Hoofdlijnen van het Omgevingsrecht

Met 'Hoofdlijnen van het omgevingsrecht' (geheel herziene druk) wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste aspecten van het brede omgevingsrecht. Doel is om beleidsmedewerkers, studenten en anderen werkzaam in de dagelijkse praktijk van het omgevingsrecht inzicht te geven in de hoofdlijnen en de praktische toepassing van het omgevingsrecht. Met de inwerkingtreding van de Wabo in 2010 benadrukte het Rijk dat "de ruimtelijke ingreep centraal staat in de besluitvorming" en het bevoegde gezag "een integrale afweging moet maken". Gevolg hiervan is dat er steeds vaker een belangenafweging moet plaatsvinden die afzonderlijke rechts- en taakgebieden overstijgt. Basiskennis van het gehele omgevingsrecht is daarom onontbeerlijk. Vakspecialisten op verschillende deelgebieden hebben een dergelijk overzicht nodig om hun beslissingen gedegen voor te kunnen bereiden. Deze professionals zullen zich moeten verdiepen in de hoofdlijnen van de wet- en regelgeving op de belangrijkste rechtsgebieden die het omgevingsrecht bevat.

Centraal in het boek staat de regelgeving uit de Wabo. Daarnaast wordt uitleg gegeven over de rechtsgebieden die van belang zijn voor het omgevingsrecht, zoals onder meer het algemeen bestuursrecht, de ruimtelijke ordening, de bouwregelgeving, bouw, sloop en brandveiligheid, milieuregels, monumenten, archeologie en de APV. Een afzonderlijk hoofdstuk is ingeruimd voor de integrale handhaving die de Wabo voorstaat.

De tekst is geactualiseerd tot 1 januari 2016 met aandacht voor alle wijzigingen die sinds de introductie van de Wabo in 2010 in wet- en regelgeving zijn doorgevoerd. Ook is de tekst waar nodig aangevuld met jurisprudentie. In het boek is tevens een hoofdstuk opgenomen over actuele ontwikkelingen, zoals de komst van Omgevingswet en de wettelijke borging van de Wabo-kwaliteitseisen.

 

Praktische Informatie

Titel: Hoofdlijnen van het Omgevingsrecht Auteur(s): Ronald de Waard, Bart Oortwijn Aantal pagina's: 270 blz. Berghauser Pont Publishing | 2e druk | 2016 ISBN-13: 9789491930508 Prijs: € 42,50

 

Klik hier om het boek te bestellen via Jongbloed.

 

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak handelen in strijd met artikelen 173a en 173b Sr (opzettelijk en wederrechtelijk een stof op of in de bodem, in de lucht of in het oppervlaktewater brengen)

Rechtbank Limburg 29 januari 2016, ECLI:NL:RBLIM:2016:811 Vast staat dat het dakbeschot van de woning te Vijlen bestond uit asbesthoudend materiaal, meer specifiek chrysotiel. Ook staat vast dat verdachten daarvan op de hoogte waren. In 2014 werden soortgelijke werkzaamheden, waarbij verdachten betrokken waren, stilgelegd, en dit heeft geleid tot het Asbestinventarisatierapport van naam 2. Medeverdachte 3 wist dat het verwijderen van het dakbeschot enkel door een daartoe gecertificeerd bedrijf mocht geschieden.

Op basis van het dossier en de verklaring van de verdachte op de zitting staat vast dat de werkzaamheden in het dakbeschot op 7 februari 2015 in het appartement te Vijlen door verdachte en medeverdachte 1 in opdracht van medeverdachte 3 zijn verricht. Er is een uitsparing in het dakbeschot gemaakt door te zagen, een deel van het dakbeschot los te trekken, de plaatstukken vervolgens in een vuilniszak te doen, de kleinere resten bij elkaar te vegen en ten slotte de laatste resten op te zuigen met een stofzuiger. De afvalzak met asbestafval is door medeverdachte 1 in de laadbak van de auto van de medeverdachte 3 gezet en door medeverdachte 3 meegenomen.

De dagen na de werkzaamheden hebben verdachte, medeverdachte 1 en medeverdachte 2 nog in de woning gewerkt, terwijl uit het onderzoek van naam 1 d.d. 12 februari 2015 nog blijkt van asbestbesmetting in de woning op 12 februari 2015, meer specifiek van asbestvezels chrysotiel. Deze zijn aangetroffen op de zolder en benedenverdieping. Uit het rapport d.d. 19 februari 2015 blijkt dat er ook asbeststof is aangetroffen op het dakbeschot nabij de gemaakte uitsparing en in de dakgoot eronder en onder de dakpannen.

Verdenking

De verdenking komt er op neer:

  • Feit 1 primair: dat verdachte samen met anderen opzettelijk en wederrechtelijk asbest op of in de bodem of in de lucht heeft gebracht, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar te duchten was;
  • Feit 1 subsidiair: dat het aan de schuld van verdachte te wijten is dat asbest op of in de bodem of in de lucht werd gebracht, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar te duchten was.

Het standpunt van de officier van justitie

Het als primair ten laste gelegde feit kan volgens de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

Door verdachte en zijn medeverdachten is asbest in de lucht en op de bodem gebracht. De officier van justitie verwijst in dit verband naar jurisprudentie, waarbij geconcludeerd is dat er sprake is van op en/of in de bodem en/of in de lucht brengen door bepaalde handelingen met asbesthoudend materiaal. Ook verwijst hij naar een TNO onderzoeksrapport uit 2004 waaruit blijkt dat bij zagen in asbestcement veel asbestvezels vrijkomen; gemiddeld 370.000 vezels per kubieke meter. Die vezels dwarrelen door de ruimte, waar ze afhankelijk van luchtstromen her en der weer neerdalen. Als dan vervolgens het materiaal waaraan ze kleven, of het stof waarin ze zitten, actief wordt beroerd, worden de vezels opnieuw in de lucht geworpen en verder verspreid. Precies dit type handelingen is door verdachte en medeverdachte 1 verricht. Er is gezaagd, er is handmatig afval opgepakt en in een vuilniszak gedaan, er is gebezemd en ten slotte is er stof opgezogen met een bouwstofzuiger die vermoedelijk niet asbestveilig is. Zo’n stofzuiger blaast de vezels deels aan de achterkant weer de ruimte in. Uit de rapportage van naam 1 blijkt dat deze handelingen inderdaad asbest in de lucht hebben gebracht. Er is asbestbesmetting vastgesteld in het appartement te Vijlen. Het gaat om besmetting met chrysotiel, zijnde een asbestsoort, wat blijkt uit zowel kleef- als stofverzamelmonsters. Er zijn asbestvezels op de begane grond en op de zolder aangetroffen. Er zou ook nog kunnen worden bewezen dat door verdachte en zijn medeverdachten ook asbest in de bodem en buitenlucht is gebracht, nu de zak met asbestafval is neergezet op de grond buiten de woning, terwijl deze zak in een fors besmette omgeving is gevuld. Voor de gevaren van asbest verwijst de officier van justitie ook in dit verband naar de door hem al aangehaalde uitspraken van de rechtbank Arnhem en het Hof Den Bosch. Verdachte en de medeverdachten wisten dat asbest in het gebouw aanwezig was, vanwege de eerdere stillegging van vergelijkbare activiteiten en op grond van het Asbestinventarisatierapport. De verdachten wisten dus dat er asbest zat in het dakbeschot waar het dakraam is aangebracht. Derhalve kan opzet op het vrijkomen van asbest bewezen worden. Door dat handelen van de verdachten is naar het oordeel van de officier van justitie levensgevaar voor anderen te duchten geweest, te weten voor elkaar en voor medeverdachte 2 en de Nederlandse loodgieter.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting de vrijspraak van verdachte bepleit.

Ten aanzien van het onder primair en subsidiair tenlastegelegde feit heeft de raadsman, samengevat, het volgende aangevoerd. Er kan niet worden gekomen tot een bewezenverklaring van het onderdeel ‘het brengen in de grond’ en bij het brengen in de lucht’’ omdat er maximaal slechts sprake geweest van een kortstondige inbrenging in de lucht door neerdwarrelend zaagsel. Nu bij het neerdwarrelen van het zaagsel niemand anders aanwezig is geweest dan alleen de plegers van het feit, is hierbij niet voldaan aan het vereiste ‘te duchten gevaar voor de openbare gezondheid en/of levensgevaar voor een ander’, aldus de raadsman. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat op basis van het procesdossier het voor een bewezenverklaring vereiste gevaar niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Ook bevindt zich in het procesdossier geen analyse van het concrete en reële gevaar voor de gezondheid bij inademing van de specifieke asbestsoort en het asbestgehalte. Tenslotte heeft de raadsman aangevoerd dat de aanwezigheid van asbestdelen in de woning niet noodzakelijkwijze in verband hoeft te staan met de verweten verontreinigde handelingen. Daarom heeft hij voor dit feit vrijspraak bepleit.

Het oordeel van de rechtbank

Het wettelijk kader

Om te kunnen beoordelen of verweten handelingen (waarvan hiervoor is komen vast te staan dat die zijn verricht) leiden tot een bewezenverklaring van artikel 173a dan wel artikel 173b van het Wetboek van Strafrecht, dient eerst nader op deze bepalingen te worden ingegaan.

De artikelen 173a en 173b van het Wetboek van Strafrecht beogen primair de bescherming van de gezondheid van de mens tegen ernstige milieuvervuiling. Dat betekent ook dat de verontreiniging die schadelijk is voor bijvoorbeeld planten en dieren slechts dan onder het bereik van deze bepaling(en) valt, indien daardoor (mede) het gevaar voor de gezondheid van de mens te duchten is.

Het gevaar moet verder volgens vaste jurisprudentie naar objectieve maatstaven te duchten zijn. Niet vereist is derhalve dat het gevaar daadwerkelijk is ingetreden; voldoende is dat het te duchten is. Voorts is van belang dat het gevaar te duchten is op het moment van het brengen van de stof in het milieu en onder de omstandigheden waaronder dit werd gedaan. De rechtbank verwijst in dit verband naar onder andere de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 8 maart 2007 (ECLI:NL:RBARN: 2007:BA0217) en de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 8 februari 2010 (ECLI:NL: RBALK:2010:BL2846).

Alvorens toe te komen aan de beoordeling van de vraag of in dit geval het gevaar naar objectieve maatstaven te duchten was, dient eerst te worden beoordeeld of door de verweten en vaststaande handelingen asbest op of in de bodem en/of in de lucht is gebracht. Daarvoor is van belang wat onder bodem en lucht in het kader van de artikelen 173a en 173b van het Wetboek van Strafrecht dient te worden verstaan.

De begrippen bodem en lucht in de artikelen 173a en 173b van het Wetboek van Strafrecht

Voor wat er onder “de bodem en in de lucht” in voornoemde strafbepalingen moet worden verstaan, dient te worden aangesloten bij de begrippen in de betreffende milieuwetten, zo blijkt uit de Memorie van Toelichting bij invoering van deze bepalingen (Tweede Kamer, vergaderjaar 1984-1985, 19 020, nrs. 1-3; nr. 3, pagina 8).

In die zin is ook eerder geoordeeld door de Hoge Raad als het gaat om de uitleg van het begrip bodem en het begrip oppervlaktewater (zie arresten van de Hoge Raad van 15 oktober 2013 (ECLI:NL:HR:2013:95) en de arresten van de Hoge Raad van 30 november 1992 (NJ 1985/89) en 23 februari 1993 (NJ 1993/605). Overigens gaat het bij de artikelen 173a en 173b van het Wetboek van Strafrecht niet om een lex specialis ten opzichte van de (sectorale) milieuwetten, zoals blijkt uit jurisprudentie van de Hoge Raad van 20 mei 1986, (zie NJ 1987, 990).

De begrippen bodem, lucht in de (sectorale) milieuwetten

Gelet op het voorgaande dient dan ook na te worden gegaan wat in de (sectorale) milieuwetten wordt verstaan onder, voor zover hier relevant, bodem en lucht. Hierna wordt weergegeven wat in de relevante (sectorale) milieuwetten onder deze begrippen wordt verstaan. Daarnaast zullen voor het goede begrip nog een aantal andere aanverwante relevante begrippen worden vermeld.

Wet milieubeheer

Artikel 1.1, tweede lid, sub a van de Wet milieubeheer bepaalt dat ingevolge deze wet en de daarop berustende bepalingen onder gevolgen voor het milieu in ieder geval worden verstaan gevolgen voor het fysieke milieu, gezien vanuit het belang van de bescherming van mensen, dieren, planten en goederen, van water, bodem en lucht en van landschappelijke, natuurwetenschappelijke en cultuurhistorische waarden en van de beheersing van het klimaat, alsmede van de relaties daartussen.

Ingevolge artikel 1.1 van de Wet milieubeheer wordt onder emissie verstaan: stoffen, trillingen, warmte, die of geluid dat direct of indirect vanuit een bron in de lucht, het water of de bodem worden, onderscheidenlijk wordt gebracht.

Ingevolge artikel 1.1, eerste lid van de Wet milieubeheer, wordt onder luchtverontreiniging verstaan: aanwezigheid in de buitenlucht van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, niet zijnde splijtstoffen, ertsen of radioactieve stoffen als bedoeld in de Kernenergiewet (http://wetten.overheid.nl/BWBR0002402), die op zichzelf dan wel tezamen of in verbinding met andere stoffen nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken.

Het begrip bodem is in de Wet milieubeheer niet als zodanig gedefinieerd.

Wet inzake de luchtverontreiniging (wet Luvo)

Ingevolge artikel 1 van de wet Luvo wordt voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde onder luchtverontreiniging verstaan: de aanwezigheid in de buitenlucht van verontreinigende stoffen.

Onder verontreinigende stoffen ingevolge artikel 1 van de wet Luvo worden verstaan: vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, niet zijnde splijtstoffen, ertsen of radio-actieve stoffen in de van de Kernenergiewet (Stb. 1963, 82), die in de lucht, op zichzelf dan wel tezamen of in verbinding met andere stoffen, hetzij nadeel voor de gezondheid van de mens of hinder voor de mens kunnen opleveren, hetzij schade toebrengen aan dieren, planten of goederen.

Hetzelfde artikel verstaat onder verontreinigende handeling een gedraging waardoor één of meer verontreinigende stoffen in de buitenlucht kunnen geraken, die niet voortvloeit uit het normale gebruik van een toestel of brandstof en die niet wordt verricht in een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht vereist is.

Wet bodembescherming

Onder bodem moet ingevolge artikel 1 van de Wet bodembescherming worden verstaan: het vaste deel van de aarde met de zich daarin bevindende vloeibare en gasvormige bestanddelen en organismen.

Is asbest op of in de bodem gebracht?

De vraag is vervolgens of in de onderhavige zaak kan worden bewezen dat door de ten laste gelegde handelingen – kort gezegd het zagen en onachtzaam behandelen van het asbestmateriaal – asbest op of in de bodem is gebracht. Uit het voorgaande blijkt dat onder bodem moet worden verstaan “het vaste deel van de aarde met de zich daarin bevindende vloeibare en gasvormige bestanddelen en organismen”. Dat asbest op of in de bodem als hiervoor bedoeld, is gebracht, is naar het oordeel van de rechtbank niet vast komen te staan. De vloeren in de woning kunnen immers niet als zodanig gelden.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de zak met asbestafval buiten de woning is neergezet en dat, nu deze zak in een fors besmette omgeving is gevuld, wellicht asbest op die wijze op de bodem is gebracht. De rechtbank overweegt hierover dat op basis van het dossier niet kan worden bewezen dat de vuilniszak buiten op de bodem is neergezet. Medeverdachte 1 heeft bij de politie juist verklaard dat hij de zak met asbestafval in de laadbak van de auto van medeverdachte 3 heeft gezet.

Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte een stof, te weten asbest(vezels) op of in de bodem heeft gebracht, zodat verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.

Is asbest in de lucht gebracht?

Kan worden bewezen dat door het zagen en onachtzaam behandelen van het asbestmateriaal asbest in de lucht is gebracht? Gelet op het voorgaande dient voor het begrip lucht in de artikelen 173a en 173b van Wetboek van Strafrecht eveneens aansluiting te worden gezocht bij het (eensluidende) begrip lucht in de Wet milieubeheer en Wet Luvo. Dat betekent dat onder luchtbuitenlucht” dient te worden verstaan. De vraag is dan ook of bewezen kan worden verklaard dat er op 7 februari 2015 bij het zagen en onachtzaam behandelen van het asbestmateriaal asbest in de buitenlucht is gebracht.

De rechtbank is van oordeel dat vast is komen te staan dat tijdens de voornoemde handelingen onmiskenbaar asbeststof in de lucht in de woning (dat wil zeggen in de binnenlucht) terecht is gekomen en dat op dat moment verdachte en medeverdachte 1 daaraan blootgesteld zijn geweest. De binnenlucht valt echter buiten het bereik van de artikelen 173a en artikel 173b van het Wetboek van Strafrecht, terwijl het verwijt van de officier gezien het procesdossier en het requisitoir juist daar op gericht is.

De blootstelling in de woning wordt in dit geval wel beschermd door het bepaalde in de Arbowet, welke wet, behalve werknemers, gelet op artikel 10 van de Arbowet, ook bescherming biedt aan derden.

De vraag is of bewezen kan worden verklaard dat er ook asbest in de buitenlucht is gebracht door het handelen van de verdachten. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Tijdens het maken van de uitsparing in het dakbeschot, werd de buitenlucht afgeschermd door dakpannen (waarvan er op enig moment een paar naar beneden zijn gevallen) en aansluitend aan het maken van de uitsparing is een dakraam geplaatst dat de binnenlucht heeft afgeschermd van de buitenlucht. De rechtbank acht het aannemelijk dat bij de werkzaamheden mogelijk ook asbeststof buiten de woning in de buitenlucht terecht is gekomen. Dat dit niet denkbeeldig is, wordt ook bevestigd door het aantreffen op 12 februari 2015 van asbeststof op het dakbeschot nabij de gemaakte sparing en stukjes asbest in de dakgoot eronder. Mogelijk is ook, dat toen de vuilniszak naar buiten is gebracht en in de laadbak van de auto van medeverdachte 3 is geplaatst, enig asbeststof in de buitenlucht terecht is gekomen.

De rechtbank concludeert echter dat niet nader is onderzocht dan wel anderszins is komen vast te staan in welke mate en concentraties asbeststof tijdens de werkzaamheden op 7 februari 2015 in de buitenlucht terecht is gekomen. Voor een bewezenverklaring acht de rechtbank het dossier dan ook onvoldoende, gezien ook in de context van het strafdossier, dat zich concentreert op de lucht in de woning. Voor zover de rechtbank ten aanzien van asbeststof in de buitenlucht wel al tot een bewezenverklaring zou komen, kan naar het oordeel van de rechtbank vervolgens niet worden bewezen dat, voor zover hier relevant, door het brengen van asbest in de buitenlucht “daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor een ander te duchten is geweest”. Immers, daarvoor zal vast moeten komen te staan dat dit gevaar naar objectieve maatstaven te duchten was op het moment van het brengen van de stof in het milieu en onder de omstandigheden waaronder dit werd gedaan. Nergens in het dossier is echter gebleken in welke concentratie en waar de asbestvezels in buitenlucht zoal terecht zijn gekomen en of en welke concrete personen daaraan in welke mate blootgesteld zijn geweest. Dit betekent dat verdachte ook van dit onderdeel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.

Conclusie 

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van opzettelijke of van culpoze milieuverontreiniging, met als gevolg dat verdachte van het onder feit 2 primair en subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Rb: verdachte heeft als werkgever opzettelijk handelingen nagelaten in strijd met de Arbowet en de daarop rustende bepalingen in het Arbobesluit

Rechtbank Limburg 29 januari 2016, ECLI:NL:RBLIM:2016:764 De verdenking komt er op neer dat:

  • Feit 1: verdachte in strijd heeft gehandeld met voorschriften van het Arbeidsomstandighedenbesluit, terwijl daardoor, naar hij wist of redelijkerwijze moest weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers ontstond of te verwachten was;
  • Feit 2 primair: verdachte samen met anderen opzettelijk en wederrechtelijk asbest op of in de bodem of in de lucht heeft gebracht, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar te duchten was;
  • Feit 2 subsidiair: het aan de schuld van verdachte te wijten is dat asbest op of in de bodem of in de lucht werd gebracht, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar te duchten was.

De raadsman heeft ter terechtzitting de vrijspraak van verdachte bepleit.

Ten aanzien van het onder feit 1 tenlastegelegde heeft de raadsman, samengevat, aangevoerd dat verdachte weliswaar ten aanzien van de feiten een bekennende verdachte is, maar niet kan worden aangemerkt als een werkgever in de zin van de Arbowet. Verdachte heeft opdracht gegeven aan medeverdachte 1 en medeverdachte 2 tot het verrichten van de in de tenlastelegging opgenomen werkzaamheden, maar was er geen sprake van een gezagsverhouding. Immers medeverdachte 1 en medeverdachte 2 werkten als zelfstandigen. De raadsman verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar, onder meer, een uitspraak van de Hoge Raad van 25 maart 1992, nr. 27 694, BNB 1992/45. Nu verdachte niet aangemerkt kan worden als werkgever in de zin van de Arbowet, voldoet hij niet aan de kwaliteit om het delict zoals opgenomen in artikel 32 van de Arbowet te kunnen plegen, zodat verdachte moet worden vrijgesproken van dit feit.

Ten aanzien van het onder feit 2 primair en subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman, samengevat, het volgende aangevoerd. Er kan niet worden gekomen tot een bewezenverklaring van het onderdeel ‘het brengen in de grond’ en bij ‘het brengen in de lucht’ omdat er maximaal sprake geweest van een kortstondige inbrenging in de lucht door neerdwarrelend zaagsel. Nu bij het neerdwarrelen van het zaagsel niemand anders aanwezig is geweest dan alleen de plegers van het feit, is hierbij niet voldaan aan het vereiste ‘te duchten gevaar voor de openbare gezondheid en/of levensgevaar voor een ander’, aldus de raadsman. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat op basis van het procesdossier het voor een bewezenverklaring vereiste gevaar niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Ook bevindt zich in het procesdossier geen analyse van het concrete en reële gevaar voor de gezondheid bij inademing van de specifieke asbestsoort en het asbestgehalte. Tenslotte heeft de raadsman aangevoerd dat de aanwezigheid van asbestdelen in de woning niet noodzakelijkwijze in verband hoeft te staan met de verweten verontreinigde handelingen. Daarom heeft hij ook voor dit feit vrijspraak bepleit.

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

Werkgever/ werknemer De eerste vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of verdachte ten aanzien van medeverdachte 1 en medeverdachte 2 (en medeverdachte 3) kan worden aangemerkt als werkgever in de zin van de Arbowet. Zij overweegt daartoe als volgt.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, onder a, van de Arbowet, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder werkgever verstaan:

  1. degene jegens wie een ander krachtens arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling gehouden is tot het verrichten van arbeid, behalve indien die ander aan een derde ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van arbeid, welke die derde gewoonlijk doet verrichten;
  2. degene aan wie een ander ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van arbeid als bedoeld onder 1.

Ingevolge artikel 1, eerste lid onder b, van de Arbowet wordt onder werknemer verstaan: de ander, bedoeld onder a.

Ingevolge artikel 1, tweede lid, aanhef en onder a van de Arbowet wordt in deze wet en de daarop rustende bepalingen, voor zover hier relevant, mede verstaan: onder werkgever:

  1. Degene die zonder werkgever of werknemer in de zin van het eerste lid te zijn, een ander onder zijn gezagarbeid doet verrichten.

Ingevolge artikel 1, tweede lid, aanhef en onder b van de Arbowet wordt in deze wet en de daarop rustende bepalingen, voor zover hier relevant, mede verstaan; onder werknemer: de ander, bedoeld onder a, met uitzondering van degene die als vrijwilliger arbeid verricht.

De rechtbank stelt vast dat niet is gebleken van een werkgever-werknemer-verhouding tussen verdachte en medeverdachte 1 en medeverdachte 2 (en medeverdachte 3) als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Arbowet.

Vervolgens dient te worden bezien of medeverdachte 1, medeverdachte 2 (en medeverdachte 3) onder gezag van verdachte arbeid hebben verricht. Immers, in dat geval dient verdachte als werkgever, en dienen medeverdachte 1, medeverdachte 2 (en medeverdachte 3) als werknemers aangemerkt te worden ingevolge artikel 1, tweede lid van de Arbowet, als hiervoor aangehaald.

Ingevolge vaste jurisprudentie wordt een gezagsverhouding als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Arbowet aanwezig geacht wanneer de opdrachtgever het recht heeft om toezicht uit te oefenen, leiding te geven en door aanwijzingen of instructies een nadere taakomschrijving te geven en de opdrachtnemer verplicht is de aanwijzingen van de opdrachtgever te aanvaarden, ongeacht of dat recht ook geëffectueerd wordt dan wel die plicht wordt nagekomen (zie o.a. het arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 25 februari 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:1288) Voor de vraag of daar sprake van is, is de feitelijke situatie van belang (zie o.a. vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 18 december 2015, ECLI:NL:RBNHO: 2015:11232) .

De rechtbank overweegt dat verdachte bij de politie meteen heeft verklaard dat medeverdachte 1 en medeverdachte 2 onder zijn gezag werkten, dat hij de werkzaamheden aanwees, hun opdracht gaf en aangaf waar, wanneer en hoe er gewerkt moest worden. Hij heeft ook aangegeven dat hij hen opdracht had gegeven voor het maken van de uitsparing in het asbesthoudend dakbeschot om vervolgens een dakraam te plaatsen. Verdachte heeft verklaard twee of drie keer per week op de locatie te Vijlen geweest te zijn. Hij gaf aan veel mee te werken en een soort meewerkend voorman te zijn. Hij heeft aangegeven ter plekke de werkwijze en toepassing van materiaal te bepalen en dat hij de Poolse werknemers aanstuurt. Ter zitting heeft verdachte aangegeven dat de Polen reeds vier jaar werkzaamheden voor hem in zijn woning in Vijlen verrichten.

Ter terechtzitting heeft verdachte verder aangegeven dat hij steeds ter plaatse bepaalde wat en hoe hij iets uitgevoerd wilde hebben, en dat hij daar soms ook “grillig” in was, in de zin dat hij het na de uitvoering toch weer anders wilde. Ten aanzien van het dakraam heeft verdachte verklaard dat hij eerst voornemens was de asbestplaten van buiten uit zelf te verwijderen; op suggestie van medeverdachte 2 bepaalde hij vervolgens dat de Polen de uitsparing in het dakbeschot van binnenuit dienden te maken. Verdachte was verder ook verantwoordelijk voor de salarisbetalingen aan medeverdachte 1 en medeverdachte 2.

A. medeverdachte 1 heeft bij de politie verklaard dat hij zich tijdens het werk diende te houden aan de opdrachten die verdachte hem gaf en dat verdachte het bevel gaf om het betreffende dakraam te plaatsen.

M. medeverdachte 2 heeft bij de politie verklaard dat verdachte degene was die tijdens de werkzaamheden de opdrachten gaf, hij niet voor eigen rekening en risico werkte en hij geen andere opdrachtgevers had, behalve verdachte.

Ook medeverdachte 3 heeft verklaard dat als verdachte iets zei, dat hij het dan deed.

De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat medeverdachte 1 en medeverdachte 2 (en ook medeverdachte 3) feitelijk werkten onder gezag van verdachte. Op grond daarvan is de rechtbank dan ook van oordeel dat de verhouding tussen verdachte en medeverdachte 1 en medeverdachte 2 (en medeverdachte 3) ten tijde van het tenlastegelegde aan te merken is als werkgever en werknemer in de zin van artikel 1, tweede lid, van de Arbowet als hiervoor aangehaald.

Vaststaande feiten

De rechtbank overweegt dat vast staat dat het dakbeschot van de woning te Vijlen bestond uit asbesthoudend materiaal, meer specifiek chrysotiel. Ook staat vast dat verdachte daarvan op de hoogte was. In 2014 werden soortgelijke werkzaamheden van verdachte stilgelegd en heeft dit geleid tot het Asbestinventarisatierapport. Verdachte wist derhalve – in elk geval in 2015 - dat het verwijderen van het dakbeschot uitsluitend door een daartoe gecertificeerd bedrijf mocht geschieden.

Op basis van het dossier en de verklaring van de verdachte op de zitting staat vast dat de werkzaamheden in het dakbeschot op 7 februari 2015 in het appartement te Vijlen niet zijn gemeld aan de autoriteiten.

Vast staat op basis van het dossier en de verklaring van de verdachte op de zitting, dat medeverdachte 1 en medeverdachte 2 in opdracht van verdachte de uitsparing in het dakbeschot hebben gemaakt door deze uit te zagen, een deel van het dakbeschot los te trekken, de plaatstukken vervolgens in een vuilniszak te doen, de kleinere resten bij elkaar te vegen en de laatste resten op te zuigen met een stofzuiger. De werkzaamheden zijn derhalve niet geschied door een gecertificeerd bedrijf en de concentratie asbest is daarbij niet zo laag mogelijk onder de grenswaarde als bedoeld in artikel 4.46 van het Arbobesluit gehouden en waren (aldus) de werkmethoden niet zodanig dat er geen asbeststof kon vrijkomen. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij ervan op de hoogte was dat bij het werken met asbest vezels vrij kunnen komen welke gevaar opleveren voor de gezondheid en zelfs levensgevaarlijk kan zijn.

De afvalzak met asbestafval is door medeverdachte 2 in de laadbak van de auto van de verdachte gezet. Op de zitting heeft verdachte verklaard later over deze zak nog een andere verpakking te hebben aangebracht en de zak te hebben afgevoerd naar het milieupark in zijn woonplaats Amsterdam. Een etiket met aanduiding van de inhoud ervan was op de verpakking niet aangebracht.

Op basis van het dossier en de verklaring van de verdachte op de zitting staat ook vast dat hij geen voorlichting of opleiding over asbest voor de Poolse werknemers heeft verzorgd.

De dagen na de werkzaamheden hebben medeverdachte 1, medeverdachte 2 en medeverdachte 3 nog in de woning gewerkt, terwijl uit het onderzoek d.d. 12 februari 2015 nog blijkt van asbestbesmetting in de woning op 12 februari 2015, meer specifiek van asbestvezels chrysotiel. Deze zijn aangetroffen op de zolder en benedenverdieping. Uit het rapport van Oesterbaai d.d. 19 februari 2015 blijkt dat er ook asbeststof is aangetroffen op het dakbeschot nabij de gemaakte uitsparing en in de dakgoot eronder en onder de dakpannen.

Bewijs ten aanzien van feit 1, onder 1 tot en met 5 (onderdeel 1)

De rechtbank acht gelet op hetgeen ze heeft overwogen over het werkgeverschap van verdachte en op grond van vorenstaande vaststaande feiten, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 7 februari 2015 tot en met 9 februari 2015 te Vijlen als werkgever opzettelijk handelingen heeft nagelaten in strijd met de Arbowet en de daarop rustende bepalingen in het Arbobesluit, zoals ten laste gelegd in feit 1, onder 1 tot en met 5 (onderdeel 1). Omdat van medeplegen niet is gebleken, kan dat onderdeel van de tenlastelegging niet worden bewezen en wordt verdachte daarvan vrijgesproken.

Vrijspraak van feit 1 onder 5 (onderdeel 2) en feit 1 onder 6

Aan verdachte is onder feit 1 onder 5 (onderdeel 2), onder meer ten laste gelegd dat in strijd met artikel 4.54d lid 5 van het Arbobesluit, de werkzaamheden, zoals bedoeld in het eerste lid van artikel 4.54d van het Arbobesluit, niet verricht zijn door of onder voortdurend toezicht van een persoon die in het bezit was van een certificaat van vakbekwaamheid voor het toezicht houden op het werken met asbest en dat is afgegeven door onze Minister of een certificerende instelling.

De rechtbank overweegt ten aanzien van dit verwijt dat verdachte naar haar oordeel geen normadressaat is nu artikel 4.54d lid 5 van het Arbobesluit zich uitdrukkelijk richt tot de werkgever van het bedrijf bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, van genoemd besluit; dat wil zeggen van een gecertificeerde bedrijf. De rechtbank wijst in dit verband naar de toelichting bij artikel 4.54d van het Arbobesluit in de Nota van toelichting bij het Besluit van 7 juli 2006 tot wijziging van het Arbobesluit houdende regels met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan de risico’s van asbest (implementatie van wijzigingsrichtlijn nr. 2003/18/EG) (Staatsblad 2006, 348), waarin is toegelicht dat voor bedrijven die asbest inventariseren en verwijderen een certificatieplicht van vakbekwaamheid van de persoon die toezicht houdt op de asbestverwijdering geldt.

De rechtbank zal verdachte ten aanzien van dit onderdeel van de tenlastelegging van feit 1, onder 5 (onderdeel 2), dan ook vrijspreken.

Onder feit 1, onder 6, is verdachte ten laste gelegd dat hij in strijd met artikel 4.48a van het Arbobesluit,ondanks preventieve maatregelen ter beperking van de asbestconcentratie in de lucht, geen doeltreffende maatregelen ter bescherming van de betrokken werknemers heeft genomen. In de toelichting bij artikel 4.48a van het Arbobesluit in de Nota van toelichting bij het Besluit van 7 juli 2006 tot wijziging van het Arbobesluit houdende regels met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan de risico’s van asbest (implementatie van wijzigingsrichtlijn nr. 2003/18/EG) (Staatsblad 2006, 348), is vermeld dat de maatregelen uit dit artikel pas aan de orde komen wanneer, ondanks het nemen van preventieve maatregelen, de kans aanwezig is dat de grenswaarde wordt overschreden. Van preventieve technische maatregelen is in de onderhavige zaak in het geheel geen sprake, zodat reeds om die reden niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen. Ook van dit onderdeel van de tenlastelegging zal verdachte worden vrijgesproken.

Levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers

De vraag die vervolgens aan de orde is of door de hiervoor bewezen verklaarde nagelaten handelingen, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers ontstond of te verwachten was, als bedoeld in artikel 32 Arbowet.

Blijkens het Asbestinventarisatierapport blijkt dat werkzaamheden aan asbesthoudend product, in casu 2-5% chrysotiel (in casu asbestcement, hechtgebonden en gespijkerd) ingedeeld is in risicoklasse 2. Dat wil zeggen als dit asbest verwijderd wordt, is er een blootstellingniveau van 0,01 tot 1 vezel/cm3. Werknemers die dit soort werkzaamheden onbeschermd verrichten, als in dit geval is gebeurd, worden blootgesteld aan een concentratie, die ruimschoots de grenswaarde van 0,01 vezel/cm3 als genoemd in 4.46 van het Arbobesluit, overschrijdt. Op basis van bevindingen van TNO als neergelegd in het TNO Rapport risicogerichte classificatie van werkzaamheden met asbest, blijkt dat bij het zagen in asbestcementplaten als in casu aan de orde, er een gemiddelde blootstelling is van 370.00 vezels/m3 lucht.

Medeverdachte 1 en medeverdachte 2 hebben gezaagd in het asbesthoudend dakbeschot, hebben het deels losgetrokken en hebben het asbesthoudend zaagsel bijeen geveegd en opgezogen met een stofzuiger. Ze hebben de dagen erna nog in de besmette ruimten gewerkt of zijn daar evenals medeverdachte 3 verbleven. Zelfs op 12 februari 2015 wordt nog asbest, chrysotiel, in de woning aangetroffen.

Dat betekent dat medeverdachte 1, medeverdachte 2 en medeverdachte 3 in meerdere of mindere mate gedurende de tenlastegelegde periode bloot gesteld zijn geweest aan asbestvezels in het appartement.

Gezien het feit dat de medische wetenschap leert dat asbest als het ware als een depot in het lichaam blijft en dat de vezels niet afbreken en nauwelijks uit het lichaam verdwijnen en samen met eerdere of latere blootstelling een kritische waarde kan worden overschreden, waardoor asbest gerelateerde ziektes zich kunnen ontwikkelen, alsmede dat bij een asbest gerelateerde ziekte als een maligne mesothelioom naar de huidige stand van medische kennis geen genezende behandeling mogelijk is, is de rechtbank van oordeel dat het binnenkrijgen van niet te verwaarlozen hoeveelheden asbestvezels door een ongecontroleerde bewerking van asbesthoudend materiaal als in casu het geval, per definitie als “ernstige schade voor de gezondheid” onderscheidenlijk “levensgevaar” in de zin van artikel 32, eerste lid, Arbeidsomstandighedenwet aangemerkt dient te worden. Voor een bewezenverklaring is niet nodig dat het gevaar zich heeft verwezenlijkt. Voldoende is het ontstaan of laten voortbestaan van een potentieel gevaarlijke situatie als gevolg van het niet naleven van voorschriften door een werkgever. De rechtbank wijst in dit verband naar een uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland d.d. 12 mei 2015 en een uitspraak van de rechtbank Gelderland van 8 oktober 2009. Verdachte wist ook dat asbest (levens)gevaarlijk is voor de gezondheid.

Conclusie ten aanzien van feit 1

De rechtbank acht gelet op het vorenstaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 7 februari 2015 tot en met 9 februari 2015 te Vijlen als werkgever opzettelijk handelingen heeft nagelaten in strijd met de Arbowet en de daarop rustende bepalingen in het Arbobesluit, zoals ten laste gelegd in feit 1, onder 1 tot en met 4, terwijl daardoor, naar hij wist, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers ontstond of te verwachten was.

Feit 2

In feit 2 wordt verdacht medeplegen van het bepaalde in artikel 173a van het Wetboek van Strafrecht verweten.

De rechtbank is van oordeel dat niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van opzettelijke of van culpoze milieuverontreiniging, met als gevolg dat verdachte van het onder feit 2 primair en subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Klik hier voor de motivering.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Het EVRM en het materiële omgevingsrecht

Het EVRM en het materiële omgevingsrecht analyseert in het bijzonder welke rechten voor burgers en welke (negatieve en positieve) verplichtingen voor de verdragsstaten voortvloeien uit

  • art. 2 EVRM(het recht op leven)
  • art. 8 EVRM (het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer)
  • art. 1 EP (het recht op eigendom) in omgevingsgerelateerde situaties.

Daarbij komt onder meer de vraag aan bod of de verdragsstaten verplicht zijn omgevingsrechtelijke regelgeving uit te vaardigen en of zij (ook) gehouden zijn meer concrete maatregelen te treffen ter bescherming van de door die artikelen beschermde belangen, zoals

  • het houden van toezicht op omgevingsrechtelijke regelgeving;
  • het handhaven van die regelgeving;
  • het verstrekken van omgevingsgerelateerde informatie

Het EVRM en het materiële omgevingsrecht beziet bovendien of en in hoeverre de verdragsstaten op grond van art. 1 EP verplicht zijn in situaties die door het omgevingsrecht worden beheerst schadevergoeding aan te bieden voor aantastingen van het eigendomsrecht.

Verder onderzoekt dit boek of enkele belangrijke Nederlandse (omgevingsrechtelijke) regels en leerstukken verenigbaar zijn met de uit het EVRM voortvloeiende omgevingsrechtelijke eisen.

 

Praktische Informatie

Auteur: mr. Dirk Sanderink ISBN 9789013131475 Aantal pagina's 592 € 72,00

 

Klik hier om het boek te bestellen via Kluwer.

 

Print Friendly and PDF ^

Internetconsultatie Concept-Besluit en Concept-Regeling natuurbescherming

Op 3 februari jl. zijn het Concept-Besluit en Concept-Regeling natuurbescherming in consultatie gegaan. De Wet natuurbescherming voorziet in vereenvoudigde regels ter bescherming van de natuur, in decentralisatie van bevoegdheden naar provincies en in een goede aansluiting op het omgevingsrecht. De verwachting is dat deze wet op 1 januari 2017 in werking treedt. De meeste regels ter bescherming van de natuur zijn in de wet zelf opgenomen, maar voor enkele onderwerpen bevat de wet de opdracht of mogelijkheid om regels vast te stellen bij besluit.

In het Besluit natuurbescherming worden onder meer regels gesteld over:

  • de aanwijzing van projecten, andere handelingen en gebieden waarbij de Minister van Economische Zaken in plaats van gedeputeerde staten bevoegd gezag is voor vergunning- en ontheffingverlening in het kader van de regels voor de bescherming van Natura 2000-gebieden, soorten en houtopstanden;
  • de regels over de programmatische aanpak stikstof;
  • de aanwijzing van diersoorten die in het hele land schade veroorzaken (besluit) met het oog op de verlening van vrijstelling voor de bestrijding van dieren van deze soorten (bij regeling);
  • de uitoefening van de jacht,
  • de middelen voor het vangen en doden van dieren in het kader van populatiebeheer, schadebestrijding en jacht en de daarvoor in voorkomend geval vereiste opleidingen en akten;
  • de aanwijzing overeenkomstig de Vogelrichtlijn van voor het vangen en doden van vogels toegestane middelen,
  • de behoudens vrijstelling of ontheffing verboden middelen voor het vangen of doden van dieren,
  • het jachtexamen, de jachtakte, het examen voor het gebruik van jachtvogels, de valkeniersakte en de akte voor gebruikers van eendenkooien, en
  • de handel in (producten) van dieren en planten van bedreigde inheemse of uitheemse soorten;
  • de hoogte van de bestuurlijke boeten.

Het ontwerp-besluit geeft onder meer uitvoering aan de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, andere Europese verordeningen en regelgeving van de Benelux.

 

De Regeling natuurbescherming voorziet onder meer in:

  • uitvoeringsvoorschriften in het kader van de programmatische aanpak stikstof;
  • een vrijstelling van de soortenbeschermingsbepalingen in het kader van bestrijding van schade door grondgebruikers door dieren van soorten, geplaatst op de landelijke lijst;
  • de vaststelling van de perioden waarin de jacht op de bejaagbare soorten is geopend en aanwijzing van organisaties die derden toestemming kunnen geven om in hun jachtveld te jagen;
  • nadere regels over het gebruik van middelen, waaronder regels over jachtexamens voor het gebruik van het geweer en valkeniersexamens voor het gebruik van jachtvogels,
  • regels over de aanvraag en het model van de jachtakte en de valkeniersakte, regels over examens voor het gebruik van eendenkooien;
  • regels over de handel in en het bezit van (producten) van dieren of planten behorende tot bedreigde in- of uitheemse soorten (CITES);
  • vrijstellingen van de handel- en bezitsverboden voor gefokte dieren en gekweekte planten (administratie, merktekens);
  • een vrijstelling van het verbod om dieren uit te zetten voor dieren die dienen ter bestrijding van ziekten, plagen en onkruiden ;
  • regels ter uitvoering van de Europese verordening inzake invasieve uitheemse exoten;
  • regels ter uitvoering van de Europese FLEGT-verordening en de Europese Houtverordening over de handel in hout en producten daarvan;
  • de vaststelling van tarieven van retributies.

Ook de ontwerp-regeling geeft onder meer uitvoering aan de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, andere Europese verordeningen en regelgeving van de Benelux.

 

Documenten:

 

Print Friendly and PDF ^