLIM:2016:5514 De verdachte heeft zich in zijn functie van feitelijk leidinggevende bij drie rechtspersonen ingelaten met handelingen die kwalificeren als frauduleuze aangiften, valsheid in geschrifte en het negeren van het pandrecht van de Belastingdienst. De strafbare gedragingen van de rechtspersonen hebben tot een aanzienlijk strafrechtelijk fiscaal nadeel geleid, waarvan tot op heden niet is gebleken dat het door het betalen van naheffingen of het verminderen van terug te krijgen bedragen is rechtgezet. Ook loopt het bedrag hoog op dat ten onrechte aan de g‑rekeningen is onttrokken.

Voorvragen

De verdediging heeft (preliminair) naar voren gebracht dat de dagvaarding nietig moet worden verklaard ten aanzien van de feiten 1 en 2, wegens het ontbreken van administratieve bescheiden en naheffingsaanslagen in het dossier. De administraties van de bedrijven waar het om gaat, zijn niet integraal onderzocht door de Belastingdienst en de FIOD en bevatten veel meer dan de stukken die door het openbaar ministerie als bewijs in het dossier zijn opgenomen. Bovendien ontbreken naheffingsaanslagen en is dus niet bekend wat nu de uiteindelijk vast te stellen fiscale verplichtingen van de bedrijven zijn over de tijdvakken genoemd in de tenlastelegging. De tenlastelegging kan zo niet getoetst worden, aldus de verdediging.

De rechtbank heeft dit verweer ter terechtzitting verworpen, omdat zij van oordeel is dat dit verweer betrekking heeft op de bewijsvraag en niet tot de conclusie kan leiden dat de dagvaarding niet voldoet aan de daar krachtens artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering aan te stellen eisen. De dagvaarding is geldig.

De verdediging heeft vervolgens bij pleidooi de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie bepleit, eveneens wegens het ontbreken van meergenoemde administratieve bescheiden en naheffingsaanslagen in het dossier.

De rechtbank verwerpt ook dit verweer. Dat er stukken niet zijn opgenomen in het dossier die de verdediging van belang vindt voor een beoordeling van de bewijsvraag, betekent niet automatisch dat de verdedigingsbelangen door het openbaar ministerie zo grof geschonden zijn, dat het recht op vervolging verspeeld is. De niet-ontvankelijkheid is pas aan de orde als er grove vormverzuimen zijn begaan en/of andere belangrijke processuele beginselen zijn geschonden, waardoor de verdachte geen eerlijk proces krijgt. Dit is door de verdediging niet aangevoerd.

Er is een omvangrijk dossier, dat klaarblijkelijk is gebaseerd op een zeer uitvoerig onderzoek en voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van de zaak zijn verzoeken van de verdediging inzake nadere onderzoeken ingewilligd. Zo zijn er stukken aan het dossier toegevoegd, aanvullende processen-verbaal opgemaakt en getuigen gehoord door de rechter-commissaris. Voor zover er verzoeken zijn geweigerd en er in de visie van de verdediging nog relevante stukken ontbreken, kan dat naar het oordeel van de rechtbank in dit geval hooguit tot de conclusie leiden dat bepaalde feiten bewijs ontberen.

Tot slot heeft de verdediging de rechtbank verzocht de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren wegens een onaanvaardbare schending van de redelijke termijn waarbinnen een strafzaak moet zijn afgerond. De officier van justitie heeft daarop naar voren gebracht dat de redelijke termijn in deze zaak weliswaar is geschonden, maar dat dit alleen gevolgen kan hebben voor de strafmaat. Niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging is niet aan de orde, aldus de officier van justitie.

De rechtbank is met de verdediging en de officier van justitie van oordeel dat de redelijke termijn voor de behandeling van een strafzaak als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) is overschreden in deze zaak. De verdachte is voor het eerst op 20 juni 2011 (als verdachte) verhoord. Die datum houdt de rechtbank aan als startpunt voor de berekening van de in aanmerking te nemen termijn. Dat betekent dat een termijn van vijf jaren is verstreken voordat in de eerste aanleg een eindbeslissing wordt gegeven, terwijl in het algemeen een periode van maximaal twee jaren nog wel als redelijk wordt beschouwd.

Volgens de aanwijzingen die de Hoge Raad heeft gegeven, leidt overschrijding van de redelijke termijn echter niet tot de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Het verweer wordt daarom verworpen. De schending van de redelijke termijn zal de rechtbank wel, zoals hierna uit een te zetten, betrekken bij de overwegingen omtrent het bepalen van de strafmaat.

De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht alle feiten bewezen. De verdachte kan als feitelijke leidinggever worden aangemerkt van de bedrijven B.V. 1, B.V. 2 en van B.V. 3

Volgens de officier van justitie heeft B.V. 1 onjuiste aangiften gedaan voor de omzetbelasting en de loonheffing. B.V. 2 heeft onjuiste aangiften gedaan voor de omzetbelasting en valse facturen opgenomen in de administratie. Door B.V. 3 is in strijd met de regels een bedrag van €150.000 overgemaakt naar een ander bedrijf vanaf een rekening die door middel van een pandrecht van de Belastingdienst was geblokkeerd.

Deze feiten kunnen strafrechtelijk aan de verdachte worden toegerekend. De fiscus is door de tenlastegelegde fraude volgens de officier van justitie voor meer dan €500.000 benadeeld.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van alle feiten.

Het oordeel van de rechtbank

Inleiding

De rechtbank is van oordeel dat de feiten bewezen zijn, met uitzondering van het onder 4. tenlastege legde (onjuiste aangifte loonheffing). De rechtbank zal hierna eerst de rechtspersonen beschrijven en de functie die de verdachte heeft vervuld in deze bedrijven. Daarna zal zij het bewijs van de afzonderlijke feiten bespreken, waarbij ook de verweren van de verdediging aan de orde zullen komen.

Daarbij zij nog opgemerkt dat uit het dossier niet blijkt dat er sprake is geweest van enige vorm van medeplegen. De officier van justitie heeft daar bij zijn requisitoir ook geen aandacht aan besteed. De rechtbank zal de verdachte op dat punt dus partieel vrijspreken en er niet verder op ingaan bij de afzonderlijke feiten.

De rechtspersonen en de functie van de verdachte

B.V. 2

Deze besloten vennootschap was volgens de gegevens van de Kamer van Koophandel gevestigd op het adres adres 1. Als bedrijfsactiviteiten staan onder meer vermeld uitzenden en detacheren. De verdachte was met ingang van 1 december 2008 bestuurder van deze vennootschap. Van 6 januari 2005 tot 1 december 2008 stonden de zonen van de verdachte, naam zoon 1 en naam zoon 2, als bestuurder ingeschreven.

De verdachte was in de periode van de tenlastelegging formeel pas per 1 december 2008 bestuurder, maar de verdachte was over de gehele in de tenlastelegging opgenomen periode wel degene die bepaalde wat er gebeurde in het bedrijf. Daarover heeft de verdachte namelijk het volgende verklaard:

De B.V. had eigen machines en die werden verhuurd aan derden. Naam zoon 1 en naam zoon 2 zorgden ervoor dat de machines in orde waren en dat ze verhuurd konden worden. Ze waren aandeelhouder en directeur. Ik was erbij betrokken. In 2007 of 2008 is naam zoon 2 meer naar het buitenland gegaan voor de paardensport en naam zoon 1 ging meubels en bubbelbaden leveren via zijn Belgische vennootschap. Ik ben er toen ingesprongen en mijn vrouw heeft de aandelen overgenomen. Ik ben directeur/bestuurder geworden. Ik heb toen de activiteiten veranderd met uitzenden en detacheren. Ik ben een uitzendbureau begonnen in B.V. 2. De verhuur van machines ging gewoon door.

Ik ben leidinggevende van B.V. 2, B.V. 1 en B.V. 3 Met betrekking tot B.V. 2 ingaande het derde kwartaal 2007 of 2008. Ik ben de baas. Ik neem de beslissingen. Ik neem de werken aan, zowel winst als verlies. Ik ben degene die zegt wie er betaald wordt, crediteuren en loontrekkenden en ZZP-ers. Ik bepaal ook de prijzen voor het inlenen. Ik verdeel de taken onder het personeel.

Ook tegenover de belastingambtenaren die op 14 oktober 2008 ter plaatse een controle hebben verricht bij het bedrijf, heeft de verdachte zich als leidinggevende opgesteld. Daarover heeft controleambtenaar naam controleambtenaar 1 verklaard:

Op de dag van het boekenonderzoek op 14 oktober ben ik met collega naam controleambtenaar 2 naar B.V. 2 op de adres 1 gegaan. Wij troffen daar verdachte.

Verdachte zei dat hij alles wist van B.V. 2. Wij hebben verder met verdachte gesproken. Hij gaf aan zeer nauw betrokken te zijn bij de gang van zaken bij B.V. 2. De activiteiten zouden bestaan uit het uitlenen van personeel in de bouw en ook zouden personeelsleden nog aan andere uitleners worden uitgeleend.

Ook ter zitting heeft verdachte bevestigd dat hij feitelijk leidinggevende was van B.V. 2 in de tenlastegelegde periode.

B.V. 1

Deze besloten vennootschap was in de periode zoals genoemd in de tenlastelegging volgens de gegevens van de Kamer van Koophandel gevestigd op het adres adres 2. Als bedrijfsactiviteiten staan onder meer vermeld het verrichten van uitzendwerkzaamheden en het detacheren van technisch personeel. De verdachte was van 26 maart 2007 tot 1 oktober 2008 algemeen directeur. Zoals hiervoor al weergegeven, heeft de verdachte verklaard dat hij ook bij B.V. 1 de leiding had hetgeen hij ter zitting desgevraagd heeft bevestigd.

B.V. 3

Deze besloten vennootschap was in de periode van de tenlastelegging volgens de gegevens van de Kamer van Koophandel gevestigd op de adressen adres 3 en adres 4. Als bedrijfsactiviteiten staan onder meer vermeld het ontwikkelen van windmolens en het detacheren van personen op dit gebied. De verdachte staat vermeld als functionaris in de periode van 21 augustus 2008 tot 30 december 2008. Zoals hiervoor al weergegeven, heeft de verdachte verklaard dat hij ook bij B.V. 3 de leiding had, hetgeen hij ter zitting desgevraagd heeft bevestigd.

Conclusies van de rechtbank

De conclusie van de rechtbank uit het voorgaande is dat de verdachte bij de drie rechtspersonen aangemerkt kan worden als de feitelijke leidinggevende ten aanzien van de gedragingen van deze rechtspersonen als bedoeld in artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht. De verdachte was niet alleen op papier betrokken bij de bedrijven, maar nam ook de voor elk bedrijf de relevante beslissingen en stuurde het personeel aan. Bij de bespreking van de feiten zal naar voren komen dat de verdachte ook persoonlijk gegevens aanleverde voor aangiften bij de Belastingdienst. Dat alles betekent dat de verdachte strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gehouden voor verboden gedragingen van deze rechtspersonen.

Tot slot zij nog vermeld dat het doen van belastingaangiften, het maken en bewaren van facturen, alsmede het doen van overboekingen van bankrekeningen gedragingen zijn die aan de rechtspersonen kunnen worden toegerekend. Deze handelingen passen immers in de normale bedrijfsvoering.

De tenlastegelegde feiten

Feit 1 en feit 3: Onjuiste aangiften omzetbelasting en valsheid in geschrift door B.V. 2

B.V. 2 heeft aangiften voor de omzetbelasting gedaan over het tweede, derde en vierde kwartaal van 2008. De aangiften werden feitelijk gedaan door Accountantskantoor B.V. 4 te Sittard via internet, op 18 juli 2008, 28 oktober 2008 en 30 januari 2009. De aangegeven bedragen waren respectievelijk €0, €9.916 en €25.672.

De verdachte heeft over deze aangiften verklaard dat hij de gegevens voor de aangiften omzetbelasting telkens heeft aangeleverd op een A4-tje. De verdachte schreef de gegevens handmatig op een A4-tje en faxte deze vervolgens naar Accountantskantoor B.V. 4. Het A4-tje waarop de cijfers voor de aangifte over het derde kwartaal 2008 werden genoteerd is opgenomen in het dossier.

Uit het onderzoek van de FIOD komt naar voren dat de aangiften onjuist waren. De FIOD heeft tientallen facturen verkregen van de bedrijven Works International Nederland B.V. (handelsnaam Flexwork) en Janssen de Jong Infra B.V., hierna aan te duiden met Flexwork en Janssen de Jong. Uit deze facturen bleek dat B.V. 2 bij deze bedrijven omzetbelasting, BTW, in rekening heeft gebracht en heeft geïncasseerd, maar deze BTW niet heeft aangegeven. Ook werd op het adres adres 1 een USB-schijf aangetroffen met eveneens tientallen facturen van B.V. 2 aan andere bedrijven, waarin BTW in rekening was gebracht.

In totaal gaat het bij genoemde drie kwartalen om de volgende bedragen:

  • €103.273,92 BTW bij Flexwork;
  • €72.739,60 BTW bij Janssen de Jong;
  • €32.829,65 BTW bij overige ondernemingen.

Opgeteld levert dit een BTW-bedrag op van €208.843,17 dat is gefactureerd. In de aangiften is in totaal slechts een bedrag ad €35.588 opgegeven. Uit een aanvullend proces-verbaal blijkt dat in één van de facturen van Flexwork een rekenfout is gemaakt, die door de FIOD in het onderzoek over het hoofd is gezien. Het verschil tussen het bedrag van de aangiften en de BTW-bedragen van de facturen bedraagt na correctie €166.080. Dat bedrag is derhalve niet opgegeven bij de fiscus en vormt het strafrechtelijk fiscale nadeel.

Dat bedrag had opgegeven moeten worden, omdat een onderneming die BTW in rekening brengt, die ook moet afdragen aan de Belastingdienst overeenkomstig artikel 37 van de Wet op de omzetbelasting 1968. Het niet opgeven van dit bedrag strekt ertoe dat er te weinig belasting wordt geheven; daarvoor is het verzwijgen van zo’n bedrag op zichzelf geëigend. Naar het oordeel van de rechtbank kan het niet anders zijn dan dat dit bedrag opzettelijk niet in de aangiften is meegenomen. Dit opzet ligt niet alleen bij de rechtspersoon, maar ook bij de feitelijke leidinggevende, nu het om meer dan 100 facturen ging en het niet aannemelijk is dat per abuis zoveel facturen/bedragen niet zijn meegeteld of zijn vergeten, zoals de verdachte in eerste instantie tegenover de controlerende ambtenaren heeft verklaard.

Bij het onderzoeken van de facturen kwam meer aan het licht dan het niet opgeven van omzetbelasting. Geconstateerd werd dat een aantal facturen afkomstig van Flexwork en van Janssen de Jong afweken van de daarmee corresponderende verkoopfacturen die de verdachte uit eigen beweging bij de controle op 14 oktober 2008 heeft verstrekt aan de controlerend ambtenaar. Bij die controle heeft de verdachte 627 verkoopfacturen van B.V. 2 (digitaal) overhandigd, gedateerd op verschillende data in de periode van 7 januari 2008 tot en met 6 oktober 2008, waarna deze facturen vergeleken zijn met de facturen van de andere ondernemingen. Duidelijk is dat de overgelegde verkoopfacturen, die dus deel uitmaakten van de administratie van B.V. 2, bestemd waren om tot bewijs te dienen. Deze dienen immers ter onderbouwing van de (te controleren) aangiften omzetbelasting.

Het verschil bestond daarin dat op de digitale facturen van B.V. 2 vermeld staat “BTW verlegd”, terwijl op de feitelijk verzonden facturen, zoals deze werden aangetroffen in de administraties van Flexwork en Janssen de Jong, de BTW wel in rekening is gebracht. Opvallend daarbij is dat in de facturen die naderhand digitaal zijn aangeleverd het verschuldigde totaalbedrag van de facturen steeds hetzelfde is gebleven. In totaal werden in de digitale facturen vier verkoopfacturen met verlegde BTW gericht aan Janssen de Jong aangetroffen en elf verkoopfacturen met verlegde BTW gericht aan Flexwork. De daarmee corresponderende facturen uit de administratie van Flexwork zijn ook door dat bedrijf betaald. De directeur van Flexwork, genaamd naam directeur, heeft verklaard dat de bedrijven van de verdachte altijd BTW in rekening brengen.

Dat alles betekent dat vijftien digitale verkoopfacturen vals zijn. Niet alleen werd in strijd met de waarheid vermeld dat de BTW verlegd was, ook het factuurbedrag was telkens onjuist. Als de BTW verlegd zou zijn, dan had het door Flexwork en Janssen de Jong totaal te betalen bedrag op deze digitale facturen immers lager moeten zijn dan de bedragen op de facturen uit de administraties van Flexwork en Janssen de Jong, te weten: het bedrag van deze BTW à 19 procent minder. En dat was telkens niet het geval. Daarmee heeft B.V. 2 voorgewend dat zij geen BTW rekent aan haar afnemers over de aan de factuur ten grondslag liggende uitzendarbeid, terwijl zij in werkelijkheid dit wel doet. De door de verdachte aan de controlerend ambtenaar verstrekte facturen zijn dus vervalst.

De verweren

De verdachte heeft ter terechtzitting ontkend dat er sprake is van valse facturen. De door hem overgelegde digitale facturen met verlegde BTW zijn volgens de verklaringen van de verdachte in overeenstemming met de facturen die aan de afnemers zijn verstuurd. Deze verkoopfacturen zijn volgens de verdachte gemaakt als correctie op eerder aan Flexwork en Janssen de Jong verstuurde gelijkluidende facturen, maar dan met BTW. Volgens de verklaringen van de verdachte is er, telkens op verzoek van Flexwork, een corrigerende creditnota gemaakt, gevolgd door een nieuwe factuur met de aanduiding “BTW verlegd”. Die gang van zaken impliceert dat in dat geval Flexwork frauduleus te werk is gegaan door bij de belasting voor te wenden dat het BTW had betaald, dat dan als terug te krijgen voorbelasting kon gelden.

De rechtbank acht een verloop van de zaken volgens dat scenario niet aannemelijk. Het zou voor de hand hebben gelegen dat de verdachte bij de controle dit verloop van de zaken meteen al naar voren zou hebben gebracht of in elk geval uiterlijk bij zijn verhoor op 20 juni 2011, maar daarvan is niet gebleken. De controleambtenaren hebben hem immers ter plaatse gevraagd waarom er wel BTW werd uitgeschreven op de facturen, maar bijna niets werd aangegeven, waarop de verdachte heeft geantwoord dat men vergeten was dat in de aangiften te vermelden.

Bij zijn verhoor door de ambtenaren van de FIOD gaf de verdachte er verder blijk van dat hij op dat moment besefte dat de BTW in de relatie met Flexwork niet verlegd kan worden, wat fiscaal ook juist is, omdat Flexwork een uitzendorganisatie is die in dit geval op haar beurt weer personeel inleent bij B.V. 2. B.V. 2 was daarom verplicht BTW aan Flexwork in rekening te brengen: de verleggingsregeling van de Wet op de omzetbelasting 1968 bij onderaanneming of uitlening van personeel was niet van toepassing. De verdachte wist op dat moment geen andere verklaring te geven voor de facturen met verlegde BTW dan dat een medewerker van B.V. 2, genaamd naam medewerker, deze facturen buiten zijn medeweten om moet hebben gemaakt. De verdachte nam daarbij aan dat meergenoemde naam directeur, directeur van Flexwork, daarover met naam medewerker zou hebben gebeld, maar verklaarde niet over het in dat kader opmaken van creditnota’s ter correctie op andere facturen. Toen vervolgens de facturen van Janssen de Jong ter sprake werden gebracht, heeft de verdachte met een beroep op het recht daartoe geen verdere verklaring meer willen geven.

naam medewerker heeft tegenover ambtenaren van de FIOD verklaard dat Flexwork één van de klanten was waar BTW in rekening moest worden gebracht en dat hij perplex stond door de hem getoonde facturen met verlegde BTW. Ook de facturen uit de administratie van Janssen de Jong duidde hij als correct. De heer naam directeur heeft tegenover de FIOD eveneens verklaard dat hij de facturen met BTW verlegd zo niet kent en dat B.V. 2 altijd BTW in rekening brengt. De beweringen van de verdachte worden dus duidelijk weersproken in deze verklaringen van getuigen.

Daar komt bij dat, in tegenstelling tot wat de verdachte ter terechtzitting heeft volgehouden, naam directeur niet later verklaard heeft dat de door de verdachte geschetste gang van zaken de juiste is. Bij zijn verhoor bij de rechter-commissaris in 2015 sloot naam directeur het bestaan van creditnota’s niet geheel uit. Bij onderzoek dat daarop is gedaan in de administratie van Flexwork naar de aanwezigheid van creditnota’s uit 2008 zijn de door verdachte benoemde creditnota’s, als ook de nota’s met BTW verlegd niet gevonden. Verder blijkt uit onderzoek naar de metadata van de digitale facturen met verlegde BTW dat deze vrijwel alle op één en dezelfde datum zijn aangemaakt en vermoedelijk niet in een regulier administratief proces, wat je echter wel zou mogen verwachten, als Flexwork verdeeld over een periode van 7 juli 2008 tot 15 september 2008 (de periode waarin de factuurdata liggen) telkens aan de bel had getrokken om een ontvangen factuur te doen corrigeren. Dat is geen doorslaggevend bewijs van fraude als het op zichzelf had gestaan, maar gelet op alle overige feiten, omstandigheden en verklaringen, is niet aannemelijk geworden dat er gecrediteerd is en dat niet zijn bedrijf, maar anderen valsheid in geschrift en/of belastingfraude hebben gepleegd.

Ook op overige onderdelen verwerpt de rechtbank het verweer van de verdediging in het kader van het bewijs van de feiten 1 en 3. Aangevoerd is - kort samengevat - dat de strafrechter geen oordeel kan vellen over deze feiten, omdat hij niet weet wat nu uiteindelijk het bedrag is geweest waarvoor de fiscus is benadeeld en dat onbekend is wat B.V. 2 nog moet betalen aan of terugkrijgen van de Belastingdienst. Volgens de verdediging kan alleen de bestuursrechter dit bedrag vaststellen en pas als die beslissing definitief is, zou de strafrechter dit oordeel kunnen overnemen.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de rechtbank een de beslissing van de belastingrechter niet behoeft af te wachten; de strafrechter moet de vraag beantwoorden of het voorhanden bewijs tot de overtuiging leidt dat onjuist of onvolledig aangifte omzetbelasting is gedaan en of het misdrijf van valsheid in geschrift is gepleegd. De strafrechter kan aan de hand van het procesdossier zelfstandig deze bewijsvragen beantwoorden. Evenmin is vereist dat de strafrechter beschikt over de in de onderhavige zaak opgelegde (naheffings)aanslagen. De tenlastelegging dwingt de rechtbank er niet toe om een specifiek bedrag met bewijs te onderbouwen. Voldoende is dat uit de bewijsmiddelen volgt dat er (veel) te weinig omzetbelasting is opgegeven door B.V. 2 en dat erstrafrechtelijk nadeel is geweest. Dat is volgens de rechtbank het geval en zij heeft hiervoor dat bewijs specifiek weergegeven. Het strafrechtelijk nadeel staat los van de uiteindelijke betalingsverplichting aan de Belastingdienst in het kader van naheffingen of aanslagen.

Verder wordt het bewijsoordeel niet anders omdat er geen volledige administratie beschikbaar is van B.V. 2. Ook daarvan heeft de verdediging een punt gemaakt. Ten tijde van de aangiften was er kennelijk een complete administratie. Er zijn namelijk geen aanwijzingen dat de administratie van B.V. 2 onvolledig was op 14 oktober 2008 en daar is de verdediging het mee eens. Bovendien beschikte de FIOD over de facturen die uit de administraties van Flexwork en Janssen de Jong afkomstig waren en die dus door B.V. 2 kennelijk aan hen zijn verstuurd. De rechtbank neemt tot uitgangspunt dat de facturen, zowel die uit de administratie van Flexwork, respectievelijk Janssen de Jong, als de door de verdachte uit de administratie overgelegde facturen, een adequate afspiegeling vormen van de gegevens uit onderliggende administratieve bescheiden, zoals inkoop-, verkoop- en kasboek, overzichten van debiteuren en crediteuren en wat dies meer zij, met uitzondering dan van de valse facturen. Niet vereist is dat in het kader van de strafzaak in extenso moet kunnen worden onderzocht of die afspiegeling niet mogelijk fouten bevat die de bewijsconclusies uit de (vele) wél beschikbare stukken onderuit zouden halen. Wanneer men daarnaar op zoek gaat moet worden gesproken van een ‘fishing expedition’. Zo’n onderzoek zou nodig kunnen zijn als de verdediging daarvoor goede argumenten had aangedragen, maar voor die noodzaak wordt geen nadere concrete onderbouwing gegeven door de verdediging, anders dan dat is aangevoerd dat er creditnota’s móéten zijn. Voor zover er onderzoek is gedaan naar het bestaan van zulke creditnota’s, is daar niets gevonden dat als décharge van de verdachte kan worden aangemerkt. Uit het onderzoek is het bewijs naar voren gekomen dat bepaalde bedragen aan ontvangen BTW niet zijn opgegeven. Dat alleen al strekt ertoe dat er te weinig belasting wordt geheven waardoor de belastingplichtige te weinig betaalt of teveel terugkrijgt. Zoals gezegd staat dat los van de vraag of de uiteindelijke betalingsverplichting op basis van naheffing hetzelfde bedrag zal omvatten als het strafrechtelijk nadeel.

Feit 2: Onjuiste aangiften omzetbelasting door B.V. 1

B.V. 1 heeft aangiften voor de omzetbelasting gedaan over het eerste en over het tweede kwartaal van 2008. De aangiften werden gedaan via internet, op 25 april 2008 respectievelijk op 18 juli 2008. De aangegeven bedragen aan ontvangen BTW waren op nihil gesteld.

De verdachte heeft geen vragen willen beantwoorden bij zijn verhoor door de ambtenaren van de FIOD over deze aangiften. naam 1 heeft verklaard dat hij in opdracht van B.V. 1 de omzetbelastingaangiften heeft gedaan. Dat deed naam 1 via internet vanuit zijn woonplaats woonplaats. naam 1 kreeg de gegevens voor het doen van deze aangiften omzetbelasting door van het kantoor van de verdachte, dat was gevestigd aan de adres 1 meestal per fax. Op basis van die gegevens stelde hij de aangiften op en verzond deze aan de Belastingdienst. Dat gebeurde zowel bij aangiften die hij voor B.V. 2 verzorgde, als bij de aangiften voor B.V. 1.

Uit het onderzoek door de ambtenaren van de FIOD komt naar voren dat de aangiften onjuist zijn. Uit facturen die zijn verkregen van de bedrijven Flexwork en Janssen de Jong blijkt namelijk dat B.V. 1 bij deze bedrijven BTW in rekening heeft gebracht, maar dat deze BTW vervolgens niet is aangegeven. Op het adres adres 1 werd een USB-schijf aangetroffen met verkoopfacturen van B.V. 1. Deze facturen zijn gedateerd op data in de periode van 7 januari 2008 tot 18 augustus 2008. Op een deel van die facturen wordt BTW in rekening gebracht aan nog weer andere bedrijven.

In totaal ging het bij genoemde twee kwartalen in 2008 om de volgende bedragen:

  • €47.952,95 BTW bij Flexwork;
  • €25.270 BTW bij Janssen de Jong;
  • €18.832,65 BTW bij overige ondernemingen.

Opgeteld levert dit een BTW-bedrag op van €92.055,60 dat is gefactureerd. In de aangiften omzetbelasting is echter opgegeven dat de geïnde BTW nihil was. In een aanvullend proces-verbaal wordt aangegeven dat dit bedrag ook door de Belastingdienst als strafrechtelijk nadeel wordt beschouwd.

Voornoemd bedrag had opgegeven moeten worden, omdat een onderneming die BTW in rekening brengt, die ook moet afdragen aan de Belastingdienst overeenkomstig artikel 37 van de Wet op de omzetbelasting 1968. Het niet opgeven van zo’n groot bedrag strekt ertoe dat er te weinig belasting wordt geheven; daarvoor is het verzwijgen van een bedrag van die omvang op zichzelf geëigend. Het kan ook niet anders dan dat dit bedrag opzettelijk niet in de aangiften is meegenomen, aangezien het om tientallen facturen gaat waardoor niet aannemelijk is dat per abuis van zoveel facturen de betaalde BTW niet werd doorgegeven aan naam 1.

Gelet op de intensieve bemoeienis van de verdachte bij de gang van zaken in de ondernemingen, niet alleen bij B.V. 2, maar ook bij B.V. 1, die bovendien dezelfde bedrijfsactiviteiten ontplooiden, moet worden aangenomen dat de feitelijke leiding van de verdachte ook betrekking heeft gehad op het tot stand komen van de onjuiste of onvolledige aangiften voor de omzetbelasting.

De verdachte heeft over dit feit geen verklaring afgelegd, maar tegenover de controlerende belastingambtenaren heeft de verdachte wel wat gezegd, dat in dit verband als relevant moet worden aangemerkt. Tijdens die bewuste controle op 14 oktober 2008 heeft de verdachte verklaard dat B.V. 2 een voortzetting is van B.V. 1 en dat hij de BTW van twee facturen die B.V. 1 aan B.V. 2 heeft verstuurd toen B.V. 1 nog van hem was, in de aangifte van B.V. 1 heeft vermeld. De verdachte was algemeen directeur van B.V. 1 tot 1 oktober 2008 en de factuurdata zijn 28 april 2008 en 26 mei 2008. Dat betekent in elk geval dat de verdachte ook bij de aangiften omzetbelasting van B.V. 1 betrokken is geweest, waaronder die van het eerste en tweede kwartaal van 2008, gelet op voormelde factuurdata. Daaraan doet niet af dat uit het dossier blijkt dat deze BTW buiten beschouwing is gebleven, omdat er sprake was van een vrijstelling en B.V. 1 de BTW niethad aangegeven en B.V. 2 het niet als voorbelasting had opgevoerd.

De verweren

Ook bij dit feit acht de rechtbank niet aannemelijk dat er sprake is geweest van creditnota’s en dat de BTW niet op de facturen in rekening behoefde te worden gebracht omdat deze verlegd zou zijn. De rechtbank verwijst voor de motivering naar wat zij bij de feiten 1 en 3 heeft vermeld.

Ook de andere verweren, het ontbreken van administratie en (naheffings)aanslagen en de gebondenheid van de strafrechter aan het oordeel van de belastingrechter, verwerpt de rechtbank op dezelfde gronden als welke hiervoor bij de bespreking van de feiten 1 en 3 werden gerelateerd.

Feit 4: Onjuiste aangifte loonheffing van B.V. 1 : vrijspraak

In de in de tenlastegelegde aangiftetijdvakken, te weten: het zevende en het achtste tijdvak van 2008, heeft B.V. 1 een groot aantal personen aan het werk gehad. Dat valt op te maken uit bij de doorzoeking op de adres 1 aangetroffen uren- en planningsoverzichten van B.V. 1. Daarin is weergegeven dat in de administratie van B.V. 1 een onderscheid werd gemaakt tussen personen met een vast dienstverband en personen die werden ingeleend. Uit het onderzoek van de FIOD blijkt dat B.V. 1 aangifte heeft gedaan voor de loonbelasting in relatie tot de vaste werknemers, maar niet of nauwelijks in relatie tot de personen die volgens het overzicht werden ingeleend.

Indien deze inleen zou hebben plaatsgevonden via andere detacheerders of uitzendbureaus zou dat een verklaring hebben gevormd voor het feit dat in de aangifte voor de loonheffing deze personen niet waren betrokken. Uit het onderzoek is echter naar voren gekomen dat deze personen niet via andere detacheerders of uitzendbureaus werden ingeleend. Bovendien bleek uit het onderzoek dat de ingeleende personen niet bij de Belastingdienst bekend waren als zzp-er en dat slechts een enkeling inkomsten heeft opgegeven bij de Nederlandse Belastingdienst. Voorts zijn er feiten vastgesteld die sterke aanwijzingen vormen voor het feit dat deze ingeleende personen contant werden uitbetaald. Dat alles zou kunnen betekenen dat B.V. 1 zich heeft ingelaten met zwart werk. De officier van justitie is van oordeel dat dit het geval is geweest en dat B.V. 1 ten onrechte een bedrag van €161.153 niet heeft opgegeven, omdat de op de uren- of planningsoverzichten onder ‘inleen’ vermelde personen feitelijk in dienst zijn geweest bij B.V. 1.

Dat laatste heeft de officier van justitie niet alleen gebaseerd op voornoemde omstandigheden, maar ook op de stelling van de FIOD dat vele van de als ingeleend vermelde mensen op het urenoverzicht een schriftelijke arbeidsovereenkomst hadden met B.V. 1. Dat zou blijken uit digitale kopieën van die overeenkomsten en enkele ontslagbrieven, aangetroffen bij de doorzoeking van het bedrijfspand aan de adres 1. Het zou dan gaan om 30 arbeidsovereenkomsten.

De rechtbank heeft uit het dossier niet kunnen opmaken welke van die 30 arbeidsovereenkomsten betrekking hadden op B.V. 1, omdat dit getal van 30 ziet op aangetroffen arbeidsovereenkomsten van twee bedrijven: B.V. 1 én B.V. 3 samen. Op aangiften voor de loonheffing van laatst genoemde bedrijf heeft de tenlastelegging echter geen betrekking. Voor zover op de 74 arbeidsovereenkomsten van B.V. 1 die aan het dossier zijn toegevoegd namen voorkomen van als ingeleend vermelde personen, heeft de rechtbank maar in enkele gevallen met zekerheid kunnen vaststellen dat de betreffende personen in de voor de tenlastelegging relevante tijdvakken ten onrechte als ingeleend staan vermeld en niet zijn betrokken in de betreffende belastingaangiften. Dat betreft de personen genaamd naam 2, naam 3 en naam 4. Van anderen is te zien dat hun inkomsten wel zijn betrokken in de aangiften of is te zien dat hun contract voordien al beëindigd was, dan wel dat de ingangsdatum van het contract gelegen is na de voor de tenlastelegging relevante tijdvakken.

Die enkele gevallen waarin kan worden vastgesteld dat de betreffende personen ten onrechte niet in de belastingaangifte voor de loonheffing zijn betrokken leveren naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende bewijs voor de stelling dat opzettelijk een strafrechtelijk relevant bedrag aan loon niet is opgegeven door B.V. 1. De overige omstandigheden, zoals het ontbreken van var-verklaringen en aangiften inkomstenbelasting van als ingeleend vermelde personen, bewijzen niet onomstotelijk dat B.V. 1 gehouden was belasting in te houden en op te geven voor die personen. Ook de omstandigheid dat B.V. 1 contant uitbetaalde, wat de verdachte niet heeft ontkend, wil nog niet zeggen dat er zwart werk werd verricht, waarvoor B.V. 1 aansprakelijk kan worden gehouden. De rechtbank is daarom niet overtuigd dat het onder 4. tenlastegelegde feit is begaan en moet de verdachte daarvan vrijspreken.

Feit 5: Onttrekking van geld aan het pandrecht van de Belastingdienst

B.V. 3 hield een geblokkeerde bankrekening aan bij de Rabobank te Stein en Beek met rekeningnummer rekeningnummer 1, een zogenoemde g-rekening.

Dit type rekening wordt geopend op basis van een specifieke overeenkomst met de Belastingdienst en dient ter verzekering van de afdracht van BTW, loonheffingen en/of sociale premies. Daartoe wordt aan de Belastingdienst een pandrecht op het saldo van deze rekening verleend. Bedrijven kunnen voorkomen dat zij daarvoor worden aangesproken door de Belastingdienst indien de uitlener BTW, loonheffing of sociale premies verzuimd af te dragen door een dienovereenkomstig gedeelte van het aan hen gefactureerde bedrag te voldoen op de g-rekening van de uitlener. Alleen met vooraf verkregen toestemming na onderzoek van de Belastingdienst mag er van een (hoog) saldo op een g-rekening worden opgenomen door de onderneming (deblokkeren). Overboeken van de ene naar een andere g-rekening is onder bepaalde omstandigheden toegestaan.

In het dossier wordt beschreven dat het overmaken van een percentage van 30 à 40 procent van een factuur naar een g-rekening gebruikelijk is bij uitleen- en detacheringsactiviteiten in de bouw, de branche van de onderhavige rechtspersonen. Op zichzelf is dat geen strikt vastgelegd percentage, maar een factuur volledig voldoen met op een g-rekening gestorte gelden is zonder voorafgaande toestemming van de Belastingdienst niet toegestaan.

Vanaf de g-rekening van B.V. 3 zijn op 24 oktober 2008 bedragen tot een totaal van €150.000 overgemaakt naar een g-rekening van Janssen de Jong (met nummer rekeningnummer 2 ). Deze overboeking werd om 17.00 uur gedaan in vier bedragen: tweemaal €50,000, eenmaal €20.000 en eenmaal €30,000.

De betalingen vanaf de g-rekening van B.V. 3 hadden kennelijk betrekking op twee facturen van Janssen de Jong van respectievelijk €80.000 en €70.000. De factuurnummers op de facturen komen namelijk overeen met de bij de overboeking vermelde factuurnummers.

De facturen vermelden grond- en asfaltwerkzaamheden als door Janssen de Jong geleverde diensten en goederen en dat de BTW wordt ‘verlegd’. De facturen bevatten niet meer dan summier aangeduide werkzaamheden. Dat betekent dat deze facturen voor deze diensten en goederen volledig zijn voldaan door B.V. 3 uit het tegoed op de g-rekening. Van het bestaan van die bepaalde omstandigheden die voldoening van facturen met gelden die op de g-rekening zijn gestort rechtvaardigen is niet gebleken. Voorts moet worden geconstateerd dat volledige voldoening van het factuurbedrag met op de g-rekening gestorte gelden in elk geval niet is toegestaan, in tegenstelling tot hetgeen de verdachte daarover ter zitting heeft verklaard, omdat in alle gevallen het deel dat met op de g‑rekening gestorte gelden wordt voldaan in relatie moet staan tot de door het leveren van de diensten en goederen verschuldigde BTW of loonheffingen. Deze betalingen vanaf de g-rekening zijn daarom in strijd met het doel en de regels voor betalingen op en vanaf een g-rekening, waardoor opzettelijk geld is onttrokken aan het pandrecht van de Belastingdienst.

B.V. 3 schond daarmee de overeenkomsten met De Rabobank en de Belastingdienst, welke overeenkomsten door de verdachte namens het bedrijf getekend werden.

De verdachte is hiervoor als feitelijke leidinggevende strafrechtelijk aansprakelijk, niet alleen gelet op wat hiervoor in paragraaf 4.3.2 is beschreven, maar ook gelet op zijn verklaring ter terechtzitting. Op vragen van de rechtbank heeft de verdachte namelijk verklaard dat hij de opdracht heeft gegeven tot deze betaling vanaf de g-rekening van B.V. 3.

 

Bewezenverklaring

  • Feit 1: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;
  • Feit 2: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;
  • Feit 3: valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging;
  • Feit 5:  opzettelijk zijn eigen goed onttrekken aan een pandrecht, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

Strafoplegging

Gevangenisstraf van 15 maanden.

Het fiscale nadeel van de belastingfraude van de feiten 1 en 2 bedraagt afgerond €258.135. De onttrekkingen aan de g-rekeningen als beschreven in het dossier bedragen afgerond €373.000. Deze onttrekkingen zijn weliswaar niet allemaal tenlastegelegd, maar de rechtbank houdt bij de bepaling van de strafmaat met de omvang van dat bedrag rekening.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling tot taakstraf voor fraude met overheidsgeld. Bedrag dat met fraude is gemoeid, is niet vast komen te staan.

Rechtbank Rotterdam 21 juni 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:4945

De verdachte is mede verantwoordelijk voor fraude met geld uit de publieke kas, bestemd voor de begeleiding, coaching en tewerkstelling van een kwetsbare groep mensen. De fraude bestond erin dat budget werd geclaimd voor werkzaamheden die niet of niet aantoonbaar zijn verricht, en dat subsidie werd verkregen door middel van aanvraagformulieren waarop een valse handtekening was geplaatst. Deze gelden zijn vervolgens onder leiding van de verdachte aangewend in de bedrijfsvoering van een bedrijf en dusdoende witgewassen. Uit onderzoek door het UWV zou volgen dat met de fraude een bedrag van ruim € 1,3 miljoen is gemoeid, ruwweg het verschil tussen enerzijds de door het UWV uitgekeerde bedragen en anderzijds de waarde van door Wajongers en inlenende bedrijven waargenomen jobcoaching door de vaste trajectbegeleider.

Terecht heeft de verdachte zich erover beklaagd dat het UWV ook rekening had moeten houden met jobcoaching door anderen dan de vaste trajectbegeleider en met subsidiabel werk dat onzichtbaar voor Wajongers en inlenende bedrijven ‘achter de schermen’ is verricht. De rechtbank acht aannemelijk dat deze laatstgenoemde werkzaamheden wel zijn verricht en indien het UWV daar in haar onderzoek mee rekening had gehouden, had zij het bedrag van de fraude (beduidend) lager begroot. Evengenoemd bedrag van ruim € 1,3 miljoen zal bij de straftoemeting dan ook niet tot uitgangspunt worden genomen. De rechtbank moet concluderen dat het bedrag dat met de fraude is gemoeid in deze procedure niet is komen vast te staan.

Standpunt verdediging feit 1 primair

De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 primair ten laste gelegde feitelijk leidinggeven aan het plegen van valsheid in geschrift door een rechtspersoon. De raadsman heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de rechtspersoon bedrijf B valsheid in geschrift heeft gepleegd. De verdediging heeft betwist dat het aantal uren dat is ingevuld op de in de tenlastelegging onder 1 genoemde verrichtingenoverzichten en facturen, opzettelijk onjuist en ten onrechte is ingevuld. Daarnaast heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de vermeende verboden gedraging.

Beoordeling rechtbank

De bij bedrijf B werkzame administratief medewerksters hebben beiden verklaard dat op de naar het UWV verstuurde stukken betreffende jobcoaching van arbeidsongeschikte jonggehandicapten (hierna: Wajongers) het aantal uren werd ingevuld dat op voorhand bij het UWV was aangevraagd en was toegekend. Dit gebeurde ook indien uit het urenregistratiesysteem, waarin de jobcoaches hun activiteiten boekten, bleek dat minder uren aan jobcoaching waren besteed dan aangevraagd. Ook de accountant getuige 1 heeft verklaard dat bedrijf B een ‘fixed price principe’ hanteerde. De accountant heeft verklaard dat bedrijf B een vastgesteld bedrag ontving voor ieder jobcoachingtraject en dat dit niet op basis van (werkelijke) uurbesteding in de administratie werd verwerkt. De rechtbank leidt hieruit af dat verrichtingenoverzichten en facturen sluitend werden gemaakt. Dat er werd gerommeld met urenregistraties – onder meer door (tegen de regels in) op een dag waarop Wajongers klassikale scholing kregen 6,5 uur jobcoaching te registreren, en dat ook nog eens bij meerdere Wajongers – wordt ook bevestigd door verschillende jobcoaches.

De verdediging heeft inzake betrokkene 3 , betrokkene 4 en betrokkene 2 aangevoerd dat deze Wajongers ook (veelvuldig) contact hadden met andere jobcoaches dan de jobcoach die als trajectbegeleider was aangesteld. Deze stelling is ten dele onderbouwd met stukken. De rechtbank acht op grond daarvan aannemelijk dat meer uren aan jobcoaching zijn besteed dan blijkt uit de zich in het dossier bevindende verklaringen van Wajongers en hun trajectbegeleiders. De rechtbank betrekt hierbij tevens de verklaring van één van de administratief medewerksters, die heeft verklaard dat alle verrichtingen die ten behoeve van een Wajonger waren gedaan in het urenregistratiesysteem werden geboekt op naam van de persoon die de verrichting had gedaan, maar dat op het niet-gespecificeerde verrichtingenoverzicht die verrichting op naam van de trajectbegeleider kwam te staan. Het vorenstaande laat echter onverlet dat verrichtingenoverzichten en facturen sluitend werden gemaakt, zoals de rechtbank op basis van eerdergenoemde verklaringen heeft vastgesteld.

De rechtbank zal mede daarom voor elk in de tenlastelegging genoemd geval bezien of hetgeen door de verdediging ten aanzien van dat specifieke geval naar voren is gebracht, in de weg staat aan bewezenverklaring van de ten laste gelegde valsheid in geschrift.

In de zaak betrokkene 4 acht de rechtbank bewezen dat een te hoog aantal uren begeleiding door een jobcoach is opgegeven. Dat gedurende de in de tenlastelegging genoemde periode ook door andere jobcoaches dan de trajectbegeleider dusdanig veel uren begeleiding aan betrokkene 4 zijn gegeven dat het aantal aan het UWV opgegeven uren niet te hoog is, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid uit de stukken die op verzoek van de verdediging door de officier van justitie aan het procesdossier zijn toegevoegd.

De rechtbank acht – gelet op genoemde stukken – niet bewezen dat inzake betrokkene 3 een te hoog aantal uren begeleiding door een jobcoach is opgegeven aan het UWV.

Ten aanzien van betrokkene 2 stelt de rechtbank op grond van haar verklaring en de tot het bewijs gebezigde facturen van bedrijf X vast dat betrokkene 2 gedurende het grootste gedeelte van de ten laste gelegde periode niet heeft gewerkt, maar een dagbesteding had. Daardoor kan van subsidiabele jobcoaching geen sprake zijn.

Inzake betrokkene 1 , betrokkene 5 , betrokkene 6 en betrokkene 7 is door de verdediging aangevoerd dat deze Wajongers deel uitmaakten van het zogenaamde project: een in samenspraak met het UWV uitgevoerd experimenteel project waarbij volgens de verdediging ongeacht het soort werk, de inzet en het aantal gewerkte uren maandelijks een volledig loon wordt uitbetaald en waarbij de Wajonger op de werkplek wordt begeleid door een jobcoach. Deze gevallen zijn volgens de verdediging abusievelijk beoordeeld als waren het reguliere jobcoachtrajecten. De stelling dat ten aanzien van deze gevallen andere afspraken met het UWV golden dan ten aanzien van de gevallen waarin een regulier jobcoachingtraject was aangeboden, is echter niet concreet onderbouwd. De rechtbank gaat derhalve daaraan voorbij en komt tot de slotsom dat sprake is van het opgeven van een te hoog aantal uren begeleiding door een jobcoach.

Dat de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging vindt steun in de inhoud van de in dit vonnis opgenomen bewijsmiddelen en in zijn verklaring ter terechtzitting dat hij leiding gaf aan de betrokken vennootschappen.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het tot vrijspraak van feit 1 primair strekkende verweer wordt verworpen.

Standpunt verdediging feit 2

De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit van het onder 2 primair ten laste gelegde feitelijk leidinggeven aan het plegen van valsheid in geschrift door de rechtspersoon bedrijf B De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de rechtspersoon valsheid in geschrift heeft gepleegd. De verdediging heeft aangevoerd dat de persoon die de in de tenlastelegging onder 2 genoemde formulieren “definitieve vaststelling loonkostensubsidie” heeft ingevuld, deze niet met opzet vals heeft ingevuld. Daarnaast heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de vermeende verboden gedraging.

Beoordeling rechtbank

De rechtbank overweegt ten aanzien van het verweer dat de formulieren “definitieve vaststelling loonkostensubsidie” niet met opzet vals zijn ingevuld, dat voor een bewezenverklaring van opzet niet is vereist dat komt vast te staan dat de namens of ten behoeve van die rechtspersoon optredende natuurlijke persoon met dat opzet heeft gehandeld (HR 29 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB8977).

Ten aanzien van de door de verdediging in dit verband herhaalde stelling dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de vermeende verboden gedraging, overweegt de rechtbank dat die stelling wordt weerlegd door de bewijsmiddelen.

Eén en ander leidt tot de conclusie dat het tot vrijspraak van feit 2 primair strekkende verweer wordt verworpen.

Standpunt verdediging feit 4 primair

De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit van het onder 4 primair ten laste gelegde feitelijk leidinggeven aan het plegen van valsheid in geschrift door bedrijf B . De raadsman heeft aangevoerd dat van boos opzet geen sprake is en dat de verdachte pas achteraf begrijpt dat de handelwijze van bedrijf B , het bedrijf waaraan de verdachte leiding gaf, verkeerd is geweest.

Beoordeling rechtbank

Vooropgesteld wordt dat in feitelijke leidinggeven aan een door een rechtspersoon gepleegde verboden gedraging een zelfstandig opzetvereiste op de verboden gedraging besloten ligt. De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat een negental door bedrijf B bij het UWV ingediende aanvraagformulieren voor een Wajong adviesvoucher is voorzien van een handtekening, die de handtekening moest voorstellen van een persoon verbonden aan het bedrijf op naam waarvan het aanvraagformulier werd ingediend. De rechtbank stelt daarnaast vast dat de verdachte op voorhand wist dat de aanvraagformulieren werden ondertekend door medewerkers van bedrijf B , in plaats van door de aanvrager. Anders dan de verdediging doet voorkomen, blijkt uit de bewijsmiddelen voorts dat de verdachte wist dat daarvoor een machtiging was vereist – zoals overigens ook op het aanvraagformulier is vermeld. Gesteld noch gebleken is dat dergelijke machtigingen zijn verleend. De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachtes opzet was gericht op het vals opmaken van de aanvraagformulieren voor een Wajong adviesvoucher. Dat de verdachte het gewicht van de ondertekening verkeerd heeft ingeschat, zoals de verdediging heeft aangevoerd, maakt het voorgaande niet anders.

Het tot vrijspraak van feit 4 primair strekkende verweer wordt derhalve verworpen.

Bewezenverklaring

  • Feit 1 primair: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen.
  • Feit 2 primair: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen.
  • Feit 3 primair: medeplegen van: van het plegen van witwassen een gewoonte maken, begaan door een rechtspersoon.
  • Feit 4 primair: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen.

Strafoplegging

Verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Vijf verdachten veroordeeld voor verschillende illegale handelingen met knobbelzwanen in strijd met o.a. de Flora- en faunawet, Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990

Rechtbank Midden-Nederland 5 juli 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:3649, ECLI:NL:RBMNE:2016:3650, ECLI:NL:RBMNE:2016:3724, ECLI:NL:RBMNE:2016:3725, ECLI:NL:RBMNE:2016:3670, ECLI:NL:RBMNE:2016:3669 Vijf verdachten worden veroordeeld voor verschillende handelingen met knobbelzwanen. De rechtbank legt twee broers €1.000 geldboete op, waarvan €500 voorwaardelijk. Een derde broer krijgt een geldboete van €1.500, waarvan €500 voorwaardelijk. Twee andere verdachten krijgen 60 uur taakstraf, waarvan 30 uur voorwaardelijk en een geldboete van €500.

De knobbelzwanen waren eigendom van de overleden vader van de broers. Volgens het Functioneel Parket hadden de mannen een samenwerkingsverband met hun vader. Zij zouden samen met hun vader afspraken hebben gemaakt over het vangen, merken, ringen en het inkorten van de vleugels van (wilde) zwanen op 27 verschillende locaties. Uit het dossier is niet gebleken dat de zonen die afspraken met hun vader hebben gemaakt. Volgens de rechtbank is wel bewezen dat de verdachten een bijdrage hebben geleverd, of alleen een strafbaar feit hebben gepleegd. Dat zijn veel minder strafbare feiten dan de 27 situaties waar zij van verdacht werden.

Bij een paar knobbelzwanen zijn illegale handelingen verricht. De rechtbank veroordeelt de broers en twee andere verdachten voor hun aandeel in de gepleegde strafbare feiten. Dit zijn onder andere de volgende feiten:

  • Een wilde levende knobbelzwaan is toegeëigend;
  • Er is geringd met een te grote ringmaat;
  • Er is valsheid in geschrift gepleegd door het voorhanden hebben van gemanipuleerde ringen;
  • Vleugels van kuikens zijn niet door een dierenarts ingekort;
  • Een tatoeage van een zwaan is niet door een dierenarts gezet.

De rechtbank legt een lagere staf op dan door de officier van justitie is geëist omdat de mannen minder feiten hebben gepleegd dan waar zij voor terecht stonden.

 

Lees hier de volledige uitspraken:

 

 

 

Print Friendly and PDF ^

Van Rey is veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur

Rechtbank Rotterdam 12 juli 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:5277, ECLI:NL:RBROT:2016:5280, ECLI:NL:RBROT:2016:5272 Oud-wethouder van Roermond en ex-senator van de VVD Jos van Rey is dinsdag veroordeeld tot de maximaal mogelijke taakstraf van 240 uur. Zijn goede vriend projectontwikkelaar Piet van Pol is veroordeeld tot een taakstraf van 100 uur. De Roermondse oud-wethouder Tilman Schreurs (VVD) werd schuldig bevonden, maar krijgt geen straf opgelegd.

Verdenking

Op 15 januari 2015 heeft het Openbaar Ministerie de dagvaarding bekend gemaakt met de feiten waarvan Van Rey verdacht wordt. Het gaat om het volgende:

  • Het aannemen van giften, diensten en beloften ter waarde van 97.699 euro van Van Pol Beheer BV,[11] een projectontwikkelaar en vastgoedbeleggingsbedrijf te Roermond.
  • Het aannemen van giften van RED Security BV, een beveiligings- en surveillancebedrijf te Roermond;
  • Het aannemen van giften van Meulen Groep BV, een bouw-, vastgoed- en projectontwikkelingsbedrijf te Weert;
  • De aangenomen giften van deze bedrijven bestaan uit voor Van Rey betaalde bezoeken aan vastgoedbeurzen, voetbalwedstrijden met hotelovernachtingen, 22 vakantiereizen van Van Rey naar de villa van Van Pol aan de Côte d'Azur, uitstapjes, en donaties aan Liba Adviesbureau BV, een bedrijf dat op naam staat van zijn kinderen. In ruil daarvoor zou Van Rey als wethouder deze bedrijven een voorkeursbehandeling hebben gegeven, vertrouwelijke gemeente-informatie hebben verstrekt en besluitvormingsprocedures hebben beïnvloed. Met name Van Pol Beheer BV zou daardoor voor honderden miljoenen euro's projecten hebben kunnen bouwen.
  • Het witwassen van 175.000 euro;
  • Het ronselen van 34 volmachtstemmen voor gemeenteraadsverkiezingen;
  • Het schenden van het ambtsgeheim door informatie te lekken uit de sollicitatieprocedure voor een nieuwe burgemeester aan vier VVD-politici, namelijk Ricardo Offermanns, Vincent Zwijnenberg, staatssecretaris van Veiligheid en Justitie Fred Teeven en Tweede-Kamerlid Karin Straus (afkomstig uit Roermond).
  • Het regelen van een billboard langs de A73 voor voormalig VVD Staatssecretaris van Financiën Frans Weekers in 2012. Voor de huur werd betaald door Van Pol Beheer BV (€ 1785) en Meulen Groep BV (€ 1190); het Openbaar Ministerie ziet deze bedragen als giften die Van Rey niet had mogen aannemen.

Oordeel rechtbank

Van Rey heeft zich laten omkopen door projectontwikkelaar Van Pol met bijvoorbeeld reizen naar vastgoedbeurzen, zo oordeelde de rechtbank in een vonnis van 88 pagina’s. De rechtbank achtte daarnaast stembusfraude bewezen, maar niet het stelselmatig ronselen van stemmen. Ook van witwassen werd Van Rey vrijgesproken.

Het staat voor de rechtbank vast dat Van Rey over de schreef ging toen hij in september 2012 vragen en gewenste antwoorden doorspeelde aan burgemeesterskandidaat Ricardo Offermans. Van Rey was destijds adviseur van de lokale vertrouwenscommissie voor de benoeming van een nieuwe burgemeester van Roermond. De rechtbank noemde de benoemingsprocedure dinsdag “een poppenkast”.

Van Pol zou volgens het OM bij zijn omkoping gebruik hebben gemaakt van giften aan de oud-wethouders zoals reizen in privéjets naar Cannes, Nice en München. Van Pol zou de gemeente Roermond hiermee met voor 5 tot 7 miljoen euro hebben benadeeld.

De rechtbank vond de keuzes van de twee “onhandig”, maar zag in veel gevallen geen keihard bewijs voor omkoping en fraude. Dat Van Rey en Van Pol al veertig jaar goede vrienden zijn, speelt daarbij mee voor de rechtbank. Veel reizen ondernamen de mannen met hun gezinnen, waarbij afwisselend door beide heren werd betaald. De gezamenlijke reizen naar vastgoedbeurzen worden door de rechtbank wel bestempeld als omkoping omdat van Rey deze niet als vriend maakte, maar vooral als wethouder.

Van Rey is nog altijd lid van de Roermondse gemeenteraad in zijn eigen Liberale Volkspartij Roermond (LVR) en van de Provinciale Staten van Limburg. Hij ontkent steevast dat hij grote fouten heeft gemaakt en wees erop dat bouwbesluiten zijn genomen door het voltallig gemeentebestuur. Hij noemde zichzelf in zijn slotbetoog al “bijna vier jaar sociaal-maatschappelijk en financieel veroordeeld”. Er zouden “Gestapo-methodes” gebruikt zijn om hem in een kwaad daglicht te stellen.

Hoger beroep

Het Openbaar Ministerie had celstraffen geëist en gaat in hoger beroep.

Het OM eiste een gevangenisstraf van 24 maanden voor Jos van Rey en Piet van Pol. Bovendien de ontzetting van Van Rey uit het recht om gedurende drie jaar enig ambt te bekleden.

Tegen de Roermondse oud-wethouder Schreurs is een taakstraf van 180 uur geëist alsmede de ontzetting uit het recht om enig ambt op gemeentelijk niveau te bekleden voor 2 jaar.

Vonnis

Een schriftelijke weergave van de mondelinge uitspraak is hier te raadplegen.

Lees hier de volledige uitspraken:

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling rechtspersoon voor overbrenging afvalstoffen zonder kennisgeving aan en toestemming van de betrokken bevoegde autoriteit

Rechtbank Rotterdam 8 juni 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:5144 De verdachte rechtspersoon heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van een voorschrift, gesteld bij de Wet milieubeheer, door zich bezig te houden met de overbrenging van twee containers met afvalstoffen, te weten zogenaamde kraftzakken met kunststof binnenzak, vanuit Nederland met eindbestemming India, zonder de bevoegde autoriteiten tevoren van dit afvaltransport in kennis te stellen en zonder de vereiste toestemming. Deze (voorgenomen) transporten waren in strijd met de EVOA.

Achtergrond

Op 13 november 2014 en 14 november 2014 zijn de containers met de nummers [container 1] en [container 2] geselecteerd voor controle door het team Pre Departure van de Douane Rotterdam. Tijdens de controle bleken beide containers (onder andere) balen met zogenaamde ‘kraftzakken’ te bevatten.

Blijkens de aangifte ten uitvoer is de exporteur van de containers het bedrijf [verdachte rechtspersoon] en het land van bestemming betreft India, en meer specifiek een bedrijf aldaar dat kraftzakken gebruikt als grondstof voor het maken van nieuwe kraftzakken. Ter terechtzitting heeft de [vertegenwoordiger] , directeur van het bedrijf [verdachte rechtspersoon] , verklaard dat de kraftzakken volgens hem dan ook bestemd waren voor nuttige toepassing.

Uit het voorgaande volgt dat de verdachte rechtspersoon moet worden aangemerkt als ontdoener van de kraftzakken.

Beoordeling rechtbank

De rechtbank heeft acht geslagen op artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer (Wmb) en de Richtlijn 2008/98/EG betreffende afvalstoffen, in het bijzonder artikel 3 aanhef en onder 1. Op grond van genoemde regelgeving, dient als afvalstof te worden aangemerkt elke stof of voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. Uit voorgaande volgt dan dat de door [verdachte rechtspersoon] over te brengen kraftzakken aangemerkt moeten worden als afvalstoffen.

Ter terechtzitting heeft de [vertegenwoordiger] verklaard dat hij er destijds van overtuigd was dat de kraftzakken (net als in België) onder code B3020 (te weten: papier, karton en papierproducten mits niet gemengd met gevaarlijke afvalstoffen) van Bijlage V bij de EG-Verordening nr. 1013/2006 (hierna EVOA) vallen. Daaronder valt volgens de omschrijving van die categorie immers ook gelamineerd karton. Ter terechtzitting heeft de [vertegenwoordiger] echter ook bevestigd dat ten aanzien van het aan de orde zijnde transport het steeds gaat om kraftzakken waarin een losse polyethyleen binnenzak is gelijmd. Het betreft derhalve dus steeds een (papieren) zak met daarin een afzonderlijk bevestigde kunststof binnenzak. Deze kraftzakken voldoen volgens de rechtbank dan ook niet aan de omschrijving van de categorie B3020 van bijlage V van de EVOA. De in het geding zijnde kraftzakken vallen dientengevolge naar het oordeel van de rechtbank wel onder BEU04 van Bijlage III B bij de EVOA (Verordening (EG) nr. 1013/2006), waarin staat dat als afvalstoffen in die bijlage worden opgenomen:‘geen residuen bevattende en niet onder Bazel-code B3020 vallende composietverpakkingen bestaande voornamelijk uit papier en enige kunststof’.

Ingevolge artikel 37, vijfde lid, van de EVOA geldt dat in geval van overbrenging van in Bijlage III B ingedeelde afvalstoffen vanuit de EG naar een niet OESO-land (zoals India) met als doel nuttige toepassing (recycling) voorafgaand aan de overbrenging kennisgeving dient te zijn gedaan aan en toestemming dient te zijn verkregen van de betrokken autoriteiten van het land van verzending en bestemming. Het staat vast dat een dergelijke kennisgeving niet is gedaan en de betreffende toestemming dientengevolge ook niet is verkregen.

De verdediging heeft nog aangevoerd dat de verdachte rechtspersoon dient te worden vrijgesproken omdat het bestanddeel opzet niet is bewezen. De verdachte rechtspersoon was immers onbekend met het feit dat de kraftzakken zoals thans aan de orde inmiddels waren toegevoegd aan bijlage III B van de EVOA en leefde dus in de veronderstelling dat deze zonder kennisgeving mochten worden uitgevoerd.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Bij economische delicten behoeft geen zogenaamd ‘boos opzet’ bewezen te worden. Het opzet is kleurloos en is gericht op de gedraging en niet op de overtreding (vgl. HR 18 maart 1952, NJ 1953, 314 en HR 24 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8783). Dat het daadwerkelijk de bedoeling van de verdachte rechtspersoon was om de kraftzakken naar India over te brengen, heeft de [vertegenwoordiger] ter terechtzitting zelf ook beaamd. Daarmee is de opzet bewezen.

Meer subsidiair is aangevoerd dat geen sprake is van ‘overbrenging’ in de zin van de EVOA nu de controle van de containers heeft plaatsgehad op Nederlands grondgebied, voorafgaand aan het transport, en de containers Nederland nog niet hadden verlaten. De rechtbank verwerpt dit verweer onder verwijzing naar artikel 2 aanhef en onder 34 van de EVOA. Gelet op de in dit artikel gegeven definitie van het begrip ‘overbrenging’, te weten “het vervoer van voor nuttige toepassing (…) bestemde afvalstoffen dat (…) gepland is plaats te hebben” is de rechtbank van oordeel dat – nu sprake was van gepland vervoer van de kraftzakken naar India – sprake was van overbrenging in de zin van dit artikel. Het voorgaande betekent dat sprake is geweest van ‘illegale overbrenging’ als bedoeld in artikel 2 onder 35 sub a en b van de EVOA.

De rechtbank acht gelet op het hiervoor overwogene het aan de verdachte rechtspersoon tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Strafoplegging

 

Verdachte wordt wegens overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.60, tweede lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 10.000,00 met een proeftijd van 2 jaar.

De rechtbank heeft in het voordeel van verdachte echter ook acht geslagen op de ouderdom van de zaak en het feit dat onderbouwd en onweersproken is gesteld dat het milieu feitelijk niet kon worden vervuild nu de fabriek waarnaar de containers zouden worden getransporteerd zeer geavanceerd is en in staat is om zowel papier als polyethyleen te verwerken, twee stoffen die afzonderlijk wel beiden op de zogenaamde ‘groene lijst’ staan.

Voorts acht de rechtbank van belang dat de onderhavige kraftzakken in andere Europese landen (waaronder België) kennelijk wel onder code B3020 vallen en ter zitting in dit verband ter sprake is gekomen dat er Europese ontwikkelingen gaande zouden zijn die er mogelijk toe zullen leiden dat kraftzakken, ook het type zoals in de onderhavige zaak aan de orde, in de toekomst ook op de zogenaamde ‘groene lijst’ zullen worden geplaatst.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^