Vijf verdachten veroordeeld voor verschillende illegale handelingen met knobbelzwanen in strijd met o.a. de Flora- en faunawet, Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990

Rechtbank Midden-Nederland 5 juli 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:3649, ECLI:NL:RBMNE:2016:3650, ECLI:NL:RBMNE:2016:3724, ECLI:NL:RBMNE:2016:3725, ECLI:NL:RBMNE:2016:3670, ECLI:NL:RBMNE:2016:3669 Vijf verdachten worden veroordeeld voor verschillende handelingen met knobbelzwanen. De rechtbank legt twee broers €1.000 geldboete op, waarvan €500 voorwaardelijk. Een derde broer krijgt een geldboete van €1.500, waarvan €500 voorwaardelijk. Twee andere verdachten krijgen 60 uur taakstraf, waarvan 30 uur voorwaardelijk en een geldboete van €500.

De knobbelzwanen waren eigendom van de overleden vader van de broers. Volgens het Functioneel Parket hadden de mannen een samenwerkingsverband met hun vader. Zij zouden samen met hun vader afspraken hebben gemaakt over het vangen, merken, ringen en het inkorten van de vleugels van (wilde) zwanen op 27 verschillende locaties. Uit het dossier is niet gebleken dat de zonen die afspraken met hun vader hebben gemaakt. Volgens de rechtbank is wel bewezen dat de verdachten een bijdrage hebben geleverd, of alleen een strafbaar feit hebben gepleegd. Dat zijn veel minder strafbare feiten dan de 27 situaties waar zij van verdacht werden.

Bij een paar knobbelzwanen zijn illegale handelingen verricht. De rechtbank veroordeelt de broers en twee andere verdachten voor hun aandeel in de gepleegde strafbare feiten. Dit zijn onder andere de volgende feiten:

  • Een wilde levende knobbelzwaan is toegeëigend;
  • Er is geringd met een te grote ringmaat;
  • Er is valsheid in geschrift gepleegd door het voorhanden hebben van gemanipuleerde ringen;
  • Vleugels van kuikens zijn niet door een dierenarts ingekort;
  • Een tatoeage van een zwaan is niet door een dierenarts gezet.

De rechtbank legt een lagere staf op dan door de officier van justitie is geëist omdat de mannen minder feiten hebben gepleegd dan waar zij voor terecht stonden.

 

Lees hier de volledige uitspraken:

 

 

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling rechtspersoon voor overbrenging afvalstoffen zonder kennisgeving aan en toestemming van de betrokken bevoegde autoriteit

Rechtbank Rotterdam 8 juni 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:5144 De verdachte rechtspersoon heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van een voorschrift, gesteld bij de Wet milieubeheer, door zich bezig te houden met de overbrenging van twee containers met afvalstoffen, te weten zogenaamde kraftzakken met kunststof binnenzak, vanuit Nederland met eindbestemming India, zonder de bevoegde autoriteiten tevoren van dit afvaltransport in kennis te stellen en zonder de vereiste toestemming. Deze (voorgenomen) transporten waren in strijd met de EVOA.

Achtergrond

Op 13 november 2014 en 14 november 2014 zijn de containers met de nummers [container 1] en [container 2] geselecteerd voor controle door het team Pre Departure van de Douane Rotterdam. Tijdens de controle bleken beide containers (onder andere) balen met zogenaamde ‘kraftzakken’ te bevatten.

Blijkens de aangifte ten uitvoer is de exporteur van de containers het bedrijf [verdachte rechtspersoon] en het land van bestemming betreft India, en meer specifiek een bedrijf aldaar dat kraftzakken gebruikt als grondstof voor het maken van nieuwe kraftzakken. Ter terechtzitting heeft de [vertegenwoordiger] , directeur van het bedrijf [verdachte rechtspersoon] , verklaard dat de kraftzakken volgens hem dan ook bestemd waren voor nuttige toepassing.

Uit het voorgaande volgt dat de verdachte rechtspersoon moet worden aangemerkt als ontdoener van de kraftzakken.

Beoordeling rechtbank

De rechtbank heeft acht geslagen op artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer (Wmb) en de Richtlijn 2008/98/EG betreffende afvalstoffen, in het bijzonder artikel 3 aanhef en onder 1. Op grond van genoemde regelgeving, dient als afvalstof te worden aangemerkt elke stof of voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. Uit voorgaande volgt dan dat de door [verdachte rechtspersoon] over te brengen kraftzakken aangemerkt moeten worden als afvalstoffen.

Ter terechtzitting heeft de [vertegenwoordiger] verklaard dat hij er destijds van overtuigd was dat de kraftzakken (net als in België) onder code B3020 (te weten: papier, karton en papierproducten mits niet gemengd met gevaarlijke afvalstoffen) van Bijlage V bij de EG-Verordening nr. 1013/2006 (hierna EVOA) vallen. Daaronder valt volgens de omschrijving van die categorie immers ook gelamineerd karton. Ter terechtzitting heeft de [vertegenwoordiger] echter ook bevestigd dat ten aanzien van het aan de orde zijnde transport het steeds gaat om kraftzakken waarin een losse polyethyleen binnenzak is gelijmd. Het betreft derhalve dus steeds een (papieren) zak met daarin een afzonderlijk bevestigde kunststof binnenzak. Deze kraftzakken voldoen volgens de rechtbank dan ook niet aan de omschrijving van de categorie B3020 van bijlage V van de EVOA. De in het geding zijnde kraftzakken vallen dientengevolge naar het oordeel van de rechtbank wel onder BEU04 van Bijlage III B bij de EVOA (Verordening (EG) nr. 1013/2006), waarin staat dat als afvalstoffen in die bijlage worden opgenomen:‘geen residuen bevattende en niet onder Bazel-code B3020 vallende composietverpakkingen bestaande voornamelijk uit papier en enige kunststof’.

Ingevolge artikel 37, vijfde lid, van de EVOA geldt dat in geval van overbrenging van in Bijlage III B ingedeelde afvalstoffen vanuit de EG naar een niet OESO-land (zoals India) met als doel nuttige toepassing (recycling) voorafgaand aan de overbrenging kennisgeving dient te zijn gedaan aan en toestemming dient te zijn verkregen van de betrokken autoriteiten van het land van verzending en bestemming. Het staat vast dat een dergelijke kennisgeving niet is gedaan en de betreffende toestemming dientengevolge ook niet is verkregen.

De verdediging heeft nog aangevoerd dat de verdachte rechtspersoon dient te worden vrijgesproken omdat het bestanddeel opzet niet is bewezen. De verdachte rechtspersoon was immers onbekend met het feit dat de kraftzakken zoals thans aan de orde inmiddels waren toegevoegd aan bijlage III B van de EVOA en leefde dus in de veronderstelling dat deze zonder kennisgeving mochten worden uitgevoerd.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Bij economische delicten behoeft geen zogenaamd ‘boos opzet’ bewezen te worden. Het opzet is kleurloos en is gericht op de gedraging en niet op de overtreding (vgl. HR 18 maart 1952, NJ 1953, 314 en HR 24 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8783). Dat het daadwerkelijk de bedoeling van de verdachte rechtspersoon was om de kraftzakken naar India over te brengen, heeft de [vertegenwoordiger] ter terechtzitting zelf ook beaamd. Daarmee is de opzet bewezen.

Meer subsidiair is aangevoerd dat geen sprake is van ‘overbrenging’ in de zin van de EVOA nu de controle van de containers heeft plaatsgehad op Nederlands grondgebied, voorafgaand aan het transport, en de containers Nederland nog niet hadden verlaten. De rechtbank verwerpt dit verweer onder verwijzing naar artikel 2 aanhef en onder 34 van de EVOA. Gelet op de in dit artikel gegeven definitie van het begrip ‘overbrenging’, te weten “het vervoer van voor nuttige toepassing (…) bestemde afvalstoffen dat (…) gepland is plaats te hebben” is de rechtbank van oordeel dat – nu sprake was van gepland vervoer van de kraftzakken naar India – sprake was van overbrenging in de zin van dit artikel. Het voorgaande betekent dat sprake is geweest van ‘illegale overbrenging’ als bedoeld in artikel 2 onder 35 sub a en b van de EVOA.

De rechtbank acht gelet op het hiervoor overwogene het aan de verdachte rechtspersoon tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Strafoplegging

 

Verdachte wordt wegens overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.60, tweede lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 10.000,00 met een proeftijd van 2 jaar.

De rechtbank heeft in het voordeel van verdachte echter ook acht geslagen op de ouderdom van de zaak en het feit dat onderbouwd en onweersproken is gesteld dat het milieu feitelijk niet kon worden vervuild nu de fabriek waarnaar de containers zouden worden getransporteerd zeer geavanceerd is en in staat is om zowel papier als polyethyleen te verwerken, twee stoffen die afzonderlijk wel beiden op de zogenaamde ‘groene lijst’ staan.

Voorts acht de rechtbank van belang dat de onderhavige kraftzakken in andere Europese landen (waaronder België) kennelijk wel onder code B3020 vallen en ter zitting in dit verband ter sprake is gekomen dat er Europese ontwikkelingen gaande zouden zijn die er mogelijk toe zullen leiden dat kraftzakken, ook het type zoals in de onderhavige zaak aan de orde, in de toekomst ook op de zogenaamde ‘groene lijst’ zullen worden geplaatst.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

NVWA hanteert per 7 juli 2016 eenduidiger en stringenter toezicht en interventiebeleid

De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) hanteert met ingang van 7 juli een eenduidiger, stringenter en transparanter toezichtaanpak en interventiebeleid. De wijziging komt voort uit de wens van de Tweede Kamer om het interventiebeleid van de NVWA stringenter en uniformer te maken. De gewijzigde aanpak zal in de loop van 2016 binnen de organisatie worden ingevoerd. Er geldt een overgangstermijn tot uiterlijk 1 april 2017.

Verheldering

Uitgangspunt is een duidelijker en stringentere handhaving. Interveniëren door de NVWA moet op een eenduidige en transparante manier gebeuren zodat bedrijven weten waar ze aan toe zijn.

Onder meer de toezichtaanpak wordt eenduidig geformuleerd en uitgelegd. Het interventiebeleid bevat eenduidige afspraken over termijnen, wijze van waarschuwen en stapeling van overtredingen. Het begrip herhaalde overtreding is losgekoppeld van recidive; dit kan in de praktijk leiden tot minder waarschuwen en sneller overgaan tot het opmaken van een rapport van bevindingen (bestuursrecht ) of een proces-verbaal (strafrecht). Ook staan de verificaties die de NVWA doet in het kader van het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid voortaan los van het reguliere toezicht; dat houdt in dat een korting die door RVO.nl is opgelegd gepaard kan gaan met een handhavende maatregel van de NVWA. Afwijken van het vastgestelde interventiebeleid is ingeperkt en kan alleen als dit goed wordt gemotiveerd.

Onafhankelijke positie inspecteur

De rol en de positie van de inspecteur richt zich op het constateren van feiten en omstandigheden en niet op sanctionering. Dit om de onafhankelijke positie van de inspecteur te borgen. Verder zijn er heldere criteria opgenomen voor de inzet van strafrechtelijke of bestuursrechtelijke handhaving waardoor er gerichter kan worden opgetreden en de kans op een sepot afneemt.

Verder is het verscherpt toezicht en permanent toezicht opgenomen in het algemene interventiebeleid.

De kwalificatie van de overtredingen wordt opnieuw bezien. Het ingeschatte risico per overtreding is heroverwogen; dit vooral met het oog op de mogelijkheid van stringenter optreden. Werd er bijvoorbeeld tot nu toe eerst een waarschuwing gegeven, nu volgt direct een rapport van bevindingen en eventueel later een bestuurlijke maatregel.

Hogere boetes bij overtreding Wet dieren en Warenwet

Overtredingen van de Wet dieren kunnen per 1 juli 2016 met een hogere bestuurlijke boete worden bestraft. Nu gelden alleen vaste boetes met een maximum van € 20.000. De hoogst mogelijke boete zal € 820.000 of 10% van de jaaromzet bedragen.

De Wet dieren (2013) bevatte al een boetemaximum van € 820.000 of 10% van de omzet (als de omzet van de overtreder meer dan € 8.2 miljoen is). Het was echter niet eerder mogelijk om zo’n hoge boete op te leggen, omdat de uitvoeringsregelgeving die bij de wet hoort aan elke overtreding een vast boetebedrag koppelt. Het gaat dan om bedragen tussen € 500 en € 10.000. De regelgeving is nu aangepast, waardoor het ook mogelijk is een hogere boete op te leggen dan het vaste boetebedrag. De NVWA kan alleen gebruik maken van de bevoegdheid om een hogere boete voor overtredingen van de Wet dieren op te leggen als het vaste boetebedrag dat voor die overtreding geldt aanmerkelijk wordt overschreden door het met de overtreding te behalen economische voordeel.

Met de aanpassing van het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten later deze maand (naar verwachting medio juli) wordt het mogelijk om voor bepaalde overtredingen van de Warenwet een omzetgerelateerde boete op te leggen tot een maximum van € 820.000. Voorwaarde is dat er opzet of grove schuld in het spel is, en de overtreder een jaaromzet heeft van € 10 miljoen of meer. De omzetgerelateerde boete geldt voor overtredingen op het terrein van eerlijkheid in de handel en goede voorlichting omtrent waren en product- en voedselveiligheid.

Meer informatie:

 

Print Friendly and PDF ^

'De bestraffende handhaving van de Omgevingswet: bestuurlijke strafbeschikking of bestuurlijke boete?'

In juni 2014 is het voorstel voor de Omgevingswet bij de Tweede Kamer ingediend. Aanvankelijk was het kabinet van plan over de volle breedte van de Omgevingswet de mogelijkheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete in te voeren. De Raad van State heeft zich daar in zijn advies tegen gekeerd. Dat heeft het kabinet ertoe gebracht opdracht te geven tot nader onderzoek. Dit artikel bouwt voort op dat onderzoek, dat vanaf de zomer van 2014 tot in maart 2015 is uitgevoerd door medewerkers van de Groningse rechtenfaculteit, onder wie de auteurs van dit artikel. In deze bijdrage richten wij ons vooral op de voorstellen die in de slotbeschouwing zijn gedaan. Het accent ligt op de samenwerking tussen bestuurlijke en justitiële autoriteiten. Lees verder:

 

Dit artikel is los te koop via Boom. 

 

Congres Milieustrafrecht: Trends & Toekomstige Ontwikkelingen.

Klik hier voor meer informatie of om in te schrijven.

Print Friendly and PDF ^

Transactie overeengekomen met Brabants bedrijf Europe Metals i.v.m. illegaal overbrengen van afval

Europe Metals B.V. betaalt een door het Functioneel Parket aangeboden transactie van 100.000 euro voor de verdenking van het illegaal overbrengen van afval naar Polen, China en de Verenigde Arabische Emiraten. Daarnaast treft het Openbaar Ministerie een schikking met het bedrijf voor een bedrag van 260.000 euro; het bedrag dat het bedrijf volgens het Openbaar Ministerie destijds met de illegale overbrenging heeft verdiend.

Het onderzoek

Uit onderzoek door de Politie is het vermoeden ontstaan dat er in de periode 2004 tot met 2006 afvalstoffen  zijn overgebracht in strijd met de Europese regels Voor Overbrenging Afvalstoffen (EVOA). Een aantal keren betrof het een lading afvalstoffen die door het bedrijf werd aangemerkt als groene lijst afvalstof (geen kennisgeving nodig) terwijl volgens het Openbaar Ministerie de lading bestond uit een mengsel van afvalstoffen (wel kennisgeving vereist). Daarnaast heeft volgens het Openbaar Ministerie een aantal malen het vervoer – anders dan op de transportformulieren vermeld - niet plaats gevonden vanuit de inrichting van het bedrijf in Nederland maar vanuit Duitsland of België. Volgens het OM werden tevens een aantal documenten, waaronder de begeleidende documenten van de afvalstoffen en contracten met de Chinese afnemers door werknemers van het bedrijf vervalst.

EVOA

In de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA) zijn regels opgesteld voor (inter)nationaal vervoer  van afvalstoffen. Het is een toezicht-, controle- en beheerssysteem met als doel het waarborgen van een hoog niveau van bescherming van het milieu en de gezondheid van de mens. Met het niet naleven van de regels kunnen bedrijven kosten besparen. Dat kan ze een concurrentievoordeel opleveren ten opzichte van bedrijven die zich wel aan de regels houden. Daarom treedt de overheid hiertegen op.

Passende afdoening

Het Openbaar Ministerie ziet de transactie als een passende afdoening van een langlopende strafzaak. De doorzoeking van het bedrijf was in april 2006. Sedert 2007 is er sprake van een nieuwe EVOA en is het beleid van China ten aanzien van het binnenlaten van afvalstoffen soepeler geworden. Een groot deel van de in de tenlastelegging opgenomen overbrengingen, waar destijds een kennisgeving voor was vereist, zouden onder het huidige beleid zonder kennisgeving kunnen worden overgebracht.

Daarnaast is de bedrijfsvoering van Europe Metals BV zodanig verbeterd dat er de laatste jaren geen nieuwe overtredingen zijn geconstateerd. Het bedrijf is inmiddels overgenomen door een nieuwe eigenaar.

Bron: OM

 

Print Friendly and PDF ^