Verdachte heeft gedurende een langere periode graafwerkzaamheden verricht op het terrein van een voormalige vuilstort met asbest in het stortlichaam

Rechtbank Oost-Brabant 23 december 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:7876

Verdachte heeft gedurende een langere periode graafwerkzaamheden verricht op het terrein van een voormalige vuilstort met asbest in het stortlichaam, waardoor asbest(vezels) op of in de bodem en in de lucht werden gebracht en gevaar voor de gezondheid is ontstaan. Achteraf kan niet exact worden vastgesteld hoe hoog de concentratie asbestvezels is geweest gedurende de bewezenverklaarde periode. Voor de mate van verwijtbaarheid en daarmee voor de op te leggen straf, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank echter geen wezenlijk verschil. De verwijtbaarheid zit hem met name in de volledige onderschatting door verdachte van de risico’s van werken met asbesthoudend materiaal. Verdachte moest weten dat sprake was van niet-hechtgebonden asbest in het stortlichaam. Verdachte heeft niet de nodige voorzorgsmaatregelen genomen voor het werken met (niet-hechtgebonden) asbest. Verdachte werkte met een daartoe ongeschikte open trommelzeef, waardoor bijna alle depots uiteindelijk zijn besmet met asbest. Verdachte heeft ook geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat zich meer asbest in het stortlichaam kon bevinden dan uit de (beperkte) rapporten van SRE bleek.

Verdachte heeft haar werknemers, andere personen op het terrein en de omgeving op een volstrekt onaanvaardbare manier blootgesteld aan niet-hechtgebonden asbestvezels. Verdachte heeft geen van de (onder)aannemers gewaarschuwd voor de aanwezigheid van niet-hechtgebonden asbest, noch enige regie gevoerd om blootstellingsrisico’s te beperken. Hierdoor heeft zij mensen onnodig blootgesteld aan ernstige gezondheidsrisico’s alsmede hen mogelijk levenslang angst bezorgd dat zij een dodelijke asbestgerelateerde ziekte kunnen ontwikkelen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor alle tenlastegelegde feiten.

Er kan niet worden bewezen dat verdachte feit 1 primair (opzettelijk en wederrechtelijk een stof op of in de bodem of in de lucht brengen) en 2 (overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.1, eerste lid van de Wet milieubeheer) opzettelijk heeft gepleegd. Het opzet dient gericht te zijn op alle omstandigheden uit de delictsomschrijving.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair en feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat ook het bestanddeel ‘redelijkerwijs had kunnen weten ’niet bewezen kan worden, althans dat afwezigheid van alle schuld aanwezig is waardoor verdachte niet strafbaar is.

De asbestconcentraties zijn volgens de raadsman niet deugdelijk vastgesteld en worden door de verdediging betwist. De resultaten van de bodemonderzoeken, de partijkeuringen, de luchtmetingen en het NFI-rapport kunnen niet voor het bewijs worden gebezigd.

Er kan ook niet worden bewezen dat verdachte asbest of asbestvezels in de bodem of in de lucht heeft gebracht.

Door het handelen van verdachte zijn geen nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan noch konden die ontstaan. Het betrof een vuilstort die om voor de hand liggende redenen was verontreinigd en de depots zijn om meerdere redenen afgevoerd.

Verdachte stelt dat door haar en door haar werknemers zorgvuldig – met inachtneming van alle informatie van het moment – is gehandeld en geen strafbare feiten zijn gepleegd. Indien de rechtbank daar anders over beslist, geldt dat deze gedragingen niet kunnen worden toegerekend aan de rechtspersoon. Verdachte heeft zorgvuldig gehandeld, en handelen in strijd met de regels door werknemers wordt zeker niet door verdachte aanvaard.

Oordeel rechtbank

De rechtbank acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

Overwegingen t.a.v. feit 1 primair

Gevaar voor de openbare gezondheid

In zijn verweer gaat de raadsman er kennelijk van uit dat de onderhavige delicten slechts bewijsbaar zijn indien uit technisch onderzoek blijkt dat geldende normen ter zake overschreden zijn. De bewoordingen van artikel 173a Wetboek van Strafrecht dwingen daartoe echter niet. Deze redenering zou er bovendien toe leiden dat de onderhavige bepalingen praktisch onbewijsbaar zouden zijn juist doordat een verdachte op ongecontroleerde wijze met asbest heeft gewerkt. Een dergelijke manier van werken betekent dat bijna per definitie achteraf precieze concentraties nauwelijks meer vast te stellen zijn. Dit kan niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest.

De rechtbank merkt op dat niet in het geding is dat blootstelling aan asbestvezels zeer onwenselijk is vanwege het algemeen erkende gevaar daarvan voor de gezondheid van de mens. De vraag is of bewezen kan worden dat werknemers en/of anderen in zodanige mate aan asbestvezels hebben blootgestaan dat hierdoor gevaar voor de openbare gezondheid te duchten is.

De rechtbank onderkent dat achteraf niet of moeilijk precies is vast te stellen of in dit geval mensen inderdaad in een zodanige mate en duur aan een te hoge concentratie asbestvezels hebben blootgestaan dat zij een asbestgerelateerde ziekte zullen ontwikkelen. Wel acht de rechtbank bewezen op basis van de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen dat werknemers gedurende de ten laste gelegde periode aan een aanmerkelijke, niet te verwaarlozen hoeveelheid asbest(vezel)concentraties zijn blootgesteld. De medische wetenschap leert dat asbest als het ware als een depot in het lichaam blijft en dat de vezels niet afbreken en nauwelijks uit het lichaam verdwijnen. Op zich zelf genomen, maar ook samen met eerdere of latere blootstelling kan een kritische waarde worden overschreden, waardoor asbestgerelateerde ziektes zich kunnen ontwikkelen.

De rechtbank is van oordeel dat het binnenkrijgen van niet te verwaarlozen hoeveelheden asbestvezels door een ongecontroleerde, systematische bewerking van asbesthoudend materiaal per definitie “gevaar voor de openbare gezondheid” in de zin van artikel 173a Wetboek van Strafrecht oplevert. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman op dit punt.

Overweging t.a.v. feit 1 primair en feit 2

Opzet

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman ten aanzien van het opzet en acht feit 1 primair en feit 2 wettig en overtuigend bewezen en overweegt hiertoe als volgt.

Verdachte heeft gedurende een lange periode personen laten werken op het betreffende terrein terwijl op nagenoeg het hele terrein asbest is aangetroffen. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte door de uitgevoerde werkzaamheden zoals het rijden en verplaatsen van opgegraven asbesthoudend materiaal, het door de daarbij werkzame althans aanwezige personen zonder maatregelen lopen over het terrein, en met name door het met een open trommelzeef zeven van niet-hechtgebonden asbest, asbest op de bodem en/of in de lucht heeft gebracht en heeft verspreid over bijna alle depots en bijna het gehele terrein. Uit de rapporten van SRE en de daarbij behorende analysecertificaten blijkt dat er niet alleen hechtgebonden asbest aanwezig was in het stortlichaam maar ook niet-hechtgebonden asbest. De rapporten betroffen verkennende rapporten waarin de mogelijkheid dat zich (naast andere gevaarlijke stoffen) meer asbest in het stortlichaam bevindt, niet werd uitgesloten. Verdachte was ervan op de hoogte dat het om een illegale stortplaats uit de jaren ’80 ging. Volgens het eigen VGM-plan van verdachte zou de gehele stort onder begeleiding van een MKB’er en een DLP’er ontgraven worden, hetgeen niet is gebeurd. Verdachte heeft ook niet de juiste maatregelen genomen om te voorkomen dat asbest(vezels) in de bodem/in de lucht werden gebracht en verspreid en om schade aan het milieu te voorkomen of te beperken.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte in elk geval bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat door de gekozen werkwijze asbest op/in de bodem en in de lucht werd gebracht en verspreid en daardoor schade aan het milieu zou kunnen ontstaan. De rechtbank miskent hierbij niet dat aan verdachte kan worden toegegeven dat het tweede rapport van SRE niet uitblinkt in duidelijkheid. Bij nauwkeurige lezing van dit rapport in combinatie met de analysecertificaten is echter duidelijk dat zich in het stortlichaam ook niet-hechtgebonden asbest bevindt. Dat verdachte ervoor kiest, zoals ter zitting toegelicht, deze rapporten niet door een ter zake kundige te laten beoordelen maar dit door haar calculatoren te laten doen, waarbij de bijlagen niet worden bekeken als daar op grond van de tekst van het rapport geen aanleiding voor wordt gezien, doet niet af aan de op haar zelf rustende verantwoordelijkheid. Zulks nog te meer gezien het feit dat zij een gecertificeerd bedrijf is waar het de verwijdering van asbest betreft.

Toerekening van de gedragingen aan de rechtspersoon

De gedragingen zijn verricht binnen de sfeer van de rechtspersoon en zijn haar ook dienstig geweest. Verdachte heeft haar werkproces zodanig ingericht dat op geen enkel moment adequate maatregelen zijn genomen om de verboden gedragingen te stoppen. Onder deze omstandigheden kunnen de gedragingen van de diverse werknemers aan de rechtspersoon worden toegerekend.

Bewezenverklaring

Feit 1 primair: opzettelijk en wederrechtelijk een stof op of in de bodem of in de lucht brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de openbare gezondheid te duchten is, begaan door een rechtspersoon

Feit 2: overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.1, eerste lid van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte voor deze feiten tot een geldboete van EUR 150.000,- waarvan EUR 50.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF