Vrijspraak: Geluidsmetingen van de toezichthoudend ambtenaar voldoen niet aan de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai

Gerechtshof Amsterdam 10 juni 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2471 

Aan verdachte is in twee (gevoegde) zaken als drijver van een inrichting overschrijding van de geluidsnorm (overtreding van art. 8.40, eerste lid, Wet milieubeheer) ten laste gelegd. De verdediging heeft betoogd dat de feiten in beide zaken niet kunnen worden bewezen, omdat de aan de berekeningen (geluidsmetingen)  “beoordelingsniveau vereenvoudigde methode 1” ten grondslag liggende metingen en analyses niet correct zijn uitgevoerd door toezichthoudend ambtenaar J. Mosman en de rapporten mitsdien niet bruikbaar zijn voor het bewijs. De verdachte dient in beide zaken te worden vrijgesproken.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Veroordeling wegens overtreding van milieuwetgeving. Overwegingen omtrent daderschap van de rechtspersoon.

Rechtbank Oost-Brabant 28 juni 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:3447 Verdachte wordt verweten dat zij in de periode van 1 maart 2010 tot en met 1 maart 2011 een product genaamd BioAid, een natriumacetaatoplossing, en een azijnzuuroplossing met methanol, in haar inrichting te Bakel, heeft ingenomen, opgeslagen en verwerkt. Dit was verdachte op grond van de haar verleende vergunningen, niet toegestaan.

Vertrouwensbeginsel

De raadsman heeft aangevoerd dat de officier van justitie door verdachte in weerwil van het gestelde in de brief van de AID van 11 maart 2011, alsnog strafrechtelijk te vervolgen, in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de bevindingen van verbalisant 1 in het kader van een bestuursrechtelijke controle zijn gedaan en dat de brief van de AID aan verdachte waarop de raadsman doelt, in het kader van bestuursrechtelijke handhaving is geschreven en niet het oogmerk heeft gehad zich over strafrechtelijke vervolging uit te laten.

Uit het door verbalisant 1 opgemaakte proces-verbaal volgt dat hij bij verdachte een controle in het kader van de Meststoffenwet heeft uitgevoerd. Dit heeft hij ook expliciet bij zijn verhoor door de rechter-commissaris verklaard. Ook de leidinggevende van verbalisant 1, verbalisant 2, stelt zich op dat standpunt. De nu aan verdachte ten laste gelegde feiten zien op het handelen in strijd met de vergunningsplicht c.q. de vergunningsvoorwaarden. Dit zijn andere feiten dan de feiten waarover in de waarschuwingsbrief van de AID van 11 maart 2011 wordt gesproken. Uit die brief kan en mag niet worden geconcludeerd dat geen strafrechtelijke vervolging van verdachte zou plaatsvinden voor het handelen in strijd met de vergunningsplicht of de vergunningsvoorwaarden.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie, door verdachte strafrechtelijk te vervolgen, geen inbreuk op het vertrouwensbeginsel heeft gemaakt. Daarnaast is de desbetreffende brief verzonden door de AID. Deze instantie was, in elk geval toentertijd, niet bevoegd tot het nemen van beslissingen aangaande de vervolging van stafbare feiten. Ook hierom is geen sprake van schending van het vertrouwensbeginsel. De rechtbank verwerpt het door de raadsman gedane beroep op niet ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Standpunten van de officier van justitie en van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte in de veronderstelling verkeerde dat BioAid een productnaam voor glycerine was en dat verdachte niet wist en ook niet hoefde te weten dat dit niet zo was. Verdachte mocht afgaan op de adviezen van haar adviseur persoon 1 en mocht vertrouwen op hetgeen leverancier persoon 2 mededeelde. Het innemen, opslaan en verwerken van glycerine in de door verdachte gedreven inrichting is wel aan verdachte vergund.

De officier van justitie is van oordeel dat verdachte wist dat BioAid geen productnaam voor glycerine was en dat verdachte wist dat zij BioAid niet in haar inrichting mocht innemen, opslaan en verwerken. Verdachte kreeg immers CMR’s en ADR-formulieren in handen waaruit dat bleek en die CMR’s en ADR-formulieren werden met medeweten van verdachte omgewisseld. Door die stoffen in te nemen, op te slaan en te verwerken heeft verdachte de werking van haar inrichting veranderd zonder dat verdachte daarvoor vergunning was verleend en heeft verdachte de voorwaarden die aan de wel aan verdachte verleende vergunning waren verbonden, overschreden.

Achtergrond

In de periode van 1 maart 2010 tot en met 1 maart 2011 heeft bedrijf 1 een stof genaamd BioAid aan verdachte verkocht. BioAid werd ook verhandeld onder de namen Eneroil en CSA-C. Deze stof was bestemd voor gebruik in de biogasinstallatie van verdachte. Bedrijf 1 kocht deze stof van bedrijf 2, een afvalhandelaar gevestigd in Antwerpen. Het transport van BioAid van België naar Nederland werd verzorgd door bedrijf 3. In de periode van 1 maart 2010 tot 1 maart 2011 leverde bedrijf 3 de stof rechtstreeks af aan verdachte. Op deze wijze hebben in de periode van 1 maart 2010 tot en met 1 maart 2011 diverse transporten plaatsgevonden. Op de vervoersdocumenten, de zogenaamde CMR’s, die bedrijf 3 bij aflevering door verdachte liet ondertekenen, stond onder meer vermeld dat BioAid werd geleverd. Deze CMR’s zijn namens verdachte ondertekend. Deze CMR’s zijn aan bedrijf 2 geretourneerd en zijn in de administratie van bedrijf 2 aangetroffen.

In 2010 zijn tenminste 25 transporten met BioAid en één transport azijnzuuroplossing met methanol overgebracht naar, in ontvangst genomen door en verwerkt door verdachte pag. 1506. In 2011 zijn tenminste vier transporten van BioAid door verdachte in ontvangst genomen en verwerkt pag. 1510. De co-substraten BioAid en azijnzuuroplossing met methanol zijn door verdachte in de vergistingsinstallatie verwerkt. Dit digestaat is door verdachte als meststof verkocht of aangewend pag. 1514.

Ter terechtzitting van 14 juni 2016 heeft persoon 3, de vertegenwoordiger van verdachte, onder meer, zakelijk weergegeven – voor zover hier van belang - het navolgende verklaard.

In de periode van 1 maart 2010 tot en met 1 maart 2011 heeft de maatschap een product genaamd BioAid van bedrijf 1 gekocht. BioAid werd door een Belgisch transportbedrijf op het bedrijf afgeleverd. Bij de aflevering was altijd iemand van het bedrijf aanwezig. Na het lossen werd door een personeelslid van de maatschap de CMR ondertekend. Ook ik heb dat wel eens gedaan. Ik heb gezien dat op de CMR’s als geleverd product iets met “Bio…” stond. Later kreeg ik van dezelfde lading een andere CMR onder ogen en daarop stond vermeld dat glycerine was geleverd. Ik had wel in de gaten dat de vermeldingen op beide CMR’s niet hetzelfde waren. Ik weet dat de maatschap stoffen die niet op bijlage Aa van de uitvoeringsregeling Meststoffenwet staan, niet mag innemen, opslaan en verwerken. De levering van BioAid of azijnzuur met methanol werd niet geregistreerd bij de maatschap.

Bij gelegenheid van zijn verhoor op 12 maart 2012 heeft persoon 3 verklaard dat persoon 1 door de maatschap wel eens werd ingehuurd voor het begeleiden van de biologie van de vergister en het adviseren van de inkoop van producten. persoon 1 was werkzaam bij bedrijf 1. De CMR bij de vracht die de maatschap in ontvangst nam en getekend werd, ging terug naar bedrijf 1. De maatschap kreeg dan een CMR van bedrijf 1 afgegeven of toegestuurd. Dit was een idee van bedrijf 1. Bij andere afnames dan de glycerine van bedrijf 1 was het niet gebruikelijk dat er andere productnamen voor de administratie toegestuurd werden.

De inrichting mag geen azijnzuuroplossing met methanol ontvangen en verwerken. Deze stof staat niet op bijlage Aa van de uitvoeringsregeling Meststoffenwetgeving. persoon 3 heeft het hem getoonde Belgische CMR uit set 71 ondertekend. Hij zag bij gelegenheid van zijn verhoor dat er azijnzuur en methanol op stond.

In bijlage Aa van de uitvoeringsregeling Meststoffenwet is glycerine gedefinieerd als een restproduct wat vrijkomt bij de winning van biodiesel uit raapzaadolie of koolzaadolie door omestering met methanol en scheiding onder invloed van de zwaartekracht.. BioAid is een bijtende, basische, organische stof n.e.g. bevattende natriumhydroxide, gevarenklasse 8, ID-nummer UN3267, en staat niet vermeld op bijlage Aa van de uitvoeringsregeling Meststoffenwet. BioAid heeft een zogenaamde ADR-classificatie gekregen wat betekent dat het vervoer van BioAid onder het regime van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen viel. BioAid is door het Nederlands Forensisch Instituut hierna: NFI onderzocht. Uit dit onderzoek heeft het NFI geconcludeerd dat in de onderzochte monsters geen glycerine is aangetroffen of stoffen die er op wijzen dat het bemonsterde materiaal is vrijgekomen bij de productie van Biodiesel.

Op 28 augustus 2009 is een aanvraag ingekomen om een nieuwe, de gehele inrichting omvattende vergunning voor een varkenshouderij en biogasinstallaties aan de adres in Bakel. De inrichting valt onder andere onder categorie 1.1, lid c, 2.1, lid a, 7.1, lid a en 8.1, lid a van het inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. Bij besluit van Burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel van 22 december 2009 wordt voor het perceel aan de adres in Bakel, kadastraal bekend gemeente Gemert-Bakel, sectie N, nummer 2118 deels en 2174 deels de gevraagde vergunning voor een varkenshouderij en biogasinstallatie verleend onder de voorschriften vermeld in bijlage I:

Voorschriften voor een varkenshouderij en biogasinstallatie adres te Bakel zoals aangevraagd door persoon 3, adres te Bakel. Voorschriften …..

12 co-vergistingsinstallatie. …..

12.2

Opslag en behandeling bijproducten/co-producten

12.2.1: In de silo’s ten behoeve van de opslag van bijproducten/co-producten voor vergisting mogen alleen producten bevatten van de positieve lijst voor vergisting in het kader van de Meststoffenwet of producten die voldoen aan Verordening 1774/2002, mits het ingedroogde digistaat verbrand wordt.

12.2.2: Van alle verwerkte producten genoemd in het vorige voorschrift dient een registratie plaats te vinden, zodanig dat er controle hierop mogelijk is. De registratie dient minimaal de datum van ontvangst van de co-producten, hoeveelheid en soort weer te geven.

…..

Beoordeling rechtbank

De aansprakelijkheid van de rechtspersoon

Om de hiervoor genoemde gedragingen aan verdachte te kunnen toerekenen, moet vastgesteld worden dat die gedragingen in de sfeer van de rechtspersoon hebben plaatsgevonden. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan sprake zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:

  1. het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon,
  2. de gedraging past in de normale bedrijfsvoering of taakuitoefening van de rechtspersoon,
  3. de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door de rechtspersoon uitgeoefende bedrijf of taakuitoefening,
  4. e rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard, waarbij onder bedoeld aanvaarden mede begrepen is het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.

Uit de inhoud van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte in de periode van 1 maart 2010 tot en met 1 maart 2011 BioAid en een azijnzuuroplossing met methanol van bedrijf 1 heeft afgenomen. De bedoeling was om die stoffen in de co-vergistingsinstallatie van verdachte te gebruiken. Voor verdachte had dit onder meer als voordeel dat zij zich van de mest kon ontdoen die van de door verdachte geëxploiteerde varkenshouderij afkomstig was en dat verdachte de energie die bij het vergistingsproces vrijkwam, voor verdachte rendement opleverde door die energie deels in haar eigen bedrijf te gebruiken en deels door die energie te verkopen. Deze handelingen, het afnemen en verwerken van BioAid en azijnzuuroplossing met methanol in haar inrichting, paste in de normale bedrijfsuitvoering van verdachte, bestaande uit het co-vergisten van organische materialen. Deze handelingen waren ook dienstig aan het door verdachte uitgeoefende bedrijf, het exploiteren van een varkenshouderij en een biogasinstallatie. Het lag binnen de invloedsfeer van verdachte om te bepalen of zij BioAid en azijnzuuroplossing met methanol van bedrijf 1 wilde afnemen om vervolgens in haar biogasinstallatie te verwerken. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden waaruit aannemelijk wordt dat verdachte in de ten laste gelegde periode enige handeling heeft ondernomen om de verwerking van BioAid en azijnzuuroplossing met methanol in haar inrichting te voorkomen, dan wel te beëindigen of dat verdachte op enigerlei wijze actie heeft ondernomen de feitelijke samenstelling van BioAid en azijnzuuroplossing met methanol te achterhalen. Daarmee heeft verdachte deze werkwijze, bestaande uit het verwerken van BioAid en azijnzuuroplossing met methanol in haar inrichting, aanvaard.

Op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte aansprakelijk is voor de ten laste gelegde handelingen. Uit de bewijsmiddelen is gebleken dat de werknemers van verdachte deze handelingen opzettelijk hebben verricht. De rechtbank rekent de ten laste gelegde handelingen dan ook aan verdachte toe.

Is er sprake van een afvalstof?

Verdachte heeft erkend dat azijnzuuroplossing met methanol is aan te merken als een afvalstof. Verdachte heeft echter betwist dat BioAid eveneens is aan te merken als een afvalstof. De rechtbank overweegt met betrekking tot de status van BioAid als volgt.

Op grond van het bepaalde in de Richtlijn 2008/98/EG, de Kaderrichtlijn afvalstoffen hierna: de Kaderrichtlijn, in de Nederlandse wetgeving opgenomen in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, is het begrip afvalstoffen gedefinieerd als: “alle stoffen, preparaten of voorwerpen waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of moet ontdoen”. Uit bestendige jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie en in het verlengde daarvan van de Hoge Raad, dient het begrip “ontdoen” ruim te worden uitgelegd. Voor de beantwoording van de vraag of een stof een afvalstof is, is niet relevant of de stof verontreinigend is of het een schone stof is of dat die stof nog economische waarde heeft.

Op grond van de inhoud van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen staat vast dat bij de productie van HEC door bedrijf 4 een natriumacetaatoplossing, CSA-F genoemd, vrijkwam. CSA-F werd door bedrijf 4 naar bedrijf 5 verpompt. Door bedrijf 5 werd uit CSA-F een stof gedistilleerd. Wat na dit distillatieproces nog resteerde werd door bedrijf 5 naar bedrijf 4 terug gepompt. Deze stof, ook wel CSA-C of BioAid genoemd, kon bedrijf 4 zelf niet verder gebruiken. Omdat bedrijf 4 BioAid kwijt wilde, heeft bedrijf 4 BioAid via bedrijf 2 afgezet. De rechtbank is van oordeel dat bedrijf 4 zich daarmee als houder van BioAid, van die stof heeft ontdaan..

Op grond van het bepaalde in de Kaderrichtlijn, in de Nederlandse wetgeving opgenomen in artikel 1.1, zesde lid, van de Wet milieubeheer, kunnen stoffen niet als afvalstoffen worden aangemerkt als wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 5 van de Kaderrichtlijn. De verdediging heeft zich op deze Kaderrichtlijn beroepen. Voor zover in deze zaak van belang, is in dat artikel het navolgende bepaald:

Bijproducten:

  1. Een stof die of een voorwerp dat het resultaat is van een productieproces dat niet in de eerste plaats bedoeld is voor de productie van die stof of dat voorwerp, kan alleen als een bijproduct en niet als een afvalstof in de zin van artikel 3, punt 1, van de Kaderrichtlijn worden aangemerkt, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden;

  2. het is zeker dat de stof of het voorwerp zal worden gebruikt;

  3. de stof of het voorwerp kan onmiddellijk worden gebruikt zonder verdere behandeling dan die welke bij de normale productie gangbaar is;

  4. de stof of het voorwerp wordt geproduceerd als een integraal onderdeel van een productieproces; en

  5. verder gebruik is rechtmatig, met andere woorden de stof of het voorwerp voldoet aan alle voorschriften in zake producten, milieu en gezondheidsbescherming voor het specifieke gebruik en zal niet leiden tot over het geheel genomen ongunstige effecten op het milieu of de menselijke gezondheid.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat BioAid in elk geval niet voldoet aan de voorwaarde genoemd in artikel 5 eerste lid aanhef en onder b van de Kaderrichtlijn. Het CSA-F ondergaat bij bedrijf 5 een bewerking alvorens het wordt afgezet als BioAid. Enkel en alleen hierom al valt BioAid niet onder een stof waarop artikel 5 van de Kaderrichtlijn ziet.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de desbetreffende BioAid op enig moment de status van afvalstof heeft verloren. Deze vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend. Van het verliezen van de status van afvalstof zou, onder omstandigheden, sprake kunnen zijn bij omvorming van een afvalstof tot een nieuw materiaal. De rechtbank verwijst daartoe naar het arrest van het Hof van Justitie van de EG van 19 juni 2003, LJN AM0820. Omvorming zou in dit geval wellicht kunnen plaatsvinden door het gebruik van BioAid bij de vergisting in een biovergistingsinstallatie. De aan verdachte ten laste gelegde gedragingen gaan echter vooraf aan de vergisting. Ten tijde van de tenlastegelegde gedragingen was BioAid derhalve nog immer een afvalstof.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat BioAid ten tijde hier van belang een afvalstof is als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer. De daartegen door de verdediging gerichte verweren worden verworpen.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt ook dat BioAid en de azijnzuuroplossing met methanol niet voldeden aan de eisen gesteld in de Verordening (EG) 1774/2002, zoals die in de ten laste gelegde periode gold. Deze Verordening stelt volksgezondheidsvoorschriften en veterinairrechtelijke voorschriften voor dierlijke bijproducten vast teneinde risico’s voor de volksgezondheid en de diergezondheid die aan deze producten verbonden zijn, te voorkomen en tot een minimum te beperken. Uit het door het NFI ingesteld onderzoek naar de samenstelling en de eigenschappen van BioAid en de azijnzuuroplossing met methanol, volgt dat deze stoffen niet voldoen aan de definities van dierlijke bijproducten als bedoeld in artikel 2 van voormelde Verordening (EG) 1774/2002.

Het opzet bij verdachte

Door en namens verdachte is ter terechtzitting primair aangevoerd dat verdachte niet het opzet heef gehad BioAid in plaats van glycerine in te nemen, op te slaan en te verwerken, ook niet in de zin van voorwaardelijk opzet. Subsidiair heeft verdachte aangevoerd dat zij geen schuld aan de gedragingen van bedrijf 1 had en dat verdachte daarom van alle rechtsvervolging moet worden ontslagen.

Aan dit verweer heeft verdachte het navolgende ten grondslag gelegd. Bij het bouwen en het opstarten van de biogasinstallatie medio 2007 is advies gevraagd aan het bedrijf bedrijf 6. Daar was op dat moment de heer persoon 1 werkzaam. Hij was de man met de specifieke chemische kennis. Na de bouw van de installatie is persoon 1 verdachte blijven adviseren. Nadat persoon 1 bij bedrijf 1 is gaan werken, heeft hij die adviserende werkzaamheden voortgezet. In de co-vergistingsinstallatie werd glycerine gebruikt. Op een bepaald moment heeft persoon 1 het product BioAid aanbevolen. Naar zijn zeggen was BioAid op basis van de eigenschappen van dit product een soort superglycerine, afkomstig uit België. Op advies van persoon 1 is verdachte overgegaan tot het aankopen en het verwerken van BioAid. Bij de aflevering van BioAid stond op de CMR die de transporteur aan verdachte aanbood, als productnaam BioAid vermeld. Verdachte heeft deze CMR niet in haar administratie opgenomen, maar aan haar leverancier bedrijf 1, afgegeven. Vervolgens kreeg zij voor de betreffende levering een andere CMR van bedrijf 1 waarop als productnaam glycerine stond vermeld. Op de factuur die verdachte van bedrijf 1 ontving stond hetzelfde product als “BLK Vergisting glycerine” vermeld. Door of namens bedrijf 1 werd gezegd dat de wijziging van de productnaam diende om de bron van herkomst van BioAid te beschermen. Deze uitleg heeft verdachte geaccepteerd. Bij de levering van BioAid werd door verdachte alleen de pH-waarde en het drogestofgehalte van de lading gecontroleerd om te bepalen of de aangevoerde stof geschikt was voor gebruik in de co-vergistingsinstallatie. Bij verdachte was voorts bekend dat BioAid als zodanig niet stond vermeld op bijlage Aa van de uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Naar de samenstelling van BioAid is door verdachte nooit onderzoek gedaan.

De rechtbank overweegt het navolgende.

Zoals hiervoor onder de bewijsmiddelen is weergegeven, werd BioAid door bedrijf 3 als een gevaarlijke stof vervoerd. bedrijf 3 nam bij het vervoer alle voorzorgsmaatregelen in acht die de Wet vervoer gevaarlijke stoffen haar voorschreef, inclusief alle waarschuwingsborden op de bij het transport door bedrijf 3 gebruikte tankauto’s. Bovendien werden de transporten begeleid ADR-formulieren omdat het om gevaarlijke stoffen handelde. Deze formulieren werden door verdachte gezien en afgetekend.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank voorts gebleken dat verdachte wist dat de productnaam van de aan verdachte geleverde stof zoals die op de CMR’s en ADR-formulieren stond die verdachte na levering door bedrijf 3 ondertekende, verschilde van de naam die op de CMR’s stond vermeld die verdachte van bedrijf 1 kreeg en van de naam die op de factuur stond die bedrijf 1 aan verdachte stuurde. Daarnaast wist verdachte dat BioAid als zodanig niet op bijlage Aa van de uitvoeringsregeling Meststoffenwet stond vermeld.

Van azijnoplossing met methanol wist verdachte dat zij deze niet mocht ontvangen en verwerken als co-product.

Verdachte heeft voorts gesteld dat zij de verklaring van bedrijf 1 dat de aanduiding van de productnaam BioAid op de CMR’s en de facturen verschilden om de bron van herkomst van BioAid te beschermen, een geloofwaardige verklaring vond. De rechtbank deelt deze opvatting niet. Op de CMR’s die bedrijf 3 bij de aflevering van BioAid aan verdachte aanbood, stond immers de juiste naam van het geleverde product en de producent van het product vermeld Indien bedrijf 1 de herkomst van de leveringen daadwerkelijk voor verdachte verborgen had willen houden, had zij haar transporteur een andere CMR laten opmaken ten behoeve van verdachte. De verdachte had dat ook moeten begrijpen want van bronbescherming was geen sprake.

Gelet op deze omstandigheden had verdachte juist een onderzoek moeten instellen naar de feitelijke samenstelling en status van BioAid en had zij niet klakkeloos mogen vertrouwen op het oordeel en de adviezen van persoon 1. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat persoon 1 een werknemer was van bedrijf 1 BV en derhalve een commercieel belang had (althans kon hebben) bij de verkoop van BioAid aan verdachte. Hij geldt niet als een onafhankelijke derde op wie zonder enig nader onderzoek vertrouwd mocht worden.

Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden had het op de weg van verdachte gelegen (nader) onderzoek in te stellen naar de daadwerkelijke samenstelling van BioAid. Dat heeft verdachte nagelaten. Daarmee heeft verdachte - op zijn minst genomen - willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het aan verdachte geleverde product geen glycerine was, maar een stof die verdachte niet in haar inrichting mocht innemen, opslaan of verwerken.

Conclusie

Op grond van de inhoud van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten, zoals die hierna onder “De bewezenverklaring” nader zullen worden beschreven, opzettelijk heeft gepleegd.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Wet milieubeheer, telkens opzettelijk begaan door een rechtspersoon.
  • Feit 2: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 18.18 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.
  • Feit 3: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2.3, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Geldboete van €15.000.

Strafverzwarende omstandigheden

Verdachte heeft gedurende een langere periode de milieuwetgeving overtreden en het risico aanvaard dat daardoor het milieu schade zou kunnen worden toegebracht. Gelet op de langere periode waarin de bewezen verklaarde feiten zijn gepleegd en het aantal transporten BioAid die verdachte heeft geaccepteerd, lijken de bewezenverklaarde gedragingen een structureel karakter te hebben. Gelet op dit structurele karakter lijkt verdachte zich weinig te hebben aangetrokken van de gevolgen die haar handelen voor het milieu had kunnen hebben.

Voorts heeft de rechtbank meegewogen dat blijkens het haar betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 2 mei 2016 verdachte in 2014 ter zake van overtreding van de Waterwet is veroordeeld.

Strafmatigende omstandigheden

De rechtbank heeft bij de beoordeling van de zaak meegewogen dat het initiatief voor de levering aan en verwerking door verdachte van BioAid en azijnzuuroplossing met methanol niet van verdachte is uitgegaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Boete van EUR 125.000 geëist voor Metalchemic wegens illegale uitvoer ozonafbrekende stoffen

Het Openbaar Ministerie heeft op 28 juli voor de rechtbank in Almelo 125.000 euro boete geëist tegen het bedrijf Metalchemic Recycling International B.V. uit Goor (Metalchemic). Het bedrijf heeft volgens het OM zonder vergunning 20.328 kilogram ozonafbrekende (HCFK’s) naar de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) uitgevoerd. “Dat is ernstig want er is door het ontbreken van de vergunning geen zicht op verantwoorde verwerking van de stoffen. De uitstoot van ozonafbrekende stoffen brengt de ozonlaag significante schade toe. De straf moet doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend zijn” zei de officier van justitie op zitting.

Metalchemic exporteerde in december 2014 in totaal 20.328 kilogram van het koudemiddel R-22 naar een bedrijf in de VAE. R-22 is een ozonlaagafbrekende stof, ook wel HCFK genoemd. HCFK’s zijn “zachte” CFK’s. CFK’s werden in de jaren dertig ontwikkeld en op grote schaal gebruikt als koelmiddel en drijfgas voor spuitbussen. Pas in de jaren zeventig bleek hoe schadelijk de stof voor mens en milieu was. Bovendien dragen ze waarschijnlijk bij aan de opwarming van de aarde. HCFK’s zijn minder schadelijk dan CFK’s, maar nog steeds ozonlaag aantastend. In 1987 zijn internationaal afspraken gemaakt om de productie en het gebruik van HCFK’s terug te dringen. Onderdeel van de afspraken is dat handel in HCFK’s alleen maar is toegestaan tussen landen die partij zijn bij het Protocol. Europese bedrijven die HCFK’s willen exporteren moeten hiervoor een vergunning aanvragen bij de Europese Commissie. Vergunning verlening vindt pas plaats als het importerend bedrijf een importvergunning heeft. Zo wordt controle gehouden op de vraag of het land van ontvangst de stoffen ook mag ontvangen en verantwoord kan verwerken. Metalchemic had geen vergunning aangevraagd voor de export en het bedrijf wist dus ook niet of het ontvangende bedrijf in de VAE de stoffen mocht en kon ontvangen. Metalchemic heeft de uitvoer niet gemeld aan de Europese commissie, zoals wel had gemoeten. Daarnaast zijn in de begeleidende douanedocumenten foute codes gebruikt, waardoor de uitvoer van de ozonlaagafbrekende stof niet is opgemerkt en tegengehouden door toezichthouders.

Passende boete

“Het gaat om ernstige milieufeiten. HCFK’s kunnen aanzienlijke schade veroorzaken aan de ozonlaag en daarmee aan het milieu”, zei de officier van justitie op zitting: “Metalchemic is een groothandel in chemische grondstoffen en chemicaliën voor industriële toepassing. Het bedrijf had als professionele handelaar moeten weten dat de export van HCFK’s aan regels gebonden is” zei de officier van justitie. Dat maakt het handelen van het bedrijf volgens haar extra kwalijk. “De stoffen dragen bij aan de opwarming van de aarde met alle gevolgen van dien. De opmerking van verdachte dat deze hele zaak zonder negatieve impact op het milieu is gebleven slaat nergens op. Verdachte weet immers niet wat het bedrijf dat de stoffen heeft gekocht met de stoffen gaat doen en heeft gedaan. Ieder overheidstoezicht daarop heeft verdachte door haar handelen weten tegen te houden.” De officier plaatst de zaak in een internationaal perspectief. “In de Europese verordening die lidstaten opdraagt dit soort zaken strafrechtelijk te vervolgen staat dat een sancties in dergelijke zaken doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend moeten zijn.” Mede daarom vindt het OM de boete van 125.000 euro passend.

Bron: OM

 

 

Print Friendly and PDF ^

Vijf verdachten veroordeeld voor verschillende illegale handelingen met knobbelzwanen in strijd met o.a. de Flora- en faunawet, Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990

Rechtbank Midden-Nederland 5 juli 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:3649, ECLI:NL:RBMNE:2016:3650, ECLI:NL:RBMNE:2016:3724, ECLI:NL:RBMNE:2016:3725, ECLI:NL:RBMNE:2016:3670, ECLI:NL:RBMNE:2016:3669 Vijf verdachten worden veroordeeld voor verschillende handelingen met knobbelzwanen. De rechtbank legt twee broers €1.000 geldboete op, waarvan €500 voorwaardelijk. Een derde broer krijgt een geldboete van €1.500, waarvan €500 voorwaardelijk. Twee andere verdachten krijgen 60 uur taakstraf, waarvan 30 uur voorwaardelijk en een geldboete van €500.

De knobbelzwanen waren eigendom van de overleden vader van de broers. Volgens het Functioneel Parket hadden de mannen een samenwerkingsverband met hun vader. Zij zouden samen met hun vader afspraken hebben gemaakt over het vangen, merken, ringen en het inkorten van de vleugels van (wilde) zwanen op 27 verschillende locaties. Uit het dossier is niet gebleken dat de zonen die afspraken met hun vader hebben gemaakt. Volgens de rechtbank is wel bewezen dat de verdachten een bijdrage hebben geleverd, of alleen een strafbaar feit hebben gepleegd. Dat zijn veel minder strafbare feiten dan de 27 situaties waar zij van verdacht werden.

Bij een paar knobbelzwanen zijn illegale handelingen verricht. De rechtbank veroordeelt de broers en twee andere verdachten voor hun aandeel in de gepleegde strafbare feiten. Dit zijn onder andere de volgende feiten:

  • Een wilde levende knobbelzwaan is toegeëigend;
  • Er is geringd met een te grote ringmaat;
  • Er is valsheid in geschrift gepleegd door het voorhanden hebben van gemanipuleerde ringen;
  • Vleugels van kuikens zijn niet door een dierenarts ingekort;
  • Een tatoeage van een zwaan is niet door een dierenarts gezet.

De rechtbank legt een lagere staf op dan door de officier van justitie is geëist omdat de mannen minder feiten hebben gepleegd dan waar zij voor terecht stonden.

 

Lees hier de volledige uitspraken:

 

 

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling rechtspersoon voor overbrenging afvalstoffen zonder kennisgeving aan en toestemming van de betrokken bevoegde autoriteit

Rechtbank Rotterdam 8 juni 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:5144 De verdachte rechtspersoon heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van een voorschrift, gesteld bij de Wet milieubeheer, door zich bezig te houden met de overbrenging van twee containers met afvalstoffen, te weten zogenaamde kraftzakken met kunststof binnenzak, vanuit Nederland met eindbestemming India, zonder de bevoegde autoriteiten tevoren van dit afvaltransport in kennis te stellen en zonder de vereiste toestemming. Deze (voorgenomen) transporten waren in strijd met de EVOA.

Achtergrond

Op 13 november 2014 en 14 november 2014 zijn de containers met de nummers [container 1] en [container 2] geselecteerd voor controle door het team Pre Departure van de Douane Rotterdam. Tijdens de controle bleken beide containers (onder andere) balen met zogenaamde ‘kraftzakken’ te bevatten.

Blijkens de aangifte ten uitvoer is de exporteur van de containers het bedrijf [verdachte rechtspersoon] en het land van bestemming betreft India, en meer specifiek een bedrijf aldaar dat kraftzakken gebruikt als grondstof voor het maken van nieuwe kraftzakken. Ter terechtzitting heeft de [vertegenwoordiger] , directeur van het bedrijf [verdachte rechtspersoon] , verklaard dat de kraftzakken volgens hem dan ook bestemd waren voor nuttige toepassing.

Uit het voorgaande volgt dat de verdachte rechtspersoon moet worden aangemerkt als ontdoener van de kraftzakken.

Beoordeling rechtbank

De rechtbank heeft acht geslagen op artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer (Wmb) en de Richtlijn 2008/98/EG betreffende afvalstoffen, in het bijzonder artikel 3 aanhef en onder 1. Op grond van genoemde regelgeving, dient als afvalstof te worden aangemerkt elke stof of voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. Uit voorgaande volgt dan dat de door [verdachte rechtspersoon] over te brengen kraftzakken aangemerkt moeten worden als afvalstoffen.

Ter terechtzitting heeft de [vertegenwoordiger] verklaard dat hij er destijds van overtuigd was dat de kraftzakken (net als in België) onder code B3020 (te weten: papier, karton en papierproducten mits niet gemengd met gevaarlijke afvalstoffen) van Bijlage V bij de EG-Verordening nr. 1013/2006 (hierna EVOA) vallen. Daaronder valt volgens de omschrijving van die categorie immers ook gelamineerd karton. Ter terechtzitting heeft de [vertegenwoordiger] echter ook bevestigd dat ten aanzien van het aan de orde zijnde transport het steeds gaat om kraftzakken waarin een losse polyethyleen binnenzak is gelijmd. Het betreft derhalve dus steeds een (papieren) zak met daarin een afzonderlijk bevestigde kunststof binnenzak. Deze kraftzakken voldoen volgens de rechtbank dan ook niet aan de omschrijving van de categorie B3020 van bijlage V van de EVOA. De in het geding zijnde kraftzakken vallen dientengevolge naar het oordeel van de rechtbank wel onder BEU04 van Bijlage III B bij de EVOA (Verordening (EG) nr. 1013/2006), waarin staat dat als afvalstoffen in die bijlage worden opgenomen:‘geen residuen bevattende en niet onder Bazel-code B3020 vallende composietverpakkingen bestaande voornamelijk uit papier en enige kunststof’.

Ingevolge artikel 37, vijfde lid, van de EVOA geldt dat in geval van overbrenging van in Bijlage III B ingedeelde afvalstoffen vanuit de EG naar een niet OESO-land (zoals India) met als doel nuttige toepassing (recycling) voorafgaand aan de overbrenging kennisgeving dient te zijn gedaan aan en toestemming dient te zijn verkregen van de betrokken autoriteiten van het land van verzending en bestemming. Het staat vast dat een dergelijke kennisgeving niet is gedaan en de betreffende toestemming dientengevolge ook niet is verkregen.

De verdediging heeft nog aangevoerd dat de verdachte rechtspersoon dient te worden vrijgesproken omdat het bestanddeel opzet niet is bewezen. De verdachte rechtspersoon was immers onbekend met het feit dat de kraftzakken zoals thans aan de orde inmiddels waren toegevoegd aan bijlage III B van de EVOA en leefde dus in de veronderstelling dat deze zonder kennisgeving mochten worden uitgevoerd.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Bij economische delicten behoeft geen zogenaamd ‘boos opzet’ bewezen te worden. Het opzet is kleurloos en is gericht op de gedraging en niet op de overtreding (vgl. HR 18 maart 1952, NJ 1953, 314 en HR 24 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8783). Dat het daadwerkelijk de bedoeling van de verdachte rechtspersoon was om de kraftzakken naar India over te brengen, heeft de [vertegenwoordiger] ter terechtzitting zelf ook beaamd. Daarmee is de opzet bewezen.

Meer subsidiair is aangevoerd dat geen sprake is van ‘overbrenging’ in de zin van de EVOA nu de controle van de containers heeft plaatsgehad op Nederlands grondgebied, voorafgaand aan het transport, en de containers Nederland nog niet hadden verlaten. De rechtbank verwerpt dit verweer onder verwijzing naar artikel 2 aanhef en onder 34 van de EVOA. Gelet op de in dit artikel gegeven definitie van het begrip ‘overbrenging’, te weten “het vervoer van voor nuttige toepassing (…) bestemde afvalstoffen dat (…) gepland is plaats te hebben” is de rechtbank van oordeel dat – nu sprake was van gepland vervoer van de kraftzakken naar India – sprake was van overbrenging in de zin van dit artikel. Het voorgaande betekent dat sprake is geweest van ‘illegale overbrenging’ als bedoeld in artikel 2 onder 35 sub a en b van de EVOA.

De rechtbank acht gelet op het hiervoor overwogene het aan de verdachte rechtspersoon tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Strafoplegging

 

Verdachte wordt wegens overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.60, tweede lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 10.000,00 met een proeftijd van 2 jaar.

De rechtbank heeft in het voordeel van verdachte echter ook acht geslagen op de ouderdom van de zaak en het feit dat onderbouwd en onweersproken is gesteld dat het milieu feitelijk niet kon worden vervuild nu de fabriek waarnaar de containers zouden worden getransporteerd zeer geavanceerd is en in staat is om zowel papier als polyethyleen te verwerken, twee stoffen die afzonderlijk wel beiden op de zogenaamde ‘groene lijst’ staan.

Voorts acht de rechtbank van belang dat de onderhavige kraftzakken in andere Europese landen (waaronder België) kennelijk wel onder code B3020 vallen en ter zitting in dit verband ter sprake is gekomen dat er Europese ontwikkelingen gaande zouden zijn die er mogelijk toe zullen leiden dat kraftzakken, ook het type zoals in de onderhavige zaak aan de orde, in de toekomst ook op de zogenaamde ‘groene lijst’ zullen worden geplaatst.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^