Verdachte heeft zich gedurende langere periode schuldig gemaakt aan diverse milieudelicten

Rechtbank Oost-Brabant 23 december 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:7878

Aan verdachte is samengevat ten laste gelegd dat zij, al dan niet opzettelijk, tezamen en in vereniging, althans alleen, in strijd met voorschriften van de omgevingsvergunning heeft gehandeld welke voorschriften betrekking hadden op activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Verdachte zou zich gedurende een langere periode schuldig hebben gemaakt aan diverse milieudelicten, waaronder het medeplegen van het overtreden van een aantal voorschriften van de omgevingsvergunning en het lozen van met zuren verontreinigd afvalwater in de hemelwaterafvoer, terwijl dat niet was toegestaan. Verdachte heeft een veranderde inrichting in werking gehad zonder omgevingsvergunning. Daarnaast heeft verdachte bij het indienen van de aanvraag voor een nieuwe milieuvergunning gebruik gemaakt van een aanvraag waarop valse gegevens waren ingevuld.

Standpunt verdediging

Volgens de raadsman kan niet worden bewezen dat het opzet van verdachte op het plegen van strafbaar handelen gericht is geweest. Volgens het arrest van de Hoge Raad van 7 januari 2014 is meer bewijs nodig dan de enkele vaststelling dat de gedragingen zelf opzettelijk zijn verricht en wordt dus meer verreist dan ‘kleurloos opzet.’ Het opzet dient eveneens gericht te zijn geweest op de wederrechtelijkheid van de gedragingen. Verdachte heeft nooit de intentie gehad om de op haar van toepassing zijnde regels te overtreden.

Er kan ook niet worden bewezen dat verdachte de feiten samen met bedrijf 2 heeft gepleegd, omdat er geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Verdachte en bedrijf 2 houden zich bezig met afzonderlijke van elkaar verschillende werkzaamheden.

Oordeel rechtbank

De rechtbank verwerpt beide verweren van de raadsman en overweegt het volgende.

Opzet

De verdediging verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 7 januari 2014, nr. 12/00624 en stelt zich op het standpunt dat verdachte nooit de intentie heeft gehad om de op haar van toepassing zijnde vergunningvoorschriften (tezamen en in vereniging met een ander) te overtreden. Volgens de verdediging wist verdachte niet wat de gevolgen waren van haar handelen en wist zij niet, en hoefde zij niet te weten, dat haar handelen ertoe zou (kunnen) leiden dat vergunningvoorschriften overtreden zouden worden. Evenmin heeft verdachte welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij deze voorschriften zou overtreden, noch dat haar handelen de in de delictsomschrijving omschreven gevolgen zou hebben. Volgens de verdediging kan het (voorwaardelijk) opzet niet zondermeer uit de bewijsstukken en hetgeen de officier van justitie naar voren heeft gehaald worden afgeleid. Ook de bewijsvoering voor kleurloos opzet schiet volgens de verdediging te kort.

De rechtbank overweegt dat verdachte samengevat ten laste is gelegd dat zij, al dan niet opzettelijk, tezamen en in vereniging, althans alleen, in strijd met voorschriften van de omgevingsvergunning heeft gehandeld welke voorschriften betrekking hadden op activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Op grond van artikel 2, derde lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen van omgevingsrecht (Wabo) is het verboden te handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning dat betrekking heeft op activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van die wet. Op grond van artikel 2, derde lid, onder b geldt dit ook voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, b, c, d, f, g, h of i.

Op grond van artikel 1a, aanhef en onder 1e, van de Wet op de economische delicten (WED) zijn overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, en artikel 2.3, aanhef en onder a, Wabo economische delicten. Op grond van artikel 1a, aanhef en onder 2e , WED geldt dit ook ten aanzien van overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, en artikel 2.3, aanhef en onder b, Wabo.

Op grond van artikel 2, lid 1, WED zijn dit misdrijven, voor zover zij opzettelijk zijn begaan. Voor zover zij niet opzettelijk zijn begaan zijn zij overtredingen.

Niet is in geschil dat het in dit voorliggende geval gaat om activiteiten die vallen onder voornoemde artikelen van de Wabo.

Voor zover de verdediging zich op het standpunt stelt dat verdachte niet wist en niet hoefde te weten dat haar handelingen zouden (kunnen) leiden tot overtreding van de voorschriften is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gezegd dat sprake is van een verontschuldigbare onwetendheid te dien aanzien, waardoor iedere mate van verwijtbaarheid zou ontbreken. Van een professionele organisatie als verdachte mag worden verwacht dat zij op de hoogte is van de bedrijfsvoering en de gevolgen daarvan, afgezet tegen de vigerende vergunningen, nu deze de kern raken van haar bedrijfsactiviteiten. De rechtbank verwerpt daarom dit verweer.

De uit artikel 2 van de WED voortvloeiende vraag is vervolgens of de gedragingen al dan niet opzettelijk zijn verricht. In de gesteld aan de orde zijnde overtredingen van de Wabo zijn opzet en/of wetenschap niet als bestanddeel opgenomen. Derhalve worden de delictsbestanddelen niet geregeerd door (een vorm van) opzet. De in de tenlastelegging opgenomen verfeitelijking van de gedragingen ziet op de overtreding van betrekkelijke vergunningvoorschriften, niet zijnde wetsvoorschriften.

Het ontbreken van wetenschap van het verboden karakter van de gedragingen is naar het oordeel van de rechtbank derhalve niet aan de orde bij de vraag van het bewijs van opzet.

Volgens vaste jurisprudentie volstaat dan kleurloos opzet, derhalve opzet op de gedragingen zelf.

De rechtbank volgt niet het standpunt van de verdediging dat de bewijsvoering voor kleurloos opzet tekort schiet, nu dit verder niet is onderbouwd en de rechtbank in de voorhanden stukken en het verhandelde ter zitting geen handvat ziet om tot deze conclusie te komen. Uit de hierna opgenomen bewijsmiddelen volgt naar het oordeel van de rechtbank dat sprake is van opzet.

Medeplegen.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte de bewezenverklaarde feiten tezamen en in vereniging met bedrijf 2heeft gepleegd en overweegt hiertoe het volgende. Bedrijf 1 en bedrijf 2zijn gevestigd op hetzelfde adres. Bedrijf 1 heeft als enig aandeelhouder bedrijf 3. Bedrijf 3 is tevens mede-aandeelhouder en bestuurder in bedrijf 2. De enige aandeelhouder en bestuurder van bedrijf 3 is verdachte. Hij heeft als vertegenwoordiger van verdachte en medeverdachte ter terechtzitting verklaard dat de bedrijfsactiviteiten van bedrijf 1 en bedrijf 2niet zonder elkaar kunnen en dat alles wordt overlegd met de andere bestuurders van bedrijf 2.

Feit 1

De raadsman heeft ter terechtzitting gepleit voor vrijspraak van dit feit. Er is geen bewijs dat verdachte opzettelijk, tezamen en in vereniging met een ander, in strijd met de voorschriften behorende bij de omgevingsvergunning van 26 maart 2010 heeft gehandeld. Er bestond geen opzet gericht op de gedraging. Tevens heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte de genoemde vergunningvoorschriften niet heeft overtreden. Het Waterschap Aa en Maas en de Belastingsamenwerking Oost-Brabant (hierna: BSOB) hebben erkend dat er twijfels zijn gerezen over de gemeten debieten en analyses. De meetgevens en analyses kunnen daarom niet voor het bewijs worden gebruikt en dienen daarvan uitgesloten te worden.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt nog het volgende.

De informatie van het Waterschap Aa en Maas en de BSOB die de raadsman heeft overgelegd zijn stukken uit een bestuursrechtelijk traject, hetgeen een andersoortige procedure is, met een andere toetsing dan in de onderhavige strafrechtelijke procedure. Niet valt in te zien dat voor de beoordeling van de vraag of het ten laste gelegde zich heeft voorgedaan de in het dossier opgenomen meetgegevens en analyses niet kunnen worden gebezigd. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat deze wel voor het bewijs kunnen worden gebezigd.

Op grond van met name de processen-verbaal van bevinding van het Waterschap Aa en Maas en de politie in het dossier acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met bedrijf 2 de in de tenlastelegging genoemde vergunningsvoorschriften heeft overtreden.

Uit het relaasproces-verbaal en het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat er geen centraal registratiesysteem was met betrekking tot het waterverbruik en dat ook de vigerende milieuvergunning met de daarbij behorende voorschriften niet aanwezig was in de inrichting waardoor voorschrift 1.2.1 werd overtreden.

Uit de processen-verbaal van bevindingen en de steekmonsters blijkt dat bedrijfsafvalwater in een openbaar riool werd geloosd terwijl door de zuurgraad de doelmatige werking van het openbaar riool werd aangetast en dat de verwerking werd belemmerd door slib. De olie- en benzineafscheider zat vol met een slibsubstantie bestaande uit dierlijke (brijvoer)voerproducten. Uit het dossier blijkt dat dit afkomstig kan zijn uit de vrachtwagens die (brij)voer of maïs (verklaring getuige naam getuige) hebben vervoerd en die op het terrein worden gespoeld. Aldus zijn de voorschriften 3.1.1 en 3.1.3 overtreden.

Uit de processen-verbaal van bevindingen en de steekmonsters blijkt dat de zuurgraad in de steekmonsters van het geloosde afvalwater lager dan 6,5 was en dat het sulfaatgehalte in het steekmonster hoger was dan 300 mg/l en daarmee in strijd met voorschriften 3.1.2 en 4.1.6. Het is een feit van algemene bekendheid dat zuren een bijtende werking hebben en materialen kunnen aantasten.

De rechtbank acht ook bewezen dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld. In 2006 en 2009 zijn er gesprekken geweest tussen verdachte en de gemeente over de (te) lage zuurgraad in het afvalwater dat door verdachte werd geloosd. Verdachte heeft naar aanleiding daarvan geen nader onderzoek gedaan naar wat de oorzaak daarvan kon zijn, noch de riolering laten onderzoeken. Na de gesprekken met de gemeente in 2009 zou verdachte de zuurgraad beter in de gaten houden. De vertegenwoordiger van verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat verdachte een paar keer per jaar een mobiele meting uitvoerde en dat hij nooit naar de pH-meters keek. Verder heeft hij verklaard dat zo’n incidentele meting in wezen niets zegt omdat de uitkomst daarvan van het ene op het andere moment in aanzienlijke mate kan veranderen. Verdachte heeft aldus bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het geloosde afvalwater een (veel) lagere zuurgraad had dan was toegestaan door na de gesprekken met de gemeente geen nader onderzoek naar de riolering te doen of anderszins (adequate) actie te ondernemen. Verdachte heeft pas de nodige maatregelen getroffen na de politie-inval op 25 mei 2011.

Feit 2

De raadsman heeft ter terechtzitting gepleit voor vrijspraak en heef daartoe het volgende aangevoerd. Verdachte ontkent niet dat afvalwater van de door haar gedreven inrichting via het verbeterd gescheiden rioolstelsel is geloosd, maar dat is niet opzettelijk gebeurd. Bij het aanleggen van de bedrijfsriolering door de aannemer is een fout gemaakt die pas na de politie-inval op 25 mei 2011 aan het licht is gekomen. De aannemer had namelijk een gedeelte van de bedrijfsriolering op het verbeterd gescheiden rioolstelsel aangesloten in plaats van op het vuilwaterriool.

Er kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat afvalwater met een verkeerde zuurgraad via het verbeterd gescheiden rioolstelsel is geloosd. Bij alle uitgevoerde controles/metingen zijn één of meer aspecten niet goed gegaan. De controles/metingen en analyserapporten zijn onbetrouwbaar en dienen uitgesloten te worden van het bewijs.

Na de inval bleek ook dat de twee pH-meters uit de put sterk vervuild waren en niet goed geijkt en niet gekalibreerd waren, zodat de meetresultaten geen bewijswaarde hebben.

Gelet op de conclusie van TNO leveren de meetgegevens in het strafdossier statistisch en meet-technisch gezien geen representatief beeld op van de hoeveelheid geloosd afvalwater en de mate van verontreiniging daarvan. Te meer niet, nu ook afvalwater afkomstig van de drukkerij adres 4 de bedrijfswoningen adres 1 en adres 2 in de controles/metingen en daarmee ook in de monsternames is meegenomen, alsmede dat hemelwater bevattende straatvuil en andere stoffen van de openbare weg via de straatkolken hierin is meegenomen.

De rechtbank verwerpt de verweren van de raadsman en verwijst voor wat betreft het gestelde ten aanzien van het (voorwaardelijk) opzet van verdachte bij het lozen van met zuren verontreinigd afvalwater in het verbeterd gescheiden rioolstelsel naar hetgeen zij hiervoor over ‘opzet’ heeft overwogen, en ten aanzien van de informatie uit het bestuursrechtelijke traject naar het onder feit 1 hieromtrent overwogene.

De rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen. Uit met name de processen-verbaal van bevindingen van het Waterschap Aa en Maas (p. 6-8, p. 65 e.v., p. 101 e.v., p. 163, p. 179/180, p. 419 e.v.) en de meetresultaten (p. 70 e.v., p. 106 e.v.) blijkt dat verdachte met zuren verontreinigd afvalwater heeft geloosd op het hemelwaterriool in plaats van in het vuilwaterriool. De vertegenwoordiger van verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat afvalwater van de door haar gedreven inrichting via het verbeterd gescheiden rioolstelsel is geloosd.

Feit 3

De raadsman heeft aangevoerd dat de vergunningaanvraag niet door verdachte is opgesteld en ingediend maar door haar adviseur. Dat bepaalde gegevens niet in de vergunningaanvraag zijn opgenomen is een omissie en duidt op onachtzaamheid maar niet op opzet. Tevens is volgens de raadsman geen sprake van een geschrift bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt het volgende.

De aanvraag voor een (milieu)vergunning is naar haar aard een geschrift bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen.

Uit het relaas proces-verbaal, de vergunningaanvraag en de genoemde bewijsmiddelen bij feit 1 en 2 blijkt dat inzake de in de tenlastelegging genoemde onderwerpen antwoorden werden gegeven in de vergunningaanvraag, die onjuist waren en in strijd met de waarheid. De rechtbank acht dit feit daarom wettig en overtuigend bewezen.

Gelet op de aard van de vragen en de daarop gegeven antwoorden kan de vergunningaanvraag niet anders dan opzettelijk vals zijn ingevuld. Verdachte is daar (mede) verantwoordelijk voor, ook al heeft haar adviseur de aanvraag ingevuld. De aanvraag is in opdracht en namens verdachte ingevuld en ingediend op basis van door verdachte verstrekte gegevens.

Feit 4

De raadsman pleit voor vrijspraak van dit feit. Verdachte heeft niet in strijd met artikel 2.1 lid 1, onder e, van de Wabo gehandeld, omdat verdachte geen vergunning nodig heeft voor het in werking hebben van haar grondwaterpompen. Verdachte heeft bovendien de inrichting en de werking daarvan niet veranderd in de tenlastegelegde periode.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt het volgende.

Verdachte heeft de inrichting veranderd door sinds 2004 drie grondwaterpompen in werking te hebben zonder vergunning. Voor het veranderen van een inrichting of van de werking, en voor het in werking hebben daarvan is op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e Wabo wel degelijk een vergunning nodig. Het feit dat in verband met de onttrokken hoeveelheden grondwater mogelijk geen (aparte) vergunning krachtens de Grondwaterwet is vereist, doet hieraan niet af. Verder heeft weliswaar het veranderen van de inrichting plaats gevonden vóór de ten laste gelegde periode, maar de rechtbank acht op grond van het relaasproces-verbaal (p. 22) en het proces-verbaal van bevindingen en de verklaring van de vertegenwoordiger van verdachte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de tenlastegelegde periode de veranderde inrichting in werking had zonder vergunning voor die verandering.

Bewezenverklaring

Feit 1: medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2.3 onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Feit 2: medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 8.40, eerste lid van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd (artikel 2.2 lid 1 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer).

Feit 3: medeplegen van opzettelijk gebruik maken van het valse geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon.

Feit 4: medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2.1 onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte hiervoor tot een geldboete van EUR 30.000,-. De rechtbank heeft een zwaardere straf opgelegd dan de door de officier van justitie gevorderde straf.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Verdachte heeft gedurende een langere periode graafwerkzaamheden verricht op het terrein van een voormalige vuilstort met asbest in het stortlichaam

Rechtbank Oost-Brabant 23 december 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:7876

Verdachte heeft gedurende een langere periode graafwerkzaamheden verricht op het terrein van een voormalige vuilstort met asbest in het stortlichaam, waardoor asbest(vezels) op of in de bodem en in de lucht werden gebracht en gevaar voor de gezondheid is ontstaan. Achteraf kan niet exact worden vastgesteld hoe hoog de concentratie asbestvezels is geweest gedurende de bewezenverklaarde periode. Voor de mate van verwijtbaarheid en daarmee voor de op te leggen straf, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank echter geen wezenlijk verschil. De verwijtbaarheid zit hem met name in de volledige onderschatting door verdachte van de risico’s van werken met asbesthoudend materiaal. Verdachte moest weten dat sprake was van niet-hechtgebonden asbest in het stortlichaam. Verdachte heeft niet de nodige voorzorgsmaatregelen genomen voor het werken met (niet-hechtgebonden) asbest. Verdachte werkte met een daartoe ongeschikte open trommelzeef, waardoor bijna alle depots uiteindelijk zijn besmet met asbest. Verdachte heeft ook geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat zich meer asbest in het stortlichaam kon bevinden dan uit de (beperkte) rapporten van SRE bleek.

Verdachte heeft haar werknemers, andere personen op het terrein en de omgeving op een volstrekt onaanvaardbare manier blootgesteld aan niet-hechtgebonden asbestvezels. Verdachte heeft geen van de (onder)aannemers gewaarschuwd voor de aanwezigheid van niet-hechtgebonden asbest, noch enige regie gevoerd om blootstellingsrisico’s te beperken. Hierdoor heeft zij mensen onnodig blootgesteld aan ernstige gezondheidsrisico’s alsmede hen mogelijk levenslang angst bezorgd dat zij een dodelijke asbestgerelateerde ziekte kunnen ontwikkelen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor alle tenlastegelegde feiten.

Er kan niet worden bewezen dat verdachte feit 1 primair (opzettelijk en wederrechtelijk een stof op of in de bodem of in de lucht brengen) en 2 (overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.1, eerste lid van de Wet milieubeheer) opzettelijk heeft gepleegd. Het opzet dient gericht te zijn op alle omstandigheden uit de delictsomschrijving.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair en feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat ook het bestanddeel ‘redelijkerwijs had kunnen weten ’niet bewezen kan worden, althans dat afwezigheid van alle schuld aanwezig is waardoor verdachte niet strafbaar is.

De asbestconcentraties zijn volgens de raadsman niet deugdelijk vastgesteld en worden door de verdediging betwist. De resultaten van de bodemonderzoeken, de partijkeuringen, de luchtmetingen en het NFI-rapport kunnen niet voor het bewijs worden gebezigd.

Er kan ook niet worden bewezen dat verdachte asbest of asbestvezels in de bodem of in de lucht heeft gebracht.

Door het handelen van verdachte zijn geen nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan noch konden die ontstaan. Het betrof een vuilstort die om voor de hand liggende redenen was verontreinigd en de depots zijn om meerdere redenen afgevoerd.

Verdachte stelt dat door haar en door haar werknemers zorgvuldig – met inachtneming van alle informatie van het moment – is gehandeld en geen strafbare feiten zijn gepleegd. Indien de rechtbank daar anders over beslist, geldt dat deze gedragingen niet kunnen worden toegerekend aan de rechtspersoon. Verdachte heeft zorgvuldig gehandeld, en handelen in strijd met de regels door werknemers wordt zeker niet door verdachte aanvaard.

Oordeel rechtbank

De rechtbank acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

Overwegingen t.a.v. feit 1 primair

Gevaar voor de openbare gezondheid

In zijn verweer gaat de raadsman er kennelijk van uit dat de onderhavige delicten slechts bewijsbaar zijn indien uit technisch onderzoek blijkt dat geldende normen ter zake overschreden zijn. De bewoordingen van artikel 173a Wetboek van Strafrecht dwingen daartoe echter niet. Deze redenering zou er bovendien toe leiden dat de onderhavige bepalingen praktisch onbewijsbaar zouden zijn juist doordat een verdachte op ongecontroleerde wijze met asbest heeft gewerkt. Een dergelijke manier van werken betekent dat bijna per definitie achteraf precieze concentraties nauwelijks meer vast te stellen zijn. Dit kan niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest.

De rechtbank merkt op dat niet in het geding is dat blootstelling aan asbestvezels zeer onwenselijk is vanwege het algemeen erkende gevaar daarvan voor de gezondheid van de mens. De vraag is of bewezen kan worden dat werknemers en/of anderen in zodanige mate aan asbestvezels hebben blootgestaan dat hierdoor gevaar voor de openbare gezondheid te duchten is.

De rechtbank onderkent dat achteraf niet of moeilijk precies is vast te stellen of in dit geval mensen inderdaad in een zodanige mate en duur aan een te hoge concentratie asbestvezels hebben blootgestaan dat zij een asbestgerelateerde ziekte zullen ontwikkelen. Wel acht de rechtbank bewezen op basis van de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen dat werknemers gedurende de ten laste gelegde periode aan een aanmerkelijke, niet te verwaarlozen hoeveelheid asbest(vezel)concentraties zijn blootgesteld. De medische wetenschap leert dat asbest als het ware als een depot in het lichaam blijft en dat de vezels niet afbreken en nauwelijks uit het lichaam verdwijnen. Op zich zelf genomen, maar ook samen met eerdere of latere blootstelling kan een kritische waarde worden overschreden, waardoor asbestgerelateerde ziektes zich kunnen ontwikkelen.

De rechtbank is van oordeel dat het binnenkrijgen van niet te verwaarlozen hoeveelheden asbestvezels door een ongecontroleerde, systematische bewerking van asbesthoudend materiaal per definitie “gevaar voor de openbare gezondheid” in de zin van artikel 173a Wetboek van Strafrecht oplevert. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman op dit punt.

Overweging t.a.v. feit 1 primair en feit 2

Opzet

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman ten aanzien van het opzet en acht feit 1 primair en feit 2 wettig en overtuigend bewezen en overweegt hiertoe als volgt.

Verdachte heeft gedurende een lange periode personen laten werken op het betreffende terrein terwijl op nagenoeg het hele terrein asbest is aangetroffen. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte door de uitgevoerde werkzaamheden zoals het rijden en verplaatsen van opgegraven asbesthoudend materiaal, het door de daarbij werkzame althans aanwezige personen zonder maatregelen lopen over het terrein, en met name door het met een open trommelzeef zeven van niet-hechtgebonden asbest, asbest op de bodem en/of in de lucht heeft gebracht en heeft verspreid over bijna alle depots en bijna het gehele terrein. Uit de rapporten van SRE en de daarbij behorende analysecertificaten blijkt dat er niet alleen hechtgebonden asbest aanwezig was in het stortlichaam maar ook niet-hechtgebonden asbest. De rapporten betroffen verkennende rapporten waarin de mogelijkheid dat zich (naast andere gevaarlijke stoffen) meer asbest in het stortlichaam bevindt, niet werd uitgesloten. Verdachte was ervan op de hoogte dat het om een illegale stortplaats uit de jaren ’80 ging. Volgens het eigen VGM-plan van verdachte zou de gehele stort onder begeleiding van een MKB’er en een DLP’er ontgraven worden, hetgeen niet is gebeurd. Verdachte heeft ook niet de juiste maatregelen genomen om te voorkomen dat asbest(vezels) in de bodem/in de lucht werden gebracht en verspreid en om schade aan het milieu te voorkomen of te beperken.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte in elk geval bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat door de gekozen werkwijze asbest op/in de bodem en in de lucht werd gebracht en verspreid en daardoor schade aan het milieu zou kunnen ontstaan. De rechtbank miskent hierbij niet dat aan verdachte kan worden toegegeven dat het tweede rapport van SRE niet uitblinkt in duidelijkheid. Bij nauwkeurige lezing van dit rapport in combinatie met de analysecertificaten is echter duidelijk dat zich in het stortlichaam ook niet-hechtgebonden asbest bevindt. Dat verdachte ervoor kiest, zoals ter zitting toegelicht, deze rapporten niet door een ter zake kundige te laten beoordelen maar dit door haar calculatoren te laten doen, waarbij de bijlagen niet worden bekeken als daar op grond van de tekst van het rapport geen aanleiding voor wordt gezien, doet niet af aan de op haar zelf rustende verantwoordelijkheid. Zulks nog te meer gezien het feit dat zij een gecertificeerd bedrijf is waar het de verwijdering van asbest betreft.

Toerekening van de gedragingen aan de rechtspersoon

De gedragingen zijn verricht binnen de sfeer van de rechtspersoon en zijn haar ook dienstig geweest. Verdachte heeft haar werkproces zodanig ingericht dat op geen enkel moment adequate maatregelen zijn genomen om de verboden gedragingen te stoppen. Onder deze omstandigheden kunnen de gedragingen van de diverse werknemers aan de rechtspersoon worden toegerekend.

Bewezenverklaring

Feit 1 primair: opzettelijk en wederrechtelijk een stof op of in de bodem of in de lucht brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de openbare gezondheid te duchten is, begaan door een rechtspersoon

Feit 2: overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.1, eerste lid van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte voor deze feiten tot een geldboete van EUR 150.000,- waarvan EUR 50.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Verdachte heeft bij de export van afvalstoffen van Nederland naar Hong Kong de EVOA overtreden

Rechtbank Oost-Brabant 3 juni 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:7423

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Ter terechtzitting van 28 oktober 2013 heeft de raadsman op de in zijn pleitnota genoemde gronden geconcludeerd tot niet ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging van verdachte gelet op het buitenproportionele onderzoek, in combinatie met de evidente schending van de redelijke termijn en de nadelige gevolgen daarvan voor verdachte.

Ter terechtzitting van 20 mei 2014 heeft de raadsman gesteld dat door het openbaar ministerie aan verdachte verkeerde informatie over bedrijf 2 is voorgehouden, omdat aan verdachte werd verteld dat dit bedrijf een handelaar was en geen recovery facility, terwijl uit het nadere onderzoek is gebleken dat bij bedrijf 2 wel degelijk recycling van kunststof plaatsvindt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken dat de met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. Daaraan doet de omvang en de duur van het opsporingsonderzoek in deze zaak niet af, noch de omstandigheid dat aan verdachte op grond van de tot dan toe bekende informatie gegevens werden voorgehouden, die achteraf na hernieuwd onderzoek niet geheel juist blijken te zijn geweest.

Met de officier van justitie en de raadsman van verdachte is de rechtbank van oordeel dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM waarbinnen de officier van justitie tot vervolging had moeten overgaan, is overschreden. Deze omstandigheid kan echter niet de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie tot gevolg hebben. Met deze termijnoverschrijding zal de rechtbank rekening houden bij het opleggen van de straf aan verdachte.

Gelet hierop verwerpt de rechtbank het door verdachte gedane beroep op niet- ontvankelijkheid van de officier van justitie. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn verder geen feiten of omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Oordeel rechtbank

Op grond van het nadere onderzoek is vast komen te staan dat het bedrijf 2 in Hong Kong niet het bedrijf is dat de hoeveelheden afvalplastic heeft verwerkt die staan vermeld op de formulieren waarin bedrijf 2 wordt aangeduid als de “recovery facility”.

De getuige 1 heeft verklaard dat hij de enige persoon is binnen het bedrijf die externe contacten onderhoudt. Hij is directeur sinds 2001. Hij kent de bedrijven bedrijf 3 en bedrijf 1 niet, en verklaart dat verdachten in de administratie van bedrijf 2 niet voorkomen. Door hem is verder aangegeven dat het bedrijf nooit plastic afval inkoopt dat niet geheel schoon is.. Getuige zegt verder dat door bedrijf 2 nooit materiaal is ingekocht uit Europa. Op pagina 008 van de bijlagen bij het verhoor van getuige 1 op 8 mei 2014, bevindt zich een mailbericht waaruit blijkt dat bedrijf 2 materiaal wil inkopen “without lamination or sticker”. De door verdachten in de formulieren genoemde tussenhandelaar, bedrijf 4, is geheel onbekend bij de getuige 1.

De rechtbank acht de verklaring van getuige 1 geloofwaardig. Zij betrekt bij dit oordeel het proces-verbaal van bevindingen waarin de bedrijfsactiviteiten worden omschreven en de eigen waarneming van het beeldmateriaal dat ter zitting is bekeken. Het bedrijf is een onderneming met een verwerkingscapaciteit van 80 tot 100 ton per maand, gesitueerd op een verdieping van een hoog gebouw. De gebruikte machines bij het productieproces waren volgens getuige 1 in 2007 nagenoeg gelijk aan de situatie op de beelden uit 2014. In een paar ruimten werkten vijf medewerkers. Op de beelden is verder te zien dat er binnen het bedrijf geen voorziening is om plasticafval soortgelijk aan dat van verdachte te reinigen en/of anderszins te ontdoen van (bij voorbeeld) stickers/etiketten en/of restant(en) inhoud. Verder tonen de beelden dat binnen het bedrijfje van hoeveelheden schoon restant plastic(materiaal) een soort plastic op een rol wordt gemaakt. Tenslotte gaat het bij de vervoerstroom in de dagvaarding om vervoer van zeer grote hoeveelheden plasticafval die zouden zijn verwerkt door bedrijf 2. Het totaal aan verscheept plasticafval gaat ver uit boven de genoemde verwerkingscapaciteit van het bedrijf 2.De rechtbank acht bewezen dat bedrijf 2 niet de verwerker was van de aangegeven partijen plasticafval en dat bedrijf 2 bovendien niet beschikte over een recovery facility voor deze partijen plastic afval. Hieruit volgt dat verdachten niet hebben gecontroleerd of de in de formulieren vermelde verwerker, bedrijf 2, ook daadwerkelijk de partijen plasticafval op een EVOA-conforme wijze bewerkte en daarmee de inrichting voor nuttige toepassing was.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank verder gebleken dat bedrijf 1 in de ten laste gelegde periode de afvalstoffen heeft ingezameld, gesorteerd, eventueel bewerkt en daarna in opdracht van bedrijf 3 heeft doorgestuurd. Kras verzorgde het transport van de afvalstoffen naar de verwerker. Bedrijf 1 en bedrijf 3 behoren beide tot de bedrijf 5 en beide rechtspersonen hebben dezelfde natuurlijke personen als bestuurders. Beide bedrijven zijn dus zeer nauw met elkaar verweven, en kennis van zaken die aanwezig is bij de ene rechtspersoon is in deze zaak daarmee ook bekend bij de andere rechtspersoon.

Gelet op deze feiten en omstandigheden is de rechtbank dan ook van oordeel dat bedrijf 1 en bedrijf 3 het hierna bewezen verklaarde feit tezamen en in vereniging hebben begaan.

Bewezenverklaring

Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.60 tweede lid van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Geldboete van € 40.000. De boete is met 20% gekort gelet op de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen deze strafzaak had moeten worden afgedaan.

In het nadeel van verdachte weegt het volgende mee. Op een groot aantal van die formulieren heeft verdachte niet de juiste recovery facility ingevuld waar zij de afvalstoffen naar toe zond. Door aldus te handelen heeft verdachte een situatie gecreëerd waardoor ten aanzien van die partijen plastic afval niet meer te achterhalen viel waar de door haar geëxporteerde afvalstoffen zich bevonden en evenmin of en zo ja op welke wijze die afvalstoffen werden verwerkt en of die wijze van verwerking schade voor het milieu met zich heeft gebracht. Gelet op het aantal transporten is de rechtbank van oordeel dat verdachte op systematische wijze op grote schaal gedurende langere tijd de regels waarmee de export van afvalstoffen was omgeven, heeft geschonden. Verdachte heeft in dit hele proces een ondersteunende rol gespeeld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Rechtbank Oost-Brabant 3 juni 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:7422

De medeverdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van € 80.000.

Gelet op het aantal transporten is de rechtbank van oordeel dat verdachte op systematische wijze op grote schaal gedurende langere tijd de regels waarmee de export van afvalstoffen was omgeven, heeft geschonden. Verdachte heeft in dit hele proces een bepalende rol gespeeld.

Lees hier de uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Zeven aanhoudingen in onderzoek naar fraude bij afvalinzamelaar

De politie heeft deze week in een strafrechtelijk onderzoek naar het omkatten van afvalstoffen de directeur en een leidinggevende van een afvalinzamelaar op de Noord-West Veluwe aangehouden voor verhoor. De verdenking is dat zij leiding hebben gegeven aan een vermoedelijke fraude met de afvalstoffen. Het bedrijf heeft hier vermoedelijk meer dan 1.000.000 euro mee verdiend.

Behalve de directeur en de leidinggevende heeft de politie ook vijf chauffeurs van de afvalinzamelaar aangehouden. Zij worden verdacht van betrokkenheid bij de fraude. Het onderzoek wordt uitgevoerd door de politie, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, de Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de Inspectie Leefomgeving en Transport en de Omgevingsdienst Noord-Veluwe. Het onderzoek staat onder leiding van het Functioneel Parket. Eerder dit jaar werden er woningen en bedrijfspanden doorzocht. Er is toen administratie in beslag genomen. Ook is er beslag gelegd op vermogen omdat misdaad niet mag lonen.

Het vermoeden is dat de afvalinzamelaar sinds 2010 verontreinigd afvalwater en vetten inzamelt, terwijl het bedrijf die afvalstoffen niet mag ontvangen volgens de omgevingsvergunning. Dat illegale afval zou vervolgens met valse papieren zijn geleverd aan co-vergisters, maar die mogen deze stoffen niet verwerken. Het vermoeden is dat in totaal circa 50.000 ton afval is omgekat bij het bedrijf. Dat zijn circa 2000 vrachtwagens vol.

Risico’s voor mens en milieu

Fraude met afval en co-vergistingsinstallaties werkt concurrentievervalsend en brengt risico's voor mens en milieu met zich mee. Restproducten van co-vergisters worden uitgereden over het land. Wanneer niet-toegestane afvalstoffen in een co-vergister terecht komen, bestaat het risico dat die stoffen in onze voedselketen of in de bodem terecht komen. Ook kan het invloed hebben op het vergistingsproces in de co-vergistingsinstallatie met veiligheidsrisico’s voor de directe omgeving.

Bron: OM

Print Friendly and PDF ^

Verdachte heeft opzettelijk een aanzienlijke hoeveelheid, niet toegelaten gewasbeschermingsmiddelen op de markt gebracht. Oplegging verplichting tot tenietdoening van hetgeen wederrechtelijk is verricht.

Rechtbank Rotterdam 12 november 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:9659

Niet-onvankelijkheidsverweer

De raadsman van de verdachte heeft een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. De strafrechtelijke opsporing en de vervolging van de verdachte zijn in strijd met de “Sanctiestrategie Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden”, zoals deze door de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA), in overleg met het Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie, op 9 maart 2011 is vastgesteld. Kort gezegd, houdt deze in dat overtredingen met betrekking tot de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden in principe worden afgehandeld door middel van het opleggen van een bestuurlijke boete en/of bestuursdwang- of dwangsombesluit. Proces-verbaal wordt slechts opgemaakt indien voldaan wordt aan ten minste één van de onderstaande criteria:

  • overtreding met ernstige gevolgen voor mens, dier of milieu, dat wil zeggen de overtreding heeft ernstige gevolgen veroorzaakt voor mens, dier of milieu, dan wel dreigt die te veroorzaken;
  • het is een overtreding begaan in georganiseerd verband;
  • het is een overtreding begaan met behulp van malversaties zoals frauduleuze constructies, omkoping of geweld om wederrechtelijk voordeel te behalen of de kans op ontdekking te minimaliseren;
  • (tweede) recidive.

Aan geen van die criteria is voldaan, aldus de raadsman.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Op grond van artikel 167 van het Wetboek van Strafvordering berust de beslissing omtrent vervolging bij de officier van justitie. Vast staat dat de NVWA een sanctiestrategie heeft opgesteld zoals door de raadsman weergegeven. Hoewel deze kennelijk in overleg met het Functioneel Parket tot stand is gekomen, is dit geen sanctiestrategie van het Openbaar Ministerie, zodat de officier van justitie daaraan in beginsel niet is gebonden. Omstandigheden die tot een andere conclusie zouden moeten leiden, zijn gesteld noch gebleken. Maar ook overigens is gehandeld in overeenstemming met de handhavingsstrategie, nu tijdens het voorbereidende onderzoek aanwijzingen zijn gevonden dat een inbreuk op een merkrecht werd begaan. Aldus is er in elk geval sprake van een verdenking van een malversatie als bedoeld in de sanctiestrategie.

Beoordeling rechtbank

Aan de verdachte wordt - kort weergegeven - verweten dat hij opzettelijk op de markt heeft gebracht een aanzienlijke hoeveelheid gewasbeschermingsmiddelen, terwijl deze overeenkomstig de Verordening (EG) Nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (hierna: de verordening), in Nederland niet waren toegelaten. Dit is strafbaar gesteld in artikel 20 lid 1 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (hierna: Wgb).

Volgens de verdediging dient de verdachte te worden vrijgesproken van dit feit, onder meer, omdat de verordening slechts van toepassing is op producten die worden geleverd aan de gebruiker en daarvan is geen sprake. Het handelen van de verdachte valt dus buiten de werkingssfeer van de verordening. Ook is geen sprake van gewasbeschermingsmiddelen als bedoeld in de verordening, althans is voor deze gewasbeschermingsmiddelen op grond van artikel 28 lid 2 van de verordening geen toelating vereist. Alle genoemde werkzame stoffen zijn goedgekeurd en vrij verhandelbaar, terwijl wettig en overtuigend bewijs ontbreekt dat aan deze werkzame stoffen formuleringsstoffen zijn toegevoegd, aldus de verdediging.

Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

De verdachte handelt onder meer in gewasbeschermingsmiddelen. Hij importeert deze vanuit China en levert deze vervolgens aan bedrijf 2 in Litouwen. Wat bedrijf 2 er vervolgens mee doet, is bij de verdachte niet bekend.

Aan de orde is allereerst de vraag of de door de verdachte verhandelde middelen, moeten worden aangemerkt als gewasbeschermingsmiddelen als bedoeld in de verordening.

Volgens artikel 2 van de verordening zijn gewasbeschermingsmiddelen, middelen in de vorm waarin zij aan de gebruiker worden geleverd, die geheel of gedeeltelijk bestaan uit werkzame stoffen, beschermstoffen of synergisten en die bestemd zijn voor een van de volgende toepassingen:

a) de bescherming van planten

b) het beïnvloeden van de levensprocessen van planten

c) de bewaring van plantaardige producten

d) de vernietiging van ongewenste planten

e) de beperking of voorkoming van de ongewenste groei van planten

De aan de verdachte geleverde goederen zijn in de hier van belang zijnde vrachtbrieven (bill of lading SHSY28525500 en bill of lading OOLU2531000190) als volgt omschreven:

tebuconazole 6% FS (flowable suspension)

Imidacloprid 140/G/L en pencycuron 150G/L FS

Azoxystrobin 250G/L SC (Suspension concentrate)

Thiophanate-Methyl 500 G/L SC

Clopyralid 300G/L SL (Soluble concentrate)

Lambda-cyhalotrin 2,5 EC (Emulsifiable Concentrate)

Flurorxipir 25% EC

Thiametoxam 25% WDG

Gegeven is derhalve steeds de naam van de werkzame stof en de verhouding waarin die aanwezig is. Hieruit volgt dat, anders dan gesteld, geen sprake is van 100% werkzame stoffen, maar dat daaraan een of meer andere stoffen zijn toegevoegd, zodat sprake is van geformuleerde stoffen.

Daarnaast wordt in de meegezonden material safety data scheets, zoals vermeld in de bijlagen 29 tot en met 34 bij het proces-verbaal 72742 van de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit van 29 november 2013, betreffende de verschillende middelen, informatie gegeven, die kan worden aangemerkt als gebruikersinformatie, gelet op bijvoorbeeld aanduidingen als: When using, do not eat and drink; advice on safe handling; caution, keep out or reach of children; en users should wash hands before eating.

Voorts zijn de verschillende gewasbeschermingsmiddelen geleverd in jerrycans of flessen met een inhoud variërend tussen één en vijf liter. Opvallend detail daarbij is dat de jerrycans waarin zich het gewasbeschermingsmiddel met azoxystrobin bevindt, zoals ter zitting aan de verdachte is getoond (bijlage 64), grote gelijkenis vertonen met de jerrycans waarin door het bedrijf 1 het gewasbeschermingsmiddel met azoxystrobin op de markt wordt gebracht.

Gelet op de samenstelling en verpakking van de middelen en bij de middelen behorende gebruikers informatie, is naar het oordeel van de rechtbank de conclusie gerechtvaardigd dat deze middelen geschikt zijn om aan de gebruiker te worden geleverd, en is sprake van gewasbeschermingsmiddelen als bedoeld in de verordening. De vraag of de verdachte of bedrijf 2 zelf gebruiker is van de middelen is in binnen dit kader niet van betekenis.

Voor de stelling van de verdachte dat de door hem verhandelde gewasbeschermingsmiddelen geen eindproducten zijn, maar nog een bewerking dienen te ondergaan, bieden noch het dossier noch het verhandelde ter zitting aanknopingspunten, ook gelet op hetgeen hierboven is overwogen.

De door de verdachte verhandelde gewasbeschermingsmiddelen zijn dan ook aan te merken als gewasbeschermingsmiddelen als bedoeld in de verordening.

Ingevolge artikel 28, lid 1, van de verordening mogen gewasbeschermingsmiddelen alleen op de markt worden gebracht wanneer zij zijn toegelaten. In de onderhavige zaak staat vast dat weliswaar de genoemde werkzame stoffen in de gewasbeschermingsmiddelen zijn goedgekeurd, maar dat van een toelating van deze gewasbeschermingsmiddelen geen sprake is. De verdediging beroept zich evenwel op de in artikel 28, tweede lid, onder a van de verordening genoemde uitzonderingssituatie, waarin een toelating niet vereist is indien het gaat om gebruik van een middel die uitsluitend één of meer basisstoffen bevat. Dit beroep kan niet slagen. Immers, behoudens de werkzame stof is de samenstelling van de onderhavige gewasbeschermingsmiddelen niet kenbaar. De verpakking van de verschillende gewasbeschermingsmiddelen is niet voorzien van een etiket, terwijl ook uit de meegezonden bescheiden, waaronder analyse certificaten, de samenstelling van de verschillende gewasbeschermingsmiddelen niet kan blijken. In die situatie, waarin de samenstelling van een middel niet kenbaar is, kan niet worden beoordeeld of zich de situatie voordoet als bedoeld in artikel 28, tweede lid, onder a van de verordening. Het is daarbij overigens niet aan het openbaar ministerie om in de samenstelling van het middel inzicht te verschaffen, zoals bepleit, maar aan de verdachte die zich op de uitzonderingssituatie beroept. Dit geldt ook voor de uitzonderingssituaties als bedoeld in artikel 28, tweede lid, onder c en e van de verordening, waar eveneens een beroep op is gedaan. Immers indien de samenstelling van een gewasbeschermingsmiddel niet kenbaar is, kan evenmin worden beoordeeld of dat gewasbeschermingsmiddel in een andere lidstaat is toegelaten, dan wel of daarvoor een vergunning voor parallelhandel is verleend.

Nu de verdachte de onderhavige gewasbeschermingsmiddelen op de markt heeft gebracht, door deze in Nederland in te voeren met het oog op verkoop daarvan aan bedrijf 2 in Litouwen, heeft de verdachte gehandeld in strijd met artikel 28, eerste lid, van de verordening en is het onder feit 1 en feit 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Vrijspraak feit 2 

Uit het dossier volgt dat er 600 5-liter jerrycans zijn binnenkomen bevattende het gewasbeschermingsmiddel azoxystrobin. Deze jerrycans waren wit met een groene dop en op de bodem voorzien van het merkteken ’S-Pac’. Zowel de wit-groene verpakking als het ’S-Pac’-logo zijn gecombineerde woord/beeldmerken van bedrijf 1. Nu de bewuste jerrycans niet afkomstig zijn van bedrijf 1 is aldus sprake van merkinbreuk.

Voor een bewezenverklaring van het onder feit 2 tenlastegelegde is echter niet voldoende dat een merkinbreuk wordt vastgesteld, doch dient ook komen vast te staan dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op deze merkinbreuk.

De verdachte heeft in dat verband verklaard, dat hij bij zijn Chinese leverancier een bestelling heeft gedaan voor een bepaald aantal liters azoxystrobin, doch dat hij geen vorm heeft voorgeschreven waarin deze gewasbeschermingsstof diende te worden geleverd. Voorafgaand aan de verzending van de lading heeft hij weliswaar een foto gezien van een witte jerrycan met groene dop, maar hij was zich er niet van bewust dat op die verpakking een merk rustte. Het ’S-Pac’ logo op de bodem van de flessen heeft hij tot aan de inbeslagneming van de partij gewasbeschermingsmiddelen nooit gezien, aldus verdachte.

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de verdachte door het zien van de foto van de witte jerrycan met groene dop voorafgaand aan de verzending, zich had moeten realiseren dat op vormen van verpakkingen nagenoeg altijd een merk rust. Door desondanks akkoord te gaan met deze zending, heeft verdachte voorwaardelijk opzet gehad op de merkinbreuk, aldus de officier van justitie.

De rechtbank stelt vast dat het dossier geen bewijsmiddel bevat waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte op een eerder moment dan na de inbeslagneming op de hoogte was van het feit dat op de bodem van de jerrycans het merkteken ’S-Pac” was aangebracht. Het opzettelijk inbreuk maken op dat woord/beeldmerk ’S-Pac’ kan dus niet bewezen worden verklaard. Wel is ter zitting duidelijk geworden dat de verdachte voorafgaand aan de verzending van de lading azoxystrobin een foto van een witte jerrycan met groene dop heeft gezien. Dit gegeven acht de rechtbank echter op zichzelf onvoldoende om voorwaardelijk opzet op merkinbreuk van de ’S-Pac’-verpakking aan te nemen, nu deze uiterlijke kenmerken onvoldoende onderscheidend zijn. De verdachte wordt daarom vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde.

Bewezenverklaring

  • 1. overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 20 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.
  • 3. overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 20 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, opzettelijk begaan, door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van 2 jaar.

Daarnaast wordt aan verdachte op basis van artikel 8 onder c WED de verplichting tot tenietdoening van hetgeen wederrechtelijk is verricht opgelegd.

De hier vastgestelde wederrechtelijke verrichting is het op de markt brengen van niet-toegelaten gewasbeschermingsmiddelen. De tenietdoening is de vernietiging van die middelen. Nu deze eerder onder de verdachte inbeslaggenomen middelen worden onttrokken aan het verkeer en derhalve de verdachte hierover niet meer kan beschikken, zal de Staat zorgdragen voor vernietiging. De kosten daarvan zullen ingevolge artikel 8 WED voor rekening komen van de verdachte.

In totaal dient 22.000 liter aan gewasbeschermingsmiddelen vernietigd te worden. Dit is te herleiden tot een gewicht van 22.000 kilogram. De rechtbank volgt de in het requisitoir opgenomen berekening van de officier van justitie van € 2 per kilogram. Dit betekent dat de kosten van vernietiging voor de verdachte in totaal worden berekend op € 44.000.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^