Debat over de Omgevingswet

De Eerste Kamer heeft dinsdag 15 maart 2016 gedebatteerd met minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus (Infrastructuur en Milieu) over de Omgevingswet. Dit wetsvoorstel beoogt het omgevingsrecht te bundelen in één Omgevingswet. De gebiedsgerichte onderdelen van de huidige wetten worden in één wet geïntegreerd met één samenhangend stelsel van planning, besluitvorming en procedures. Op 22 maart 2016 wordt gestemd over het wetsvoorstel en over de vijf moties die tijdens het debat zijn ingediend.

Eeuwenoud complex proces

Senator Flierman (CDA) betoogde dat het proces van vormgeving en regulering van de fysieke omgeving zich eeuwenlang heeft ontwikkeld en sinds de 19e eeuw aanzienlijk complexer is geworden. Hij noemde het een prestatie van formaat dat zulke complexe materie samenhangend in één wetsvoorstel is ondergebracht. De senator vroeg wel of het wetsvoorstel niet te hoge verwachtingen heeft van burgerparticipatie. Ook pleitte hij voor ruimte voor meerdere omgevingsplannen per gemeente Flierman vroeg ook naar de overgangsfase waarin oude bestemmingsplannen moeten samenkomen met het nieuwe geïntegreerde plan en naar het vaststellen van de omgevingswaarde door zowel het Rijk als de gemeente.  Flierman merkte verder op dat het bestuursakkoord tussen IPO, VNG en de waterschappen vermoedelijk minder lang van kracht is dan het wetsvoorstel en vroeg wat er gebeurt als er in de komende jaren een verschuiving van bevoegdheden plaatsvindt. Verder stelde de senator dat een goed functionerende ICT-infrastructuur voor deze wet essentieel is. De minister moet volgens Flierman een sturende bevoegdheid krijgen in het ICT-project. De senator uitte zorgen over de expertise en het budget dat het ministerie hiervoor beschikbaar heeft. Ook vroeg hij in hoeverre het ministerie voldoende ruimte voor bestuurlijke afweging gaat geven aan provincies en gemeenten. Tot slot vroeg Flierman naar het budget voor cultuurverandering bij ambtenaren, bestuurders, belangenbehartigers, volksvertegenwoordigers en anderen.

Parlementair oogje in het zeil

Senator Van Dijk (SGP) betoogde dat de werkelijk belangrijke zaken worden vastgelegd in algemene maatregelen van bestuur (AMvB 's). De wet zelf regelt vooral de procedures en instrumenten. De senator uitte kritiek op het doorschuiven van belangrijke normen voor luchtkwaliteit, waterveiligheid en geluidshinder naar AMvB 's, vooral vanwege het gebrek aan democratische controle hierop. Ook aanpassing van nationale regelgeving door Europese richtlijnen verdient volgens de senator een parlementair oogje in het zeil.  Van Dijk vroeg of de minister op korte termijn kan kijken hoe belangrijke normen en regels in de wet zelf kunnen worden opgenomen, zoals de norm voor hoogwaterbescherming. Van Dijk pleitte ook voor terughoudendheid van de centrale en provinciale overheid bij het inmengen in gemeentelijke plannen voor windmolenparken. Ook vroeg hij hoe kan worden voorkomen dat het Rijk en provincies kinkende omgevingswaarden op papier zetten en vervolgens de uitvoeringsproblemen over de schutting gooien. Tot slot vroeg senator Van Dijk of het wel verstandig is om de onteigeningswet in de Omgevingswet op te nemen als een deel van het onteigeningsverhaal bij de civiele rechter blijft.

Inspraak van burgers

Senator Van Hattem (PVV) betoogde dat noodzakelijke economische ontwikkelingen te vaak door lange procedures gedwarsboomd. Dit gaat ten koste van werkgelegenheid. Hij juichte toe dat het wetsvoorstel inzet op vereenvoudiging van de bestuursrechtelijke procedures. Toepassing van de Omgevingswet kan volgens Van Hattem echter ook leiden tot nog het voller en dichtbevolkter maken van ons land, zoals de verruimde mogelijkheden voor de vestiging van asielzoekerscentra. De senator pleitte voor meer inspraak van omwonenden bij de besluitvorming over de komst van asielzoekerscentra en windturbines. Omwonenden die net iets te ver weg wonen, hebben volgens Van Hattem geen enkele inspraak. De direct omwonenden worden slecht geïnformeerd over de plannen en hebben te weinig tijd om inspraak te leveren. Van Hattem vroeg ook hoe de rechtszekerheid van burgers bij een globaal Omgevingswet toch kan worden gewaarborgd. De senator betoogde dat de Omgevingswet te weinig inzet op burgerparticipatie en te weinig openheid biedt over besluitvorming van de lokale overheid. De senator diende een motie in die de regering verzoekt om in de uitwerking van algemene maatregelen van bestuur geen maatregelen op te nemen die versoepelingen mogelijk maken in de vestiging van asielzoekerscentra, moskeeën en windturbineparken. Minister Schulz ontraadde de motie en gaf aan de inhoudelijke afweging over de bestemming van gebouwen door gemeenten moet worden gemaakt.

Termijn van inwerkingtreding

Senator Meijer (SP) betoogde dat de bekorte termijnen van de inwerkingtreding van een besluit. Dit maakt het moeilijk voor de burger om te participeren en om voor zijn of haar belangen op te komen. Senator Meijer diende een motie in die de regering oproept om de termijn voor inwerkingtreding van omgevingsvergunningen voor onomkeerbare activiteiten te verlengen naar vier weken. De minister gaf aan dat zij vast wil houden aan snelle, inzichtelijke procedures. Zij ontraadde de motie. Als de motie toch wordt aangenomen, zal de minister dit via de Invoeringswet regelen.

De senator uitte ook twijfels over de kinderziektes die het ICT-project (de Laan voor de Leefomgeving) vertoont. Verder vreest de senator dat lokale overheden nog niet klaar zijn voor de Omgevingswet. Het vergt van hen niet alleen veel tijd en moeite, maar ook een cultuuromslag en een aanzienlijke verruiming van hun verantwoordelijkheden. De financiële implicaties hiervan zijn volgens de senator onvoldoende afgedekt. Meijer uitte ook zorgen over de kwaliteit van de leefomgeving, aangezien hier in het wetsvoorstel  geen regels voor zijn vastgelegd. De senator vroeg welke bestuurslaag voor welk kwaliteitsaspect een ondergrens moet bewaken. Tot slot vroeg zij naar de inhoud van de Nationale Omgevingsvisie en hoe deze visie zich verhoudt tot de Structuurvisie Ondergrond.

Zorgen over uitvoeringstraject

Senator Stienen (D66) betoogde dat het van groot belang is dat de Eerste en Tweede Kamer niet buiten spel worden gezet bij het opstellen van de AMvB 's. De senator uitte ook zorgen over de rol van de ICT, doorzettingsmacht van verschillende bestuurslagen en de in het geding zijnde rechtszekerheid bij verkorte termijnen voor inwerkingtreding. De senator complimenteerde de minister met de communicatie over het wetgevingstraject tot nu toe en vroeg of de communicatie ook zo open zal blijven in het uitvoeringstraject. Stienen stelde dat het wetsvoorstel veel kansen biedt voor inspraak van burgers en voor regie van lokale overheden op de inrichting van de publieke ruimte en het beschermen van de gezondheid en veiligheid van hun inwoners. De senator vroeg wel of de bewijslast voor gezondheidsschade komt te liggen bij de overheid, de aanvrager of de burger. Stienen vroeg ook hoe bestuursorganen burgerparticipatie maximaal kunnen organiseren en stimuleren. De senator uitte zorgen over de haalbaarheid van de beoogde cultuurverandering en de effecten van de wet op duurzaamheid en milieu. Er worden in het wetsvoorstel immers geen minimumwaarden vastgelegd voor schoon water, schone lucht en inperking van geluidsoverlast. Stienen vroeg ook aandacht over de grensoverschrijdende aspecten van het wetsvoorstel.

Senator Stienen diende een motie in die de regering verzoekt om bij het opstellen van de Nationale Omgevingsvisie uiteen te zetten hoe er kan worden bijgedragen aan het verwezenlijken van de klimaatdoelen, zoals die zijn vastgesteld in het klimaatakkoord van Parijs 2015. Minister Schulz gaf aan dat zij deze motie ziet als een ondersteuning van het beleid.

Duurzame ontwikkeling

Senator Teunissen (PvdD)  stelde dat het goed is om wetgeving te vereenvoudigen, maar dat dit niet mag leiden tot een aantasting van de positie van de zwaksten. Teunissen vroeg welke bescherming er overblijft  voor schone lucht, een veilige en gezonde leefomgeving en het groen in de steden/dorpen en natuurgebieden. De senator betoogde dat de Omgevingswet regels zou moeten stellen om de diverse klimaatcrises het hoofd te bieden. Volgens de senator had de regering het liefst het parlement geheel buiten spel gezet in het bepalen van de uiteindelijke regels voor bescherming. Pas bij de behandeling van de Invoeringswet kan alles in samenhang worden bekeken en kunnen de effecten worden beoordeeld. Teunissen betoogde dat er vooral ruimte ontstaat voor economische ontwikkeling en niet voor duurzame ontwikkeling. Ook maakt het wetsvoorstel volgens de senator onvoldoende duidelijk welke actieve betrokkenheid er wordt verwacht van burgers en maatschappelijke partners. Teunissen vroeg ook naar de rechtspositie van de burger die voor bescherming van zijn leefomgeving geen beroep kan doen op de rechter. Verder haalde de senator de zorg van de VNG aan, dat er bij veel gemeenten nog onduidelijkheid is over normstellingen. Zij vroeg ook of de regering bereid is om een bepaling over de programmatische aanpak van stikstof op te nemen in het wetsvoorstel.

Ruimtelijk rentmeesterschap

Senator Bikker (ChristenUnie) vroeg in hoeverre het wetsvoorstel een goede invulling biedt van ruimtelijk rentmeesterschap. Veel van wat er in het wetsvoorstel staat wordt uitgewerkt in de Invoeringswet en in vier grote AMvB 's. Er zijn volgens Bikker echter normen die in wetgeving moeten worden vastgelegd, zoals die rond waterveiligheid. Dat basisbeschermingsniveau hoort in de Omgevingswet. De senator vroeg ook of de gewenste toename in burgerparticipatie wel haalbaar is en wie de kwaliteit borgt van informatie die burgers krijgen. Zij haalde hiertoe onder meer de verzwakte positie van regionale omroepen aan.  Er wordt volgens Bikker veel gevraagd van ambtenaren, volksvertegenwoordigers en bestuurders. Over de verkorte termijn van inwerkingtreding merkte de senator op dat dit tot een achteruitgang in de rechtsbescherming leidt.

Wet versus AMvB         

Senator Vos (GroenLinks) stelde dat het wetsvoorstel onvoldoende recht doet aan de medewetgevende rol van het parlement. Zij hekelde dat er veel zaken niet in formele wetgeving zijn vastgelegd. Hier gaat immers een ordende en harmoniserende werking van uit en draagt bij aan de voorspelbaarheid van het overheidsoptreden. Vos pleitte ervoor dat er nationale omgevingswaarden komen voor geluid, geur en CO2. Zij bepleitte ook een verplichte provinciale omgevingswaarde voor landschap. De senator vroeg de minister om te garanderen dat het beschermingsniveau bij vergunningverlening gelijk blijft. Gemeenten hebben immers veel ruimte in de beoordeling van een aanvraag. De verdeling van taken en bevoegdheden tussen overheden is volgens de senator onduidelijk en met te weinig waarborgen omkleed. De provincie zou een instemmingsrecht moeten hebben bij het verlenen van omgevingsvergunningen. Zij betreurde dat het beoordelen van een vergunningsaanvraag 'in samenhang' in het nieuwe wetsvoorstel is geschrapt. In de nieuwe wet kan bovendien langdurig worden afgeweken van natuur- en milieunormen. De vier AMvB 's beslaan volgens de senator honderden pagina's, die vrijwel door niemand te doorgronden zijn.

Senator Vos diende een motie in die de regering verzoekt de beoordelingsregels voor omgevingsvergunningen in de uitvoeringsregelgeving zoveel mogelijk ongewijzigd over te nemen uit de huidige wet- en regelgeving en ervoor te zorgen dat er geen verslechtering van het beschermingsniveau optreedt. Minister Schulz gaf aan dat er ruimte nodig is voor harmonisatie van regelgeving maar dat zij de motie verder ziet als ondersteuning van het beleid.

Senator Vos diende een tweede motie in die de regering verzoekt instructieregels als vangnet op te nemen in de uitvoeringsregels, zodat decentrale overheden verplicht worden om regels te stellen voor geluid, geur, landschappelijke waarden en natuur.  Minister Schulz gaf aan dat hier instructieregels voor komen en dat zij de motie dus ziet als ondersteuning van het beleid. Voor landschapswaarden geldt dit alleen voor erfgoed.

Normstelling

Senator Verheijen (PvdA) vroeg welke tijdswinst er geboekt wordt als het parlement inhoudelijk betrokken wil zijn bij de normstelling in AMvB 's. Er had dan immers net zo goed gestreefd kunnen worden naar normstelling in de wet. Volgens Verheijen vereist de noodzakelijke ICT-voorziening een forse, financiële technische en operationele inzet van alle betrokkenen. Hij vroeg welke eisen de minister stelt aan decentrale overheden voor het op orde brengen van hun inbreng bij het ICT-portaal. Bestaande kennis van omgevingsrecht wordt volgens de senator grotendeels onbruikbaar. Verheijen gaf aan dat hij zorgen heeft over de honderden kleine gemeentes die hier mee te kampen krijgen en vroeg of er wellicht behoefte is aan de Transitie-autoriteit zoals in het sociale domein. Verder vroeg de senator of er in het te sluiten bestuursakkoord ook aandacht zal zijn voor de handhaving- en toezichtkosten. Ook vroeg Verheijen aandacht voor de balans tussen flexibiliteit en bescherming. Hij vroeg de minister om integraliteit in de besluitvorming te waarborgen. Hij bepleitte verder dat EU-rechtsbeginselen zoals 'de vervuiler betaalt' en 'bronaanpak' in omgevingsplan en verordening worden opgenomen, net als het thema gezondheid. Tot slot

Kansen voor de toekomst

Senator Jorritsma-Lebbink (VVD) complimenteerde de minister met het brede draagvlak voor dit wetsvoorstel. De rechtszekerheid is volgens Jorritsma in de nieuwe situatie beter geborgd dan in de  oude situatie. Bovendien biedt het wetsvoorstel veel kansen voor de overheid om beter te worden in het betrekken van burger bij besluit- en beleidsvorming in de publieke ruimte. Er zijn echter grenzen aan burgerparticipatie: het is volgens de senator niet zo dat iedere burger de gemaakte keuze hoeft te steunen. Jorritsma gaf aan dat zij zeer hecht aan de mogelijkheid om in dichtbevolkte gebieden aparte kwaliteitscriteria te hanteren voor de leefomgeving. Hier moeten lokale overheden de verantwoordelijkheid voor krijgen; landelijke kwaliteitsnormen zijn volgens de senator onmogelijk. Er moet volgens Jorritsma sprake zijn van een aanmerkelijk bovenlokaal belang om te rechtvaardigen dat de centrale of provinciale overheid zich mengt in lokaal beleid. De senator betoogde dat het belangrijk is om dat het parlement bij de behandeling van de AMvB 's, de aanvullingswetgeving en de Invoeringswet niet allerlei aanscherpingen gaat doorvoeren.

Eenvoudiger, inzichtelijker, beter

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus (Infrastructuur en Milieu) betoogde dat het doel van de stelselherziening ligt in het vereenvoudigen en inzichtelijker maken van regelgeving. Zij haalde aan dat er al ongeveer 30 gemeentes zijn die met deze wet aan het experimenteren zijn. Een groot voordeel van dit wetsvoorstel is dat het ruimte biedt voor een eigen afweging op lokaal niveau. Ook verbetert en versnelt het wetsvoorstel de besluitvorming voor grote projecten in de fysieke ruimte en wordt de onderzoek last verminderd.  De stelselherziening vereist volgens de minister wel een belangrijke cultuurverandering.

Het participatieproces zal per regio verschillend worden ingevuld. De waarschuwing van het SCP dat er niet teveel mag worden verwacht zal de minister onder andere betrekken bij haar Nationale Omgevingsvisie. Het wordt voor burgers in elk geval makkelijker om toegang te krijgen tot informatie. Over de inspraak ten aanzien van bijvoorbeeld asielzoekerscentra merkte de minister op hier een kenbare, toegankelijke uitnodiging voor komt. Er wordt echter ook van burgers zelf verwacht om alert te zijn op mogelijkheden voor inspraak.

Over het vastleggen van kwaliteitsnormen in AMVB 's stelde de minister dat deze normen nu in een veelvoud van regels zijn vastgelegd. De bedoeling is om al deze regels te bundelen in vier AMvB 's. Het voordeel hiervan is dat Europese regelgeving tijdig kan worden doorgevoerd. Na het vaststellen van de AMvB 's kan er inhoudelijk worden gediscussieerd over de normstellingen, aldus de minister. Dit is niet alleen efficiënter maar biedt ook meer mogelijkheden voor maatwerk.

De beroep- en bezwaarmogelijkheden veranderen onder deze wet niet, stelde de minister. De termijn voor de inwerkingtreding van besluiten worden in het wetsvoorstel verkort van 6 naar 2 weken. Als binnen twee weken beroep of bezwaar wordt ingesteld, wordt het besluit geschorst en treedt het (nog) niet in werking. Ook na die termijn kan er door de rechter worden besloten dat het besluit geschorst moet worden.

De minister betoogde dat het wetsvoorstel geen essentiële wijzigingen maakt in de verdeling van bevoegdheden van rijk, provincies en gemeenten. Het biedt juist instrumenten voor gebiedsgerichte coördinatie. Centraal staat dat de bevoegdheid decentraal is, tenzij er zwaarwegende redenen te zijn om dat anders te regelen. Overheden zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor het voldoen aan omgevingswaarden. De afspraken met VNG, IPO en de waterschappen over dit wetsvoorstel zijn volgens de minister constructief tot stand gekomen.

Print Friendly and PDF ^

Bedoeling Flora- en Faunawet: niet meer dan 2 jachthouders voor dezelfde grond. Verdachte mocht jagen. Vrijspraak.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24 februari 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:1862

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 26 oktober 2013 te Nagele, gemeente Noordoostpolder, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, als houder van een jachtakte een geweer heeft gedragen en/of laten dragen op gronden, te weten op de percelen E17 en E18, waarop hij niet tot het gebruik van een geweer gerechtigd was, immers

a. kwam hem en/of zijn medeverdachte(n) het genot van de jacht daar niet toe, omdat in strijd met artikel 33 en 34 van de Flora- en faunawet het genot van de jacht was verhuurd aan twee huurders en was/waren hij/zij dus niet gerechtigd daar een geweer te (laten) dragen,

en/of

kwam hem en/of zijn medeverdachte(n) het genot van de jacht daar niet toe, omdat in strijd met artikel 49 Flora- en faunawet er werd gejaagd op een jachtveld dat niet voldeed aan de eisen van artikel 10 en 11 van het Jachtbesluit, immers werd er met meerdere jachthouders gejaagd en/of liet(en) verdachte(n) meerder jachthouders jagen op een jachtveld van 45 hectaren.

Geldigheid van de inleidende dagvaarding

In de eerste vier regels en onder sub b is aan verdachte tenlastegelegd - kort weergegeven - dat hij een geweer heeft gedragen op gronden waarop hij niet tot het gebruik van een geweer gerechtigd was, immers kwam hem als jachthouder het genot van jacht daar niet toe omdat er werd gejaagd op een jachtveld dat niet aan de wettelijke eisen voldeed.

Het hof is van oordeel dat het in de eerste vier regels en onder sub b tenlastegelegde innerlijk tegenstrijdig is. Verdachte was uit hoofde van het jachthouderschap gerechtigd tot het genot van de jacht (art. 1 in samenhang met artikel 33 en 34 van de Flora- en faunawet) op bedoelde percelen. Dat verdachte dat genot mogelijkerwijs niet mocht uitoefenen omdat het jachtveld niet zou voldoen aan de door de wet gestelde eisen, maakt dat niet anders.

Het hof zal de inleidende dagvaarding daarom, voor zover het betreft het onder sub b tenlastegelegde, nietig verklaren.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder sub a tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

In het bijzonder overweegt het hof het volgende.

Bij schriftelijke overeenkomst, gedagtekend 22 maart 2010, hebben verdachte en betrokkene 1 het genot van de jacht van betrokkene 2 gehuurd. Blijkens die huurovereenkomst zijn de huurders gerechtigd tot het genot van de jacht op de gronden J17 en J18, waarvan betrokkene 2 eigenaar is.

Artikel 1 van de Flora- en faunawet luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

jachthouder: degene die overeenkomstig het in de artikelen 33 of 34 bepaalde gerechtigd is tot het gehele of gedeeltelijke genot van de jacht;

Artikel 33 van de Flora- en faunawet luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

Gerechtigd tot het genot van de jacht is:

a. de eigenaar van de grond indien niet ingevolge het in onderdeel b of c bepaalde de erfpachter, vruchtgebruiker, beklemde meier of pachter gerechtigd is tot het genot van de jacht en voorzover het genot van de jacht niet is verhuurd;

de huurder van het genot van de jacht voorzover hij dat overeenkomstig artikel 34, eerste lid, heeft gehuurd (…);

Artikel 34 van de Flora- en faunawet luidt, voor zover thans van belang, als volgt:

1. Degene die ingevolge het bepaalde in artikel 33, onderdeel a, b of c, gerechtigd is tot het genot van de jacht, kan dat genot geheel of gedeeltelijk aan één ander verhuren, mits bij een schriftelijke en gedagtekende huurovereenkomst.

Uit het eerste lid van artikel 34 volgt dat het gehele of gedeeltelijke genot van de jacht aan ‘één ander’ kan worden verhuurd. Aangezien zowel verdachte als betrokkene 1 hebben getekend als huurders van het genot van de jacht, ziet het hof zich voor de vraag gesteld of er - in het onderhavige geval - sprake is van een geldige overeenkomst.

Uit de memorie van toelichting volgt het volgende.

‘De jachthouder kan, voor zover hij het genot van de jacht op de betreffende grond niet heeft gehuurd, dat recht geheel of gedeeltelijk overdragen aan één ander door middel van gedagtekende en schriftelijke overeenkomsten van huur en verhuur van de jacht, aangezien het jachtrecht een vermogensrecht in de zin van artikel 1585 van het Burgerlijk Wetboek (Boek 7A) is. Kiest hij voor gedeeltelijke verhuur van het jachtrecht, dan kan hij daarnaast niet nog een ander gedeelte van het jachthouderschap op de betreffende grond overdragen.

Anders dan thans het geval is, is het degene die het gehele of gedeeltelijke genot van de jacht heeft gehuurd, niet toegestaan het door hem gehuurde genot van de jacht in gedeelten te verhuren. Wanneer het genot van de jacht in te veel delen wordt opgesplitst, bijvoorbeeld per wildsoort of groep van wildsoorten, per periode of per middel, dan zouden op hetzelfde stuk grond verschillende jachthouders aanwezig zijn met elk een eigen verantwoordelijkheid. Zo'n situatie komt de samenhang in de uitvoering van het wildbeheer niet ten goede. Hij die slechts een gedeeltelijk jachthouderschap bezit, kan het gedeelte dat hij bezit slechts in zijn geheel weder verhuren. Op deze wijze zijn er nooit meer dan twee jachthouders op dezelfde grond. De mogelijkheid van een gedeeltelijke verhuur van het jachthouderschap is gehandhaafd om terreinbeherende instanties de mogelijkheid te bieden

een deel van het wildbeheer te verhuren en een ander deel in eigen beheer te houden’.

Het hof begrijpt de strekking van artikel 34, eerste lid, van de Flora- en faunawet tegen de achtergrond van de memorie van toelichting aldus dat de wetgever het onwenselijk acht dat er meer dan twee jachthouders voor dezelfde grond zijn.

In de onderhavige casus is als gevolg van de huurovereenkomst sprake van twee jachthouders, te weten verdachte en betrokkene 1. Ingevolge het bepaalde in artikel 1 in samenhang met artikel 33, onder a, is eigenaar betrokkene 2 immers geen jachthouder meer.

Naar het oordeel van het hof verdraagt dit zich met de bedoeling van de wet en moet in een geval als het onderhavige aan het woord “één” in “één ander” niet zodanige betekenis worden toegekend dat niet meer dan één persoon huurder kan zijn. Het hof merkt nog op dat er in de Nota van toelichting op het Jachtbesluit ook van uit wordt gegaan dat er van méér dan één huurder sprake kan zijn in een huurovereenkomst.

Gelet op het vorenstaande acht het hof niet bewezen dat verdachte niet tot het gebruik van een geweer gerechtigd was op de percelen E17 en E18 en hem het genot van de jacht daar niet toekwam. Het hof zal verdachte derhalve vrijspreken van het hem onder a tenlastegelegde.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling wegens bodemverontreiniging

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 9 maart 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:883 Verdachte wordt ter zake van overtreding van artikel 13 van de Wet bodembescherming veroordeeld tot een geldboete van € 1.800 waarvan € 1.000 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Verdenking

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. zij in of omstreeks de periode van 19 januari 2010 tot en met 29 april 2010 te [vestigingsplaats] , in de [gemeente] , samen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) op of in de bodem (in de directe omgeving) van een aan de [adres] gelegen inrichting, (een) handeling(en) heeft verricht, te weten het (telkens) brengen of doen uitstromen van (varkens)mest en/of verontreinigd mestwater en/of ander verontreinigd afvalwater op en/of in de bodem, terwijl zij en/of haar mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) kunnen vermoeden, dat door die handeling(en) de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast, en toen, al dan niet opzettelijk, (telkens) niet aan haar/hun verplichting heeft/hebben voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van haar/hen konden worden gevergd, teneinde die verontreiniging en/of aantasting te voorkomen dan wel, terwijl die verontreiniging en/of aantasting zich voordeed, de verontreiniging of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken, immers heeft zij, samen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

  • Op 19 januari 2010 plassen met (varkens)mest en/of verontreinigd mestwater en/of ander verontreinigd afvalwater op de onbeschermde bodem (in de directe omgeving) van dat terrein gebracht, althans laten staan (zaaksdossier 01, AH 005, pag. 137 e.v.);
  • Op 27 april 2010 en/of 29 april 2010 een plas met (varkens)mest en/of verontreinigd mestwater en/of ander verontreinigd afvalwater op de onbeschermde bodem (in de directe omgeving) van dat terrein gebracht, althans laten staan (zaaksdossier 01, AH-047, pag. 246 e.v.);

2. zij op of omstreeks 4 december 2009 en/of 15 december 2009 te [vestigingsplaats] , [gemeente] , tezamen en in vereniging met een ander, althans anderen, althans alleen, zonder vergunning, al dan niet opzettelijk, met behulp van een werk, te weten een pijp en/of een afvoer van een bedrijfsriool, een hoeveelheid afvalwater en/of verontreinigd terreinwater en/of percolaat, zijnde (een) afvalstof(fen), verontreinigende en/of schadelijke stof(fen) heeft gebracht in een sloot op of nabij het bedrijfsterrein aan de [adres] aldaar gelegen inrichting, zijnde een oppervlaktewater (zaaksdossier 01, AH 003, pag. 15 e.v.);

3. zij in of omstreeks de periode van 15 december 2009 tot 3 februari 2010 te [vestigingsplaats] , [gemeente] , tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk, zonder vergunning een in of op het perceel aan de [adres] gelegen inrichting voor de opslag, overslag en het bewerken van grondstoffen, bouwstoffen, afvalstoffen en mest en loonwerk en aanverwante werkzaamheden, waartoe een gpbv-installatie behoort, zijnde een inrichting genoemd in Categorie 28 van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende Bijlage I, althans een inrichting als bedoeld in bijlage I en/of III van voornoemd besluit, heeft veranderd en/of de werking daarvan heeft veranderd, immers heeft zij tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, zonder vergunning

  • op of omstreeks 16 december 2009 een hoeveelheid varkensmest, althans afvalwater, gestort op een op die inrichting gelegen hoeveelheid puin (zaaksdossier-01, AH 37, pag. 93 e.v.) en/of
  • 29 januari 2010 en/of 3 februari 2010 een of meer containers door middel van een slang aangesloten (via een controlevoorziening van de olie/benzineafscheider) op de gemeentelijke riolering waardoor (bedrijfs)afvalwater op die riolering werd geloosd (zaaksdossier 01, AH06, pag. 158 e.v. + AH010 pag. 181 e.v.);

4. zij op of meer tijdstippen in de periode van 17 september 2009 tot en met 23 september 2009 te [vestigingsplaats] , [gemeente], al dan niet opzettelijk, zonder vergunning ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren op andere wijze dan met behulp van een werk, een hoeveelheid (onder meer meststoffen bevattend) afvalwater, zijnde afvalstoffen, verontreinigende en/of schadelijke stoffen, heeft gebracht in een of meer (kavel)sloten, zijnde (een) oppervlaktewater, door deze stoffen daarin te storten en/of te pompen en/of te doen afvloeien.

De verdediging heeft bepleit:

  • primair dat verdachte integraal zal worden vrijgesproken;
  • subsidiair dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de strafvervolging ten aanzien van de onder 2 en 4 ten laste gelegde overtredingen.

Aanwijzing bemonstering en analyse milieudelicten

Door de verdediging is een beroep gedaan op uitsluiting van het bewijs van de resultaten van het onderzoek omdat de Aanwijzing bemonstering en analyse milieudelicten op cruciale punten niet is nageleefd.

Het hof overweegt het volgende.

Voor zover de verdediging een beroep heeft gedaan op bewijsuitsluiting omdat zich in het vooronderzoek een onherstelbaar vormverzuim in de zin van art. 359a Sv heeft voorgedaan kan dit verweer niet slagen. Door de verdediging is niet aan de hand van de in art. 359a, tweede lid, Sv genoemde factoren gemotiveerd aangevoerd om welke redenen de gestelde niet-naleving van de Aanwijzing tot bewijsuitsluiting zou moeten leiden. Bovendien bevat de Aanwijzing instructienormen voor de opsporende en toezichthoudende ambtenaar. In de Aanwijzing wordt de procedure aangegeven die gevolgd dient te worden bij het nemen en analyseren van monsters bij de opsporing van milieudelicten en deze procedure wordt aanbevolen voor bemonstering en analyse in het kader van toezicht. Bij de controle op de naleving van de Waterwet op 19 januari 2010 zijn geen monsters genomen doch zijn uitsluitend veldmetingen uitgevoerd met behulp van een geleidbaarheidsmeter. De Aanwijzing is hierop niet van toepassing. Er is dan ook geen sprake van een vormverzuim in de zin van art. 359a Sv.

Voor zover door de verdediging de betrouwbaarheid van de verkregen onderzoeksresultaten wordt betwist overweegt het hof het navolgende.

Het proces-verbaal bevat de met behulp van een geleidbaarheidmeter verkregen resultaten van veldmetingen.

Het hof stelt het volgende voorop. De enkele omstandigheid dat in het proces-verbaal de door de verdediging genoemde gegevens (pleitnota pagina 3) niet zijn vermeld, brengt nog niet mee dat de met de veldmetingen verkregen resultaten niet voldoende betrouwbaar zijn.

Door de deskundige ir. T. Edelman is gerapporteerd dat het geleidingsvermogen van een vloeistof in het veld eenvoudig kan worden bepaald met een draagbare geleidbaarheidsmeter. Uit eigen ervaring weet de deskundige dat geleidbaarheidsmetingen eenvoudig en robuust zijn en dat er weinig mis kan gaan. De deskundige concludeert voorts, na een vergelijking met uitkomsten van laboratoriummetingen, dat de veldmetingen in andere onderzoeken voldoende betrouwbaar zijn geweest, hetgeen, zo begrijpt het hof, ook geldt voor de veldmetingen die op 19 januari 2010 zijn gedaan.

Het hof acht, in aanmerking genomen hetgeen door de deskundige is gerapporteerd, de resultaten van de veldmetingen voldoende betrouwbaar om tot bewijs te dienen.

Het hof verwerpt het verweer.

Feit 1, eerste gedachtestreepje

Door verbalisant is onder meer gerelateerd dat hij op 19 januari 2010 een controle uitvoerde aan de zuid-westzijde van het bedrijf van verdachte. Hij zag dat het bedrijf was omgeven door een hoge aarden wal. Op die wal was een bruin spoor van afstroming zichtbaar. Achter de aarden wal lag een composthoop welke boven de wal uitstak. Op het pad tussen de wal en de spoorsloot lagen plassen met donkerbruin gekleurde vloeistof. De EGV-waarden van de plassen varieerden tussen 3.080 en 19.630 micro-siemens per centimeter. Op de wal zag hij plasjes donkerbruin gekleurde vloeistof met een EGV-waarde van 24.500 micro-siemens per centimeter.

Het onderzoek bevat onvoldoende gegevens om te concluderen dat hier sprake is geweest van (varkens)mest en/of verontreinigd mestwater. Wel acht het hof bewezen dat sprake was van verontreinigd afvalwater op grond van het navolgende.

Afvalwater is alle water waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. Ervan uitgaande dat, zoals door de verdediging is gesteld, sprake is geweest van afstroming van regenwater van de composthoop waardoor buiten de inrichting op het pad plassen zijn ontstaan, is dit afgestroomde water, nu de verdachte dit heeft laten wegstromen en zich er derhalve van heeft ontdaan, aan te merken als afvalwater.

Uit de resultaten van de veldmetingen blijkt dat de EGV-waarden van de plassen vloeistof vele malen hoger was dan de EGV-waarde van niet-verontreinigd oppervlaktewater. Gelet hierop en gelet op de waarnemingen van de verbalisant dat het ging om donkerbruine vloeistof, acht het hof bewezen dat het afvalwater verontreinigd was. Verdachte heeft dit afvalwater doen uitstromen op of in de bodem; daardoor kon de bodem worden verontreinigd en/of aangetast.

Het hof verwijst in dit verband nog naar het rapport van de deskundige Edelman. De deskundige rapporteert dat op basis van het verrichte onderzoek strikt genomen geen bodemverontreiniging kan worden aangetoond nu immers de bodem niet is onderzocht, doch dat daarmee wel een dreigende bodemverontreiniging is aangetoond. Voorts merkt de deskundige op dat een hoge elektrische geleidbaarheid van een vloeistof het gevolg is van een hoog gehalte aan opgeloste zouten; bij een hoog gehalte aan opgeloste zouten in de bodem is sprake van bodemverontreiniging.

Anders dan de verdediging lijkt te veronderstellen is het laten wegstromen van het – verontreinigd – afvalwater op of in de bodem niet een gedraging die op grond van het Activiteitenbesluit was toegestaan. Het hof wijst er in dit verband op dat voorschrift 4.11, derde lid, van het Besluit niet ziet op een composthoop.

Nu het water kennelijk afkomstig was van een achter de aarden wal gelegen composthoop acht het hof eveneens bewezen dat verdachte wist, althans redelijkerwijs had kunnen vermoeden, dat door het laten wegstromen van het afvalwater de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast. Hetgeen de verdediging dienaangaande verder heeft aangevoerd (zoals de omstandigheid dat bij een later onderzoek niet is gebleken van bodemverontreiniging, de bodem een zeker ‘herstellend vermogen’ heeft) leidt niet tot een ander oordeel. Voor een bewezenverklaring is voldoende dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast.

Uit het onderzoek is echter niet voldoende gebleken dat bij verdachte sprake was van (voorwaardelijk) opzet, zodat verdachte van dit onderdeel en derhalve van het impliciet primair tenlastegelegde misdrijf zal worden vrijgesproken.

Wel acht het hof bewezen dat verdachte de impliciet subsidiair ten laste gelegde overtreding heeft begaan.

Feit 1, tweede gedachtestreepje 

Het hof acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zodat zij daarvan moet worden vrijgesproken. Daartoe overweegt het hof als volgt.

Uit het proces-verbaal blijkt dat de verdenking is gerezen dat verdachte op 27 april 2010 en/of 29 april 2010 mest, mestwater of verontreinigd afvalwater loosde of liet staan op het verdiepte deel van het bedrijfsterrein en dat in dit verdiepte deel sprake was van een onbeschermde bodem.

Namens de verdachte is aangevoerd dat er geen lozing op het verdiepte deel van het bedrijfsterrein plaatsvond maar dat het water juist uit het verdiepte deel naar een van de bassins werd verpompt.

Het hof heeft uit het onderzoek niet de overtuiging gekregen dat sprake was van mest of mestwater. Het hof verwijst daarvoor onder meer naar het briefrapport van dr. ir. N.W.M. Ogink van 30 augustus 2013 waaruit blijkt dat een geurherkenning niet steeds betrouwbaar is.

Voorts zijn de in het proces-verbaal door de verbalisanten weergegeven bevindingen niet voldoende om het verweer van de verdachte dat het water juist naar een van de bassins werd verpompt, te weerleggen.

Derhalve zal het hof de verdachte van dit onderdeel van het onder 1. ten laste gelegde vrijspreken.

Feit 2

Uit onderzoek is gebleken dat in de maand december 2009 via een pijp en via een afvoer van het bedrijfsriool afvalwater van het bedrijfsterrein in de kavelsloot stroomde.

Op 4 december 2009 werd geconstateerd dat afvalwater in een pijp stroomde en werd geloosd op een kavelsloot. De dop die eerder op de pijp was aangebracht bevond zich niet meer op de pijp. Namens verdachte is aangevoerd dat de pijp eerder afgedopt was en dat buiten de schuld van verdachte de dop op enig moment van de pijp is geraakt.

Op 15 december 2009 werd na onderzoek van lozingsputten geconstateerd dat via een afvoer afvalwater werd geloosd in een kavelsloot. Namens verdachte is aangevoerd dat de constructie van de riolering waardoor een overloop in het schoonwaterriool plaats kon vinden niet aan haar bekend was.

Uit het onderzoek zijn voldoende aanwijzingen verkregen dat beide keren sprake was van het zonder vergunning lozen van afvalwater in de kavelsloot. Uit het onderzoek is echter niet voldoende gebleken dat bij verdachte sprake was van (voorwaardelijk) opzet, zodat verdachte van dit onderdeel en derhalve van het (telkens) impliciet primair tenlastegelegde misdrijf zal worden vrijgesproken.

Nu opzet niet kan worden bewezen is op grond van artikel 2 van de Wet op de economische delicten geen sprake van een misdrijf en dient het hof een oordeel te geven over de aan verdachte ten laste gelegde overtredingen van artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.

Ontvankelijkheid feit 2, impliciet subsidiair

Ten laste gelegd is dat de overtredingen zijn gepleegd op of omstreeks 4 december 2009 en/of 15 december 2009.

De eerste daad van vervolging is het uitbrengen van de inleidende dagvaarding van verdachte op 8 januari 2013. Hiertussen is een periode gelegen van meer dan drie jaar.

Hieruit volgt dat, gelet op artikel 70, aanhef en onder 1°, in relatie tot artikel 72, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, de zaak is verjaard en het recht tot strafvordering is vervallen.

Dientengevolge zal het hof de officier van justitie niet ontvankelijk verklaren in de strafvervolging ter zake van de onder 2. ten laste gelegde overtredingen.

Feit 3

Het hof acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3. ten laste gelegde heeft begaan, zodat zij daarvan wordt vrijgesproken. Daartoe overweegt het hof als volgt.

Het dossier bevat aanwijzingen dat op of omstreeks 16 december 2009 varkensmest of afvalwater op een hoeveelheid puin is gestort en dat op 29 januari 2010 en 3 februari 2010 bedrijfsafvalwater op de gemeentelijke riolering werd geloosd en dat daarmee in strijd werd gehandeld met de vergunning.

Het hof acht evenwel niet bewezen dat sprake is geweest van het veranderen van de inrichting dan wel van de werking van de inrichting. Uit het onderzoek zijn onvoldoende aanwijzingen naar voren gekomen waaruit kan worden afgeleid dat de gedragingen een zodanig - min of meer structureel - karakter hadden dat van het veranderen van de inrichting dan wel van de werking van de inrichting gesproken kan worden.

Feit 4

Uit onderzoek is gebleken dat in de maand september 2009 (verontreinigd) afvalwater is uitgereden op een maisveld en dat een deel van dat water in een kavelsloot is afgevloeid.

Namens de verdachte is aangevoerd dat het maisland was voorzien van een infiltratiesysteem en dat verdachte nimmer de intentie heeft gehad het water in de sloot te lozen.

Het hof overweegt het volgende.

Het onderzoek levert onvoldoende aanwijzingen op om te concluderen dat verdachte opzettelijk (verontreinigd) afvalwater in de kavelsloot heeft gebracht door deze daarin te doen afvloeien. Dat afvalwater is afgevloeid in de kavelsloot is wel te wijten aan onzorgvuldig en onachtzaam handelen van verdachte maar niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van (voorwaardelijk) opzet.

Verdachte zal dan ook van het impliciet primair tenlastegelegde misdrijf worden vrijgesproken.

Nu opzet niet kan worden bewezen is op grond van artikel 2 van de Wet op de economische delicten geen sprake van een misdrijf en dient het hof een oordeel te geven over de aan verdachte ten laste gelegde overtredingen.

Feit 4, impliciet subsidiair 

Ten laste gelegd is dat de overtredingen zijn gepleegd in de periode van  17 september 2009 tot en met 23 september 2009.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de eerste daad van vervolging is de zaak verjaard en het recht tot strafvordering daarmee komen te vervallen.

Dientengevolge zal het hof de officier van justitie ook voor dit onderdeel niet ontvankelijk verklaren in de strafvervolging.

Bewezenverklaring

  • Het door een rechtspersoon begaan van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13 van de Wet bodembescherming.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 1.800 waarvan € 1.000 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Verdachte wordt verweten dat zij niet zodanige maatregelen heeft genomen dat zoveel mogelijk werd voorkomen dat AFFF (blusmiddel gebruikt op boorplatforms) in de Noordzee werd geloosd

Rechtbank Amsterdam 4 maart 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:1138 Verdachte wordt verweten, dat zij niet zodanige maatregelen heeft genomen dat zoveel mogelijk werd voorkomen dat een stof genaamd AFFF, een blusmiddel dat wordt gebruikt op boorplatforms, in de Noordzee werd geloosd. De vraag die de rechtbank beoordeelt, is of AFFF een stof is die onder artikel 81 van het Mijnbouwbesluit (Mbb) valt en het een lozing betreft die samenhangt met of voortvloeit uit het normale gebruik van de mijnbouwinstallatie.

De aan verdachte ten laste gelegde zaken betreffen alle hetzelfde verwijt, namelijk dat zij niet zodanige maatregelen heeft genomen dat zoveel mogelijk werd voorkomen dat een stof genaamd AFFF (Aqueous Film Forming Foam), een middel dat wordt gebruikt in het blussysteem op mijnbouwinstallaties, te weten boorplatforms, in de Noordzee werd geloosd. Een belangrijk discussiepunt in deze zaak is of AFFF een stof is die onder artikel 81 van het Mijnbouwbesluit (hierna: Mbb) valt, zoals het Openbaar Ministerie betoogt. Naar het oordeel van de rechtbank dient deze rechtsvraag beantwoord te worden in het kader van het onderzoek of de ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden, nu om tot bewezenverklaring te komen een lozing van AFFF moet worden aangemerkt als een lozing die samenhangt met of voortvloeit uit het normale gebruik van de mijnbouwinstallatie. De rechtbank zal daarom, alvorens tot een inhoudelijke beoordeling van de afzonderlijke zaken te komen, eerst deze rechtsvraag beoordelen.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat AFFF een stof is die onder artikel 81 Mbb valt. De officier van justitie heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Met artikel 81 Mbb heeft de wetgever uitvoering gegeven aan de op het OSPAR-verdrag (hierna: OSPAR) gebaseerde besluiten 2000/2 en 2000/3, en de daarbij behorende OSPAR-aanbevelingen 2000/4 en 2000/5. Voor bepaalde stoffen of preparaten zal een absoluut lozingsverbod gelden. Die stoffen en preparaten worden, krachtens artikel 81, derde lid, bij de Mijnbouwregeling aangewezen. In de Mijnbouwregeling wordt verder opgenomen dat de lozing van overige stoffen uitsluitend is toegestaan met instemming van de minister.

Verdachte stelt dat artikel 81 Mbb zo moet worden gelezen dat het daarin omschreven verbod op lozing niet geldt voor AFFF. Dit artikel zou alleen zien op lozingen die samenhangen met het normale gebruik van de installatie en voor chemicaliën gebruikt bij de winning en behandeling van delfstoffen. Zij verwijzen hiertoe naar de definitie van chemicaliën in artikel 9.2.1. onder f van de Mijnbouwregeling, te weten stoffen of preparaten die opzettelijk worden gebruikt bij de opsporing en winning van delfstoffen op zee, zoals in elk geval genoemd in OSPAR-akkoord 2002/6.

Blusmiddelen worden evenwel gebruikt voor de veiligheid en het behoud van een boorplatform en het personeel dat daarop werkzaam is. Zonder blusmiddelen is het onmogelijk om een goed werkend platform te hebben en is geen winning en opsporing van delfstoffen mogelijk. Daarom wordt een blusmiddel, zoals AFFF, wel degelijk gebruikt bij de opsporing en winning van delfstoffen.

Overigens volgt deze conclusie ook uit het feit dat artikel 80 en 81 Mbb voortvloeien uit artikel 49 van de Mijnbouwwet. Daarin staat immers dat nadere regels kunnen worden gesteld met betrekking tot onder andere het opsporen en winning van delfstoffen.

Hoewel blusmiddelen in OSPAR expliciet zijn uitgezonderd van het Harmonised Mandatory Control System (hierna: HMCS), betekent dat niet dat OSPAR in het geheel niet van toepassing is op stoffen zoals AFFF. Artikel 2 van OSPAR schept namelijk de verplichting om alle mogelijke maatregelen te nemen om verontreiniging te voorkomen. Partijen moeten ervoor zorgen dat preventieve maatregelen worden genomen wanneer er redelijke gronden tot bezorgdheid bestaan dat stoffen die in het mariene milieu worden gebracht, kunnen leiden tot schade aan het ecosysteem. Artikel 81 Mbb is een implementatie van OSPAR en hiermee wordt dus een maatregel genomen om schade aan het ecosysteem te voorkomen. Artikel 81 geeft dus een algemene zorgplicht ten aanzien van alle lozingen vanaf een mijnbouwinstallatie en geldt onverkort voor blusmiddelen zoals AFFF.

Overigens volgt uit de definitie van chemicaliën zoals omschreven in artikel 9.2.1 onder f van de Mijnbouwregeling dat dat in elk geval stoffen of preparaten zijn die genoemd zijn in het OSPAR-verdrag. ‘In elk geval’ sluit dus niet uit dat ook stoffen die daarin niet worden genoemd onder deze definitie kunnen vallen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat AFFF een stof is die niet onder artikel 81 Mbb valt. De raadsman heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Volgens de Nederlandse regelgever is artikel 81 Mbb, met artikel 80 en 83, een implementatie van OSPAR en een aantal daarop gebaseerde besluiten, waaronder OSPAR Decision 2000/2. De uitleg, die aan OSPAR en de bijbehorende systematiek van de OSPAR Decisions, de OSPAR Recommendations en de OSPAR Common Interpretations moet worden gegeven, bepaalt daarom direct en exclusief het bereik van artikel 81 Mbb. Dat artikel is immers de implementatie van alle daarmee corresponderende OSPAR-regelgeving.

Dat artikel 81 Mbb geen betrekking heeft op het lozen van blusschuim, blijkt uit de ‘Common Interpretation on which Chemicals are Covered and not Covered by the Harmonised Mandatory Control System under OSPAR Decision 2000/2’ (hierna: Common Interpretation), waarin wordt bepaald welke ‘offshore chemicals’ wél en welke ‘offshore chemicals’ niet onder OSPAR Decision 2000/2 vallen. In deze ‘Common Interpretation’ staat dat de beperkingen voor lozingen die gelden op grond van OSPAR niet gelden voor, onder andere, ‘fire-fighting foams and other chemicals in firewater systems’. Blusschuim valt dus niet onder OSPAR Decision 2000/2. De stoffen die wel onder het controlesysteem uit OSPAR Decision 2000/2 vallen, zijn blijkens alinea 2 uit de genoemde Common Interpretation de chemicals “which are used in the actual exploration, exploitation and associated offshore processing of oil, gas and condensate within the OSPAR Convention Area.” Dit is in artikel 81 Mbb geïmplementeerd door het artikel te beperken tot “met het normale gebruik van de installatie samenhangende of daaruit voortvloeiende lozingen (...).” Blusschuim kan niet worden aangemerkt als een dergelijke stof, want blusschuim wordt niet gebruikt bij de winning en behandeling van delfstoffen. Een blusschuimlozing is geen met het ‘normale gebruik’ van een installatie samenhangende lozing. Een blusschuimlozing is ook geen uit het ‘normale gebruik’ van een installatie voortvloeiende lozing; een blusschuimlozing vloeit niet voort uit de winning en behandeling van delfstoffen.

Er is geen aanleiding om van een ruimere lezing uit te gaan. Rechtspraak, die artikel 81 Mbb verruimt, bestaat niet en de wetgever zelf heeft bij de toelichting op het Mijnbouwbesluit evenmin gesproken over een ruimere toepassing in Nederland dan waartoe de OSPAR-landen voor de Noordzee hebben besloten.

Er kan dus niet worden bewezen dat het gaat om “lozingen van andere dan in artikel 80 Mbb genoemde stoffen en/of andere verontreinigende dan wel schadelijke stoffen”, dat sprake is van “met het normale gebruik van de installatie samenhangende of daaruit voortvloeiende lozingen” en dat verdachte “niet zodanige maatregelen heeft genomen dat verontreiniging van oppervlaktewater zo veel mogelijk werd voorkomen”. Verdachte moet daarom van het ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Het oordeel van de rechtbank

Uit de toelichting bij de artikelen 80 en 81 Mbb blijkt dat met die artikelen twee verdragen worden geïmplementeerd die strekken tot bescherming van de zee. Het gaat om het MARPOL-verdrag en OSPAR. Voor de beoordeling van de onderhavige zaak is alleen dat laatste verdrag relevant. Uit de toelichting blijkt voorts dat door middel van artikel 81 uitvoering wordt gegeven aan de op OSPAR gebaseerde besluiten 2000/2 en 2000/3 en de daarbij behorende OSPAR-aanbevelingen 2000/4 en 2000/5. OSPAR Decision 2000/2 is nader uitgelegd in de Common Interpretation. Die Common Interpretation moet dus als uitgangspunt gelden bij de beoordeling van de vraag welke stoffen onder het HMCS van OSPAR Decision 2000/2 vallen.

Uit de Common Interpretation blijkt dat ‘fire-fighting foams and other chemicals in firewater systems’ niet onder het HMCS vallen. Nu artikel 81 Mbb onder andere een implementatie is van het HMCS, moet het ervoor worden gehouden dat artikel 81 Mbb geen betrekking heeft op dergelijke stoffen, waaronder AFFF. Als de wetgever had beoogd verder te gaan dan OSPAR Decision 2000/2 en met artikel 81 Mbb ook de lozing van niet onder het HMCS vallende stoffen strafbaar had willen stellen, dan had dat expliciet moeten worden opgenomen in het artikel of in de toelichting daarop.

De omstandigheid dat artikel 2 van OSPAR inhoudt, dat alle mogelijke maatregelen moeten worden genomen om verontreiniging te voorkomen en dat geen enkele bepaling van het verdrag zodanig mag worden uitgelegd dat deze de verdragsluitende partijen zou beletten, afzonderlijk of gezamenlijk, strengere maatregelen te nemen ter voorkoming of beëindiging van de verontreiniging van het zeegebied of ter bescherming van het zeegebied tegen de nadelige gevolgen van menselijke activiteiten, doet aan het voorgaande niet af. Op grond van artikel 81 en de toelichting daarop kan immers niet vastgesteld worden dat de wetgever beoogd heeft om strengere maatregelen te nemen.

Ook de omstandigheid dat in artikel 9.2.1 onder f van de Mijnbouwregeling is bepaald dat onder de definitie van chemicaliën ‘in elk geval’ stoffen of preparaten vallen die genoemd zijn in OSPAR doet hier niet aan af. Ook de Common Interpretation bevat immers geen limitatieve opsomming van stoffen die wel onder het HMCS vallen, terwijl van stoffen als AFFF wél expliciet wordt vastgesteld dat ze niet onder het HMCS vallen.

De rechtbank acht – anders dan de officier van justitie – dus niet bewezen dat sprake is van lozingen die met het normale gebruik van de installaties samenhangen of daaruit voortvloeien. Verdachte zal daarom van het ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat het voorgaande niet betekent dat het is toegestaan om AFFF in zee te lozen, maar slechts dat dergelijke lozingen niet onder de strafbaarstelling van artikel 81 Mbb vallen.

De rechtbank verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Verdachte rechtspersoon heeft zich schuldig gemaakt aan opzettelijke milieuverontreiniging (art. 173a Sr) door asbestresten in de lucht te brengen

Gerechtshof Amsterdam 29 oktober 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:5050 De verdachte rechtspersoon wordt veroordeeld wegens het opzettelijk en wederrechtelijk een stof (asbest) in de lucht brengen, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor een ander te duchten is.

Verweren

De raadsman van de verdachte heeft primair vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. De raadsman heeft daartoe, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd:

  1. Niet bewezen kan worden dat de verdachte asbest(deeltjes) of asbesthoudend plaatmateriaal op de bodem heeft gebracht, nu de vloer van een warenhuis niet valt onder het begrip ‘bodem’ in de zin van de Wet Bodembescherming. Voor het brengen van asbest(deeltjes) of asbesthoudend plaatmateriaal in de lucht dient in het dossier concreet bewijsmateriaal voorhanden te zijn, hetgeen ontbreekt. Het vaststellen dat op de vloer en op speakers asbest is aangetroffen is daartoe onvoldoende. Evenmin kan dan ook bewezen worden dat de verdachte asbestmateriaal in de lucht heeft gebracht;
  2. Niet bewezen kan worden dat de verdachte opzet heeft gehad op brengen van asbestmateriaal op de bodem, dan wel in de lucht, nu de verdachte hiervan geen wetenschap had. Dat hiervan sprake zou zijn blijkt niet uit de rapporten. Ook van voorwaardelijk opzet is geen sprake geweest. Uit de bewijsmiddelen volgt niet dat de verdachte zich bewust was van de aanmerkelijke kans dat asbestmateriaal op de bodem of in de lucht werd gebracht en dat de verdachte deze kans heeft aanvaard.
  3. Van de ten laste gelegde gedragingen kan niet gezegd worden dat levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid ontstond of te verwachten was. Uitgegaan dient te worden van de situatie zoals deze is aangetroffen op 17 en 21 maart 2008. Verder dient in ogenschouw genomen te worden hetgeen destijds bekend was over de gevaren van asbest. Uit het dossier volgt niet van welk potentieel blootstellingsrisico sprake is geweest. De verdediging leidt uit het dossier af dat dit risico in elk geval niet hoog was. Niet blijkt dat het asbestmateriaal in te hoge onaanvaardbare en ontoelaatbare concentraties aanwezig was.

Beoordeling hof

Het hof verwerpt de verweren en overweegt hieromtrent als volgt.

Search heeft blijkens de stukken in het dossier reeds op 11 juli 2003 een rapport opgemaakt naar aanleiding van de door hen verrichtte asbestinventarisatie met risicoanalyse in het winkelfiliaal van verdachte te Hoorn, waaruit bleek dat er onder meer plaatmateriaal met asbest (amosiet) was aangetroffen (dossierpagina’s 497 e.v.).

Op 19 november 2007 is er een rapport verschenen van Prevend, waaruit eveneens naar voren kwam dat er asbest in het pand was aangetroffen (dossierpagina’s 356 e.v.). Op 29 januari 2008 is er door bedrijf 3 een rapport opgemaakt naar aanleiding van de door hen verrichtte asbestinventarisatie in de winkelpanden van verdachte te Hoorn. Ook daaruit bleek dat er asbest (amosiet) was aangetroffen in het perceel adres 2 op onder meer plaatmateriaal tegen de plafonds, kolommen en wanden, dat emissierisico’s en daarmee ook gezondheidsrisico’s aanwezig waren en er grote saneringsurgentie was (dossierpagina’s 401 e.v.). Op 4 februari 2008 komt er een volledig asbestinventarisatierapport van bedrijf 1.

Hierin is vastgesteld dat er op verschillende plaatsen in het winkelfiliaal adres 2 asbest aanwezig was in de vorm van niet hechtgebonden amosiet. Onder meer is asbest aangetroffen in het plaatmateriaal tegen het plafond, rondom de kolommen en in de etalages. Het gezondheidsrisico wordt geschaald op 28 punten. Voorts zijn stoffen en resten van amosiet in de winkel aangetroffen op het systeemplafond, op de vloer van de etalage en op een speakerbox.

Het gezondheidsrisico hiervan wordt geschaald op 38 punten. Bij meer dan 20 punten dienen op korte termijn maatregelen te worden getroffen en wordt sanering dringend noodzakelijk geacht (dossierpagina’s 322 e.v.). Tot slot blijkt ook uit het analyserapport van bedrijf 2 van 25 januari 2008 dat in het filiaal op kleefmonsters asbest (amosiet) is aangetroffen (dossierpagina’s 462 e.v.).

Gezien het feit dat in het winkelfiliaal op de vloer van de etalage en op een speakerbox stof met asbestresten is aangetroffen kan het niet anders zijn dan dat – nu voor een andere verklaring geen feiten en/of omstandigheden zijn gesteld of gebleken – de asbestdeeltjes afkomstig zijn van het beschadigde plafond/de plafondplaten en (derhalve) in de lucht zijn gekomen/gebracht. De lucht in een gebouw valt onder ‘lucht’ in de zin van artikel 173a van het Wetboek van Strafrecht.

Naar het oordeel van het hof is blootstelling aan asbestvezels zeer onwenselijk vanwege het algemeen erkende gevaar daarvan voor de gezondheid van de mens. Inademing hiervan is ook in geringe hoeveelheid onomkeerbaar en vormt daarmee een gevaar voor de volksgezondheid. Dat amosiet een schadelijk soort asbest is, volgt ook uit de rapportages. Niet kan worden vastgesteld of in dit geval personen in een zodanige mate en duur aan een te hoge concentratie asbestvezels hebben blootgestaan dat zij een asbestgerelateerde ziekte zullen ontwikkelen. Wel acht het hof op grond van de rapportages bewezen dat personen aan niet te verwaarlozen asbestvezelconcentraties zijn blootgesteld. Het gevaar van inademing van niet-hechtgebonden asbestvezels, waarvan in casu sprake is, schuilt juist in de cumulatie van die vezels in de longen. Voorkomen moet worden dat personen juist vanwege het risico van cumulatie onnodig dergelijke vezels inademen, nu samen met eerdere of latere blootstelling een kritische waarde kan worden overschreden, waardoor asbestgerelateerde ziektes zich kunnen ontwikkelen.

Gelet daarop en gezien het feit dat bij een asbestgerelateerde ziekte als een maligne mesothelioom, naar van algemene bekendheid is, naar de huidige stand van medische kennis geen genezende behandeling mogelijk is, is het hof van oordeel dat het binnenkrijgen van niet te verwaarlozen hoeveelheden asbestvezels doordat dergelijke vezels door luchtcirculatie verplaatst worden per definitie als ‘ernstige schade voor de gezondheid’ onderscheidenlijk ‘levensgevaar’ en afhankelijk van de omstandigheden als ‘gevaar voor de openbare gezondheid’ in de zin van artikel 173a Sr aangemerkt dienen te worden. De gedachte van de verdediging dat onderhavig delict slechts bewijsbaar is indien uit technisch onderzoek blijkt dat de geldende normen ter zake overschreden zijn is dan ook onjuist. Door een groot aantal personen aan deze asbestvezels bloot te stellen, waardoor zij aan meer asbestvezels zijn blootgesteld dan normaal zou zijn geweest, is gevaar voor de openbare gezondheid te duchten.

Uit het dossier volgt verder dat het bij de directie en de medewerkers van verdachte al geruime tijd bekend was dat er asbest in het filiaal aanwezig was en dat sanering met prioriteit moest plaatsvinden. De getuige getuige 1 (floormanager bij de verdachte) heeft verklaard dat alle personeelsleden ervan op de hoogte waren dat er asbest in het perceel zat, dat er na het asbestonderzoek een bijeenkomst voor het personeel is gehouden en dat hij op de hoogte was van de Risico Inventarisatie en Evaluatie (dossierpagina’s 52 e.v.). De getuige getuige 2 (directeur operations en logistiek bij de verdachte) heeft verklaard dat hij bekend was met het asbestinventarisatierapport waarin werd vermeld dat er asbest was aangetroffen en dat er risico was voor asbestbesmetting, waardoor er actie moest worden ondernomen. Daarop is er besloten dat de verwijdering van asbest het best zou kunnen plaatsvinden na het winkel actie, nu er tijdens dit winkel actie circa 20% van de jaarinkomsten wordt gegenereerd. Hij ging er vanuit dat het asbest in de etalage al was opgeruimd (dossierpagina’s 136 e.v.).

De getuige 3 (regionaal manager bij de verdachte), heeft verklaard dat hij bekend was met het asbestinventarisatierapport en dat er asbeststof in de etalage en op de speakerbox werd aangetroffen en dat hij niet weet of het personeel hieromtrent is geïnstrueerd. Hij wist dat het asbesthoudend plafond op diverse plaatsen beschadigd was (dossierpagina’s 114 e.v.).

Aldus was de wetenschap er bij de verdachte dat er beschadigde asbestplaten in de winkel waren en dat er op de vloer van de etalage en op een speakerbox stof met asbestresten waren aangetroffen, die logischerwijs door luchtcirculatie in de lucht kunnen worden gebracht. Ook wist de verdachte dat er risico was voor asbestbesmetting, dat dit niet goed was en dat tot actie moest worden overgegaan. Ondanks dat heeft de verdachte ervoor gekozen te wachten met saneren tot na het winkel actie en ook tot die tijd geen asbestbeschermende maatregelen te treffen. Niet alleen had direct tot sanering overgegaan moeten worden, maar ook hadden er tot de sanering zou plaatsvinden andere maatregelen getroffen moeten worden om te voorkomen dat er asbestdeeltjes in de lucht konden worden gebracht met het risico dat deze konden worden ingeademd door de in het filiaal aanwezig personen.

De inhoud van de rapporten waarop de verdachte zich beroept doet aan vorenstaande niet af. Temeer nu uit (een aantal van) de rapporten juist volgt dat urgente saneringen noodzakelijk waren.

Het verweer dat niet bewezen kan worden dat de verdachte asbest(deeltjes) of asbesthoudend plaatmateriaal op de bodem heeft gebracht, nu de vloer van een warenhuis niet valt onder het begrip ‘bodem’ in de zin van de Wet Bodembescherming behoeft geen bespreking, nu verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.

Tot slot volgt naar het oordeel van het hof uit de bewijsmiddelen dat de verdachte kan worden aangemerkt als dader van het bewezen verklaarde strafbare feit, nu de betreffende gedragingen redelijkerwijs aan haar kunnen worden toegerekend. De gedragingen hebben immers plaatsgevonden en zijn verricht in de sfeer van de verdachte.

Bewezenverklaring

  • Feit 2 primair: Opzettelijk en wederrechtelijk een stof in de lucht brengen, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor een ander te duchten is, terwijl het feit wordt begaan door een rechtspersoon.

Strafoplegging

Verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van € 60.000 waarvan € 20.000 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

De wetenschap dat er asbest is aangetroffen op plaatsen met het risico op verspreiding, wat een gezondheidsrisico voor personen opleverde, diende op zichzelf genomen voor de verdachte directe aanleiding te zijn om tot actie te moeten overgaan. Niet kon worden afgewacht op de expliciete advisering omtrent de saneringsnoodzaak. De verdachte had in deze een eigen verantwoordelijkheid die niet kon worden afgeschoven op haar adviseurs. Zulks klemt temeer nu de verdachte bovendien had besloten eerste winkel actie doorgang te laten vinden alvorens over te gaan tot de saneringswerkzaamheden. De verdachte kan dan ook het verwijt worden gemaakt dat zij geen maatregelen heeft getroffen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^