HR: een zekere bereidheid tot het plegen van (ook soortgelijke) strafbare feiten staat niet aan uitlokking in de weg

Hoge Raad 9 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:223 In de onderhavige zaak heeft de verdachte, naar aanleiding van informatie die hij verstrekte aan respectievelijk een ambtenaar van de Belastingdienst en een politieambtenaar, van voornoemde personen onder het ambtsgeheim vallende gegevens ontvangen. In de schriftuur wordt geklaagd dat het oordeel van het hof dat de verdachte in de onderhavige zaken inlichtingen heeft verschaft waardoor hij de ander heeft uitgelokt tot het plegen van een misdrijf onbegrijpelijk is en/of blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.Tweede middel

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft geoordeeld dat sprake is van uitlokking, omdat betrokkene 1 uit zichzelf had aangeboden informatie te verstrekken.

Beoordeling Hoge Raad

Een zekere bereidheid in algemene zin tot het plegen van – mogelijk soortgelijke - strafbare feiten bij degene die zou zijn uitgelokt, staat aan uitlokking niet in de weg, omdat het er bij uitlokking om gaat dat de uitgelokte door de uitlokker met gebruikmaking van één of meer uitlokkingsmiddelen wordt aangezet tot het plegen van een specifiek strafbaar feit (vgl. HR 13 mei 1975, ECLI:NL:HR: 1975:AB4660, NJ 1975/386).

Het oordeel van het Hof dat de omstandigheid dat betrokkene 1 in een eerder stadium in algemene zin te kennen had gegeven open te staan voor informatieverzoeken, aan de tenlastegelegde uitlokkingen niet af doet, geeft derhalve niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is.

Het middel faalt.

Eerste middel

Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat de door de verdachte verstrekte gegevens kunnen worden aangemerkt als "inlichtingen" als bedoeld in art. 47, eerste lid onder 2, Sr.

Beoordeling Hoge Raad

Onder inlichtingen als bedoeld in art. 47, eerste lid onder 2, Sr zijn begrepen mededelingen van feitelijke aard die van belang zijn met het oog op het te plegen delict, in die zin dat deze geschikt zijn om in de omstandigheden van het geval te bewerkstelligen dat het delict wordt gepleegd (vgl. HR 27 februari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0260, NJ 2001/308).

Het Hof heeft met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 3.2 is vooropgesteld, geoordeeld dat de door de verdachte verstrekte gegevens over de personen over wie hij nadere informatie wenste te verkrijgen, als inlichtingen in de zin van art. 47, eerste lid onder 2, Sr kunnen worden aangemerkt. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Beklag: Rb heeft ten onrechte de teruggave van de desbetreffende inbeslaggenomen goederen aan een ander dan klaagster gelast

Hoge Raad 2 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:170

Klaagster is gehuwd geweest met de beslagene (betrokkene 1). In de strafzaak tegen deze betrokkene 1 zijn onder betrokkene 1 en kennelijk daarnaast ook onder klaagster goederen in beslag genomen op grond van art. 94a Sv. Betrokkene 1, echtgenoot van klaagster, is lopende de tegen hem ingestelde strafvervolging om het leven gebracht waardoor de strafzaak tegen hem is geëindigd in een niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de strafvervolging. De strafzaak die is aangevangen tegen klaagster is geëindigd in een vrijspraak. Het door klaagster ingediende klaagschrift strekt dan ook tot opheffing van de gelegde beslagen en tot teruggave van deze goederen en geldbedragen aan klaagster.

Het Openbaar Ministerie was met klaagster van oordeel dat de grond aan het gelegde conservatoire beslag was komen te vervallen en dat het belang van de strafvordering zich derhalve niet tegen de teruggave van de desbetreffende goederen verzette. Ten aanzien van de door het OM onder A en B genoemde goederen stelde het OM zich op het standpunt dat deze aan klaagster dienen te worden teruggegeven. Ten aanzien van de onder C genoemde goederen - die onder betrokkene 1 in beslag zijn genomen - heeft het OM zich op het standpunt gesteld dat die dienen te worden teruggegeven aan de vereffenaar van de boedel, nu deze in de plaats van de erfgenamen treedt.

Het oordeel van de Rechtbank houdt in:

"Gelet op de conclusie van de officier van justitie tot gegrondverklaring, opheffing van het beslag en de teruggave, kan de rechtbank niet meer treden in de beoordeling van de vraag of enig strafvorderlijk belang in de weg staat aan teruggave. Hiermee staat vast dat de rechtbank moet komen tot een gegrondverklaring van het klaagschrift.

Evenwel ziet de rechtbank zich thans voor de vraag gesteld aan wie het beslag als genoemd onder C in de conclusie van het openbaar ministerie feitelijk moet worden teruggegeven.

Bij de beantwoording van deze vraag acht de rechtbank van belang dat de goederen als genoemd onder C bij wijlen [betrokkene 1] in beslag zijn genomen. Het is echter onduidelijk wie als rechthebbende moet worden aangemerkt. Alle omstandigheden in aanmerking nemend gaat de rechtbank er vanuit dat de goederen behoren tot de boedel. Voorts is van belang dat de rechtbank een vereffenaar van de boedel heeft benoemd welke in de plaats van de erfgenamen treedt overeenkomstig de betreffende bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek, in het bijzonder artikel 4:203 BW.

Namens klaagster is naar voren gebracht dat zij als erfgenaam (weduwe) de rechthebbende is en dat de goederen dus aan haar toekomen. De rechtbank is van oordeel dat klaagster dit standpunt niet aannemelijk heeft gemaakt. Wat aan klaagster rechtens toekomt in de hoedanigheid van erfgenaam, zal haar ook via de vereffenaar toekomen.

Alle omstandigheden overziend is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van de teruggave aansluiting moet worden gezocht bij de strafvorderlijke hoofdregel van teruggave aan de beslagene, in casu wijlen [betrokkene 1] , en gezien de benoeming van de vereffenaar, aan deze vereffenaar.

De rechtbank beslist als hierna te melden.

DE BESLISSING:

De rechtbank verklaart het klaagschrift gegrond en gelast de teruggave van de goederen als genoemd onder A en B in de conclusie van het openbaar ministerie aan klaagster en de goederen als genoemd onder C in de conclusie van het openbaar ministerie aan [betrokkene 2] in de hoedanigheid van vereffenaar van de boedel van de beslagene."

Middel 

Het middel klaagt dat de Rechtbank met betrekking tot de in de bestreden beschikking onder C genoemde goederen, die onder wijlen betrokkene 1 in beslag genomen waren, ten onrechte een last tot teruggave aan een ander dan de klaagster heeft gegeven.

Beoordeling Hoge Raad

De wet kent wat betreft de beklagprocedure als bedoeld in het vierde boek, titel IX, van het Wetboek van Strafvordering niet de mogelijkheid van een last tot teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen aan een ander dan degene die een klaagschrift strekkende tot teruggave heeft ingediend. De Rechtbank heeft ten onrechte de teruggave van de desbetreffende inbeslaggenomen goederen aan een ander dan de klaagster gelast. De Rechtbank had te dezen zodanige last niet mogen geven.

Het middel is derhalve terecht voorgesteld. Tot cassatie kan dit evenwel niet leiden. In de beoordeling van het klaagschrift ligt als het oordeel van de Rechtbank besloten dat de klaagster niet redelijkerwijs als rechthebbende op de onder C genoemde goederen kan worden aangemerkt. Over dit oordeel klaagt het middel niet. Bij vernietiging en terugwijzing heeft de klaagster dan ook geen belang, nu de Rechtbank op grond van dat oordeel het klaagschrift in zoverre ongegrond had dienen te verklaren.

Gelet hierop zal de Hoge Raad - gezien art. 80a RO - het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Ontneming: wvv mede ontleend aan de inhoud van de in een pv neergelegde anonieme melding. HR zet motiveringseisen aan gebruik van schriftelijk bescheid houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt uiteen.

Hoge Raad 2 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:166

Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 8 juli 2014 de uitspraak bevestigd van de Rechtbank Limburg van 2 september 2013, waarbij de betrokkene de verplichting is opgelegd om een bedrag van € 49.336,52 aan de Staat te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Namens de betrokkene heeft mr. E. Maessen, advocaat te Maastricht, drie middelen van cassatie voorgesteld.

Middel

Het tweede middel klaagt dat het Hof ten onrechte de beslissing ex art. 36e Sr van de Rechtbank heeft bevestigd, nu de Rechtbank de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft ontleend aan een schriftelijk bescheid houdende een anonieme verklaring en zij in haar uitspraak geen blijk heeft gegeven te hebben onderzocht of de anonieme verklaring betrouwbaar is, noch of aan de verdedigingsrechten van de betrokkene in voldoende mate is tegemoetgekomen, zodat de uitspraak gelet op het bepaalde in art. 511g Sv in verbinding met art. 415 Sv en art. 360, eerste lid, Sv niet in stand kan blijven.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft genoten. De Rechtbank heeft dit voordeel geschat op € 49.336,52 en aan de betrokkene een betalingsverplichting opgelegd ter hoogte van dit bedrag.

De uitspraak van de Rechtbank houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"3. De uitgangspunten voor de beoordeling

Bij (...) vonnis d.d. 2 september 2013 is [betrokkene] veroordeeld wegens onder meer opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel, gepleegd op 18 mei 2012.

(...)

4. De bewijsmiddelen

Op 18 mei 2012 is in de kelder van de woning [a-straat 1] te Maastricht een in werking zijnde hennepplantage aangetroffen. Voorts zijn op de zolder van deze woning twee 'growtenten' met hennepplanten aangetroffen. In de kelder stonden 546 planten. Op de zolder stonden in iedere tent 50 planten. Onderzoek wees uit dat het hennepplanten betrof. Op de vloer van de kelder zijn verdroogde resten van hennepplanten aangetroffen. Voorts zijn op de grond in de kelder knipschaartjes met hennepresten aangetroffen. Op de kappen van de armaturen van de assimilatielampen lag stof. Verder zijn diverse lege flacons aangetroffen waarin groei- en bloeimiddel had gezeten, was er sprake van kalkafzetting in een ton met water en was er een perfecte en zeer volle hennepplant met bloem.

Volgens een anonieme tip was er al eerder geoogst. [Met verwijzing naar voetnoot 7, die luidt: Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 juni 2012 op pagina 13.]

Tegenover de politie heeft verdachte verklaard dat de plantage van hem was.

Ter terechtzitting d.d. 19 augustus 2013 heeft verdachte verklaard dat hij voor de woning [a-straat 1] te Maastricht € 2.000,00 of € 2.400,00 huur per maand betaalde, inclusief elektriciteitskosten. [betrokkene 1] , de eigenaar van de woning, heeft verklaard dat hij de woning in mei 2011 aan verdachte heeft verhuurd.

5. De schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel

5.1

De berekening en de motivering van de schatting

De rechtbank ontleent aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel dat [betrokkene] uit de baten van het opzettelijk telen van hennep, voorafgaande aan de op 18 mei 2012 aangetroffen teelt, voordeel heeft gekregen. De rechtbank zal het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vaststellen op € 49.336,52.

Uit voormelde bewijsmiddelen volgt onder meer dat in de door [betrokkene] gehuurde woning aan de [a-straat 1] te Maastricht knipschaartjes met hennepresten zijn aangetroffen en diverse lege flacons waarin groei- en bloeimiddel had gezeten. Ook was sprake van stof op de kappen van de armaturen van de assimilatielampen en van kalkafzetting in een ton met water. Daarnaast is een perfecte en zeer volle hennepplant met bloem aangetroffen, hetgeen - naar de rechtbank als feit van algemene bekendheid aanneemt - bij een eerste oogst allerminst voor de hand ligt. Ten slotte werd er in een anonieme tip melding van gemaakt dat er al eerder was geoogst.

Anders dan de verdediging, is de rechtbank dan ook van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat [betrokkene] een eerdere oogst heeft gehad.

De rechtbank gaat ervan uit dat [betrokkene] in de woning waarin op 18 mei 2012 een hennepkwekerij is aangetroffen, eenmaal eerder hennepplanten heeft geoogst. Zij gaat daarbij uit van hetzelfde aantal hennepplanten dat ook op 18 mei 2012 is aangetroffen, te weten 646 planten."

Uit het vorenstaande volgt dat de Rechtbank de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel mede heeft ontleend aan de inhoud van de in een proces-verbaal van politie neergelegde anonieme melding dat "er al eerder [was] geoogst". Dat proces-verbaal moet in zoverre worden aangemerkt als een schriftelijk bescheid houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt als bedoeld in art. 344a, derde lid, Sv.

Indien de rechter in de ontnemingsprocedure de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel mede ontleent aan een schriftelijk bescheid houdende een anonieme verklaring, dient hij overeenkomstig art. 360, eerste lid, Sv in zijn uitspraak ervan blijk te geven te hebben onderzocht of de anonieme verklaring betrouwbaar is, alsmede of aan de verdedigingsrechten van de betrokkene in voldoende mate is tegemoetgekomen. (Vgl. HR 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6002, NJ 2012/412.) Van een dergelijk onderzoek blijkt niet. Nu het Hof de uitspraak van de Rechtbank - die niet voldoet aan de eisen van art. 360, eerste lid, Sv - zonder aanvulling in de zin van art. 423, eerste lid, Sv heeft bevestigd, voldoet ook het arrest van het Hof niet aan die eisen.

Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Beslag i.v.m. vermoeden onregelmatigheden aanleg geluidswal

Hoge Raad 2 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:173 De Rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, heeft bij beschikking van 11 februari 2015 het door klaagster ingediende klaagschrift ex art. 552a Sv gegrond verklaard en de opheffing gelast van het conservatoir beslag gelegd op de in de beschikking aangeduide onroerende goederen. Tegen deze beschikking heeft officier van justitie, mr. D. van Ieperen cassatieberoep ingesteld.

De Rechtbank heeft het klaagschrift, dat strekt tot opheffing dan wel beperking van de op de voet van art. 94a Sv gelegde beslagen op diverse onroerende zaken, gegrond verklaard. De bestreden beschikking houdt het volgende in:

"5. De beoordeling

Op grond van de stukken en de behandeling op de zitting stelt de raadkamer het volgende vast.

Feiten en omstandigheden

In 2008 is door de gemeente Menameradiel aan [klaagster] een aanlegvergunning verleend voor het aanleggen van een geluidswal gelegen aan de Rijksstraatweg te Menaldum. In december 2012 is geconstateerd dat de geluidswal groter is geworden dan vergund. Daarnaast bestaat het vermoeden dat onder en nabij de geluidswal ontgrondingen hebben plaatsgevonden zonder dat daarvoor een ontgrondingsvergunning was verleend door Gedeputeerde Staten van Friesland.

De rechter-commissaris heeft op 10 juli 2014 op vordering van de officier van justitie een machtiging verleend tot het leggen van conservatoir beslag tot verhaal van een op te leggen geldboete en/of een op te leggen betalingsverplichting aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel en/of een op te leggen schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr. De vordering is door de rechter-commissaris geschat op een bedrag van € 1.239.040,00. Op 24 juli 2014 is door de officier van justitie een bevel tot inbeslagneming uitgevaardigd inzake de onder paragraaf 1 genoemde onroerende zaken.

Maatstaf

In geval van beslag op grond van artikel 94a Sv dient de rechter te beoordelen of er ten tijde van zijn beslissing sprake was van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en of zich niet het geval voordoet dat hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. Uit het arrest van de Hoge Raad van 7 januari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:38, NJ 2014/66) volgt dat de toe te passen maatstaf niet uitsluit dat de rechtbank, indien de omstandigheden van het geval dat meebrengen, bij de beoordeling van het klaagschrift tevens onderzoekt of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Overwegingen

Klaagster wenst primair de inbeslaggenomen onroerende zaken terug te krijgen en wenst subsidiair dat het beslag wordt beperkt.

De raadkamer overweegt daarover het volgende.

Vooropgesteld moet worden dat volgens vaste jurisprudentie het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Van de rechter in de beklagprocedure kan niet worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats, omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruit loopt op het in de hoofdzaak te geven oordeel. De rechter tekent hier echter bij aan dat moet worden beslist op grond van alle relevante feiten en omstandigheden van het geval op het moment van het beoordelen van het beklag. Ondanks het summiere karakter van de beklagprocedure dient dus kritisch naar deze feiten en omstandigheden te worden gekeken.

Gelet op alle stukken in het onderhavige dossier, die elkaar op diverse punten tegenspreken, in elk geval geen eenduidige conclusies bevatten met betrekking tot bijvoorbeeld de omvang van de geluidswal en of er, en zo ja in hoeverre, ontgronding zonder vergunning heeft plaatsgevonden alsmede met betrekking tot het bedrag dat door de vermeende strafbare feiten eventueel aan wederrechtelijk verkregen voordeel zou zijn verkregen door klaagster (gedoeld wordt op de bij de stukken gevoegde bescheiden, te weten het rapport van [A] met bijlagen van 18 december 2014, opgemaakt door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , het rapport van het NFI van 31 december 2014 met bijlage, opgemaakt door ir. A.K. van den Eijkel, het rapport van [B] met bijlagen van 22 oktober 2013 met projectnummer [001] , de rapporten van [C] alsmede de beslissing op bezwaar van de gemeente Menameradiel van 12 januari 2015 en het aangepaste besluit op bezwaar van 8 januari 2015, de beslissing op het bezwaarschrift tegen het besluit van 10 april 2014 van de Provincie Friesland en de door de raadsman ter zitting overgelegde uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 18 december 2014 en bescheiden met facturen van [klaagster] ), is de raadkamer van oordeel dat op basis van het opgemaakte proces-verbaal weliswaar aangenomen kan worden dat er een verdenking bestaat jegens [klaagster] van handelen in strijd met bepalingen van de Wet Milieubeheer en de Ontgrondingenwet, voor welke misdrijven een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Echter is in de voornoemde rapportages en overige overgelegde stukken sprake van dermate veel tegenstrijdige feiten, althans van uiteenlopende conclusies die multi-interpretabel zijn, dat om die reden niet zonder meer gezegd kan worden dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechter later oordelend een geldboete dan wel een bedrag ter ontneming van het eventueel wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. Zo staat niet de exacte omvang vast van het aantal kubieke meters aan aangevoerde industriegrond voor de aanleg van de geluidswal buiten de vergunning om, evenmin als de waarde die die industriegrond in het economisch verkeer vertegenwoordigt waardoor de schatting van het eventueel wederrechtelijk verkregen voordeel door klaagster een slag in de lucht lijkt te zijn. Daarnaast staat niet vast of niet alsnog een uitbreidingsvergunning door de gemeente zal worden verleend voor het buiten de bestaande vergunning om uitbreiden van de geluidswal. Wat de ontgronding betreft heeft klaagster zich op het standpunt gesteld dat de haar verweten ontgrondingen zonder vergunning niet hebben plaats gevonden. In elk geval is er verschil van opvatting over ontgrondingen voor zover die dieper gaan dan een halve meter onder het maaiveld. Op basis van de thans aanwezige stukken in het dossier heeft de raadkamer niet buiten redelijke twijfel kunnen vaststellen dat dieper is ontgrond dan tot een halve meter onder het maaiveld. De mededeling van de officier van justitie ter zitting - en de korte passage daarover in het zogenoemde start proces-verbaal van de politie - dat de verdenking mede gestoeld is op het eerder in 2012 en 2013 tegen [klaagster] en haar bestuurders uitgevoerde onderzoek onder de naam [D] , kan naar het oordeel van de raadkamer niet dienen ter onderbouwing van het thans gelegde conservatoire beslag, nu aan het onderhavige dossier geen enkel stuk uit dat onderzoek is toegevoegd en het beslag bovendien gelegd is op grond van verdenking van strafbare feiten in het onderhavige onderzoek onder de naam [E] .

Gelet op het hiervoor overwogene is de raadkamer van oordeel dat de vraag of de voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit geen bespreking behoeft.

Conclusie

De raadkamer is op grond van het voorgaande van oordeel dat het klaagschrift gegrond moet worden verklaard en dat het gelegde conservatoire beslag moet worden opgeheven."

Middel

Het middel klaagt over de gegrondverklaring van het beklag.

Beoordeling Hoge Raad

Het toetsingskader voor de beoordeling van een klaagschrift als het onderhavige brengt mee dat, in geval van verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, het klaagschrift afgezien van het antwoord op de vraag van proportionaliteit en subsidiariteit enkel gegrond mag worden verklaard indien zich het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de klager (verdachte) een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.

De Rechtbank heeft het klaagschrift gegrond verklaard en daartoe overwogen dat "niet zonder meer gezegd kan worden dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechter later oordelend een geldboete dan wel een bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen". Aldus heeft de Rechtbank, die weliswaar het juiste toetsingskader heeft vooropgesteld, de beoordelingsmaatstaf niet juist toegepast en als gevolg daarvan is zij niet toegekomen aan de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

De beslissing van de Rechtbank is ontoereikend gemotiveerd. Het middel klaagt daarover terecht.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Slagende klacht m.b.t. uitdrukkelijk onderbouwde standpunt ertoe strekkende dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, omdat de in een door hem opgesteld taxatierapport opgenomen waarde niet vals is

Hoge Raad 2 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:174 Verzoeker is bij arrest van 20 mei 2014 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren, en tot een taakstraf voor de duur van tweehonderd uren wegens valsheid in geschrift en opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, afleveren, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst.

Namens verzoeker heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur vijf middelen van cassatie voorgesteld.

Middel

Het derde en vijfde middel klagen dat het Hof in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ertoe strekkende dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, omdat de in het taxatierapport van 13 april 2005 opgenomen waarde niet vals is.

Het in de middelen bedoelde standpunt is in de conclusie van de Advocaat-Generaal als volgt samengevat:

"Uit vooral het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 juli 2013 en de bij die gelegenheid overgelegde pleitaantekeningen blijkt dat door en namens verzoeker uitvoerig is betoogd dat de rapporten van juli 2003 en van december 2005 ten onrechte door de FIOD en in navolging daarvan door de rechtbank op één lijn zijn gesteld met het rapport van 13 april 2005 waarbij de afwijking in het laatstgenoemde rapport de valsheid daarvan zou tonen. De verdediging heeft blijkens de pleitaantekeningen in dit verband het volgende naar voren gebracht (...). De vijf rapporten kunnen niet op één lijn worden gesteld vanwege het feit dat de uitgangspunten en bijzondere aannames die aan het taxatierapport van 13 april 2005 ten grondslag liggen wezenlijk verschillen van de andere vier taxatierapporten. De rapporten van juli 2003 en van december 2005 hanteren, evenals het taxatierapport van [betrokkene 5] d.d. 16 januari 2009, met welke rapporten het taxatierapport van 13 april 2005 is vergeleken, alle de residuele wijze van waardebepaling en dus een andere scenarioberekening dan verzoeker in zijn taxatierapport van 13 april 2005. In die andere rapporten is ervan uitgegaan dat de grond direct voor bebouwing gereed was, terwijl verzoeker in het rapport van 13 april 2005, gezien de onzekerheden omtrent de bebouwing op het stuk grond en hoe die bebouwing er uiteindelijk uit zou gaan zien, ten aanzien van de aard en de omvang van de toekomstige ontwikkeling gekozen heeft voor de comparatieve methode als meest adequate, waarbij een vergelijking is gemaakt met overeenkomstige transacties in de markt. Dat verzoeker de comparatieve methode hanteerde en tot een grondprijswaardering van € 25,- per m² kwam, was gerechtvaardigd, zeker wanneer daarbij betrokken wordt het oordeel van diverse deskundigen die het hanteren van deze methode ondersteunen in het licht van de omstandigheden waaronder verzoeker op dat moment heeft getaxeerd. Hoewel verzoeker erkent dat hij dingen duidelijker had kunnen opschrijven, ontkent hij enige onjuistheid in het rapport van 13 april 2005 te hebben opgenomen."

Beoordeling Hoge Raad

Hetgeen door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht met betrekking tot de in het taxatierapport van 13 april 2005 opgenomen waarde, erop neerkomende dat en waarom dat rapport niet valselijk is opgemaakt, kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het Hof naar voren is gebracht.

Het Hof is in zijn arrest van dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt afgeweken, maar heeft in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv niet in het bijzonder de redenen opgegeven die daartoe hebben geleid, terwijl die redenen ook niet zonder meer blijken uit de bewijsvoering.

Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het Hof, dat met de verdediging ervan uitgaat dat de rapporten van juli 2003 en december 2005 enerzijds en het rapport van 13 april 2005 anderzijds op verschillende uitgangspunten zijn gebaseerd, niet heeft duidelijk gemaakt waarom het gemotiveerde standpunt van de verdediging dat het hanteren van de zogenoemde comparatieve waardebepaling in het taxatierapport van 13 april 2005 in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd is en dat de op grond daarvan berekende grondprijswaardering van € 25,- m² niet vals is, niet opgaat. De omstandigheid die het Hof naar de kern doorslaggevend acht, te weten dat een enorm verschil bestaat tussen de taxatiewaarde in het rapport van 13 april 2005 en die in het door de verdachte opgemaakte rapport van december 2005, biedt zodanige uitleg nog niet.

Vorenbedoeld verzuim heeft ingevolge art. 359, achtste lid, Sv nietigheid tot gevolg.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^