OM-cassatie uitvoer afvalstoffen

Hoge Raad 20 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:97

De economische kamer van het Gerechtshof Den Haag heeft verdachte bij arrest van 13 september 2013 integraal vrijgesproken, net als in eerste aanleg. Het gaat om een vrijspraak van zowel het primair als subsidiair tenlastegelegde, al dan niet opzettelijke, overtredingen van voorschriften met betrekking tot de uitvoer van afvalstoffen naar China.

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

"zij in of omstreeks de periode 25 augustus 2008 tot en met 22 oktober 2008 te Rotterdam en/of te Kampen, althans in Nederland, in elk geval binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap,

tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk,

(een) handeling(en) heeft verricht als bedoeld in artikel 2 onder 35 sub f van Verordening (EG) Nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, immers, was/waren zij en/of één of meer van haar mededader(s) doende zeven, in ieder geval één of meer, container(s) waarvan de inhoud bestond uit afvalstoffen te weten, (onder andere) een mengsel van resten en/of afvallen van ijzer en/of staal, in ieder geval oude metalen en metaallegeringen als genoemd onder code B1010 in Bijlage III van voornoemde Verordening,

over te brengen van Nederland naar China, terwijl China de invoer van die afvalstof(fen) had verboden, aangezien (de overbrenging van) die afvalstof(fen) niet vergezeld ging(en) van een CCIC-certificaat;

subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij in of omstreeks de periode 25 augustus 2008 tot en met 22 oktober 2008 te Rotterdam en/of te Kampen, althans in Nederland, in elk geval binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap,

tezamen en in vereniging met één of meer ander (en), althans alleen, al dan niet opzettelijk,

(een) handeling(en) heeft verricht als bedoeld in artikel 2 onder 35 sub a en/of b van Verordening (EG) Nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, immers, was/waren zij en/of één of meer van haar mededader(s) doende zeven, in ieder geval één of meer, container(s) waarvan de inhoud bestond uit afvalstoffen, te weten, (onder andere) een mengsel van resten en/of afvallen van ijzer en/of staal en/of rubber en/of textiel en/of kunststof en/of aluminium en/of printplaten en/of draad en/of kabel en/of elektronische onderdelen en/of delen van (een) (koel)container(s) en/of delen van (een) trailer(s) en/of hout en/of radiateuren en/of purschuim, in ieder geval niet in Bijlage III onder één code ingedeelde afvalstoffen en/of niet in Bijlage III en/of III A onder één code ingedeelde mengsels van afvalstoffen en/of in Bijlage III B ingedeelde afvalstoffen, over te brengen van Nederland naar China,

terwijl die overbrenging geschiedde zonder een voorafgaande kennisgeving en/of schriftelijke toestemming van alle/de betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomstig voornoemde Verordening."

Het Hof heeft de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde en daartoe het volgende overwogen:

“Vrijspraken

Primair

Vast staat dat sprake is van uitvoer uit Nederland van een afvalstof in de zin van EG-verordening 1013/2006 naar een land, China, waarop het OESO-besluit niet van toepassing is (hierna: een niet-OESO land) met als doel een nuttige toepassing. Op deze uitvoer zijn de artikel en 36 en 37 van EG-verordening 1013/2006 van toepassing. Artikel 36, eerste lid, van deze verordening bepaalt dat de uitvoer van afvalstoffen voor nuttige toepassing verboden is voor onder andere: "f) afvalstoffen waarvan het land van bestemming de invoer heeft verboden".

Artikel 37 betreft afvalstoffen van bijlage III of IIIA waarvan de uitvoer niet reeds is verboden krachtens artikel 36. Met artikel 37 is geregeld dat de Commissie een schriftelijk verzoek - de Questionnaire - aan ieder niet-OESO land zendt, opdat ieder niet-OESO land schriftelijk bevestigt dat de afvalstoffen (met het oog op de nuttige toepassing in dat land) vanuit de Unie mogen worden uitgevoerd en voorts de controleprocedure in dat land aangeeft. Als reactie op de Questionnaire zijn er voor de niet-OESO landen drie mogelijkheden:

a) een verbod,

b) een voorafgaande kennisgeving met schriftelijke toestemming zoals beschreven in artikel 35 van de EG Verordening en

c) geen controle in het land van bestemming.

China heeft voor B1010 voor wat betreft "Iron and steel scrap" en "Aluminium scrap" bevestigd dat het afval voor nuttige toepassing mag worden uitgevoerd naar China en daarbij antwoord c) (geen controle) aangevinkt. Zij heeft dus voor deze stoffen niet aangegeven dat zij heeft gekozen voor een verbod; zij heeft wel bevestigd dat de afvalstoffen mogen worden uitgevoerd zonder dat de kennisgeving met schriftelijke toestemming zoals beschreven in artikel 35 van de EG Verordening 1013/2006 van toepassing is.

In antwoord op de Questionnaire heeft China voorts verklaard dat zij een eigen controleprocedure volgt. Deze (eigen) procedure brengt met zich dat voor invoer drie documenten vereist zijn, waaronder het Certificate for Pre-shipment Inspection of Recycling Scraps to China issued bij CCIC (hierna: het CCIC-certificaat). China heeft - bij het antwoord op de Questionnaire - geschreven dat het niet is toegestaan een lading afval die niet aan alle vereisten voldoet, te importeren. Zij heeft op die wijze dus aangegeven dat zij de invoer van afval zonder het CCIC-certificaat verbiedt.

De Commissie heeft na ontvangst van de antwoorden van de niet-OESO landen de EG-verordening 1418/2007 vastgesteld (op basis van artikel 37, tweede lid van de EG-verordening 1013/2006). In die verordening 1418/2007 zijn de antwoorden op de Questionnaire opgenomen. In die verordening heeft de Commissie - naast de kolommen a) , b) en c) - in een kolom d) vermeld of er in het land van bestemming volgens het toepasselijke nationale recht andere controleprocedures worden gevolgd.

In deze EG-verordening 1418/2007 is uit B1010 het "ijzer en staalschroot" en het "aluminiumschroot" slechts in kolom d opgenomen en niet in de kolom met verboden stoffen (kolom a). De opname in kolom d en niet in kolom a, betekent dat er geen sprake is van een verbod als bedoeld in artikel 36 van de EG-verordening 1013/2006. De verdachte heeft met de haar verweten handelingen dat artikel niet overtreden. Dat er anderszins in strijd met één van de in artikel 2 onder 35 sub f van de EG Verordening 2013/2006 is gehandeld is in dit geding niet gebleken.

Primair voorts en subsidiair (mengsel van resten en/of afvallen)

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de vertegenwoordiger van de verdachte bevestigd dat het "mixed metal scrap" (het in geding zijnde afval) afkomstig was uit de industrie, de bouw, van particulieren en van legervoertuigen. Dit laat de mogelijkheid open dat de door de VROM-inspectie aangetroffen "vreemde componenten" typisch waren voor het afval. Uit het proces-verbaal en de foto's is op te maken dat er componenten in het afval aanwezig waren die op zichzelf geen "mixed metal scrap" zijn , maar niet in welke mate dat het geval was. Om de omvang van deze vervuiling vast te stellen, ontbreekt in het dossier de benodigde informatie. Derhalve kan niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat het afval geen "mixed metal scrap" betrof en dat sprake is van een mengsel van afvalstoffen waarvoor voor het overbrengen hiervan een voorafgaande kennisgeving en/of schriftelijke toestemming van de autoriteiten noodzakelijk was.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.”

Het beroep in cassatie is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof, mr. E. van Die. Advocaat-Generaal mr. H.H.J. Knol heeft een schriftuur houdende twee middelen van cassatie ingezonden. De raadsvrouwe van verdachte, mr. P.M.L. Schmelzer, advocaat te Leiden, heeft het beroep tegengesproken.

Middelen

De middelen komen op tegen de gegeven vrijspraken ter zake van het primair en subsidiair tenlastegelegde.

Het eerste middel komt op tegen de vrijspraak van het primair tenlastegelegde, voor zover het de tenlastegelegde enkelvoudige afvalstoffen van categorie B1010 betreft. Geklaagd wordt dat het oordeel van het Hof dat geen sprake is van een verbod als bedoeld in art. 36 en 37 EVOA getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, omdat in dat oordeel besloten ligt dat daarbij niet van belang is of de afvalstoffen vergezeld gingen van een CCIC-certificaat.

Het eerste middel kan niet tot cassatie leiden.

Het tweede middel komt op tegen het oordeel van het Hof dat niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat het afval niet betrof "mixed metal scrap". Geklaagd wordt dat het Hof (eerst of tevens) de vraag had moeten beantwoorden of sprake was van afvalstoffen die niet onder één code in bijlage III waren ingedeeld, of dat sprake is van niet onder één code in bijlage III of III A ingedeelde mengsels van afvalstoffen of van in bijlage III B ingedeelde afvalstoffen. Dan geldt immers voor het overbrengen een voorafgaande kennisgeving en/of schriftelijke toestemming van de autoriteiten.

Beoordeling tweede middel door Hoge Raad

De tenlastelegging heeft het Hof aldus opgevat dat daarin niet het verwijt is opgenomen dat de verdachte heeft gehandeld strijd met art. 18 EVOA in verbinding met art. 2 onder 35 EVOA. Die uitleg is met de bewoordingen van de tenlastelegging niet onverenigbaar en moet in cassatie worden geëerbiedigd.

In cassatie kan, mede met verwijzing naar het hiervoor weergegeven wettelijk en verdragsrechtelijk kader, van het volgende worden uitgegaan:

  1. De strafzaak betreft de uitvoer uit Nederland van de afvalstoffen in de zin van de EVOA, met als doel een nuttige toepassing naar een land, China, waarop het OESO-besluit niet van toepassing is. Op die uitvoer zijn de artikelen 36 en 37 van de EVOA van toepassing. Het gaat daarbij om ijzer- en staalschroot en aluminiumschroot als genoemd onder code B1010 in Bijlage III EVOA.
  2. Blijkens het antwoord van China op de hem op de voet van art. 37, eerste lid, EVOA door de Commissie gestelde vragen heeft China niet gekozen voor een verbod van uitvoer van die stoffen, de optie onder a, maar voor de optie onder c ("column 3") dat geen controle zal plaatsvinden in het land van bestemming.
  3. Nader heeft China aangegeven, door in de bijlage bij art. 1 van EG-Verordening 1418/2007 kolom d aan te vinken, ervoor te kiezen dat "in het land van bestemming volgens het toepasselijke nationale recht andere controleprocedures [zullen] worden gevolgd". In dat kader verlangt China dat de in te voeren afvalstoffen vergezeld gaan van een drietal, conform de gestelde eisen ingevulde, documenten, waaronder het in de tenlastelegging genoemde CCIC-certificaat ("Certificate for Pre-Shipment Inspection of Recycling Scraps to China issued by CCIC").
  4. China heeft bepaald dat de invoer van de afvalstoffen zonder te zijn vergezeld van een CCIC-certificaat verboden is.

In het middel wordt ervan uitgegaan dat sprake is van een uitvoerverbod als bedoeld in art. 36 EVOA van de onderhavige afvalstoffen naar China nu die afvalstoffen niet vergezeld gingen van een CCIC-certificaat als hiervoor bedoeld en China in zo een geval de invoer verbiedt. Aldus wordt evenwel miskend dat "met betrekking tot afvalstoffen van bijlage III (...) waarvan de uitvoer niet is verboden krachtens artikel 36" overeenkomstig art. 37 EVOA door de Commissie aan China is verzocht antwoord te geven op aan hem gestelde vragen en dat China in zijn antwoord niet heeft geopteerd voor de mogelijkheid de uitvoer van zodanige afvalstoffen te verbieden. China ging dus niet uit van een uitvoerverbod als bedoeld in art. 36 EVOA. Dat is niet anders door het invoerverbod dat China heeft uitgevaardigd voor de hier bedoelde afvalstoffen indien de lading niet wordt vergezeld van een CCIC-certificaat. Dat voorschrift is immers gekoppeld aan de door China gemaakte keuze voor de controle in het land van bestemming naar nationaal recht. Er is dus niet sprake van een "illegale overbrenging" als bedoeld in art. 2 onder 35 sub f EVOA zoals strafbaar gesteld in art. 10.60, tweede lid, Wmb. Het hiermee overeenstemmende oordeel van het Hof geeft dan ook niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.

Het middel faalt.

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

'Milieuaansprakelijkheid en zorgplichten in de Omgevingswet'

Deze bijdrage is de licht aangepaste schriftelijke versie van de rede uitgesproken bij de openbare aanvaarding van het ambt van bijzonder hoogleraar Milieurecht aan de Rijksuniversiteit Groningen op 14 oktober 2014. De auteur gaat in op de samenloop van grondslagen om milieuschade te verhalen bij de burger zoals milieuaansprakelijkheid, algemene zorgplichten en bijzondere wettelijke regelingen. In het wetsvoorstel voor de Omgevingswet blijft deze veelheid aan instrumenten bestaan.

Lees verder:

Print Friendly and PDF ^

Carbon black is een afvalstof. Veroordeling voor illegale opslag van afvalstof in Asten en Deurne blijft in stand.

Hoge Raad 13 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:49

Het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft verdachte bij arrest van 23 april 2013 veroordeeld tot een geldboete van tienduizend euro subsidiair vijfentachtig dagen hechtenis wegens het onder 1 subsidiair en 4. tenlastegelegde telkens het medeplegen van een overtreding van een voorschrift gesteld bij art. 8.1, tweede lid, in verbinding met art. 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl hij daaraan feitelijk leiding heeft gegeven.

Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. drs. W.J.W. van Eijk, advocaat te ‘s-Hertogenbosch, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.

Centraal in deze zaak staat de vraag of carbon black een afvalstof is. Carbon black, (vroeger) ook wel zwartsel genoemd, kan uit olie gewonnen worden. Het is niet alleen een residu, maar wordt ook wel als zodanig geproduceerd ten behoeve van onder meer inkt en rubberproducten. Zoals bij vrijwel elke stof, bestaan er variaties in kwaliteit (‘grades’). Het draait hier niet om de vraag of het een gevaarlijke afvalstof betreft.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad doet de zaak af onder verwijzing naar art. 81, eerste lid, RO.

Conclusie AG

Ontwikkeling van het begrip ‘afvalstof’

Het is voor een goed begrip nuttig nog aandacht te vragen voor de ontwikkeling van het begrip ‘afvalstof’ in de laatste (kleine twintig) jaren. Vroeger gold in Nederland de opvatting dat als een stof zonder ingrijpende bewerking milieuhygiënisch verantwoord nuttig kon worden toegepast, deze stof geen afvalstof was. Na het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 15 juni 2000 in de gevoegde zaken C-418/97 en C-419/97, AB 2000, 311 (ARCO Chemie en Hees/EPON) kon die opvatting niet meer worden gevolgd. Er is sprake van een afvalstof, indien de houder daarvan zich van de stof ontdoet, dan wel wil of moet ontdoen, waarbij de toekomstige bestemming van die stof niet van invloed is op het karakter van afvalstof. De Hoge Raad heeft zich bij het Europese Hof aangesloten. Voor de uitleg van de term "afvalstoffen" dient aansluiting te worden gezocht bij de Richtlijn(en) van de (E)EG inzake afvalstoffen en bij hetgeen het HvJ EU ten aanzien daarvan heeft overwogen.

AG Vegter verwijst daartoe naar enkele passages uit de conclusie van Knigge voor HR 19 juni 2007, ECLI:NL:PHR:AY9194:

“In de uitleg van het HvJ van het begrip afvalstoffen - waarbij de Hoge Raad zich als gezegd heeft aangesloten - staat centraal de vraag of sprake is van een stof waarvan de houder zich ontdoet, dan wel zich wil of moet ontdoen. Dat maakt dat de aard van de stof (de bruikbaarheid ervan) niet doorslaggevend is. Elke stof kan door de bezitter worden afgedankt en daarmee een afvalstof worden. Dat geldt ook voor nuttige, op zich niet voor het milieu gevaarlijke stoffen. Het doel is tenslotte te voorkomen dat afgedankte spullen in het milieu belanden. Daartoe moet toezicht gehouden kunnen worden op de afvalstroom, om zo te kunnen controleren of de afvalstoffen volgens de voorschriften worden verwijderd of hergebruikt. Voor ogen moet worden gehouden dat ook het zo maar ergens dumpen van op zich alleszins bruikbare goederen voor het milieu schadelijk kan zijn. Dat geldt ook voor grond, hoe vruchtbaar en schoon die grond op zich ook zou mogen zijn. Wie vrachtwagens schone grond in een beschermd natuurgebied stort, veroorzaakt al snel een ecologisch rampje.”

Knigge citeert vervolgens de beschikking van 15 januari 2004, C-235/02, AB 2004, 273 (Saetti en Frediani) van HvJ, waarin de rechtspraak wordt samengevat:

"33 De inhoud van het begrip afvalstof hangt af van de betekenis van de term zich ontdoen, die wordt gebruikt in art. 1 sub a richtlijn 75/442. Het Hof heeft verduidelijkt dat het verrichten van een in bijlage II A of II B bij richtlijn 75/442 genoemde handeling op zich niet volstaat om een stof of een voorwerp als afvalstof aan te merken en dat, omgekeerd, het begrip afvalstof voorwerpen of stoffen die voor economisch hergebruik geschikt zijn, niet uitsluit. Het bij richtlijn 75/442 ingevoerde stelsel van toezicht en beheer beoogt immers alle voorwerpen en stoffen te omvatten waarvan de eigenaar zich ontdoet, zelfs al hebben zij een commerciële waarde en worden zij voor handelsdoeleinden opgehaald met het oog op recycling, terugwinning of hergebruik (zie met name arrest van 18 april 2002, Palin Granit en Vehmassalon kansanterveystyön kuntayhtymän hallitus, C-9/00, Jur. p. I-3533; hierna: arrest Palin Granit, punten 22, 27, en 29).

37 Naast de hoedanigheid van productieresidu van een stof vormt dus de mate waarin het waarschijnlijk is dat deze stof zonder voorafgaande bewerking wordt hergebruikt, een tweede criterium dat relevant is om te beoordelen of het om een afvalstof in de zin van richtlijn 75/442 gaat. Wanneer er, naast de mogelijkheid om de stof te hergebruiken, voor de houder een economisch voordeel is om dit ook te doen, is de waarschijnlijkheid van een dergelijk hergebruik groot. In een dergelijk geval kan de betrokken stof niet meer worden beschouwd als een last waarvan de houder zich wil ontdoen, maar is zij een echt product (arrest Palin Granit, punt 37).”

Bespreking middelen

Eerste middel

Het eerste middel richt de pijlen rechtstreeks op de conclusie van het Hof dat carbon black een afvalstof is en valt uiteen in vier bezwaren. De bezwaren richten zich tegen de bewezenverklaring (onder 12), enkele bewijsoverwegingen (onder 13) en de aanvulling met bewijsmiddelen (onder 14).

Het eerste bezwaar bestaat hierin dat volgens de steller van het middel uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de oorspronkelijke houder zich van de onderhavige partijen carbon black heeft ontdaan. Uit de bewijsmiddelen volgt dat er door [F] via Sita carbon black is afgevoerd vergezeld van een PMV-document (afvalgeleidingsbrief) naar [betrokkene] aan de [c-straat] in Deurne. [betrokkene] sloeg de stof op in een door hem van verdachte gehuurde bedrijfsruimte. De carbon black blijft achter nadat het huurcontract is beëindigd. Hoewel het middel ruim is toegelicht, slaagt de AG er niet in te ontwaren waarom de steller ervan van oordeel is dat niet uit de bewijsmiddelen volgt dat [F] zich heeft ontdaan van een afvalstof. In overweging D3 heeft het Hof het juiste criterium aangelegd en in D9 ligt niet onbegrijpelijk besloten dat de bij [F] afgevoerde stof werd aangemerkt als een afvalstof. Het kwam dus bij [betrokkene] omdat [F] zich er met behulp van Sita van wilde ontdoen.

Het eerste bezwaar houdt voorts in dat niet gereageerd is op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. In de schriftuur wordt gesteld dat het standpunt is dat sprake was van ‘afvalstromen’ en ‘niet-afvalstromen’ en de afvalbegeleidingsbrieven geen betrekking hebben op het vervoer naar de [c-straat] te Deurne (huurder [betrokkene]). De schriftuur doelt kennelijk op het standpunt dat de naar de [c-straat] (door een ander dan Sita) afgevoerde carbon black geen afvalstof was, omdat de afvalbegeleidingsbrieven niet hoorden bij die naar de [c-straat] vervoerde carbon black.

Voor zover hetgeen door de verdediging is aangevoerd (in het bijzonder pleitnota p. 6, 7 en 9), moet worden opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt – het schort aan de onderbouwing; er wordt alleen twijfel gezaaid – vindt het weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen. De AG verwijst naar de in de aanvulling met bewijsmiddelen als bewijsmiddel 6 opgenomen verklaring van [getuige], de technisch manager van [F]. Al het materiaal dat van [F] bij [betrokkene] is terechtgekomen was, op een met name aangeduide uitzondering na, afval. En dat sluit aan bij bewijsmiddel 8 dat (afgezien van het verpakkingsmateriaal) al het andere afval was. Anders dan namens verdachte is betoogd, heeft het Hof geen twijfels over de betrouwbaarheid van deze verklaringen.

Het tweede bezwaar is dat het Hof bij de vraag of verdachte zich van een afvalstof heeft ontdaan niet alle relevante omstandigheden heeft betrokken. Als hier relevante omstandigheden worden aangemerkt: de stof is het resultaat van een bewust productieproces met als beoogd product carbon black; het gaat om carbon black met een A-status (hoogste kwaliteitseis); er is een reguliere markt voor de stof aanwezig; de stof heeft een positieve markwaarde; de stof is niet aan bederf onderhevig bij de juiste opslag (waarvan sprake was); er bestond aantoonbaar interesse van derden voor de stof; de stof was zonder bewerking bruikbaar; de lange duur van de opslag is geen contra-indicatie, omdat het niet ongebruikelijk is om zo te speculeren op prijsstijging.

Ook (grond)stoffen die voor economisch hergebruik geschikt zijn en die zonder ingrijpende bewerking nuttig kunnen worden toegepast, kunnen onder het begrip afvalstof vallen. Dat verdachte nog mogelijkheden voor nuttige toepassing van de stof ziet, ontneemt daaraan niet het karakter van afvalstof. Het Hof heeft in de onderhavige zaak het accent sterk (maar niet alleen, zoals bij de bespreking van het derde bezwaar nog naar voren komt) op het begin van de keten gelegd. Er is sprake van een afvalstof vanaf het moment dat [F] zich ervan ontdeed. Met Machielse kan worden gezegd dat het er niet toe doet of opeenvolgende houders of bezitters nog profijtelijke mogelijkheden zien in de handel met die voorwerpen of stoffen. Hij wijst ook op de zaak waarin verdachte afgedankte autobanden verzamelde en weer verkocht en waarin de vraag werd gesteld of deze autobanden door het profijt dat zij voor deze tweede houder opleverden en het nut dat zij hadden voor de uiteindelijke automobilisten die deze banden nog op hun auto's monteerden nog wel als afvalstoffen konden worden aangemerkt. De Hoge Raad overwoog:

"3.9. Het Hof heeft in de bestreden uitspraak geoordeeld dat de onderhavige autobanden niet kunnen worden aangemerkt als afvalstoffen nu geen sprake is van een zich ontdoen van die banden door de verdachte. Dat oordeel geeft blijk van een te beperkte uitleg van het begrip afvalstoffen. Het Hof had immers als te dezen relevante omstandigheid in zijn beoordeling mede dienen te betrekken de vraag of de vorige eigenaars zich van de autobanden hadden ontdaan. In het bevestigende geval vormden de banden immers reeds afvalstoffen op het moment waarop de verdachte deze onder zich kreeg."

Het Hof heeft alleen de omstandigheid of de carbon black tussentijds een behandeling voor nuttige toepassing heeft ondergaan (D10) nog in de beoordeling betrokken. Dat is niet gebleken, aldus het Hof (D11). Het is niet onjuist of onbegrijpelijk dat het Hof alle andere omstandigheden buiten beschouwing heeft gelaten.

Er wordt vervolgens nog op gewezen dat onder de thans geldende regelgeving carbon black wordt aangemerkt als een grondstof. Verwezen wordt naar categorie 4.3, onder b, sub 3 van Bijlage I, onderdeel C van het per 1 oktober 2010 geldende Besluit omgevingsrecht. Gedeputeerde staten zijn inderdaad bevoegd te beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning of omtrent een verklaring van geen bedenkingen ten aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het betreft inrichtingen voor het vervaardigen van onder meer carbon black. Een argument is hieraan echter niet te ontlenen. Immers ook uit legale productieprocessen kunnen afvalstoffen voortkomen. Anders gezegd, ook hier geldt dat de geproduceerde grondstof wellicht geen afvalstof is, maar het wel kan worden.

Het derde bezwaar is dat bij de vaststelling of sprake is van een afvalstof de nadruk moet liggen op de houder. Hij moet zich van de stof ontdoen, voornemens zijn zich te ontdoen of verplicht zijn zich te ontdoen. Het Hof heeft, aldus de steller van het middel, “een te ruime uitleg aan het begrip ‘houder’ gegeven en de daaruit voortvloeiende verplichting zich van de carbon black te ontdoen.” Zoals bij de bespreking van het tweede bezwaar al naar voren kwam, heeft het Hof het accent sterk op het begin van de keten gelegd en is dat niet onjuist of onbegrijpelijk. Voor zover het bezwaar inhoudt dat het Hof heeft vastgesteld dat verdachte verplicht is zich te ontdoen van de stof, mist dit feitelijke grondslag. Het Hof heeft onder D11 vastgesteld dat verdachte (ik voeg toe: als houder) voornemens was zich te ontdoen van de afvalstof door deze te verkopen. De AG leest daarin geen te ruime uitleg van het begrip ‘houder’, terwijl het Hof niet heeft vastgesteld dat op verdachte een verplichting rustte.

Het vierde bezwaar tegen het aanmerken van carbon black als afvalstof is gestoeld op een recent arrest van het HvJ EU, aangeduid als het Shellarrest. Dat arrest is volgens de steller van het middel bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De AG volstaat, mede gelet op het standpunt van de steller van het middel, dat van een bevestiging sprake is met de weergave van het Shellarrest in de beslissing van de Afdeling:

“4.3. Uit het arrest van het Hof van Justitie van 12 december 2013, C-241/12 en C-242/12, Shell Nederland (www.curia.europa.eu; hierna: het arrest) volgt dat een koper van een stof of voorwerp welke niet voldoet aan de overeengekomen specificaties en die deze stof of dit voorwerp aan de leverancier retourneert met het oog op terugbetaling van de aankoopprijs krachtens de koopovereenkomst, niet kan worden beschouwd als een persoon die voornemens is de betrokken stof of het betrokken voorwerp te verwijderen of er een nuttige toepassing voor te vinden, zodat de koper zich door deze handeling niet van de stof of het voorwerp ontdoet in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van richtlijn 2006/12/EG.

4.4. Richtlijn 2006/12/EG is ingetrokken en vervangen door richtlijn 2008/98/EG. Geen aanleiding bestaat om bij de uitleg van het begrip "afvalstof" onder richtlijn 2008/98/EG andere maatstaven aan te leggen dan bij de uitleg van dit begrip onder richtlijn 2006/12/EG. Derhalve kan voor de uitleg van het begrip afvalstof onder richtlijn 2008/98/EG worden aangesloten bij de overwegingen in het arrest.”

De AG volgt de steller van het middel niet in zijn beroep op deze rechtspraak omdat de hier in cassatie aan de orde zijnde zaak wezenlijk verschilt van hetgeen aan de orde was in het Shellarrest. Er is geen sprake van het eerst leveren en vervolgens terugnemen van carbon black omdat niet voldaan is aan afgesproken specificaties. Integendeel, het gaat er hier niet om of de carbon black al dan niet voldoet aan bepaalde specificaties, maar het gaat erom dat de carbon black na de ontdoening door [F] van meet af aan afvalstof was. De kwaliteit of specificaties van de stof doen daaraan niet toe of af. De genoemde rechtspraak staat er dus niet aan in de weg dat het Hof carbon black als afvalstof heeft aangemerkt.

Alle in het middel geuite bezwaren zijn ongegrond, zodat het eerste middel geen doel treft.

Tweede middel

Het tweede middel richt zich tegen overweging van het Hof dat carbon black geen bijproduct is.

Met de steller van het middel gaat de AG ervan uit dat de definitie van het begrip bijproduct, zoals ook het Hof heeft aangenomen, is te vinden in art. 5 van de Kaderrichtlijn Afvalstoffen:

“1. Een stof die of een voorwerp dat het resultaat is van een productieproces dat niet in de eerste plaats bedoeld is voor de productie van die stof of dat voorwerp, kan alleen als een bijproduct en niet als een afvalstof in de zin van artikel 3, punt 1), worden aangemerkt, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

a) het is zeker dat de stof of het voorwerp zal worden gebruikt;

b) de stof of het voorwerp kan onmiddellijk worden gebruikt zonder verdere andere behandeling dan die welke bij de normale productie gangbaar is;

c) de stof of het voorwerp wordt geproduceerd als een integraal onderdeel van een productieproces; en

d) verder gebruik is rechtmatig, m.a.w. de stof of het voorwerp voldoet aan alle voorschriften inzake producten, milieu en gezondheidsbescherming voor het specifieke gebruik en zal niet leiden tot over het geheel genomen ongunstige effecten op het milieu of de menselijke gezondheid.

2. Uitgaande van de in lid 1 gestelde voorwaarden kunnen maatregelen worden vastgesteld om te bepalen volgens welke criteria een specifieke stof of een specifiek voorwerp kan worden aangemerkt als bijproduct en niet als afvalstof in de zin van artikel 3, punt 1). Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 39, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”

Mede gelet op een uiteenzetting van de rechtspraak van het HvJ EU door de Hoge Raad kan inderdaad worden aangenomen dat de Kaderrichtlijn in de kern is gebaseerd op bestendige rechtspraak van het HvJ EU. De Hoge Raad vatte die rechtspraak onlangs als volgt samen:

“ 2.6.1. Voor de betekenis van 'bijproducten' en de 'einde-afval fase' is in het bijzonder de navolgende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van belang.

2.6.2. In zijn uitspraak van 18 april 2002, HvJ EG 18 april 2002, zaak C-9/00, LJN AF0542, NJ 2002/461 (Palin Granit), heeft het Hof van Justitie van ′bijproduct′ de omschrijving gegeven dat het gaat om de situatie waarin het hergebruik van een goed, materiaal of grondstof niet slechts mogelijk is, maar zeker is, zonder voorafgaande bewerking en als voortzetting van het productieproces (par. 36).

2.6.3. In zijn uitspraak van 15 juni 2000, HvJ EG 15 juni 2000, zaken C-418/97 en C-419/97 , LJN AL2947, AB 2000/311 (ARCO) heeft het Hof van Justitie de 'einde-afval fase' omschreven als het moment waarop de nuttige toepassing is voltooid en waardoor de betrokken stof dezelfde eigenschappen en kenmerken als een grondstof heeft verkregen (par. 94). In zijn uitspraak van 19 juni 2003, HvJ EG 19 juni 2003, zaak C-444/00, LJN AM0820 (Mayer Parry), heeft het Hof van Justitie overwogen dat bij omvorming van afval tot een nieuw materiaal of een nieuw product, met eigenschappen die vergelijkbaar zijn met die van het materiaal waar zij uit voortkomen, dit resultaat van de omvorming niet langer als afval kan worden gekwalificeerd (par. 75).”

Terecht wordt niet betwist dat het Hof het juiste criterium heeft toegepast. Het Hof had volgens de steller van het middel in dat verband echter moeten reageren op enkele stellingen uit de pleitnota: het hergebruik was zeker; voorafgaande bewerking was niet noodzakelijk; de stof is geproduceerd als integraal onderdeel van een productieproces. De AG is niet duidelijk geworden waarop de steller van het middel baseert dat op die stellingen bij arrest moet worden gereageerd. Terecht voert de steller van het middel niet aan dat hier sprake is van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Zonder daartoe strekkende onderbouwing van de kant van de steller van het middel is mijns inziens niet onbegrijpelijk dat het Hof vaststelde dat niet gebleken is van een situatie waarin hergebruik zeker was en daarom faalt het middel reeds.

Derde middel

Het derde middel klaagt over schending van de redelijke (inzend)termijn. Op 26 april 2013 is beroep in cassatie ingesteld en de stukken van het geding zijn op 28 april 2014 door de griffie van de Hoge Raad ontvangen, zodat de redelijke inzendtermijn met vier maanden is overschreden. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering.

Conclusie

De middelen 1 en 2 falen.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige strekt deze conclusie tot verwerping van het beroep.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

'Handhaving in de nieuwe Omgevingswet | Meer dan de zinnen verzetten?'

In dit artikel wordt het wetsvoorstel voor de Omgevingswet beoordeeld op de aspecten van handhaving. Auteurs betogen dat de regering onvoldoende lering heeft getrokken uit fouten in het verleden. Daardoor laat de Omgevingswet een kans liggen op een fundamentele koerswijziging in de handhaving van het omgevingsrecht.

Lees verder:

Print Friendly and PDF ^

Verdachte heeft zich gedurende langere periode schuldig gemaakt aan diverse milieudelicten

Rechtbank Oost-Brabant 23 december 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:7878

Aan verdachte is samengevat ten laste gelegd dat zij, al dan niet opzettelijk, tezamen en in vereniging, althans alleen, in strijd met voorschriften van de omgevingsvergunning heeft gehandeld welke voorschriften betrekking hadden op activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Verdachte zou zich gedurende een langere periode schuldig hebben gemaakt aan diverse milieudelicten, waaronder het medeplegen van het overtreden van een aantal voorschriften van de omgevingsvergunning en het lozen van met zuren verontreinigd afvalwater in de hemelwaterafvoer, terwijl dat niet was toegestaan. Verdachte heeft een veranderde inrichting in werking gehad zonder omgevingsvergunning. Daarnaast heeft verdachte bij het indienen van de aanvraag voor een nieuwe milieuvergunning gebruik gemaakt van een aanvraag waarop valse gegevens waren ingevuld.

Standpunt verdediging

Volgens de raadsman kan niet worden bewezen dat het opzet van verdachte op het plegen van strafbaar handelen gericht is geweest. Volgens het arrest van de Hoge Raad van 7 januari 2014 is meer bewijs nodig dan de enkele vaststelling dat de gedragingen zelf opzettelijk zijn verricht en wordt dus meer verreist dan ‘kleurloos opzet.’ Het opzet dient eveneens gericht te zijn geweest op de wederrechtelijkheid van de gedragingen. Verdachte heeft nooit de intentie gehad om de op haar van toepassing zijnde regels te overtreden.

Er kan ook niet worden bewezen dat verdachte de feiten samen met bedrijf 2 heeft gepleegd, omdat er geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Verdachte en bedrijf 2 houden zich bezig met afzonderlijke van elkaar verschillende werkzaamheden.

Oordeel rechtbank

De rechtbank verwerpt beide verweren van de raadsman en overweegt het volgende.

Opzet

De verdediging verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 7 januari 2014, nr. 12/00624 en stelt zich op het standpunt dat verdachte nooit de intentie heeft gehad om de op haar van toepassing zijnde vergunningvoorschriften (tezamen en in vereniging met een ander) te overtreden. Volgens de verdediging wist verdachte niet wat de gevolgen waren van haar handelen en wist zij niet, en hoefde zij niet te weten, dat haar handelen ertoe zou (kunnen) leiden dat vergunningvoorschriften overtreden zouden worden. Evenmin heeft verdachte welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij deze voorschriften zou overtreden, noch dat haar handelen de in de delictsomschrijving omschreven gevolgen zou hebben. Volgens de verdediging kan het (voorwaardelijk) opzet niet zondermeer uit de bewijsstukken en hetgeen de officier van justitie naar voren heeft gehaald worden afgeleid. Ook de bewijsvoering voor kleurloos opzet schiet volgens de verdediging te kort.

De rechtbank overweegt dat verdachte samengevat ten laste is gelegd dat zij, al dan niet opzettelijk, tezamen en in vereniging, althans alleen, in strijd met voorschriften van de omgevingsvergunning heeft gehandeld welke voorschriften betrekking hadden op activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Op grond van artikel 2, derde lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen van omgevingsrecht (Wabo) is het verboden te handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning dat betrekking heeft op activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van die wet. Op grond van artikel 2, derde lid, onder b geldt dit ook voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, b, c, d, f, g, h of i.

Op grond van artikel 1a, aanhef en onder 1e, van de Wet op de economische delicten (WED) zijn overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, en artikel 2.3, aanhef en onder a, Wabo economische delicten. Op grond van artikel 1a, aanhef en onder 2e , WED geldt dit ook ten aanzien van overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, en artikel 2.3, aanhef en onder b, Wabo.

Op grond van artikel 2, lid 1, WED zijn dit misdrijven, voor zover zij opzettelijk zijn begaan. Voor zover zij niet opzettelijk zijn begaan zijn zij overtredingen.

Niet is in geschil dat het in dit voorliggende geval gaat om activiteiten die vallen onder voornoemde artikelen van de Wabo.

Voor zover de verdediging zich op het standpunt stelt dat verdachte niet wist en niet hoefde te weten dat haar handelingen zouden (kunnen) leiden tot overtreding van de voorschriften is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gezegd dat sprake is van een verontschuldigbare onwetendheid te dien aanzien, waardoor iedere mate van verwijtbaarheid zou ontbreken. Van een professionele organisatie als verdachte mag worden verwacht dat zij op de hoogte is van de bedrijfsvoering en de gevolgen daarvan, afgezet tegen de vigerende vergunningen, nu deze de kern raken van haar bedrijfsactiviteiten. De rechtbank verwerpt daarom dit verweer.

De uit artikel 2 van de WED voortvloeiende vraag is vervolgens of de gedragingen al dan niet opzettelijk zijn verricht. In de gesteld aan de orde zijnde overtredingen van de Wabo zijn opzet en/of wetenschap niet als bestanddeel opgenomen. Derhalve worden de delictsbestanddelen niet geregeerd door (een vorm van) opzet. De in de tenlastelegging opgenomen verfeitelijking van de gedragingen ziet op de overtreding van betrekkelijke vergunningvoorschriften, niet zijnde wetsvoorschriften.

Het ontbreken van wetenschap van het verboden karakter van de gedragingen is naar het oordeel van de rechtbank derhalve niet aan de orde bij de vraag van het bewijs van opzet.

Volgens vaste jurisprudentie volstaat dan kleurloos opzet, derhalve opzet op de gedragingen zelf.

De rechtbank volgt niet het standpunt van de verdediging dat de bewijsvoering voor kleurloos opzet tekort schiet, nu dit verder niet is onderbouwd en de rechtbank in de voorhanden stukken en het verhandelde ter zitting geen handvat ziet om tot deze conclusie te komen. Uit de hierna opgenomen bewijsmiddelen volgt naar het oordeel van de rechtbank dat sprake is van opzet.

Medeplegen.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte de bewezenverklaarde feiten tezamen en in vereniging met bedrijf 2heeft gepleegd en overweegt hiertoe het volgende. Bedrijf 1 en bedrijf 2zijn gevestigd op hetzelfde adres. Bedrijf 1 heeft als enig aandeelhouder bedrijf 3. Bedrijf 3 is tevens mede-aandeelhouder en bestuurder in bedrijf 2. De enige aandeelhouder en bestuurder van bedrijf 3 is verdachte. Hij heeft als vertegenwoordiger van verdachte en medeverdachte ter terechtzitting verklaard dat de bedrijfsactiviteiten van bedrijf 1 en bedrijf 2niet zonder elkaar kunnen en dat alles wordt overlegd met de andere bestuurders van bedrijf 2.

Feit 1

De raadsman heeft ter terechtzitting gepleit voor vrijspraak van dit feit. Er is geen bewijs dat verdachte opzettelijk, tezamen en in vereniging met een ander, in strijd met de voorschriften behorende bij de omgevingsvergunning van 26 maart 2010 heeft gehandeld. Er bestond geen opzet gericht op de gedraging. Tevens heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte de genoemde vergunningvoorschriften niet heeft overtreden. Het Waterschap Aa en Maas en de Belastingsamenwerking Oost-Brabant (hierna: BSOB) hebben erkend dat er twijfels zijn gerezen over de gemeten debieten en analyses. De meetgevens en analyses kunnen daarom niet voor het bewijs worden gebruikt en dienen daarvan uitgesloten te worden.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt nog het volgende.

De informatie van het Waterschap Aa en Maas en de BSOB die de raadsman heeft overgelegd zijn stukken uit een bestuursrechtelijk traject, hetgeen een andersoortige procedure is, met een andere toetsing dan in de onderhavige strafrechtelijke procedure. Niet valt in te zien dat voor de beoordeling van de vraag of het ten laste gelegde zich heeft voorgedaan de in het dossier opgenomen meetgegevens en analyses niet kunnen worden gebezigd. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat deze wel voor het bewijs kunnen worden gebezigd.

Op grond van met name de processen-verbaal van bevinding van het Waterschap Aa en Maas en de politie in het dossier acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met bedrijf 2 de in de tenlastelegging genoemde vergunningsvoorschriften heeft overtreden.

Uit het relaasproces-verbaal en het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat er geen centraal registratiesysteem was met betrekking tot het waterverbruik en dat ook de vigerende milieuvergunning met de daarbij behorende voorschriften niet aanwezig was in de inrichting waardoor voorschrift 1.2.1 werd overtreden.

Uit de processen-verbaal van bevindingen en de steekmonsters blijkt dat bedrijfsafvalwater in een openbaar riool werd geloosd terwijl door de zuurgraad de doelmatige werking van het openbaar riool werd aangetast en dat de verwerking werd belemmerd door slib. De olie- en benzineafscheider zat vol met een slibsubstantie bestaande uit dierlijke (brijvoer)voerproducten. Uit het dossier blijkt dat dit afkomstig kan zijn uit de vrachtwagens die (brij)voer of maïs (verklaring getuige naam getuige) hebben vervoerd en die op het terrein worden gespoeld. Aldus zijn de voorschriften 3.1.1 en 3.1.3 overtreden.

Uit de processen-verbaal van bevindingen en de steekmonsters blijkt dat de zuurgraad in de steekmonsters van het geloosde afvalwater lager dan 6,5 was en dat het sulfaatgehalte in het steekmonster hoger was dan 300 mg/l en daarmee in strijd met voorschriften 3.1.2 en 4.1.6. Het is een feit van algemene bekendheid dat zuren een bijtende werking hebben en materialen kunnen aantasten.

De rechtbank acht ook bewezen dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld. In 2006 en 2009 zijn er gesprekken geweest tussen verdachte en de gemeente over de (te) lage zuurgraad in het afvalwater dat door verdachte werd geloosd. Verdachte heeft naar aanleiding daarvan geen nader onderzoek gedaan naar wat de oorzaak daarvan kon zijn, noch de riolering laten onderzoeken. Na de gesprekken met de gemeente in 2009 zou verdachte de zuurgraad beter in de gaten houden. De vertegenwoordiger van verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat verdachte een paar keer per jaar een mobiele meting uitvoerde en dat hij nooit naar de pH-meters keek. Verder heeft hij verklaard dat zo’n incidentele meting in wezen niets zegt omdat de uitkomst daarvan van het ene op het andere moment in aanzienlijke mate kan veranderen. Verdachte heeft aldus bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het geloosde afvalwater een (veel) lagere zuurgraad had dan was toegestaan door na de gesprekken met de gemeente geen nader onderzoek naar de riolering te doen of anderszins (adequate) actie te ondernemen. Verdachte heeft pas de nodige maatregelen getroffen na de politie-inval op 25 mei 2011.

Feit 2

De raadsman heeft ter terechtzitting gepleit voor vrijspraak en heef daartoe het volgende aangevoerd. Verdachte ontkent niet dat afvalwater van de door haar gedreven inrichting via het verbeterd gescheiden rioolstelsel is geloosd, maar dat is niet opzettelijk gebeurd. Bij het aanleggen van de bedrijfsriolering door de aannemer is een fout gemaakt die pas na de politie-inval op 25 mei 2011 aan het licht is gekomen. De aannemer had namelijk een gedeelte van de bedrijfsriolering op het verbeterd gescheiden rioolstelsel aangesloten in plaats van op het vuilwaterriool.

Er kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat afvalwater met een verkeerde zuurgraad via het verbeterd gescheiden rioolstelsel is geloosd. Bij alle uitgevoerde controles/metingen zijn één of meer aspecten niet goed gegaan. De controles/metingen en analyserapporten zijn onbetrouwbaar en dienen uitgesloten te worden van het bewijs.

Na de inval bleek ook dat de twee pH-meters uit de put sterk vervuild waren en niet goed geijkt en niet gekalibreerd waren, zodat de meetresultaten geen bewijswaarde hebben.

Gelet op de conclusie van TNO leveren de meetgegevens in het strafdossier statistisch en meet-technisch gezien geen representatief beeld op van de hoeveelheid geloosd afvalwater en de mate van verontreiniging daarvan. Te meer niet, nu ook afvalwater afkomstig van de drukkerij adres 4 de bedrijfswoningen adres 1 en adres 2 in de controles/metingen en daarmee ook in de monsternames is meegenomen, alsmede dat hemelwater bevattende straatvuil en andere stoffen van de openbare weg via de straatkolken hierin is meegenomen.

De rechtbank verwerpt de verweren van de raadsman en verwijst voor wat betreft het gestelde ten aanzien van het (voorwaardelijk) opzet van verdachte bij het lozen van met zuren verontreinigd afvalwater in het verbeterd gescheiden rioolstelsel naar hetgeen zij hiervoor over ‘opzet’ heeft overwogen, en ten aanzien van de informatie uit het bestuursrechtelijke traject naar het onder feit 1 hieromtrent overwogene.

De rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen. Uit met name de processen-verbaal van bevindingen van het Waterschap Aa en Maas (p. 6-8, p. 65 e.v., p. 101 e.v., p. 163, p. 179/180, p. 419 e.v.) en de meetresultaten (p. 70 e.v., p. 106 e.v.) blijkt dat verdachte met zuren verontreinigd afvalwater heeft geloosd op het hemelwaterriool in plaats van in het vuilwaterriool. De vertegenwoordiger van verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat afvalwater van de door haar gedreven inrichting via het verbeterd gescheiden rioolstelsel is geloosd.

Feit 3

De raadsman heeft aangevoerd dat de vergunningaanvraag niet door verdachte is opgesteld en ingediend maar door haar adviseur. Dat bepaalde gegevens niet in de vergunningaanvraag zijn opgenomen is een omissie en duidt op onachtzaamheid maar niet op opzet. Tevens is volgens de raadsman geen sprake van een geschrift bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt het volgende.

De aanvraag voor een (milieu)vergunning is naar haar aard een geschrift bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen.

Uit het relaas proces-verbaal, de vergunningaanvraag en de genoemde bewijsmiddelen bij feit 1 en 2 blijkt dat inzake de in de tenlastelegging genoemde onderwerpen antwoorden werden gegeven in de vergunningaanvraag, die onjuist waren en in strijd met de waarheid. De rechtbank acht dit feit daarom wettig en overtuigend bewezen.

Gelet op de aard van de vragen en de daarop gegeven antwoorden kan de vergunningaanvraag niet anders dan opzettelijk vals zijn ingevuld. Verdachte is daar (mede) verantwoordelijk voor, ook al heeft haar adviseur de aanvraag ingevuld. De aanvraag is in opdracht en namens verdachte ingevuld en ingediend op basis van door verdachte verstrekte gegevens.

Feit 4

De raadsman pleit voor vrijspraak van dit feit. Verdachte heeft niet in strijd met artikel 2.1 lid 1, onder e, van de Wabo gehandeld, omdat verdachte geen vergunning nodig heeft voor het in werking hebben van haar grondwaterpompen. Verdachte heeft bovendien de inrichting en de werking daarvan niet veranderd in de tenlastegelegde periode.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt het volgende.

Verdachte heeft de inrichting veranderd door sinds 2004 drie grondwaterpompen in werking te hebben zonder vergunning. Voor het veranderen van een inrichting of van de werking, en voor het in werking hebben daarvan is op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e Wabo wel degelijk een vergunning nodig. Het feit dat in verband met de onttrokken hoeveelheden grondwater mogelijk geen (aparte) vergunning krachtens de Grondwaterwet is vereist, doet hieraan niet af. Verder heeft weliswaar het veranderen van de inrichting plaats gevonden vóór de ten laste gelegde periode, maar de rechtbank acht op grond van het relaasproces-verbaal (p. 22) en het proces-verbaal van bevindingen en de verklaring van de vertegenwoordiger van verdachte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de tenlastegelegde periode de veranderde inrichting in werking had zonder vergunning voor die verandering.

Bewezenverklaring

Feit 1: medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2.3 onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Feit 2: medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 8.40, eerste lid van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd (artikel 2.2 lid 1 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer).

Feit 3: medeplegen van opzettelijk gebruik maken van het valse geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon.

Feit 4: medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2.1 onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte hiervoor tot een geldboete van EUR 30.000,-. De rechtbank heeft een zwaardere straf opgelegd dan de door de officier van justitie gevorderde straf.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^