Veroordeling 'nepdirecteur' wegens jarenlange belastingfraude (met btw). Strafverzwarend: doorgaan na inlichtingenverzoek Belastingdienst.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15 juni 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:3518

Een 56-jarige man uit Etten-Leur is op 15 juni door de Rechtbank Zeeland-West-Brabant veroordeeld tot een gevangenisstraf van 21 maanden voor belastingfraude. De rechtbank Zeeland-West-Brabant acht bewezen dat hij tussen 2008 en 2013 voor ruim 900.000 euro aan valse btw-aangiftes deed. De straf valt 3 maanden zwaarder uit dan de officier van justitie had geëist.

Gevoel van luxe

Naar eigen zeggen wilde de man ‘een gevoel van luxe creëren’. Hij spendeerde het geld onder meer aan vakanties, etentjes, auto’s, bezoeken aan nachtclubs en de maandelijkse lasten van zijn gezin. De rechtbank rechter merkt als strafverzwarend aan dat de man zelfs bleef frauderen nadat de Belastingdienst in 2013 om inlichtingen vroeg voor een boekenonderzoek.

Misleiding

Daarnaast vertraagde hij de controle van de Belastingdienst door te doen alsof hij vanwege een ernstig ongeluk in coma was geraakt. Tegen zijn vrouw vertelde hij dat hij directeur van een bedrijf was, terwijl hij in werkelijkheid werkloos was en ook geen onderneming meer had. Bovendien begon hij met de fraude in de proeftijd van een eerdere veroordeling voor onder andere verduistering.

Bron: de Rechtspraak 

 

 

Print Friendly and PDF ^

Lekkende politieagent krijgt taakstraf

Rechtbank Amsterdam 2 juni 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:3387 Verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan schending van zijn ambtsgeheim door vertrouwelijke politie-informatie te versturen aan zijn partner en aan zijn vader.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de officier van justitie niet ontvankelijk is in haar vervolging van verdachte. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat met de strafrechtelijke vervolging van verdachte in redelijkheid geen strafrechtelijk belang meer wordt gediend. Verdachte is in verzekering gesteld, oneervol ontslagen en heeft, als gevolg van traumatische ervaringen tijdens zijn werk als politieman, een posttraumatische stressstoornis (PTSS) opgelopen. Gelet op het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging is niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie de enige passende sanctie, aldus de raadsman.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het niet-ontvankelijkheidsverweer dient te worden verworpen, aangezien er sprake is van een forse schending van het ambtsgeheim door verdachte. Gelet hierop kon in alle redelijkheid tot strafrechtelijke vervolging van verdachte worden overgegaan.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beoordeling van de vraag of de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte stelt de rechtbank voorop dat de officier van justitie ‘dominus litis’ is. Dit wil zeggen dat het de officier van justitie is die de beslissing over vervolging neemt en dat die beslissing niet aan directe toetsing door de rechtbank voorligt. Wel dient de rechtbank in dit kader te beoordelen of door de officier van justitie geen beginselen van een goede procesorde zijn geschonden. In dit geval gaat het dan meer specifiek om het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging. Bij het instellen van vervolging dient de officier van justitie de verschillende in aanmerking komende belangen zorgvuldig tegen elkaar af te wegen.

De verdediging stelt dat verdachte heeft gehandeld terwijl hij leed aan PTSS, dat hij als gevolg van zijn werkzaamheden heeft opgelopen. Deze stoornis zou van invloed zijn geweest op zijn handelen. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt niet dat de PTSS het handelen van verdachte heeft veroorzaakt. De rechtbank leidt dit af uit het Pro Justitia-rapport van 15 december 2015, opgemaakt door drs. R.S. Turk, GZ-psycholoog (hierna: het psychologisch rapport), pagina 22: ‘Hoewel de PTSS op de achtergrond een rol kan hebben gespeeld in de behoefte informatie te delen, kan niet worden gesteld dat de keuzevrijheid van betrokkene door de PTSS beperkt werd.’ De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de norm die is geschonden en het rechtsbelang dat wordt beschermd. Verdachte wordt beschuldigd van het als politieagent schenden van zijn ambtsgeheim. Het plegen van een dergelijk feit beschaamt het vertrouwen dat de maatschappij in politieagenten mag en ook moet hebben. Gelet op het voorgaande kon de officier van justitie in alle redelijkheid tot vervolging van verdachte overgaan.

De rechtbank acht de officier van justitie dan ook ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

Waardering van het bewijs

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van het bewijs bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem onder het eerste, tweede, derde, vierde en zesde gedachtestreepje is ten laste gelegd.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt op grond van de volgende bewijsmiddelen tot het oordeel dat bewezen verklaard kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem ten laste is gelegd.

De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem onder het eerste, tweede, derde, vierde en zesde gedachtestreepje is ten laste gelegd. Hiertoe heeft de raadsman primair aangevoerd dat er geen sprake is van geheimen in de zin van artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht. Het betreft in de genoemde gevallen telkens informatie die niet privacy gevoelig is, aldus de raadsman. Subsidiair is door de raadsman aangevoerd dat verdachte de betreffende informatie niet opzettelijk heeft gedeeld, ook niet in de variant van voorwaardelijk opzet.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. Voor beantwoording van de vraag of sprake is van een geheim in de zin van artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht, moet acht worden geslagen op de aard van de informatie, het moment waarop de geheimhoudingsplichtige hiervan kennis kreeg en de hoedanigheid waarin deze hiervan kennis kreeg. In de vijf gevallen die de raadsman noemt is er telkens sprake van informatie die verdachte in zijn hoedanigheid als hoofdagent van politie voorhanden kreeg. Het betreft ook telkens informatie uit lopende politieonderzoeken. Gelet op de geheimhoudingsplicht voor politieambtenaren (artikel 7, eerste lid, Wet politiegegevens) is er reeds hierom in de onderhavige gevallen telkens sprake van een geheim in de zin van artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht. Dat de informatie niet privacy gevoelig is of niet is te herleiden tot een specifiek geval of persoon doet daar niet aan af.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verdachte zijn ambtsgeheim opzettelijk heeft geschonden. Verdachte heeft – met uitzondering van één geval – de informatie per WhatsApp of e-mail verstuurd. Voor het op dergelijke wijze versturen van informatie zijn meerdere handelingen nodig. De rechtbank verwijst in dit verband tevens naar het psychologisch rapport. Hierin is onder meer het volgende opgenomen, pagina 22:

‘Betrokkene bekende zijn ambtsgeheim te hebben geschonden (…). Vastgesteld kan worden dat het hierbij niet ging om een impulsieve actie. Betrokkene had – als hij beter had nagedacht – ook kunnen besluiten de informatie voor zich te houden. (…) Een en ander impliceert een keuze.’

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank ook bewezen hetgeen verdachte onder het eerste, tweede, derde, vierde en zesde gedachtestreepje ten laste is gelegd.

Bewezenverklaring

  • Opzettelijke schending van een ambtsgeheim, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een taakstraf 160 uren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplegen van oplichting en wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden

Rechtbank Noord-Nederland 8 februari 2016, ECLI:NL:RBNNE:2016:2383 Verdachte heeft zich, samen met zijn mededader, schuldig gemaakt aan oplichting. Verdachte heeft daartoe gebruik gemaakt van een vals document en een valse identiteit en zich zo voorgedaan als een bonafide klant om het bouwbedrijf, het slachtoffer in deze, te bewegen tot het meerdere keren afleveren van een grote partij steigermateriaal. Daarbij werd de toezegging gedaan dat de huur van het materiaal voldaan zou worden.

Deze toezegging werd uiteindelijk (opzettelijk) niet nagekomen door verdachte en zijn mededader, waardoor er sprake is van oplichting.

Door hun slinkse en berekenende wijze van handelen is aan het slachtoffer aanzienlijke schade toegebracht en hebben verdachte en zijn mededader misbruik gemaakt van het onderling vertrouwen dat in het handelsverkeer noodzakelijk en gebruikelijk is.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling tot gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk wegens bedrieglijke bankbreuk

Rechtbank Amsterdam 25 mei 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:3331 Vast staat dat verdachte de financiële administratie niet aan de curator heeft overgedragen. Verdachte heeft zich beroepen op overmacht. Een lekkage in zijn appartement in Spanje zou de administratie hebben aangetast.

De omvang van de vennootschap waarvan verdachte bestuurder was, is door het ontbreken van de financiële administratie niet nauwkeurig vast te stellen. Een indicatie voor die omvang is de post crediteuren die € 7.899.546,04 bedraagt. Verdachte heeft vanaf 2008 geen jaarrekening gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel. Verdachte heeft aangegeven dat hij zelf, als fiscalist, zijn administratie opstelde en bijhield maar nu geen jaar¬rekeningen zijn gedeponeerd en ook de financiële administratie niet aan de curator is overhandigd, niet kan worden vastgesteld of verdachte überhaupt vanaf 2008 een financiële administratie heeft gevoerd.

Voor zover die administratie bestaat, geldt ingevolge artikel 2:10 BW dat de financiële administratie van een Nederlandse vennootschap gedurende 7 jaar dient te worden bewaard, althans op zijn minst een afschrift of back-up daarvan. De rechtbank gaat ervan uit dat daarmee bedoeld wordt dat deze in Nederland wordt bewaard, omdat anders bij een eventuele controle niet te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend, zoals bedoeld in het eerste lid van artikel 2:10 BW. Ook aan die verplichting heeft verdachte niet voldaan door die administratie, naar eigen zeggen, over te brengen naar Spanje zonder dat daarvan iets in Nederland is bewaard.

Ten tweede mag, gezien de algemeen bekende kwetsbaarheid van elektronische gegevensdragers van een bestuurder die de administratie volledig elektronisch voert, mede gezien de verplichting om die te bewaren, worden verwacht dat men met regelmaat een back-up maakt en deze op een veilige plaats bewaart. Nu verdachte geen enkele back-up heeft gemaakt, is hij in ieder geval tekortgeschoten in zijn bewaarplicht.

Ten derde geldt dat, indien de boekhouding door een onheil buiten de wil van de bestuurder beschadigd wordt, de bestuurder alle redelijke maatregelen moet nemen om zo veel mogelijk van die administratie te redden en indien dit niet mogelijk is, in elk geval over bewijsmiddelen dient te beschikken waaruit het verloren gaan van die administratie kan blijken. Verdachte heeft de curator, ondanks diens verzoek, ook niet de beschadigde administratie en harde schijf overgelegd, dan wel bewijsstukken van de opgetreden schade.

Feiten en omstandigheden

Op basis van de in het dossier aanwezige stukken gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden:

Op 3 september 2013 is het faillissement uitgesproken van naam B.V. Verdachte was ten tijde van de faillietverklaring van naam B.V. de enige bestuurder van de vennootschap.

Bij brief van 9 september 2013 (pag. 83 / D-003) heeft de curator verdachte verzocht inlichtingen te verschaffen over onder andere de achtergrond van het faillissement, de werkzaamheden van de vennootschap, de activa en passiva, de lopende verplichtingen, de resultaten en de recente vermogenspositie. De curator heeft verdachte daarbij tevens verzocht om inzage in diens volledige boekhouding. De curator heeft daartoe een opsomming gegeven van documenten die hij nodig heeft.

Op 28 november 2013 (pag. 88 / D-005) heeft een e-mailwisseling tussen de curator en verdachte plaatsgevonden. De curator heeft daarbij de volgende tussen hem en verdachte gemaakte werkafspraken vermeld:

U zal binnen 14 dagen na heden dat deel van de administratie bij mij inleveren dat betrekking heeft op de failliete vennootschap en in Nederland aanwezig is. Het deel dat in Spanje ligt zal ik (de rechtbank begrijpt: u, d.w.z.: verdachte) in de 2e of 3e week van december aanleveren.

Verdachte heeft daarop gereageerd dat hij nader zal berichten over het ophalen van het deel van de boekhouding dat in Spanje ligt.

Op 12 december 2013 (pag. 90 / D-006) heeft de curator verdachte per e-mail gerappelleerd over het te voorschijn brengen van het deel van de boekhouding dat in Spanje ligt. Verdachte heeft hierop gereageerd dat hij het morgen probeert aan te reiken.

Nadien blijft een reactie van de zijde van verdachte uit.

De rechter-commissaris heeft vervolgens, na een verzoek daartoe van de curator, een voordracht tot inbewaringstelling van verdachte ingediend. Deze voordracht is behandeld in de raadkamer van de rechtbank Amsterdam op 24 april 2014.

Op 24 april 2014 (pag. 91 / D-007) heeft advocatenkantoor (het kantoor van de curator) aan verdachte een e-mail verzonden waarin hij de afspraken bevestigt die met verdachte zijn gemaakt tijdens en na afloop van de behandeling van de voordracht tot inbewaringstelling van verdachte:

U heeft mij verzekerd uiterlijk maandag 28 april (2014) om 10:00 uur per email een overzicht van de aangetroffen boekhouding van gefailleerde over het tijdvak 2008 t/m september 2013 aan de curator (…) te zullen toezenden. Daaropvolgend draagt u ervoor zorg dat deze administratiestukken nog diezelfde maandag 28 april 2014 op het kantoor van de curator door u zijn/worden afgegeven. (…)

U heeft mij toegezegd de curator uiterlijk vrijdag 25 april (2014) per email te zullen berichten wanneer de boekhouding uit Spanje op zijn kantoor is afgeleverd. Ik deelde u mee dat overhandiging van dit deel van de boekhouding voor 7 mei (2014) dient te geschieden ter voorkoming van het feit dat de curator het inbewaringsverzoek doorzet. (…)

Om misverstanden te voorkomen bevestig ik hierbij nogmaals hetgeen wij bespraken ten aanzien van de boekhouding die de curator van u wenst te ontvangen. Dit betreft in ieder geval maar niet uitsluitend:

- Alle bankafschriften van (voormalige) bankrekeningen van gefailleerde vanaf 2008 t/m september 2013;
- De jaarlijkse balansen, jaarrekeningen en/of (tussentijdse) vermogensopstellingen vanaf 2008 t/m september 2013;
- Alle grootboekberekeningen vanaf 2008 t/m september 2013;
- De volledige kredietdocumentatie ten aanzien van gefailleerde vanaf 2008 t/m september 2013 inclusief alle hypothecaire akten en notariële stukken;
- Alle inkomende en uitgaande facturen vanaf 2008 t/m september 2013.

Op 28 april 2014 (pag. 93 / D-008) heeft verdachte per e-mail aan de curator bericht dat hij ’s middags verschillende stukken op het kantoor van de curator zal afgeven.

Verdachte vermeldt daarbij tevens dat hij in het weekend naar Spanje zal afreizen om de bescheiden die zich daar bevinden, mee te nemen.

Per e-mail van 6 mei 2014 (pag. 95 / D-009) heeft verdachte aan de curator geschreven dat door een lekkage van een rioolafvoerbuis in zijn appartement in Spanje zowel de papieren administratie als de op de computer bijgehouden administratie niet meer beschikbaar is. Verdachte vermeldt:

Tot mijn schrik heb ik geconstateerd dat de administratieve bescheiden van naam B.V. door een lekkage in een rioolafvoerbuis in de etage boven mijn appartement onbruikbaar zijn geworden. Deze lekkage heeft in mijn appartement aanzienlijke schade aangebracht. De harde schijf waarop ik de boekhouding had opgeslagen kon ik niet meer inlezen. Ik heb deze naar een reparateur gebracht, met het verzoek te proberen de gegevens van de schijf over te zetten op een andere schijf.

Bij beschikking van 7 mei 2014 (pag. 96 / D-010) heeft de rechtbank Amsterdam de voordracht tot inbewaringstelling van verdachte afgewezen met de overweging dat blijkens de verklaringen van verdachte geen reële verwachting (meer) bestaat dat de administratie van naam B.V. ter beschikking van de curator gesteld zal worden

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde voor wat betreft het niet voldoen aan het bewaren en te voorschijn brengen van de boekhouding.

Het niet voeren van een boekhouding kan niet worden bewezen, aldus de officier van justitie.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat een deel van de boekhouding van naam B.V. niet bij de curator kon worden aangeleverd, omdat de papieren administratie die in een appartement in Spanje werd bewaard, ten gevolge van een lekkage verloren is gegaan. Bij deze lekkage is ook de computer waarop een elektronische administratie werd gevoerd, beschadigd geraakt. De computer is nadien nog naar een reparateur gebracht, maar de reparateur kon de harde schijf van de computer niet meer uitlezen. De reparateur heeft de harde schijf vervolgens uit eigen beweging weggegooid.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Volgens de raadsman kan het verdachte niet worden verweten dat hij een deel van de boekhouding niet heeft aangeleverd nu dat deel door een overmachtsituatie verloren is gegaan. Bovendien ontbreekt bij verdachte het opzet op bedrieglijke verkorting van de schuldeisers.

De raadsman heeft voorwaardelijk – voor het geval de rechtbank het verweer van verdachte niet volgt – verzocht het onderzoek ter terechtzitting aan te houden teneinde:

  • nadere stukken over de lekkage op te vragen bij de verzekeringsmaatschappij, en
  • om de reparateur van de computer te bevragen of hij opdracht heeft gehad om data van de beschadigde harde schijf over te zetten op een andere schijf, en of de reparateur de beschadigde harde schijf uit eigen beweging heeft weggegooid.
Oordeel van de rechtbank

Inleiding

Vast staat dat verdachte de financiële administratie niet aan de curator heeft overgedragen. Verdachte heeft zich beroepen op overmacht. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de lekkage in het najaar van 2013 is ontstaan en dat hij in november of december 2013 één maal na de lekkage bij het appartement in Spanje is geweest en toen is weggevlucht vanwege de situatie die hij daar aantrof.

De omstandigheid dat er sprake zou zijn van omvangrijke waterschade en dat de administratie in het appartement in Spanje daardoor zou kunnen zijn aangetast is echter op geen enkel moment door verdachte genoemd in de correspondentie tussen hem en de curator. Het eerste moment dat verdachte melding maakt van de lekkage is bij de hiervoor aangehaalde e-mail van 6 mei 2014. Uit de voorhanden zijnde stukken blijkt niet dat verdachte hier eerder melding van heeft gemaakt.

Ten aanzien van het voeren van een administratie als rechtspersoon is in dit kader artikel 10 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van belang. Dit artikel schrijft het volgende voor:

  1. et bestuur is verplicht van de vermogenstoestand van de rechtspersoon en van alles betreffende de werkzaamheden van de rechtspersoon, naar de eisen die voortvloeien uit deze werkzaamheden, op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend.
  2. Onverminderd het bepaalde in de volgende titels is het bestuur verplicht jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar de balans en de staat van baten en lasten van de rechtspersoon te maken en op papier te stellen.
  3. Het bestuur is verplicht de in de leden 1 en 2 bedoelde boeken, bescheiden en andere gegevensdragers gedurende zeven jaren te bewaren.
  4. De op een gegevensdrager aangebrachte gegevens, uitgezonderd de op papier gestelde balans en staat van baten en lasten, kunnen op een andere gegevensdrager worden overgebracht en bewaard, mits de overbrenging geschiedt met juiste en volledige weergave der gegevens en deze gegevens gedurende de volledige bewaartijd beschikbaar zijn en binnen redelijke tijd leesbaar kunnen worden gemaakt.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de financiële administratie zelf heeft gevoerd en dat hij tot de datum van het faillissement ook steeds de aangiften omzetbelasting heeft gedaan. Hij heeft daarnaast verklaard dat er sinds 2008 geen jaarrekeningen zijn gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel en dat deze ook niet zijn gemaakt. Verder heeft verdachte ter zitting verklaard dat hij geen veiligheidskopie (‘back-up’) heeft gemaakt van zijn financiële administratie.

Verdachte stelt dat hij zelf de facturen en de bankmutaties in de elektronische administratie heeft verwerkt en dat hij de facturen heeft bewaard in de papieren administratie die zich bevond in zijn woning in Spanje. Van de bankmutaties kreeg hij geen papieren dagafschriften. De financiële administratie werd met het programma Snelstart op een ‘stand alone’-desktopcomputer bijgehouden. Deze computer bevond zich eveneens in zijn appartement in Spanje. Van de elektronische administratie is geen back-up gemaakt. Dit alles aldus verdachte.

Bijhouden, bewaren en tevoorschijn brengen van de administratie

De vennootschap waarvan verdachte bestuurder was, hield zich blijkens het dossier voornamelijk bezig met de ontwikkeling van een project om te komen tot de bouw van 220 woningen in de gemeente Breda. De omvang van de onderneming is door het ontbreken van de financiële administratie niet nauwkeurig vast te stellen. Een indicatie voor die omvang is de post crediteuren die blijkens het verslag van de curator van 11 december 2014 € 7.899.546,04 bedraagt, zodat het balanstotaal ook ten minste die omvang zou moeten hebben gehad.

De rechtbank stelt voorop dat verdachte als bestuurder in gebreke was met het deponeren van de jaarrekening vanaf 2008. Verdachte heeft aangegeven dat hij zelf, als fiscalist, zijn administratie opstelde en bijhield maar de rechtbank stelt vast dat nu geen jaarrekeningen zijn gedeponeerd en ook de financiële administratie niet aan de curator is overhandigd, niet kan worden vastgesteld of verdachte überhaupt vanaf 2008 een financiële administratie heeft gevoerd.

Voor zover die administratie bestaat, geldt ingevolge artikel 10 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek dat de financiële administratie van een Nederlandse vennootschap gedurende 7 jaar dient te worden bewaard, althans op zijn minst een afschrift of back-up daarvan. De rechtbank gaat ervan uit dat daarmee bedoeld wordt dat deze in Nederland wordt bewaard, omdat anders bij een eventuele controle niet te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend, zoals bedoeld in het eerste lid van genoemd artikel 10. Ook aan die verplichting heeft verdachte niet voldaan door die administratie, naar eigen zeggen, over te brengen naar Spanje zonder dat daarvan iets in Nederland is bewaard.

Ten tweede merkt de rechtbank op dat gezien de algemeen bekende kwetsbaarheid van elektronische gegevensdragers van een bestuurder die de administratie volledig elektronisch voert, mede gezien de verplichting om die te bewaren, mag worden verwacht dat hij met regelmaat een back-up maakt en deze op een veilige plaats bewaart. Hoe vaak hij dat moet doen is afhankelijk van de aard en omvang van de onderneming, het aantal mutaties in de boekhouding en overige relevante omstandigheden; in dit geval kan dat in het midden blijven, nu verdachte heeft erkend in het geheel geen back-up te hebben gemaakt. Ook als verdachte wel een financiële administratie heeft gevoerd, is hij nu hij geen enkele back-up heeft gemaakt in ieder geval tekortgeschoten in zijn bewaarplicht.

Ten derde geldt dat, indien de boekhouding door een onheil buiten de wil van de bestuurder beschadigd wordt, de bestuurder alle redelijke maatregelen moet nemen om zo veel mogelijk van die administratie te redden en indien dit niet mogelijk is, in elk geval over bewijsmiddelen dient te beschikken waaruit het verloren gaan van die administratie kan blijken. Dit geldt des te meer in een situatie als de onderhavige, waarbij de vennootschap net failliet is gegaan en al is afgesproken dat de gehele administratie bij de curator bezorgd zal worden. Verdachte heeft de curator, ondanks diens verzoek, ook niet de beschadigde administratie en harde schijf overgelegd, dan wel bewijsstukken van de opgetreden schade.

In dat licht roept het handelen van verdachte, als er al vanuit wordt gegaan dat klopt wat hij hieromtrent heeft verklaard, grote vraagtekens op. Hij heeft immers eerst ter terechtzitting verklaard dat hij de schoonmaker van het appartement opdracht heeft gegeven de administratie weg te gooien en dat hij de harde schijf aan een reparateur heeft gegeven, die deze zonder toestemming van verdachte zou hebben weggegooid, zonder een en ander voorafgaand te overleggen met de curator, terwijl verdachte op dat moment reeds bekend was dat de curator die administratie nodig had voor de afwikkeling van het faillissement en hij de aflevering daarvan ook aan de curator had toegezegd. De rechtbank weegt daarbij ook mee dat verdachte eerst op 6 mei 2014 aan de curator heeft vermeld dat er een lekkage zou zijn geweest in het appartement in Spanje, terwijl verdachte daar naar eigen zeggen al enige maanden eerder van op de hoogte was.

De door verdachte ter zitting in het geding gebrachte correspondentie roept ook vraagtekens op. Deze correspondentie betreft slechts een faxbericht van verdachte aan persoon (Solbank), gedateerd op 4 december 2013, met het bericht dat persoon zich kan richten tot naam over de afhandeling van de schade in het appartement en verder een e-mail van naam aan verdachte van 27 januari 2014 waarin eerstgenoemde aan verdachte meedeelt dat een taxateur een inventarisatie van de inboedel van het appartement heeft verricht.

Uit deze correspondentie, waarvan de authenticiteit overigens niet vaststaat, kan hoogstens worden afgeleid dat schade in het appartement is ontstaan, maar er blijkt niet uit dat de papieren administratie zich (gedeeltelijk) in Spanje in genoemd appartement bevond, en op welke wijze en in welke mate die papieren administratie aangetast was door de gestelde inwerking van rioolwater. Ook is in die correspondentie wel een computer vermeld, maar dat de administratie van de vennootschap zich op die computer bevond kan daaruit evenmin worden afgeleid.

Conclusie ten aanzien van de gestelde overmacht

Gelet op het voorafgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van een overmachtssituatie, waardoor de financiële administratie niet te voorschijn kan worden gebracht.

Het overmachtsverweer kan dan ook niet slagen. Gelet hierop bestaat evenmin aanleiding om de voorwaardelijke verzoeken tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting in te willigen.

Nu niet aannemelijk is geworden dat sprake was van overmacht, is de rechtbank van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte geen boeken, bescheiden of andere gegevensdragers te voorschijn heeft gebracht.

Daarnaast is de rechtbank – anders dan de officier van justitie – van oordeel dat ook bewezen kan worden dat verdachte opzettelijk heeft nagelaten een administratie te voeren. Verdachte heeft geen begin van bewijs van het bestaan van enige financiële administratie vanaf 2008 geleverd. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij na 2008 geen jaarrekeningen meer bij de Kamer van Koophandel heeft gedeponeerd en heeft – naar eigen zeggen – geen enkele back up gemaakt van zijn elektronische administratie. Verdachte heeft daarvoor geen enkele verklaring gegeven. Op grond van die omstandigheden houdt de rechtbank het ervoor dat verdachte opzettelijk geen deugdelijke administratie heeft gevoerd en acht zij deze bestanddelen van de tenlastelegging eveneens bewezen.

De rechtbank verwerpt in dit kader het betoog van de raadsman dat transacties met andere partijen kunnen worden geverifieerd aan de hand van de boekhouding van deze andere partijen. Uit artikel 10 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek vloeit immers voort dat het bestuur van een rechtspersoon zelf een administratie dient bij te houden.

Bedrieglijke bankbreuk

De volgende vraag die in het kader van het ten laste gelegde moet worden beantwoord, is of verdachte heeft gehandeld ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van de rechtspersoon. De raadsman heeft aangevoerd dat hiertoe geen oogmerk bestond bij verdachte. De rechtbank verwerpt dit verweer. Het volgende is hiervoor redengevend.

De in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende, aan artikel 341 van het Wetboek van Strafrecht ontleende bewoordingen ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers’ brengen tot uitdrukking dat verdachte het opzet moet hebben gehad op de verkorting van de rechten van de schuldeisers, dat voorwaardelijk opzet in dat verband voldoende is en dat derhalve voor het bewijs van het opzet ten minste is vereist dat het handelen van verdachte de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers heeft doen ontstaan.

Niet alleen heeft verdachte niet aannemelijk gemaakt dat er sedert 2008 enige financiële administratie bestaat, uit de door de curator bij de bank opgevraagde bankafschriften blijkt dat verdachte in de jaren voor het faillissement grote bedragen heeft overgemaakt naar zijn privérekening, naar rekeningen van andere vennootschappen waarvan hij bestuurder was en naar rekeningen van derden, maar kennelijk ten behoeve van verdachte als privépersoon (o.a. voor huur van een woning en garages). Verdachte heeft hierover geen verifieerbare of aannemelijke verklaring kunnen geven en bij gebreke van enige administratie heeft de curator op geen enkele wijze vast kunnen stellen of er enige rechtsgrond is geweest voor deze betalingen en of verdachte wellicht nog financiële verplichtingen had ten opzichte van de vennootschap. Immers ook de verklaring van verdachte dat bepaalde uitgaven in rekening courant ten laste van hem geboekt zouden zijn, kan bij gebrek aan administratie niet worden geverifieerd. Ook het verweer dat het mede gaat om terugbetalingen van leningen die verdachte aan de vennootschap had verstrekt, is geheel oncontroleerbaar.

Nu wel vast staat dat er betalingen zijn gedaan die direct of indirect aan verdachte ten goede zijn gekomen, maar een zakelijke rechtvaardiging daarvoor niet is gebleken moet het er voor worden gehouden dat die zakelijke rechtvaardiging heeft ontbroken en moet er van uit worden gegaan dat verdachte gelden die door drie kredietverstrekkers voor de vennootschap ter beschikking zijn gesteld, te weten de abn amro-bank, kredietverstrekker 1 en kredietverstrekker 2, deels voor zichzelf en privé-uitgaven heeft aangewend en daarmee dus schuldeisers heeft benadeeld. Dit geldt bijvoorbeeld voor het bedrag van € 1.467.000,- dat van deabn amro-bankrekening van de vennootschap naar verdachte in privé is uitgekeerd maar ook voor vele andere privé-opnames en overboekingen.

Daarmee is de ten laste gelegde bedrieglijke bankbreuk bewezen.

Bewezenverklaring

Het als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon, niet voldoen aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, in dat artikel bedoeld.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Tussenbeslissingen in de zaak Vestia

Rechtbank Rotterdam 13 juni 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:4427 In de Vestia-zaak heeft op 6 en 7 juni jl. een regiezitting plaatsgevonden. Ter zitting zijn de onderzoekswensen van de verdediging besproken. Deze uitspraak betreft de beslissing op deze gedane onderzoekswensen. 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^