Vrijspraak bodemverontreiniging

Gerechtshof Amsterdam 20 november 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:4879 Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij op 26 juni 2012 omstreeks 17:00 uur, te Amsterdam op en/of in de omgeving van het Willem Mulierhof, al dan niet opzettelijk, met een lekkend motorvoertuig (te weten een vrachtauto, gekentekend kenteken) heeft gereden (ondanks dat de verbalisant hem had gezegd dat hij niet meer met de lekke brandstoftank mocht rijden), ten gevolge waarvan brandstof (te weten dieselolie), in ieder geval een of meer afvalstoffen, zijnde (een) stof(fen) die de bodem kan/kunnen verontreinigen en/of aantasten, op en/of in de bodem was/waren geraakt en/of kon/konden geraken, zulks terwijl hij wist en/of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handeling(en) de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast, en toen niet alle maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs van hem konden worden gevergd teneinde die verontreiniging en/of aantasting te voorkomen en/of indien die verontreiniging en/of aantasting zich voordeed, toen de verontreiniging en/of aantasting en de directe gevolgen daarvan niet heeft beperkt en niet zoveel mogelijk ongedaan heeft gemaakt.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van €400,00.

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Aan de verdachte is ten laste gelegd het rijden met een lekkend motorvoertuig ten gevolge waarvan brandstof in de bodem was geraakt en/of kon geraken terwijl hij wist of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat daardoor de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast, en hij toen niet alle maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs van hem konden worden gevergd om die verontreiniging en/of aantasting te voorkomen althans de directe gevolgen daarvan niet heeft beperkt en niet zoveel mogelijk ongedaan heeft gemaakt.

Het hof stelt voorop dat opzet een bestanddeel vormt van artikel 13 Wet Bodembescherming en dat de verdachte voor een bewezenverklaring van het feit opzet moet hebben gehad op het verontreinigen van de bodem.

Op de ten laste gelegde datum gaat het om twee momenten.

Omstreeks 14:00 uur kwamen de verbalisanten verbalisant 1, verbalisant 2 en verbalisant 3 ter plaatse en constateerde verbalisant 1 dat onder de vrachtauto van de verdachte ter hoogte van de brandstoftank een grote plas lag. De verdachte heeft verklaard dat hij zag dat dieselolie uit een klein gaatje stroomde. Vervolgens heeft hij de brandstoftank opnieuw gevuld en heeft hij getracht de vrachtauto opnieuw te starten. Hij zag echter dat de tank nog steeds lekte, waarna hij de brandstoftank heeft dichtgemaakt met een soort klei. Volgens de verdachte lekte de tank daarna niet meer. Verbalisant 1 heeft de verdachte aangezegd de vrachtauto ter hoogte van de Aalbersestraat te parkeren en dat hij de vrachtauto vanaf die plek diende te laten verslepen. Ook is hem aangezegd dat hij niet meer met de lekke brandstoftank mocht rijden.

Omstreeks 17:00 uur zagen verbalisanten verbalisant 1, verbalisant 2 en verbalisant 3 de verdachte met de betreffende vrachtauto aan komen rijden vanuit de richting van de Aalbersestraat. Hij reed vervolgens de Willem Mulierhof in. Ook zagen zij dat het voertuig grote hoeveelheden brandstof verloor en dat deze brandstof op/in de bodem terecht kwam.

Het hof overweegt dat de verdachte omstreeks 14:00 uur wist dat de brandstoftank lekte en dat hij er toen weloverwogen nieuwe dieselolie in heeft gegoten, welke direct weer uit de tank stroomde. Hij heeft toen echter niet met het voertuig gereden. Hij heeft het gat in de brandstoftank provisorisch gedicht met een soort klei.

Omstreeks 17:00 uur zien de verbalisanten de verdachte wel rijden met de vrachtauto. Tevens zien zij dat het voertuig een groot spoor aan brandstof achterlaat op het wegdek. De verdachte stelt echter dat hij niet wist dat de brandstoftank nog lekte. Hij had het lek immers gedicht met een soort klei en zag daarna geen brandstof meer uit de brandstoftank lekken.

Het hof overweegt dat niet kan worden bewezen dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de brandstoftank op het moment van rijden nog lekte. De verklaring van de verdachte ten aanzien van het ontbreken van zijn opzet wordt niet op enigerlei wijze weerlegd. Nu de opzet van de verdachte niet kan worden bewezen is niet aan alle bestanddelen van artikel 13 Wet Bodembescherming voldaan en dient vrijspraak te volgen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Debat over aanpassingen in Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

De Eerste Kamer heeft dinsdag 1 december 2015 gedebatteerd met staatssecretaris Dijksma (Infrastructuur en Milieu) over de Wet Verbetering vergunningverlening, toezicht en handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Dit voorstel voegt een nieuw hoofdstuk toe aan de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en maakt het onder meer mogelijk dat bij algemene maatregel van bestuur kwaliteitscriteria worden geformuleerd voor vergunningverlening, het toezicht en handhaving. Op dinsdag 8 december 2015 wordt over het wetsvoorstel gestemd.

Onvoldoende democratische controle

Senator Van Hattem (PVV) gaf aan dat zijn fractie veel waarde hecht aan het zorgvuldig borgen van veiligheid in de samenleving. Dit wetsvoorstel biedt hiervoor volgens de senator echter geen geschikt kader, omdat de handhavingsprioriteiten onvoldoende democratisch kunnen worden gecontroleerd. Volgens Van Hattem kunnen bestuurders van de Omgevingsdiensten zich verschuilen achter collectieve regelingen waardoor zij slechts in beperkte mate op hun besluitvorming kunnen worden aangesproken door de Gemeenteraad of Provinciale Staten. Bovendien zijn de inverdieneffecten en efficiëntievoordelen volgens de senator gebaseerd op onjuiste aannames.

Gemeenten en provincies blijven verantwoordelijk en aanspreekbaar

Staatssecretaris Dijksma (Infrastructuur en Milieu) stelde dat dit wetsvoorstel juist bedoeld is om een oplossing te bieden voor structurele tekortkomingen in toezicht en handhaving. Onder de huidige regelingen is volgens Dijksma te vaak sprake van fragmentatie en vrijblijvendheid.

Gemeenten en provincies kunnen volgens de staatssecretaris weliswaar een mandaat verlenen aan een Omgevingsdienst, maar blijven verantwoordelijk en democratisch aanspreekbaar.  Verschuilen achter collectieve regelingen is volgens Dijksma niet mogelijk; er zal altijd controle plaatsvinden in de Gemeenteraad of Provinciale Staten. Over de inverdieneffecten en efficiëntievoordelen merkte de staatssecretaris op dat er ingecalculeerde opstartkosten zijn die na ongeveer 6 jaar kunnen worden terugverdiend. Dit wordt geëvalueerd en gemonitord.

Print Friendly and PDF ^

'De omvang van de zorgplicht is niet eenvoudig'

In artikel 1.1a Wet milieubeheer (‘Wm’) is de algemene zorgplicht opgenomen. Iedereen moet voldoende zorg voor het milieu in acht nemen en moet voorkomen dat door zijn/haar handelen nadelige gevolgen voor het milieu optreden. Dit artikel biedt ook een basis om overtreding te handhaven. Zo wordt dit artikel gebruikt als grondslag om bestuursdwang toe te passen als bij brand asbest vrijkomt.

Op het moment dat aan een partij een milieuvergunning is verleend, dan bepaalt die vergunning in beginsel de omvang van de zorgplicht ex artikel 1.1a Wm. Kan dan als in overeenstemming met de vergunning is gehandeld, daarnaast handhavend worden opgetreden?

Lees verder:

Print Friendly and PDF ^

'Het wetsvoorstel ‘Verbetering Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving’: verbetering uniformiteit en vermindering van fragmentatie'

Het wetsvoorstel ‘Verbetering Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving’ (het ‘wetsvoorstel’) ziet op een wijziging van het handhavingshoofdstuk (het huidige hoofdstuk 5) van de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (‘Wabo’) en is tevens een voorloper op de nieuwe Omgevingswet. Het wetsvoorstel voorziet in een nieuwe inrichting van het stelsel van vergunningverlening, toezicht en handhaving (‘VTH’). Het oorspronkelijke wetsvoorstel is ingediend op 18 februari 2014. Op 18 december 2014 volgde een gewijzigde versie van het wetsvoorstel. Deze bijdrage beoogt een overzicht op hoofdlijnen te geven van de wijzigingen van de inrichting van het stelsel van vergunningverlening, toezicht en handhaving naar aanleiding van het wetsvoorstel.

 

Verder in dit artikel:

  1. Inleiding
    1. 1.1. Achtergrond: Commissie Mans (juli 2008)
    2. 1.2. ‘Package deal’ (juni 2009)
  1. Het (oorspronkelijke) wetsvoorstel VTH (februari 2014)
    1. 2.1. Wettelijke borging omgevingsdiensten en kwaliteitscriteria
    2. 2.2. Wettelijke borging Inspectieview Milieu
  1. Commissie Wolfsen (september 2014)
  2. Wijzigingen wetsvoorstel VTH (december 2014)
    1. 4.1. Verantwoordelijkheid provincies
    2. 4.2. Kwaliteitscriteria in verordening en overleg en coördinatie
    3. 4.3. Bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving: informatie-uitwisseling
  1. Modelverordening VTH
  2. Wijzigingen in de handhavings-praktijk na inwerkingtreding van het wetsvoorstel
    1. 6.1. Rol provincie: coördinatie en bevoegd gezag alle grote inrichtingen
    2. 6.2. Modelverordening
    3. 6.3. Toename belang handhaving en toezicht bij meer algemene regels
  1. Behandeling wetsvoorstel in wetgevingsoverleg (september 2015)
  2. Tot slot

 

Lees verder:

 

Dit artikel kunt u enkel raadplegen indien u bent geabonneerd op het Tijdschrift voor Sanctierecht & Onderneming.

 

 

 

Print Friendly and PDF ^

'Handhaving van Europees Milieurecht: resultaatsverplichtingen op het terrein van lucht en water'

In een aantal prejudiciële procedures is het Hof van Justitie verzocht uitspraak te doen over de aard van de in de milieukaderrichtlijnen opgenomen programmatische verplichtingen. In beide arresten heeft het Hof van Justitie de doelstellingen van de richtlijnen centraal gezet, hetgeen een einde heeft gemaakt aan de discussie of het in deze richtlijnen wel gaat om resultaatsverplichtingen. De rechtspraak heeft gevolgen voor het Nederlandse beleid dat de programmatische aanpak centraal stelt. Geconcludeerd wordt dat per sector en per richtlijn bekeken moet worden of dit verenigbaar is met het Europese recht. Een generalistische verbreding en uniforme toepassing van de programmatische aanpak staat hiermee op gespannen voet. Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^