Veroordeling tot taakstraf voor fraude met overheidsgeld. Bedrag dat met fraude is gemoeid, is niet vast komen te staan.

Rechtbank Rotterdam 21 juni 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:4945

De verdachte is mede verantwoordelijk voor fraude met geld uit de publieke kas, bestemd voor de begeleiding, coaching en tewerkstelling van een kwetsbare groep mensen. De fraude bestond erin dat budget werd geclaimd voor werkzaamheden die niet of niet aantoonbaar zijn verricht, en dat subsidie werd verkregen door middel van aanvraagformulieren waarop een valse handtekening was geplaatst. Deze gelden zijn vervolgens onder leiding van de verdachte aangewend in de bedrijfsvoering van een bedrijf en dusdoende witgewassen. Uit onderzoek door het UWV zou volgen dat met de fraude een bedrag van ruim € 1,3 miljoen is gemoeid, ruwweg het verschil tussen enerzijds de door het UWV uitgekeerde bedragen en anderzijds de waarde van door Wajongers en inlenende bedrijven waargenomen jobcoaching door de vaste trajectbegeleider.

Terecht heeft de verdachte zich erover beklaagd dat het UWV ook rekening had moeten houden met jobcoaching door anderen dan de vaste trajectbegeleider en met subsidiabel werk dat onzichtbaar voor Wajongers en inlenende bedrijven ‘achter de schermen’ is verricht. De rechtbank acht aannemelijk dat deze laatstgenoemde werkzaamheden wel zijn verricht en indien het UWV daar in haar onderzoek mee rekening had gehouden, had zij het bedrag van de fraude (beduidend) lager begroot. Evengenoemd bedrag van ruim € 1,3 miljoen zal bij de straftoemeting dan ook niet tot uitgangspunt worden genomen. De rechtbank moet concluderen dat het bedrag dat met de fraude is gemoeid in deze procedure niet is komen vast te staan.

Standpunt verdediging feit 1 primair

De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 primair ten laste gelegde feitelijk leidinggeven aan het plegen van valsheid in geschrift door een rechtspersoon. De raadsman heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de rechtspersoon bedrijf B valsheid in geschrift heeft gepleegd. De verdediging heeft betwist dat het aantal uren dat is ingevuld op de in de tenlastelegging onder 1 genoemde verrichtingenoverzichten en facturen, opzettelijk onjuist en ten onrechte is ingevuld. Daarnaast heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de vermeende verboden gedraging.

Beoordeling rechtbank

De bij bedrijf B werkzame administratief medewerksters hebben beiden verklaard dat op de naar het UWV verstuurde stukken betreffende jobcoaching van arbeidsongeschikte jonggehandicapten (hierna: Wajongers) het aantal uren werd ingevuld dat op voorhand bij het UWV was aangevraagd en was toegekend. Dit gebeurde ook indien uit het urenregistratiesysteem, waarin de jobcoaches hun activiteiten boekten, bleek dat minder uren aan jobcoaching waren besteed dan aangevraagd. Ook de accountant getuige 1 heeft verklaard dat bedrijf B een ‘fixed price principe’ hanteerde. De accountant heeft verklaard dat bedrijf B een vastgesteld bedrag ontving voor ieder jobcoachingtraject en dat dit niet op basis van (werkelijke) uurbesteding in de administratie werd verwerkt. De rechtbank leidt hieruit af dat verrichtingenoverzichten en facturen sluitend werden gemaakt. Dat er werd gerommeld met urenregistraties – onder meer door (tegen de regels in) op een dag waarop Wajongers klassikale scholing kregen 6,5 uur jobcoaching te registreren, en dat ook nog eens bij meerdere Wajongers – wordt ook bevestigd door verschillende jobcoaches.

De verdediging heeft inzake betrokkene 3 , betrokkene 4 en betrokkene 2 aangevoerd dat deze Wajongers ook (veelvuldig) contact hadden met andere jobcoaches dan de jobcoach die als trajectbegeleider was aangesteld. Deze stelling is ten dele onderbouwd met stukken. De rechtbank acht op grond daarvan aannemelijk dat meer uren aan jobcoaching zijn besteed dan blijkt uit de zich in het dossier bevindende verklaringen van Wajongers en hun trajectbegeleiders. De rechtbank betrekt hierbij tevens de verklaring van één van de administratief medewerksters, die heeft verklaard dat alle verrichtingen die ten behoeve van een Wajonger waren gedaan in het urenregistratiesysteem werden geboekt op naam van de persoon die de verrichting had gedaan, maar dat op het niet-gespecificeerde verrichtingenoverzicht die verrichting op naam van de trajectbegeleider kwam te staan. Het vorenstaande laat echter onverlet dat verrichtingenoverzichten en facturen sluitend werden gemaakt, zoals de rechtbank op basis van eerdergenoemde verklaringen heeft vastgesteld.

De rechtbank zal mede daarom voor elk in de tenlastelegging genoemd geval bezien of hetgeen door de verdediging ten aanzien van dat specifieke geval naar voren is gebracht, in de weg staat aan bewezenverklaring van de ten laste gelegde valsheid in geschrift.

In de zaak betrokkene 4 acht de rechtbank bewezen dat een te hoog aantal uren begeleiding door een jobcoach is opgegeven. Dat gedurende de in de tenlastelegging genoemde periode ook door andere jobcoaches dan de trajectbegeleider dusdanig veel uren begeleiding aan betrokkene 4 zijn gegeven dat het aantal aan het UWV opgegeven uren niet te hoog is, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid uit de stukken die op verzoek van de verdediging door de officier van justitie aan het procesdossier zijn toegevoegd.

De rechtbank acht – gelet op genoemde stukken – niet bewezen dat inzake betrokkene 3 een te hoog aantal uren begeleiding door een jobcoach is opgegeven aan het UWV.

Ten aanzien van betrokkene 2 stelt de rechtbank op grond van haar verklaring en de tot het bewijs gebezigde facturen van bedrijf X vast dat betrokkene 2 gedurende het grootste gedeelte van de ten laste gelegde periode niet heeft gewerkt, maar een dagbesteding had. Daardoor kan van subsidiabele jobcoaching geen sprake zijn.

Inzake betrokkene 1 , betrokkene 5 , betrokkene 6 en betrokkene 7 is door de verdediging aangevoerd dat deze Wajongers deel uitmaakten van het zogenaamde project: een in samenspraak met het UWV uitgevoerd experimenteel project waarbij volgens de verdediging ongeacht het soort werk, de inzet en het aantal gewerkte uren maandelijks een volledig loon wordt uitbetaald en waarbij de Wajonger op de werkplek wordt begeleid door een jobcoach. Deze gevallen zijn volgens de verdediging abusievelijk beoordeeld als waren het reguliere jobcoachtrajecten. De stelling dat ten aanzien van deze gevallen andere afspraken met het UWV golden dan ten aanzien van de gevallen waarin een regulier jobcoachingtraject was aangeboden, is echter niet concreet onderbouwd. De rechtbank gaat derhalve daaraan voorbij en komt tot de slotsom dat sprake is van het opgeven van een te hoog aantal uren begeleiding door een jobcoach.

Dat de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging vindt steun in de inhoud van de in dit vonnis opgenomen bewijsmiddelen en in zijn verklaring ter terechtzitting dat hij leiding gaf aan de betrokken vennootschappen.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het tot vrijspraak van feit 1 primair strekkende verweer wordt verworpen.

Standpunt verdediging feit 2

De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit van het onder 2 primair ten laste gelegde feitelijk leidinggeven aan het plegen van valsheid in geschrift door de rechtspersoon bedrijf B De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de rechtspersoon valsheid in geschrift heeft gepleegd. De verdediging heeft aangevoerd dat de persoon die de in de tenlastelegging onder 2 genoemde formulieren “definitieve vaststelling loonkostensubsidie” heeft ingevuld, deze niet met opzet vals heeft ingevuld. Daarnaast heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de vermeende verboden gedraging.

Beoordeling rechtbank

De rechtbank overweegt ten aanzien van het verweer dat de formulieren “definitieve vaststelling loonkostensubsidie” niet met opzet vals zijn ingevuld, dat voor een bewezenverklaring van opzet niet is vereist dat komt vast te staan dat de namens of ten behoeve van die rechtspersoon optredende natuurlijke persoon met dat opzet heeft gehandeld (HR 29 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB8977).

Ten aanzien van de door de verdediging in dit verband herhaalde stelling dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de vermeende verboden gedraging, overweegt de rechtbank dat die stelling wordt weerlegd door de bewijsmiddelen.

Eén en ander leidt tot de conclusie dat het tot vrijspraak van feit 2 primair strekkende verweer wordt verworpen.

Standpunt verdediging feit 4 primair

De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit van het onder 4 primair ten laste gelegde feitelijk leidinggeven aan het plegen van valsheid in geschrift door bedrijf B . De raadsman heeft aangevoerd dat van boos opzet geen sprake is en dat de verdachte pas achteraf begrijpt dat de handelwijze van bedrijf B , het bedrijf waaraan de verdachte leiding gaf, verkeerd is geweest.

Beoordeling rechtbank

Vooropgesteld wordt dat in feitelijke leidinggeven aan een door een rechtspersoon gepleegde verboden gedraging een zelfstandig opzetvereiste op de verboden gedraging besloten ligt. De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat een negental door bedrijf B bij het UWV ingediende aanvraagformulieren voor een Wajong adviesvoucher is voorzien van een handtekening, die de handtekening moest voorstellen van een persoon verbonden aan het bedrijf op naam waarvan het aanvraagformulier werd ingediend. De rechtbank stelt daarnaast vast dat de verdachte op voorhand wist dat de aanvraagformulieren werden ondertekend door medewerkers van bedrijf B , in plaats van door de aanvrager. Anders dan de verdediging doet voorkomen, blijkt uit de bewijsmiddelen voorts dat de verdachte wist dat daarvoor een machtiging was vereist – zoals overigens ook op het aanvraagformulier is vermeld. Gesteld noch gebleken is dat dergelijke machtigingen zijn verleend. De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachtes opzet was gericht op het vals opmaken van de aanvraagformulieren voor een Wajong adviesvoucher. Dat de verdachte het gewicht van de ondertekening verkeerd heeft ingeschat, zoals de verdediging heeft aangevoerd, maakt het voorgaande niet anders.

Het tot vrijspraak van feit 4 primair strekkende verweer wordt derhalve verworpen.

Bewezenverklaring

  • Feit 1 primair: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen.
  • Feit 2 primair: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen.
  • Feit 3 primair: medeplegen van: van het plegen van witwassen een gewoonte maken, begaan door een rechtspersoon.
  • Feit 4 primair: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen.

Strafoplegging

Verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF