HR herhaalt relevante overwegingen m.b.t. meegebrachte getuigen

Hoge Raad 14 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1191 Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 11 juni 2015 verdachte veroordeeld tot een geldboete van € 250 voor vernieling. Het middel klaagt over de afwijzing door het Hof van het door de verdachte gedane verzoek tot het horen van een tweetal ter terechtzitting meegebrachte getuigen.

Beoordeling Hoge Raad

Van het horen van de getuigen van wier aanwezigheid mededeling is gedaan bij de (hernieuwde) aanvang respectievelijk hervatting van het onderzoek, kan slechts worden afgezien (i) met toestemming van de officier van justitie en de verdediging, of (ii) indien die procespartijen niet instemmen met het afzien van het horen, op de gronden die zijn genoemd in art. 288, eerste lid onder b en c, Sv, te weten dat het gegronde vermoeden bestaat dat de gezondheid of het welzijn van de getuige door het afleggen van een verklaring ter terechtzitting in gevaar wordt gebracht en het voorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het belang om de getuige ter terechtzitting te kunnen ondervragen, dan wel dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat daardoor het openbaar ministerie niet in zijn vervolging of de verdachte in zijn verdediging wordt geschaad. Ingevolge de schakelbepaling van art. 415 Sv zijn onder meer de art. 287-288 Sv van overeenkomstige toepassing op het rechtsgeding voor het gerechtshof. (Vgl. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014, 441, rov. 2.12 en 2.36-2.37.)

De voorzitter heeft blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof de aldaar verschenen echtgenote en zoon van de verdachte aangemerkt als ter terechtzitting meegebrachte getuigen. Het Hof heeft afgezien van het horen van deze getuigen zonder in de motivering van zijn beslissing kenbaar aandacht te besteden aan de in art. 288, eerste lid onder b en c, Sv genoemde gronden. De afwijzing van het verzoek van de verdachte tot het horen van deze getuigen is dan ook niet begrijpelijk gemotiveerd.

Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Aanvraag herziening beslissing in ontnemingszaak kan niet tot herziening leiden, reeds omdat de oplegging van een ontnemingsmaatregel niet is een uitspraak houdende een veroordeling in de zin van art. 457 Sv

Hoge Raad 8 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:1257

Bij vonnis van de Rechtbank Midden-Nederland van 2 februari 2015 is de veroordeelde in zijn strafzaak veroordeeld ter zake van het medeplegen van handel in merkvervalste horloges. De rechtbank heeft het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 62.314,63.

Door veroordeelde is een verzoek tot herziening gedaan.

Beoordeling Hoge Raad

De aanvraag zal niet tot herziening kunnen leiden, reeds omdat de oplegging van een ontnemingsmaatregel niet is een uitspraak houdende een veroordeling in de zin van art. 457, eerste lid, Sv. De aanvraag kan daarom - gelet op art. 465, eerste lid, Sv - niet worden ontvangen.

Opmerking verdient dat de rechter die de maatregel heeft opgelegd op grond van art. 577b, tweede lid, Sv bevoegd is op een schriftelijk en gemotiveerd verzoek van de veroordeelde het vastgestelde bedrag te verminderen of kwijt te schelden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Medeplegen van opzettelijk voorhanden hebben van professioneel/illegaal vuurwerk. Conclusie AG: falende klacht met beroep op Vidgen-arrest over schending ondervragingsrecht.

Hoge Raad 21 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1266 De verdachte is bij arrest van 28 januari 2015 door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van honderdtachtig uur wegens medeplegen van het opzettelijk voorhanden hebben van een partij professioneel/illegaal vuurwerk.

Ten aanzien van de bewezenverklaring heeft het hof voorts nog het volgende overwogen:

“Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal acht op basis van onder meer de verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. Volgens haar dienen - gezien de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Vidgen - de verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] van het bewijs te worden uitgesloten, omdat de verdediging deze medeverdachten niet op een effectieve manier heeft kunnen ondervragen. Voorts heeft de raadsvrouw de betrouwbaarheid van deze verklaringen betwist. Tot slot heeft zij aangevoerd dat de omstandigheid dat de politie verdachte heeft aangetroffen in de buurt van de vrachtwagen waarin zich het vuurwerk bevond, niet kan bijdragen aan een bewezenverklaring. Volgens de raadsvrouw was verdachte daar enkel aanwezig om nieuwe velgen op de auto van zijn schoonvader te plaatsen.

Oordeel hof

Het hof hecht geen geloof aan de door verdachte gegeven verklaring en komt tot een bewezenverklaring en overweegt daarbij als volgt.

De medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zijn op verzoek van de verdediging opgeroepen om ten overstaan van de raadsheer-commissaris als getuigen te worden gehoord. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft bij het verhoor door de raadsheer-commissaris antwoord gegeven op de vraag of hij verdachte kent. [medeverdachte 2] heeft geantwoord dat hij niet eens wist dat verdachte “ [verdachte] ” heet. “Ik ken hem alleen bij zijn voornaam. Na enig nadenken weet ik dat jij1 [verdachte] heet.” Hij heeft voorts verklaard op andere vragen geen antwoord te willen geven. Ten aanzien van de vraag waar hij verdachte van kent, heeft hij zich op zijn verschoningsrecht beroepen. De verdediging heeft toen afgezien van het stellen van verdere vragen. Medeverdachte [medeverdachte 1] is niet verschenen bij de raadsheer-commissaris, met als reden dat hij zich op zijn verschoningsrecht zou beroepen. De verdediging heeft toen afgezien van het stellen van vragen aan medeverdachte [medeverdachte 1] . Wel heeft zij in een fax aan de raadsheer-commissaris uitdrukkelijk aangegeven niet af te zien van het horen van deze getuige. Noch voor noch ter terechtzitting van het hof heeft de verdediging opnieuw verzocht om het horen van medeverdachte [medeverdachte 1] en medeverdachte [medeverdachte 2] .

Reeds omdat de verdediging, van wie in de regel het nodige initiatief mag worden verwacht tot het ondervragen van een getuige, heeft afgezien van het stellen van (verdere) vragen aan de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] ten overstaan van de raadsheer-commissaris en bovendien niet heeft gevraagd om deze getuigen alsnog op zitting te (doen) horen, is naar het oordeel van het hof geen sprake van schending van de door het EHRM in de zaak Vidgen omschreven norm. Bovendien berust, anders dan in de zaak Vidgen, de bewezenverklaring in de onderhavige zaak niet alleen of in beslissende mate op de verklaring van één getuige. Het hof verwijst in dit verband in het bijzonder naar de bewijsmiddelen die betrekking hebben op het afluisteren van telefoongesprekken, op het aantreffen van verdachte in een auto samen met medeverdachte [medeverdachte 2] - in de onmiddellijke nabijheid van het busje waarin het vuurwerk zich bevond en een garage waar - naar ook eerder werd geconstateerd - vuurwerk was opgeslagen alsmede op de observatie door de politie van het transport van het vuurwerk.

Het hof heeft voorts geen reden om te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , nu deze getuigen niet alleen verdachte hebben belast maar ook zichzelf en hun verklaringen over en weer voldoende steun vinden. Het namens verdachte geschetste alternatieve scenario acht het hof niet aannemelijk, aangezien daarvoor geen enkele onderbouwing is te vinden in het dossier.”

Middel

Het middel klaagt over schending van art. 6, derde lid onder d, EVRM op de grond dat de verdachte niet in de gelegenheid is gesteld de belastende verklaringen van zijn medeverdachten 1 en 2 te betwisten, terwijl deze verklaringen wel (als doorslaggevend bewijs) zijn gebruikt om tot een bewezenverklaring te komen.

In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof de verklaringen van medeverdachte 1 en medeverdachte 2 ten onrechte voor het bewijs heeft gebruikt nu:

  • (i) de betwiste verklaringen door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] tegenover de politie zijn afgelegd in hun rol als verdachte, niet als onafhankelijke getuige; dit enkele feit zou al maken dat er sprake is geweest van een schending van art. 6, derde lid en onder d, EVRM;
  • (ii) uit de overige bewijsmiddelen op generlei wijze kan blijken van verdachtes betrokkenheid bij het transport of voorhanden hebben van het illegale vuurwerk;
  • (iii) het enkele feit dat verdachte is aangehouden op de plaats delict niet kan leiden tot de conclusie dat hij als medepleger kan worden aangemerkt;
  • (iv) (derhalve) aangaande verdachtes betrokkenheid slechts de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] overblijven;
  • (v) de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zo niet ‘sole and decisive’, dan toch van ‘considerable weight’ zijn;
  • (vi) compenserende factoren ontbreken omdat de verklaringen niet door de verdediging op hun betrouwbaarheid konden worden getoetst nu [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zich ten overstaan van de raadsheer-commissaris op hun verschoningsrecht hebben beroepen.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad doet de zaak af onder verwijzing naar art. 81 RO.

Conclusie AG

8. In het licht van het EVRM is het gebruik voor het bewijs van een ambtsedig proces-verbaal voor zover inhoudende een niet ter terechtzitting afgelegde, de verdachte belastende verklaring niet zonder meer ongeoorloofd en in het bijzonder niet onverenigbaar met art. 6, eerste lid en derde lid, aanhef en onder d, EVRM. Van die ongeoorloofdheid is geen sprake indien de verdachte niet in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad om een dergelijke verklaring op haar betrouwbaarheid te toetsen en aan te vechten door de persoon die de verklaring heeft afgelegd als getuige te (doen) ondervragen, doch die verklaring in belangrijke mate steun vindt in andere bewijsmiddelen. Dit laatste moet aldus worden begrepen dat reeds voldoende is als de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde feit wordt bevestigd door ander bewijsmateriaal. Dit steunbewijs zal dan betrekking moeten hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist. Hierbij moet voorts nog worden opgemerkt dat ook als een getuige zich op zijn verschoningsrecht heeft beroepen, de verdachte niet het bij art. 6, derde lid en onder d, EVRM voorziene recht heeft kunnen uitoefenen om die getuige te (doen) horen omtrent diens niet ter terechtzitting afgelegde, de verdachte belastende verklaring. Tot slot is van belang dat een klacht, inhoudende dat de verdediging voornoemd recht niet heeft kunnen uitoefenen, niet kan slagen indien de verdediging, van wie in de regel het nodige initiatief mag worden verwacht, niet heeft verzocht de getuige(n) voor de terechtzitting in hoger beroep op te roepen en het hof voorts ook geen ambtshalve plicht had tot oproeping.

9. Het hof heeft primair geoordeeld dat geen sprake is van schending van de door het EHRM in de zaak Vidgen omschreven norm, nu de verdediging niet heeft verzocht de getuigen alsnog op zitting te (doen) horen. Voorts heeft het hof geoordeeld dat de bij de politie afgelegde verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bruikbaar zijn voor het bewijs nu deze verklaringen in voldoende mate steun vinden in de andere bewijsmiddelen.

10. In het licht van Uw rechtspraak zoals hierboven uiteengezet getuigt het primaire oordeel van het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het ook niet onbegrijpelijk nu uit de stukken niet blijkt dat de verdediging, nadat de raadsheer-commissaris op 22 mei 2014 constateerde dat beide getuigen zich op hun verschoningsrecht beriepen, het hof heeft verzocht deze getuigen (alsnog) op te roepen voor de inhoudelijke terechtzitting in hoger beroep van 14 januari 2015. Daarmee heeft de verdediging - zo meen ik Uw rechtspraak te moeten duiden - het recht om de getuigen aan de tand te voelen over hun eerder bij de politie afgelegde verklaringen prijsgegeven. De omstandigheid dat de verdediging tegenover de raadsheer-commissaris met klem heeft benadrukt geen afstand te doen van de getuigen, kan daar - in weerwil van wat het middel kennelijk wil - dan niet aan afdoen.

11. Voorts is niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat de bewezenverklaring niet alleen of in beslissende mate steunt op de verklaring van één getuige. Het hof wijst in dit verband in het bijzonder op (1) de afgeluisterde telefoongesprekken, (2) het aantreffen van de verdachte in een auto samen met medeverdachte [medeverdachte 2] in de onmiddellijke nabijheid van het busje waarin het vuurwerk zich bevond en een garage waar - naar ook eerder werd geconstateerd - vuurwerk was opgeslagen en (3) de observatie door de politie van het transport van het vuurwerk. De tapverslagen geven onder meer steun aan de omstandigheid dat het transport heeft plaatsgevonden met twee personen, waaronder [medeverdachte 2] , dat er een huurbus (IVECO) zou worden gebruikt en dat [medeverdachte 2] en de andere verdachte in de vroege morgen van 16 november 2011 naar het zuiden van het land zouden rijden. De aanwezigheid van de verdachte om 07:50 uur ‘s morgens, zittende in de Caddy samen met medeverdachte [medeverdachte 2] , geeft steun aan de bewezenverklaring. Ook de observatieverslagen van de politie geven, met name voor wat betreft het tijdstip van het transport, de gereden route en de daarvoor aan de verdachten uitgeleende en gebruikte mobiele nummers, daaraan steun. Het is niet gewaagd te veronderstellen dat zelfs zonder het bezigen van de verklaringen van beide getuigen voor het bewijs, een bewezenverklaring zich wel laat denken. Het oordeel dat de bewezenverklaring niet alleen of in beslissende mate berust op de verklaringen van beide getuigen is dus bepaald niet onbegrijpelijk.

12. Het hof heeft overigens nog iets toegevoegd over de betrouwbaarheid van de verklaringen van beide getuigen. Zij hebben niet volstaan met de schuld op het bordje van een ander te schuiven, maar ook belastend voor zichzelf verklaard. Bovendien is van enig belang dat de verklaringen van beide (niet ondervraagde) getuigen elkaar ondersteunen. Tenslotte begrijp ik het hof zo dat in het licht van de hierboven besproken taps, het aantreffen van verdachte en de observaties een alternatieve lezing in strijd met de verklaringen van beide getuigen gelet op het ontbreken van onderbouwing niet aannemelijk is.

13. Ik wijs er bovendien op dat de bewijsmiddelen 1 t/m 10 de betwiste getuigenverklaringen bepaald niet onaanzienlijk ondersteunen. De taps en observaties bevestigen het verhaal van beide getuigen.

14. Onder verwijzing naar rechtspraak van het EHRM wordt nog betoogd dat het er niet om gaat of de betwiste getuigenverklaring ‘sole and decisive’ is, maar of ‘their testimonies clearly carried considerable weight in the establishment of applicant’s guilt.’ De steller van het middel meent - als ik het goed begrijp - dat hoewel de betwiste verklaring van de niet ondervraagde getuige niet ‘sole and decisive’ is, deze verklaring wel een ‘considerable weight’ in de schaal (van het bewijs) legt en dat om die reden compenserende maatregelen geboden zijn.

15. De Wilde wijst er op dat de wisselende en alternatieve terminologie voor ‘sole and decisive’ onduidelijkheid oplevert. Is de maatstaf ‘considerable weight’ nu een andere dan ‘sole and decisive’, zoals Reisinger en Dubelaar menen? En als dat al zo is dan komt de vraag aan de orde wat de precieze inhoud van die maatstaf is. Moet het gewicht van het bewijsmiddel behoorlijk, aanmerkelijk, beduidend of zwaarwegend zijn? De eis ligt kennelijk ergens tussen ‘sole and decisive’ aan de ene kant en (kaal) redengevend aan de andere kant, maar een nadere afbakening ontbreekt in het middel. Een al te lage eis die nadert aan redengevend ligt niet voor de hand, omdat in dat geval compenserende maatregelen vrijwel steeds noodzakelijk zijn.

16. Voor zover ik heb kunnen nagaan is de eis van ‘considerable weight’ in de rechtspraak van de Hoge Raad nooit gesteld. De onderhavige zaak is niet erg geschikt om nader te exploreren of de eis van ‘considerable weight’ geldt en wat de betekenis daarvan is voor het Nederlandse bewijsrecht. Ik heb immers al betoogd dat de betekenis van de verklaringen van beide getuigen voor het bewijs in de onderhavige zaak - zacht gezegd - niet van (over) wegend belang is. Tot compenserende maatregelen was het hof hoe dan ook niet gehouden.

17. Aldus heeft het hof geen inbreuk gemaakt op het recht van de verdachte op een eerlijk proces en diens ondervragingsrecht in de zin van art. 6, eerste lid en derde lid en onder d, EVRM. Het middel is in zoverre tevergeefs voorgesteld.

18. Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

E-mailbericht verzonden naar verkeerde instantie aan te merken als stelbrief?

Hoge Raad 14 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1178 De dagvaarding in hoger beroep is de verdachte in persoon betekend op 13 februari 2015. De terechtzitting van het hof vond plaats op 27 maart 2015. Op dezelfde datum is – dadelijk na sluiting van het onderzoek - door het hof uitspraak gedaan. Het cassatieberoep diende derhalve op grond van art. 432 Sv uiterlijk veertien dagen na de uitspraak van het hof op 27 maart 2015 te zijn ingesteld. Blijkens de akte cassatie, opgesteld door de griffier van het gerechtshof Den Haag is het cassatieberoep echter eerst op 17 april 2015, derhalve na ommekomst van de genoemde termijn ingesteld.

De overschrijding van de termijn voor het instellen van het beroep is ook de opsteller van de schriftuur niet ontgaan. Volgens die schriftuur kan echter uit een e-mail van de raadsvrouwe, mr. M.S. Waterval, van 9 april 2015 worden afgeleid dat haar door de griffie van het hof een onjuiste datum van het arrest van het hof is medegedeeld, namelijk 10 april 2015. Het cassatieberoep zou derhalve wel tijdig zijn ingesteld, althans zou de termijnoverschrijding verschoonbaar zijn.

Mededeling door de griffie van het gerecht van een onjuiste uitspraakdatum – hetgeen rechtstreeks gevolgen heeft voor de aanvang van de termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel - kan inderdaad een grond zijn voor het verschoonbaar achten van de overschrijding van de termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel. Een dergelijke onjuiste mededeling kan immers worden opgevat als een ambtelijk verzuim, dat aan de insteller van het cassatieberoep niet kan worden tegengeworpen – integendeel, hij moet er – in beginsel - op kunnen vertrouwen dat dergelijke mededelingen op juistheid berusten. Een dergelijk ambtelijk verzuim moet echter wel voldoende zijn vastgesteld: louter de theoretische mogelijkheid dat zich een dergelijk verzuim heeft voorgedaan is onvoldoende om verschoonbaar termijnverzuim aan te nemen.

Bij de cassatieschriftuur zijn als ‘producties’ twee e-mailberichten opgenomen die zijn verstuurd namens de raadsvrouwe van verdachte, mr. V.S. Waterval, beide gericht aan rp.hof.denhaag.algemeen@om.nl, met als onderwerp “[verdachte] /OM parketnummers 10/145283-14 en 10/175504-14”

Het eerste bericht is gedateerd vrijdag 31 oktober 2014 en bevat als tekst:

“Geachte heer, mevrouw,

in bovengenoemde zaken stel ik mij als raadsvrouwe van [verdachte] . Bijgaand treft u afschrift van de akte instellen hoger beroep.

Ik verzoek u vriendelijk mij belde strafdossiers te doen toekomen.

Gaarne vernemend.

Met vriendelijke groet,

V.S. Waterval

Het tweede bericht, gedateerd 9 april 2015, luidt als volgt:

“Geachte heer, mevrouw,

In bovengenoemde zaak heb ik mij gesteld op 31 oktober 2014. Bijgevoegd was de akte instellen hoger beroep.

Helaas heb ik vernomen dat mijn e-mailbericht nimmer is verwerkt, zodat de zitting reeds heeft mogen plaatsvinden zonder mijn bijzijn. Tevens heb ik begrepen dat het arrest aanstaande vrijdag 10 april wordt verwacht.

Ik verzoek u dan ook vriendelijk mij zo spoedig mogelijk het arrest te doen toekomen.

Gaarne vernemend.

Met vriendelijke groet,

V.S. Waterval"

De verdachte is bij arrest van 27 maart 2015 door het gerechtshof Den Haag met toepassing van art. 416 Sv niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Rotterdam waarbij hij is veroordeeld ter zake van een tweetal misdrijven tot een gevangenisstraf van twee maanden, waarvan een maand voorwaardelijk, met beslissingen omtrent de vordering van de benadeelde partij.

Middel

Het middel klaagt dat het hof ten onrechte het voorschrift van art. 51 Sv niet heeft nageleefd, aangezien de raadsvrouwe zich in hoger beroep had gesteld doch niet tijdig een afschrift heeft ontvangen van de appeldagvaarding.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad doet de zaak af onder verwijzing naar art. 81 RO.

Conclusie AG

4.2. Uit het dossier blijkt inderdaad niet dat van de dagvaarding in hoger beroep afschrift is gedaan aan een raadsman. Volgens de steller van het middel had dat wel moeten geschieden, aangezien de raadsvrouwe mr. M.S. Waterval zich door middel van het hierboven als eerste reeds aangehaalde e-mailbericht als zodanig had gesteld. Vervolgens moet er volgens de steller van uit worden gegaan dat het genoemde e-mailbericht bij de griffie in het ongerede is geraakt, waarna, parallel aan het arrest van de Hoge Raad van 8 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6743, in cassatie moet worden aangenomen dat zich wel een raadsvrouwe had gesteld en dat het voorschrift van art. 51 Sv niet is nageleefd, hetgeen (substantiële) nietigheid van het arrest van het hof meebrengt.

4.3. In het genoemde geval uit 2011 ging het om een zogenaamde stelbrief ‘op papier’ die per fax was verzonden aan de griffie van het desbetreffende gerecht, welke verzending niet uit een ontvangstbevestiging door de griffier maar wel uit een (fax)verzendrapport kon blijken.

4.4. Het fenomeen van de stelbrief is geregeld in art. 39 Sv, waarvan het eerste lid als volgt luidt:

“1 De gekozen raadsman geeft van zijn optreden als zoodanig, wanneer de officier van justitie reeds in de zaak betrokken is, schriftelijk kennis aan den griffier. Is dat nog niet het geval, dan geeft hij van zijn optreden schriftelijk kennis aan den in de zaak betrokken hulpofficier.”

4.5. De zich op de voet van art. 39 Sv gesteld hebbende raadsman kan uiteraard aanspraak maken op naleving van de processuele voorschriften die betrekking hebben op de status van raadsman van de verdachte, waaronder het voorschrift van art. 51 Sv dat hij een afschrift ontvangt van de dagvaarding. Een en ander geldt, nadat hoger beroep is ingesteld, mutatis mutandis, voor de op de eerste aanleg voortbouwende procesfase. Het zich hernieuwd stellen in appel is daarbij een wezenlijke voorwaarde: net als bij de toegevoegde raadsman (art. 43 Sv) geldt de keuze van een raadsman slechts voor de (gehele) aanleg waarin zij heeft plaatsgehad. Die aanleg is beëindigd als tegen de uitspraak een rechtsmiddel is ingesteld. Het sturen van en stelbrief is echter niet bij uitsluiting constitutief voor de erkenning als raadsman. Volgens de Hoge Raad moet de regeling van art. 39 Sv worden beschouwd als een ‘ordemaatregel’ en een schriftelijke kennisgeving vormt geen noodzakelijke voorwaarde om als raadsman te kunnen optreden. Ook uit enig ander in het dossier aanwezig stuk kan aan de rechter blijken dat de verdachte voor de desbetreffende aanleg is voorzien van rechtsbijstand door een raadsman. Daarbij moet opgemerkt worden dat de appelakte niet als een zodanig stuk kan gelden.

4.6. In het onderhavige geval bevond zich het e-mailbericht van de raadsvrouwe niet in het dossier dat aan het hof ter beschikking stond. De discussie is dus ook niet of het hof op grond van het aan hem kenbare e-mailbericht tot de conclusie had moeten komen dat de verdachte was voorzien van rechtsbijstand door een raadsman (of: -vrouwe). Hoe dan ook zou het, gelet op het hierboven aangegeven enigszins informele karakter van de regels omtrent het stellen als raadsman, naar het mij voorkomt in het geheel niet ‘verboden’ zijn om op basis van een e-mail tot de conclusie te komen dat de verdachte ook in hoger beroep was voorzien van rechtsbijstand. Maar als gezegd, het e-mailbericht bevindt zich niet in het dossier, evenmin als enig ander stuk waaruit kan blijken dat een raadsman in hoger beroep optrad. De vraag die dus uiteindelijk inderdaad speelt is of de raadsvrouwe er aanspraak op kon maken dat haar e-mailbericht als stelbrief in de zin van art. 39 Sv zou worden aangemerkt en dus ook ter kennis van het hof zou komen. Bij een bevestigend antwoord op die vraag zou er sprake zijn van een tekortschieten van de justitiële instanties, aangezien het e-mailbericht kennelijk niet ter bestemde plaatse is aangekomen en dan zou dat gegeven niet ten nadele van de verdediging mogen komen.

4.7. De steller van het middel wijst er op dat bij sommige gerechten, zoals de rechtbank Rotterdam, afscheid is genomen van de fax, of van zins zijn dit op korte termijn te doen. E-mail zou dan kennelijk de fax kunnen vervangen. Helemaal juist is die stelling niet. Raadpleging van de internetpagina’s van de rechtbank Rotterdam levert inderdaad op dat bij de afdeling aldaar voor de griffie een algemeen e-mail adres is opgenomen, maar daarnaast is ook nog steeds een faxnummer vermeld. Niettemin zou bij e-mailberichten, gericht aan dat (algemene) e-mailadres van de griffie aangenomen moeten kunnen worden dat deze op een juiste wijze administratief worden verwerkt. Kennisgevingen zoals de onderhavige ‘stelbrief’ zouden dan wellicht ook volledig elektronisch gedaan kunnen worden. Raadpleging van de internetpagina van het gerechtshof Den Haag, waar de raadsvrouwe zich in de onderhavige zaak diende te stellen, leert echter dat aldaar bij de afdeling strafrecht niet zo een algemeen e-mailadres van de griffie is vermeld. De graad van automatisering verschilt dus, zo mag geconcludeerd worden, van gerecht tot gerecht. Een algemene regel dat het zenden van een e-mail gelijkgesteld kan worden met een – eventueel per fax verstuurde - ‘gewone’ stelbrief valt daaruit bezwaarlijk af te leiden. Ook de stand van de rechtsontwikkeling is niet zodanig dat die conclusie verantwoord lijkt. Bijvoorbeeld: een volmacht voor het aanwenden van een rechtsmiddel kan volgens de Hoge Raad nog steeds niet op geldige wijze per e-mail worden verzonden. Dat wordt pas anders als de wet digitale processtukken Strafvordering, die op 17 februari 2016 is aangenomen, in werking treedt. In de datum voor inwerkingtreding van die wet is voor zover ik kan nagaan thans nog niet voorzien. Nu kan men daartegen wel inbrengen, dat in de genoemde wet aan de indiening van stukken door onder andere advocaten geen nadere regels zijn gesteld, maar ook dergelijke handelingen zullen naar het mij lijkt in (geautomatiseerde) administratieve systemen moeten worden ondergebracht en dat is kennelijk allemaal nog niet zover.

4.8. Een extra complicatie bij het in de onderhavige zaak verzonden e-mailbericht, dat hierboven als eerste onder 3.4 is weergegeven, is dat – anders dan in het middel wordt gesteld – het er niet op lijkt dat dit aan de griffie van het hof Den Haag is gestuurd, maar is geadresseerd aan wat kennelijk mij een e-mailadres is van het ressortsparket (rp.hof.denhaag.algemeen@om.nl). Gelet op art. 39 Sv is dat het verkeerde adres: de stelbrief dient blijkens lid 1 van die bepaling aan de griffie van het gerecht te worden verzonden. Om de klacht in het middel te doen slagen zou dan ook nog een voor het openbaar ministerie geldende zgn. doorzendplicht moeten worden aangenomen. Voor een door de verdachte aan het verkeerde (justitiële) adres verzonden brief, waaruit van de wens on een rechtsmiddel aan te wenden kan blijken, geldt een dergelijke doorzendplicht wel. Van een vergelijkbare tegemoetkoming aan de advocaat bij het verzenden van een ‘volmacht aanwenden rechtsmiddel’ aan het verkeerde adres wil de Hoge Raad echter niet weten. Van een advocaat – een professionele rechtsbijstandsverlener - mag worden verwacht dat hij de juiste administratieve weg bewandelt. Dat lijkt mij ook voor een stelbrief niet een onredelijke eis. Daarbij komt nog dat naar ik meen van de advocaat ook verwacht mag worden alert te blijven op het verloop van de strafzaak waarin hij optreedt als raadsman en, in het geval hij kennelijk geen respons krijgt op een stelbrief, zich er van dient te vergewissen of deze wel op de juiste wijze is verzonden en zo nodig navraag daarnaar zal moeten doen. In het onderhavige geval is de e-mail van de raadsvrouwe waarbij zij zich trachtte te stellen op 31 oktober 2014 en is daarbij verzocht om toezending van de dossiers. De eerstvolgende e-mail dateert van 9 april 2015. In de tussentijd had de raadsvrouw bijvoorbeeld al enige tijd duidelijk kunnen zijn dat de dossiers niet binnen waren gekomen, waarna een nadere – en dus eerdere - actie door haar had kunnen worden ondernomen. Met andere woorden: ook aan de organisatie en administratieve ondersteuning van een advocaat mogen redelijke eisen worden gesteld. Het risico dat ontstaat bij daarmee verband houdende gebreken kan niet uitsluitend bij de Staat worden gelegd.

4.9. Mijn slotsom is dat aan de namens de raadsvrouwe per e-mail verstuurde “stelbrief” in het onderhavige geval niet de redelijke verwachting ontleend kon worden dat deze ter griffie van het gerecht zou aankomen en dat derhalve de klacht, dat door het hof ten onrechte geen toepassing is gegeven aan art. 51 Sv, ongegrond is.

4.10. Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Witwassen: HR herhaalt relevante overwegingen m.b.t. het bestanddeel “uit enig misdrijf afkomstig”

Hoge Raad 14 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1197 De verdachte is bij arrest van 16 december 2014 door het gerechtshof Amsterdam wegens witwassen veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden. In het genoemde arrest heeft het hof tevens beslist tot verbeurdverklaring van twee inbeslaggenomen geldbedragen van, respectievelijk, CHF 27.400,- en CHF 7.600,-.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts het volgende overwogen:

"Het hof stelt vast dat het onderzoek in de onderhavige zaak geen direct bewijs heeft opgeleverd dat het geldbedrag dat de verdachte op 10 september 2010 te Schiphol bij zich had van enig misdrijf afkomstig is.

Het hof is vervolgens van oordeel dat uit de navolgende feiten en omstandigheden voortvloeit dat er (zonder meer) sprake is van een redelijk vermoeden van schuld aan het delict witwassen jegens de verdachte.

Op 10 september 2010 wilde de verdachte aankomsthal 1 op Schiphol via de zogenoemde groene doorgang verlaten. De verdachte had op dat moment een geldbedrag van 35.000 Zwitserse Franken (ongeveer 26.900 euro) bij zich. Van dit geldbedrag heeft de verdachte niet op eigen initiatief aangifte gedaan bij de douane ondanks het bestaan van de verplichting daartoe. De verdachte verklaarde desgevraagd door de douane dat hij niets had aan te geven en dat hij 5.000 Zwitserse Franken bij zich had, zijnde een aanzienlijk lager geldbedrag dan dat de verdachte na verder onderzoek feitelijk bij zich bleek te hebben. Het bij de verdachte aangetroffen geldbedrag bestond onder meer uit 92 biljetten van 50 Zwitserse Franken en 274 biljetten van 100 Zwitserse Franken.

Het fysiek vervoeren van grote geldbedragen in contanten brengt een aanzienlijk veiligheidsrisico met zich mee. Uit het desgevraagd tegenover de douane noemen van een aanzienlijk lager geldbedrag, leidt het hof af dat het kennelijk de bedoeling was van de verdachte om de meldgrens te ontduiken. Daarbij komt dat er sprake was van een grote hoeveelheid contant geld. Aldus is een drietal typologieën van witwassen op de onderhavige zaak van toepassing op basis waarvan, een vermoeden van witwassen jegens de verdachte is gerechtvaardigd.

Het hof is van oordeel dat, gelet op dit vermoeden van witwassen en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden, van de verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand volstrekt onwaarschijnlijk is.

De verdachte heeft verklaard dat hij naar Nederland was gekomen om meerdere auto's te kopen die hij in Nigeria wilde verkopen. Hij heeft een eigen bedrijf genaamd [A] , dat in Lagos, Nigeria, is gevestigd en dat geen vestigingsadres heeft. De verdachte had in Nigeria Nigeriaanse Naira's omgewisseld naar Zwitserse Franken en is toen naar Zwitserland gegaan om auto's te kopen. Een goede vriend van hem die hij sinds 2007 kent uit Spanje, had hem gezegd dat hij in Nederland wel geschikte auto's kon vinden. Hij wist desgevraagd geen achternaam van deze vriend te noemen. De verdachte heeft voorts verklaard dat zijn zus [betrokkene 2] namens hem voor [A] handelt.

Deze verklaring van de verdachte is weinig concreet en niet verifieerbaar, nu de verdachte geen enkele verdere informatie heeft kunnen verschaffen op basis waarvan het Openbaar Ministerie nader onderzoek zou kunnen (doen) instellen.

De verdachte kon geen visitekaartje van zijn bedrijf tonen en heeft evenmin documenten overgelegd die betrekking hebben op het inkopen of verkopen van auto's. Evenmin heeft de verdachte documenten overgelegd waaruit blijkt dat hij eigenaar is van genoemd bedrijf in Lagos, Nigeria.

De namens de verdachte in september 2010 aan de Belastingdienst/FIOD overhandigde fotokopieën kunnen evenmin dienen ter onderbouwing van de gestelde autohandel. Doordat het fotokopieën betreft, kan de authenticiteit van de documenten niet worden vastgesteld. Daarbij komt dat de twee 'bills of loading' als consignee niet het door de verdachte genoemde bedrijf [A] vermelden, maar een naam van een persoon, die de zus van de verdachte zou zijn: [betrokkene 2] . De verdachte heeft eerst in zijn derde verhoor op 23 september 2010 de naam van zijn zuster genoemd: [betrokkene 2] . Deze naam komt gedeeltelijk overeen met de naam zoals vermeld op voornoemde 'bills of loading'. Uit de naam zelf blijkt niet van een familiebetrekking tussen deze persoon en de verdachte, terwijl ook anderszins een (familie)band tussen de verdachte en de op de 'bills of loading' vermelde persoon niet is aangetoond.

In de namens de verdachte eveneens in september 2010 aan de Belastingdienst/FIOD overhandigde fotokopieën van 'exchange receipts' van een bedrijf dat zich noemt ' [B] Ltd.', valt, naast de in het oog springende spelfout, op dat de wisselkoers van de Zwitserse Frank en de Euro in de periode die door de bonnen wordt bestreken, namelijk 4 augustus 2010 tot en met 7 september 2010, tegenover de Nigeriaanse Naira niet zou zijn veranderd. Om de genoemde redenen moet aan de authenticiteit van de (slechts in fotokopie beschikbare) bonnen ernstig worden getwijfeld.

Ook in de periode nadat dit hof ter terechtzitting van 25 april 2012 het verzoek van de verdediging tot het horen als getuige van [betrokkene 2] heeft toegewezen, aan welk verzoek blijkens het proces-verbaal van bevindingen van 9 juli 2014 van de Raadsheer-Commissaris op grond van de veiligheidssituatie in Nigeria niet kon worden voldaan, heeft de verdachte geen nadere stukken aangeleverd ter onderbouwing van zijn standpunten.

Gelet op het bovenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de verdachte geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand volstrekt onwaarschijnlijke verklaring heeft afgelegd over de herkomst van het geldbedrag. Al het voorgaande in overweging nemende is het hof dan ook van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het bij de verdachte aangetroffen geldbedrag - middellijk of onmiddellijk - van misdrijf afkomstig is en dat de verdachte dit wist."

Middel

De middelen 2 tot en met 10 komen met verschillende sterk samenhangende klachten tegen de bewezenverklaring op.

  • middel 2 komt op tegen het aannemen door het hof van een redelijk vermoeden van schuld aan witwasdelicten;
  • middel 3 behelst de klacht dat uit de bewijsmiddelen niet zonder meer blijkt dat de verdachte niet op eigen initiatief aangifte heeft gedaan van het geld dat hij bij zich had en desgevraagd bij de douane een te laag bedrag heeft opgegeven kennelijk ter ontduiking van de meldgrens;
  • middel 4 betreft de klacht dat het niet aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het aangetroffen geld niet van misdrijf afkomstig is;
  • middel 5 bevat de stelling dat in tegenstelling tot het oordeel van het hof, de verdachte van meet af aan een concrete, verifieerbare en niet op voorhand volstrekt onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven met betrekking tot de herkomst van het geldbedrag;
  • middel 6 voegt hieraan nog toe dat de verklaringen van de verdachte, anders dan het hof heeft aangenomen, verifieerbaar waren;
  • middel 7 behelst de klacht dat ondanks de omstandigheid dat het hof opdracht heeft gegeven tot het instellen van een nader onderzoek naar A, aan dit onderzoek geen uitvoering is gegeven en het hof vervolgens ten onrechte voorrang heeft gegeven aan het belang van een voortvarende afdoening. Gesteld wordt dat het hof daarbij, door nader bewijs van de verdachte te verlangen, de bewijslast op ontoelaatbare wijze heeft omgekeerd;
  • middel 8 borduurt op middel 7 voort doordat daarin de stelling wordt betrokken dat nu het nadere onderzoek dat door het hof is gelast niet is uitgevoerd, het hof niet had mogen concluderen dat het bij de verdachte aangetroffen geldbedrag middellijk of onmiddellijk afkomstig was uit misdrijf en dat de verdachte dit wist;
  • in middel 9 wordt de stelling betrokken dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de door de verdachte gegeven verklaring niet waarschijnlijk is;
  • in middel 10 wordt tenslotte opgekomen tegen het oordeel van het hof dat de door de verdachte in september 2010 aan de Belastingdienst/FIOD overhandigde fotokopieën van stukken niet kunnen dienen ter onderbouwing van de gestelde autohandel, nu de verdachte daarnaast een originele “Affadavit of facts”van betrokkene 2 heeft overgelegd, die zijn verklaring ondersteunt.

Beoordeling Hoge Raad

Dat onder een verdachte aangetroffen contant geld "uit enig misdrijf afkomstig is" kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is (vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010: BM0787, NJ 2010/456, rov. 2.5).

In zijn overwegingen heeft het Hof geoordeeld dat de daarin vastgestelde feiten en omstandigheden het vermoeden rechtvaardigen dat het geldbedrag dat de verdachte voorhanden heeft gehad - onmiddellijk of middellijk - uit enig misdrijf afkomstig is en dat derhalve van de verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Voor zover de middelen daarover klagen, zijn zij tevergeefs voorgesteld.

Het Hof heeft voorts geoordeeld dat de verdachte geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand volstrekt onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het geldbedrag. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Daarvan uitgaande is het oordeel van het Hof dat "het niet anders kan zijn dan dat het bij de verdachte aangetroffen geldbedrag - middellijk of onmiddellijk - van misdrijf afkomstig is en dat de verdachte dit wist" niet onbegrijpelijk. Verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard leent zich dit oordeel niet voor verdere toetsing in cassatie.

De middelen falen in zoverre.

Conclusie AG

5.5. Bij de beoordeling van de middelen kan het volgende worden vooropgesteld. Dat onder een verdachte aangetroffen contant geld ‘uit enig misdrijf afkomstig is’ kan – indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreek verband valt te leggen met een bepaald misdrijf – niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Daarbij geldt dat voor bewezenverklaring niet is vereist dat het specifieke misdrijf waaruit het geld afkomstig is in de bewijsmiddelen nauwkeurig wordt aangeduid. Hoewel bij aanwezigheid van een witwasvermoeden van de verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het aangetroffen geld, blijft de (primaire) bewijslast van het Openbaar Ministerie in een dergelijk geval in ieder geval in zoverre overeind, dat het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit de voor het aannemen van witwassen noodzakelijke criminele herkomst van het geld kan worden afgeleid nog altijd van het Openbaar Ministerie moet komen. Dat van de verdachte in het voorkomende geval mag worden verlangd dat hij een verklaring voor de herkomst van aangetroffen geld geeft, houdt immers op zichzelf genomen nog niet in dat het dan ook aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het geld niet van misdrijf afkomstig is.

5.6. Zoals blijkt uit de hierboven onder 5.3 aangehaalde (nadere) bewijsoverwegingen, heeft het hof in casu geoordeeld dat – gelet op het zich voordoen van een drietal zogeheten ‘witwastypologieën’ – sprake is van een vermoeden van witwassen en dat op grond daarvan van de verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het aangetroffen geldbedrag. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is, wat er ook zij van de door de steller van het middel naar voren gebrachte bezwaren tegen dit oordeel, niet onbegrijpelijk, zodat het tweede middel faalt.

5.7. Het hof heeft uit de als bewijsmiddel 1 gebezigde verklaring van verbalisanten en de als bewijsmiddelen 2 en 3 gebezigde verklaringen van de verdachte kunnen afleiden dat de verdachte op de tenlastegelegde datum op Schiphol is aangetroffen in het bezit van een grote hoeveelheid contant geld (CHF 35.000,-) en dat hij de bedoeling had daarvan geen aangifte te doen bij de douane. Hoewel de genoemde bewijsmiddelen mede inhouden dat de verdachte heeft verklaard dat hij wel aangifte wilde doen en dat het door een verbalisant in eerste instantie van hem gehoorde bedrag aan meegebracht geld van slechts CHF 5.000,- verkeerd was verstaan, heeft het hof deze verklaring zo kunnen lezen, dat zij het vermoeden van witwasgedragingen van de verdachte alleen maar (nader) illustreren. Het derde middel treft derhalve geen doel.

5.8. De overige middelen bevatten twee klachten die hier nadere bespreking behoeven. Allereerst wordt in de middelen in algemene zin gesteld dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de verdachte geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand volstrekt onwaarschijnlijke verklaring voor de herkomst van het aangetroffen geldbedrag heeft gegeven. Daarnaast bevatten de middelen nog een meer bijzondere klacht ten aanzien van het oordeel van het hof dat de door de verdediging aangeleverde fotokopieën van twee cognossementen (bills of lading) en twee bewijzen van wisseltransacties (exchange receipts) niet kunnen dienen ter onderbouwing van de stellingen van de verdachte met betrekking tot de herkomst van het geldbedrag.

5.9. Door de verdachte is steeds gesteld dat hij het contante geld bij zich had om voor zijn bedrijf A in Europa tweedehands auto’s op te kopen en deze naar Nigeria te verschepen. Ter terechtzitting van 25 april 2012 heeft het hof het bij appelschriftuur gedane verzoek tot het horen van betrokkene 2 als getuige toegewezen en de zaak met het oog op het verhoor van deze getuige verwezen naar de raadsheer-commissaris. Tevens heeft het hof op de betreffende zitting aan de advocaat-generaal bij het hof verzocht om te bevorderen dat “via de geëigende kanalen onderzoek wordt gedaan naar de onderneming A te Lagos, Nigeria”. Blijkens de inhoud van een proces-verbaal van bevindingen van 9 juli 2014 is vervolgens via een rechtshulpverzoek geprobeerd om getuige betrokkene 2 te laten horen. Dit rechtshulpverzoek heeft (enkel) de mogelijkheid van een rogatoire commissie naar Nigeria opgeleverd, van welke mogelijkheid echter om veiligheidsredenen is afgezien.

5.10. Vervolgens is op de terechtzitting van 2 december 2014 zowel het getuigenverzoek van de verdediging als het verzoek aan de advocaat-generaal tot nader onderzoek naar het (beweerdelijke) bedrijf van de verdachte weer aan de orde geweest. Het proces-verbaal van de betreffende zitting vermeldt in dit verband het volgende:

“De voorzitter maakt melding van de appelschriftuur, waarin wordt verzocht om het horen als getuige van [betrokkene 2] .

De advocaat-generaal reageert dat de zaak eerder op zitting is geweest op 25 april 2012 en dat de zaak toen is verwezen naar de raadsheer-commissaris voor het horen van deze getuige. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 9 juli 2014 van de raadsheer-commissaris blijkt dat het niet mogelijk is gebleken de getuige te horen. De advocaat-generaal zegt voorts dat zij niet heeft kunnen terugvinden in het dossier dat er onderzoek is gedaan naar [A] te Lagos, Nigeria. Er is contact geweest met het ministerie en daaruit is gebleken dat er onderzoek kan worden verricht, maar dat niet gegarandeerd kan worden dat er enig resultaat uit zal volgen. Zij verzet zich tegen aanhouding van de zaak om alsnog onderzoek te doen verrichten naar genoemd bedrijf, aangezien er zoveel zaken in het dossier niet kloppen, en er zoveel aanwijzingen zijn dat in deze zaak sprake is van witwassen dat onderzoek naar eerdergenoemd bedrijf in het land van herkomst van de verdachte overbodig is.

Na beraad in raadkamer deelt de voorzitter als overwegingen en beslissing van het hof mede dat er weliswaar opdracht is gegeven aan het Openbaar Ministerie onderzoek te doen naar [A] , welke opdracht niet is uitgevoerd, doch nu de verdachte zelf geen nadere stukken heeft aangedragen ter onderbouwing van zijn eerder ingenomen standpunten en nu niet te verwachten valt dat genoemd onderzoek binnen afzienbare termijn zal kunnen worden afgewikkeld, noch dat de getuige binnen afzienbare termijn gehoord zal kunnen worden, is het hof van oordeel dat het belang van een voortvarende afdoening van de zaak zwaarder weegt dan het belang bij uitvoering van deze opdrachten.”

5.11. Ter terechtzitting van 2 december 2014 heeft het hof dus geoordeeld dat het belang van de verdachte bij het alsnog laten uitvoeren van het verzochte onderzoek door het Openbaar Ministerie en het wachten op een mogelijkheid om de verzochte getuige alsnog te horen inmiddels minder zwaar woog dan het belang van een voortvarende afdoening van de zaak. In het bestreden arrest heeft het hof vervolgens overwogen dat de door de verdachte gegeven verklaring voor de herkomst van het aangetroffen geld “weinig concreet en niet verifieerbaar [is], nu de verdachte geen enkele verdere informatie heeft kunnen verschaffen op basis waarvan het Openbaar Ministerie nader onderzoek zou kunnen (doen) instellen”.

5.12. Zowel gelet op het ter terechtzitting van 25 april 2012 gedane verzoek van het hof aan de advocaat-generaal om nader onderzoek naar het bedrijf van de verdachte als op de in het proces-verbaal van de terechtzitting van 2 december 2014 vermelde woorden van de advocaat-generaal dat dergelijk nader onderzoek mogelijk is, vind ik het oordeel van het hof in het bestreden arrest niet zonder meer begrijpelijk. In de toewijzing van het getuigenverzoek van de verdediging op de zitting van 25 april 2012 en het door het hof gedane verzoek om nader onderzoek naar A in Lagos, ligt immers besloten dat de door de verdachte gegeven verklaring in ieder geval voldoende concreet was om deze door nader onderzoek te (laten) verifiëren. Dat het hof daarop later kennelijk is teruggekomen vergt mijns inziens dan ook een nadere en begrijpelijke motivering.

5.13. De vervolgvraag is of het hof een dergelijke motivering in het arrest heeft gegeven. Het hof heeft onder meer overwogen dat de door de verdediging aangeleverde fotokopieën van twee cognossementen en twee bewijzen van wisseltransacties niet kunnen dienen ter onderbouwing van de stellingen van de verdachte met betrekking tot zijn autohandel. In dit verband overweegt het hof in het bijzonder dat de genoemde (kopieën van) cognossementen niet de naam van het bedrijf A maar de naam van betrokkene 2 vermelden en dat van de gestelde familieverwantschap tussen de verdachte en deze vrouw niet is gebleken. Ook deze overweging vind ik niet begrijpelijk, aangezien niet valt in te zien waarom de bewijswaarde van de cognossementen af zou hangen van het bestaan van een familieverwantschap tussen betrokkene 2en de verdachte. Daar komt nog bij dat het hof heeft overwogen dat “ook anderszins een (familie)band tussen de verdachte en de op de ‘bills of loading’ vermelde persoon niet is aangetoond”, terwijl onder de aan de Hoge Raad toegezonden stukken zich een door de raadsman ter zitting van 25 april 2012 overgelegde originele ‘Affidavit of Facts’ afkomstig van “The High Court of Lagos State” bevindt, inhoudende een verklaring van betrokkene 2en twee foto’s van deze betrokkene 2en de verdachte samen. Hierin verklaart betrokkene 2onder andere dat zij de zuster is van de verdachte en directeur is van A Nig, hetgeen zou blijken uit haar ID card en dat zij belast is met de dagelijkse gang van zaken in dat bedrijf met betrekking tot de import van auto’s, bussen en onderdelen die haar broer naar Nigeria verscheept. Verder verklaart zij dat zij geld heeft overgemaakt naar haar broer, de verdachte, om tweedehands auto’s en onderdelen in Nederland te kopen. Uit het arrest blijkt niet dat het hof zich over (de betrouwbaarheid van) dit document heeft uitgelaten, terwijl hierin toch onmiskenbaar steun kan worden gevonden voor de verklaring van de verdachte over de herkomst van het geld.

5.14. Ook de overweging van het hof dat de door de verdediging aangeleverde (kopieën) van bewijzen van wisseltransacties om verschillende redenen twijfels over de authenticiteit daarvan oproepen vormt mijns inziens geen toereikende motivering van het oordeel dat de verdachte geen concrete en verifieerbare verklaring voor de herkomst van het aangetroffen geldbedrag heeft gegeven. De betrouwbaarheid van de aangeleverde bewijzen van wisseltransacties en cognossementen had immers bij uitstek het voorwerp kunnen vormen van het nadere onderzoek door het Openbaar Ministerie waarom het hof ter terechtzitting van 25 april 2012 zelf heeft verzocht. Ik acht derhalve de bewezenverklaring niet voldoende met redenen omkleed. Dat het hof nog heeft overwogen dat de verdachte na de terechtzitting van 25 april 2012 geen nadere stukken heeft aangeleverd ter onderbouwing van zijn standpunten maakt dit niet anders, nu niet duidelijk is hoe deze overweging zich verhoudt tot het op deze terechtzitting van 25 april 2012 zelf gedane verzoek van het hof om nader onderzoek door het Openbaar Ministerie.

6. De middelen vier tot en met tien slagen voor zover daarin wordt betoogd dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.

Lees hier de volledige uitspraak.

Cursus Witwasbestrijding Vrijdag 7 oktober 2016.

Klik hier voor meer informatie.

Print Friendly and PDF ^