Profijtontneming: aan te leggen maatstaf bij het verzoek tot het overleggen van bescheiden en stukken van overtuiging

Hoge Raad 5 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:2 Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 27.960,92.

In de hoofdzaak is de betrokkene veroordeeld ter zake van opzettelijk handelen in strijd met een in art. 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod. In de onderhavige ontnemingsprocedure is onder meer de vraag aan de orde of sprake is geweest van een eerdere oogst. Tot de stukken van het geding behoort een proces-verbaal inzake wederrechtelijk verkregen voordeel waarbij een verklaring is gevoegd van betrokkene 2, die als fraude-inspecteur werkzaam is bij Stedin Netbeheer BV. Hij verklaart dat er ten minste één hennepkweek heeft plaatsgevonden vóór de aangetroffen hennepkweek. In opdracht van de raadsman van de verdachte heeft betrokkene 1, forensisch analist bij het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau een onderzoeksrapport opgesteld waarin de conclusie in het eerder genoemde proces-verbaal, inclusief de daarbij gevoegde verklaring van betrokkene 2 dat sprake is geweest van een eerdere oogst, aan een toetsing is onderworpen. De raadsman van de verdachte heeft het onderzoeksrapport bij faxbrief van 3 juni 2014 aan het hof toegezonden.

Middel

De middelen betreffen het verzoek van de raadsman het onderzoeksrapport aan het dossier toe te voegen (middelen 1 en 2) en het daaraan verbonden verzoek tot het oproepen van betrokkene 2 als getuige (middel 3).

Beoordeling Hoge Raad

Ingevolge het ook in ontnemingszaken toepasselijke art. 414, eerste lid tweede volzin, Sv zijn de advocaat-generaal bij het hof en de betrokkene bevoegd voor of bij de behandeling van een zaak in hoger beroep nieuwe bescheiden of stukken van overtuiging over te leggen. De uitoefening van die bevoegdheid is evenwel onderworpen aan de eisen die voortvloeien uit de beginselen van een behoorlijke procesorde. Een algemene regel daaromtrent valt niet te geven. Van geval tot geval zal dus moeten worden beoordeeld of aan die eisen is voldaan, waarbij mede betekenis toekomt aan de (belastende dan wel ontlastende) aard van de over te leggen bescheiden of stukken en, indien het gaat om belastende bescheiden of stukken, aan de (al dan niet complexe) aard van de te berechten zaak en het stadium waarin de procedure zich bevindt.

Ingeval bij de behandeling van een zaak in hoger beroep door de advocaat-generaal dan wel door de betrokkene het verzoek wordt gedaan om nadere bescheiden of stukken van overtuiging over te leggen, zal de rechter een afwijzende beslissing op een dergelijk verzoek dienen te motiveren aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaf. Indien de rechter het verzoek toewijst, zal hij de overgelegde stukken bij zijn beraadslaging dienen te betrekken (vgl. HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7709, NJ 2010/409).

Het verzoek van de raadsman tot het voegen van het onderzoeksrapport van betrokkene 1 aan het dossier is een verzoek in de zin van art. 414, eerste lid tweede volzin, Sv. Door te oordelen dat dit verzoek wordt afgewezen op de grond dat de "opgemaakte rapportage niet noodzakelijk is voor enige in deze zaak te nemen beslissing" heeft het Hof de aan te leggen maatstaf bij de beoordeling van het verzoek miskend.

Daarbij komt nog het volgende. Het bedoelde rapport bevindt zich bij de stukken van het dossier en is klaarblijkelijk aan het Hof overgelegd als nieuw bescheid in de zin van art. 414, eerste lid, Sv. Daarvan uitgaande, strekken de overwegingen van het Hof kennelijk ertoe als zijn oordeel tot uitdrukking te brengen dat het Hof het rapport niet bij zijn beraadslaging zal betrekken. Daarmee heeft het Hof miskend dat het acht zal moeten slaan op de inhoud van op de voet van art. 414, eerste lid, Sv overgelegde bescheiden.

Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

AG en Hoge Raad verschillen van mening of termijnverzuim raadsman toe te rekenen is aan verdachte

Hoge Raad 12 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:16 Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland waarbij de verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden wegens opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt gegeven, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd en valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (feit 1), opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt gegeven, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd en valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (feit 2) en witwassen, meermalen gepleegd (feit 3).

Het Hof heeft zijn oordeel dat de verdachte niet in zijn hoger beroep kan worden ontvangen als volgt gemotiveerd:

“Verdachte was op 12 december 2013 in persoon aanwezig bij de behandeling van zijn zaak door de rechtbank Gelderland. Vervolgens is op 24 december 2013 door de rechtbank vonnis gewezen. Verdachte kon volgens de wet gedurende veertien dagen na de uitspraak van het vonnis, dus tot uiterlijk 8 januari 2014, daartegen hoger beroep instellen. Verdachte heeft eerst op 1 september 2014 hoger beroep tegen dit vonnis ingesteld.

Door de raadsvrouw is betoogd dat verdachte dient te worden ontvangen in het beroep omdat bij hem door zijn toenmalige raadsman de gerechtvaardigde verwachting was gewekt dat er hoger beroep tegen het vonnis was ingesteld. Naar achteraf is gebleken heeft de toenmalige raadsman verzuimd hoger beroep in te stellen.

Vooropgesteld moet worden dat de wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden; die termijnen zijn van openbare orde. Overschrijding van de termijn voor hoger beroep door de verdachte, zoals in het onderhavige geval, betekent in de regel dat deze niet in dat hoger beroep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend niet worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn.

De omstandigheid dat door verdachtes raadsman abusievelijk geen hoger beroep is ingesteld levert niet een zodanige bijzondere, verdachte niet toe te rekenen, omstandigheid op dat deze de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doet zijn.

Het feit dat verdachte na zijn ontslag uit detentie op 30 augustus 2014 een brief heeft ontvangen waarin vermeld staat dat hij met betrekking tot parketnummer 05-986300-11 zijn opgelegde straffen en maatregelen heeft ondergaan maakt dit niet anders. Een dergelijke mededeling die ruim na afloop van de termijn die openstond voor het instellen van hoger is verstrekt, doet die termijn niet herleven. Het hof laat nog daar of verdachte aan deze mededeling het vertrouwen mocht ontlenen dat er hoger beroep was ingesteld in de onderhavige zaak, waarbij het hof opmerkt dat verdachte óók niet (alsnog) hoger beroep heeft ingesteld toen hij als gevolg van de executie van het onderhavige vonnis gedetineerd raakte.

Verdachte is daarom niet ontvankelijk in het hoger beroep.”

Verdachtes raadsvrouw heeft in hoger beroep bij pleidooi aangevoerd:

“Op 24 december 2013 is cliënt door de meervoudige kamer van de rechtbank alhier veroordeeld tot een gevangenisstraf van maar liefst 8 maanden. Vervolgens heeft zich de nachtmerrie van elke advocaat, maar meer in het bijzonder van elke verdachte voltrokken. Cliënt wenst zich namelijk, op zeer goede gronden, niet neer te leggen bij dit vonnis en verzocht zijn toenmalig advocaat om namens hem appel in te stellen. Daar heeft hij het niet bij gelaten; hij heeft zelfs bij zijn toenmalig advocaat geverifieerd of aan dat verzoek ook daadwerkelijk gevolg was gegeven.

Binnen de appeltermijn is zulks aan hem bevestigd, hetgeen ook kan worden afgeleid uit de schriftelijke bevestiging van 30 december 2013 waarin een afspraak op kantoor wordt bevestigd "naar aanleiding van het door ons ingesteld rechtsmiddel". Ik vertrouw u bekend met de inhoud van dat emailbericht. In januari 2014 heeft er ook daadwerkelijk een gesprek op kantoor plaatsgevonden waarin het vonnis en de te volgen strategie voor appel zijn besproken.

Bij cliënt was aldus de gerechtvaardigde verwachting gewekt dat namens hem op rechtsgeldige wijze appel was ingesteld tegen het veroordelend vonnis van 24 december 2013. Hij kón en mócht daar op vertrouwen. U kunt zich wellicht voorstellen hoe groot de verbazing was op het moment dat hij bij een verkeerscontrole werd aangehouden en in de PI Lelystad werd geplaatst. Eerst toen werd duidelijk dat zijn toenmalig advocaat zich had verlaten op een kantoorgenoot, welke kantoorgenoot had verzuimd appel in te stellen.

In de PI Lelystad kreeg hij evenwel na 21 dagen een ontslagbrief. In die brief staat duidelijk vermeld dat de aan hem opgelegde straf met het parketnummer uit eerste aanleg is ondergaan. Ik vertrouw u eveneens bekend met de inhoud van dit bericht.

Gezien deze mededeling van een overheidsinstantie leefde cliënt in de veronderstelling dat het vonnis van de rechtbank alsnog niet ten uitvoer zou worden gelegd. Cliënt heeft bij diverse advocaten navraag gedaan en in augustus heb ik namens hem navraag gedaan over een mogelijke signalering.

Toen dat het geval bleek te zijn, heeft cliënt alsnog appel ingesteld. In zijn faxbericht aan de strafgriffie heeft cliënt nadrukkelijk de wens te kennen gegeven alsnog appel te willen instellen tegen het veroordelend vonnis. In die brief wordt niet expliciet aan de griffiemedewerker een bijzondere volmacht in de zin van artikel 450 lid 3 Sv verleend, maar een adres voor de ontvangst van een afschrift van de dagvaarding staat wel in de brief vermeld. Het voorschrift is in het leven geroepen om betekeningsperikelen in appel te voorkomen. Het is dus niet geschreven in het belang van een verdachte, maar in het belang van een effectieve en efficiënte werking van het strafrechtelijk apparaat (HR 21 september 2010. LJN BM4427).

In het licht van die ratio meen ik dat een gemachtigd raadsvrouw ter zitting dat mogelijke gebrek opheft, nog daargelaten dat cliënt ook niet is gewezen op een mogelijk gebrek door een griffiemedewerker (vgl. HR 20 januari 2009. LJN BG5562, NJ 2009, 231).

Die brief kan aldus slechts worden verstaan als een bijzondere volmacht in de zin van artikel 450 Sv (ECLI:NL:HR:2006:AW3629). Dat zijn appel te laat is ingesteld, staat dus niet ter discussie. Cliënt meent evenwel dat gezien de zojuist geschetste gang van zaken, er sprake is van bijzondere, hem niet aan te rekenen omstandigheden die de termijnoverschrijding verontschuldigbaar doen zijn.

We hebben hier niet te maken met een spijtoptant die aanvankelijk heeft afgezien van hoger beroep en daar later op is teruggekomen, maar met een verdachte die kon en mocht vertrouwen op eerder aan hem gedane mededelingen omtrent het op rechtsgeldige wijze instellen van beroep. Gezien het grote belang van cliënt bij een dergelijke onvoorwaardelijke gevangenisstraf, meen ik dat cliënt - gelet ook op artikel 6 EVRM - de mogelijkheid dient te hebben om zijn zaak alsnog inhoudelijk aan uw Hof voor te leggen.”

 

Middel

Het middel houdt in dat het Hof de verdachte op ontoereikende gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep.

Volgens de toelichting op het middel heeft het Hof in het verzuim van verdachtes raadsman (tijdig) hoger beroep in te stellen ten onrechte geen grond gezien voor verontschuldiging van de overschrijding van de termijn voor hoger beroep, althans zijn oordeel te dien aanzien onvoldoende gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

De wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden; die termijnen zijn van openbare orde. Overschrijding van de termijn voor het instellen van hoger beroep door de verdachte, zoals in het onderhavige geval, betekent in de regel dat deze niet in dat hoger beroep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend dan niet worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn. Daarbij kan worden gedacht aan binnen de beroepstermijn verstrekte ambtelijke informatie waardoor bij de verdachte de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat de beroepstermijn op een ander tijdstip aanvangt of aan een zodanige psychische gesteldheid dat in verband daarmee het verzuim tijdig hoger beroep in te stellen niet aan de verdachte kan worden toegerekend (vgl. HR 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8587, NJ 2004/181). Uit de met betrekking tot de rechtsgeldigheid van de aanwending van een rechtsmiddel vereiste rechtszekerheid vloeit de noodzaak voort scherpe en vaste grenzen te trekken (vgl. HR 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:231, NJ 2014/108).

Het Hof heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat door de raadsman van de verdachte abusievelijk geen hoger beroep is ingesteld, terwijl door de raadsman het vertrouwen was gewekt dat hoger beroep tegen het vonnis was ingesteld, niet kan worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid in voormelde zin. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de wet in art. 449 Sv aan de verdachte de bevoegdheid verschaft zelf hoger beroep of cassatie in te stellen, terwijl art. 450 Sv hem daarnaast de keuze laat het rechtsmiddel in te stellen door tussenkomst van een gemachtigd raadsman of vertegenwoordiger, en dat, zoals het Hof heeft vastgesteld, de verdachte zijn wens om hoger beroep in te stellen slechts aan zijn raadsman - en niet aan de griffie van de Rechtbank - kenbaar heeft gemaakt. Dat de raadsman heeft nagelaten tijdig hoger beroep in te stellen, komt onder deze omstandigheden, gelet op hetgeen hiervoor onder 2.3 is vooropgesteld, voor risico van de verdachte.

De beslissingen van het EHRM van 10 oktober 2002, nr. 38830/97 (Czekalla tegen Portugal) en van 22 november 2011, nr. 48132/07 (Andreyev tegen Estland) dwingen in een geval als het onderhavige niet tot een ander oordeel, mede in aanmerking genomen dat in het eerste geval centraal stond dat aan de raadsman niet de gelegenheid was geboden vormverzuimen in de schriftuur te herstellen, en in het tweede geval centraal stond dat de verdachte niet zelf, maar alleen zijn raadsman de mogelijkheid had het rechtsmiddel aan te wenden.

Het middel faalt.

Conclusie AG: contrair

7. Het Hof heeft zich over de gang van zaken als bij pleidooi door verdachtes raadsvrouw beschreven niet expliciet uitgelaten doch aan zijn oordeel ten grondslag gelegd dat, zoals door verdachtes raadsvrouw betoogd, door verdachtes toenmalige raadsman abusievelijk geen appel is ingesteld. Derhalve moet er in cassatie van worden uitgegaan dat verdachte aan zijn toenmalige raadsman heeft verzocht hoger beroep in te stellen, dat hij bij zijn raadsman heeft geïnformeerd of dat inderdaad was geschied en dat hem binnen de termijn voor hoger beroep is bevestigd dat inderdaad hoger beroep was ingesteld.

8. Het is vaste rechtspraak dat overschrijding van een termijn voor hoger beroep of cassatie onder omstandigheden verontschuldigbaar kan zijn met als gevolg dat overschrijding van die termijn niet tot niet-ontvankelijkheid in hoger beroep of cassatie leidt. In zijn arrest van 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8587 vat de Hoge Raad zijn rechtspraak als volgt samen:

“3.3. De wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden; die termijnen zijn van openbare orde (vgl. HR 28 maart 1995, NJ 1995, 500). Het Hof heeft feitelijk en niet onbegrijpelijk vastgesteld dat de dag van de terechtzitting van de Politierechter de verdachte tevoren bekend was. Dat brengt mee dat ingevolge art. 408, eerste lid aanhef en onder c, Sv de termijn voor het instellen van hoger beroep op 25 juli 2001 is verstreken. Het hoger beroep is dus, zoals ook het Hof heeft overwogen, te laat ingesteld.

3.4. Deze overschrijding van de daarvoor gestelde termijn betekent dat de verdachte niet in het hoger beroep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend dan niet worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn. Daarbij kan worden gedacht aan binnen de beroepstermijn verstrekte ambtelijke informatie waardoor bij de verdachte de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat de beroepstermijn op een ander tijdstip aanvangt (vgl. HR 20 december 1994, NJ 1995, 253) of aan een zodanige psychische gesteldheid dat in verband daarmee het verzuim tijdig hoger beroep in te stellen niet aan de verdachte kan worden toegerekend (vgl. HR 7 april 1998, NJ 1998, 577; HR 12 juni 2001, NJ 2001, 696).”

9. In het onderhavige geval is geen sprake van ambtelijke desinformatie of psychische gesteldheid van de verdachte van zodanige aard dat hem het te laat instellen van het rechtsmiddel niet kan worden toegerekend, maar van een verzuim van verdachtes raadsman. Van een dergelijk verzuim was ook sprake in de zaak die ten grondslag lag aan HR 15 november 2005, ECLI:NL:HR:AU3460. In cassatie werd er een beroep op gedaan dat overschrijding met twee dagen van de termijn voor het instellen van cassatie verontschuldigbaar was omdat verdachtes raadsman, aan wie verdachte tijdig had verzocht hoger beroep in te stellen, dit niettemin niet tijdig had gedaan. De Hoge Raad ging op deze stelling niet in. Hij verklaarde de verdachte onder verwijzing naar de wettelijke termijn voor het instellen van cassatie niet-ontvankelijk in zijn beroep.

10. In de conclusie bij deze zaak onderzoekt mijn ambtgenoot Knigge of een niet-ontvankelijkheid in hoger beroep of cassatie verenigbaar is met het bepaalde in art. 6 lid 3 onder c EVRM wanneer overschrijding van de termijn voor hoger beroep of cassatie te wijten is aan een verzuim van verdachtes advocaat. Hij bespreekt daartoe EHRM 10 oktober 2002, Appl. no. 38830/97 (Czekalla v. Portugal). In deze zaak had verdachtes raadsvrouw een cassatieschriftuur ingediend die niet voldeed aan alle door de wet gestelde eisen. Nadat het EHRM had vooropgesteld dat een Staat niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor iedere onvolledigheid of fout in verdachtes verdediging overweegt het Hof:

“65. (…) It considers, however, that in certain circumstances negligent failure to comply with a purely formal condition cannot be equated with an injudicious line of defence or a mere defect of argumentation. That is so when as a result of such negligence a defendant is deprived of a remedy without the situation being put right by a higher court. It should be pointed out in that connection that the applicant was a foreigner who did not know the language in which the proceedings were being conducted and who was facing charges which made him liable to - and indeed led to - a lengthy prison sentence.”

11. Al deze omstandigheden tezamen genomen brengen het EHRM tot het oordeel dat verdachte voor wat de procedure in hoger beroep “did not enjoy, as Article 6 § 3 (c) required, a practical and effective defence”.

12. Naar Knigges opvatting bracht deze uitspraak van het EHRM niet mee dat overschrijding van de appeltermijn door een verzuim van verdachtes raadsman diende te worden gerekend tot de gevallen waarin overschrijding van de termijn voor hoger beroep verontschuldigbaar is. In de eerste plaats wijst hij er op dat het hier ging om een verzuim van formele aard - “a simple and purely formal rule” in de woorden van het EHRM - dat samenhing met de wel heel hoge, formele eisen die in het Portugese recht aan een cassatieschriftuur worden gesteld. Bovendien was het verzuim eenvoudig herstelbaar door verdachtes raadsvrouw een termijn te gunnen het gebrek in de cassatieschriftuur te herstellen. Voor overschrijding van een termijn voor het instellen van een rechtsmiddel geldt dat laatste niet. Bij het stellen van termijnen waarbinnen rechtsmiddelen moeten worden gesteld gaat het, aldus Knigge, allerminst om formaliteiten: deze termijnen zijn van openbare orde, mede met het oog op het ondubbelzinnig kunnen vaststellen van de uitvoerbaarheid van een rechterlijke beslissing. Een en ander brengt Knigge tot het oordeel dat het belang dat is gemoeid met het handhaven van termijnen waarbinnen rechtsmiddelen kunnen worden ingesteld, dusdanig zwaar weegt dat de nalatigheid van de advocaat om tijdig namens zijn cliënt het rechtsmiddel in te stellen, voor rekening van de verdachte moet komen.

13. In de schriftuur wordt niet alleen een beroep gedaan op Czekalla v. Portugal maar ook op het negen jaar later gewezen EHRM 22 november 2011, Appl. no. 48132/07 (Andreyev v. Estonia). In de zaak die aan dit arrest ten grondslag lag was door een verzuim van verdachtes toegevoegd raadsman niet tijdig cassatie ingesteld tegen een veroordeling in hoger beroep tot een vrijheidsstraf van zes jaar wegens het meermalen verkrachten door verdachte van zijn minderjarige dochter en tot verbanning van verdachte met het verbod tot terugkeer voor de duur van tien jaar. Het Estse Supreme Court verklaarde de verdachte op grond van overschrijding van de termijn voor cassatie niet-ontvankelijk in zijn beroep. Een verzoek van verdachtes raadsman tot het verlenen van een nieuwe termijn voor cassatie werd afgewezen omdat voor inwilliging van het verzoek geen aanvaardbare redenen waren aangevoerd. Ook een nadien aan het Supreme Court gezonden brief van verdachte waarin hij had uiteengezet dat hij alles had gedaan om te bewerkstelligen dat - zoals de wet voorschreef - door een advocaat cassatie werd ingesteld, had geen resultaat. Nadat verdachtes advocaat wegens verzuim te onderzoeken op welke gronden verdachte in cassatie wilde gaan een disciplinaire straf was opgelegd, verzocht verdachte opnieuw om heropening van de procedure bij het Supreme Court en het bieden van een nieuwe termijn voor het instellen van cassatie. Ook dit verzoek werd afgewezen.

14. In Straatsburg klaagde de verdachte dat door de beschreven gang van zaken was tekort gedaan aan zijn recht op rechtsbijstand (art. 6 lid 3 onder c EVRM). Door het EHRM werd deze klacht geplaatst in de sleutel van een klacht over schending van verdachtes recht op een eerlijk proces (art. 6 lid 1 EVRM).

15. Bij de beoordeling van de klacht stelde het EHRM een aantal bekende uitgangspunten uit zijn rechtspraak voorop:

“65. In respect of the Contracting Parties’ liability under the Convention, the Court reiterates that their responsibility is incurred by the actions of their organs. A lawyer, even if officially appointed, cannot be considered to be an organ of the State. Given the independence of the legal profession from the State, the conduct of the case is essentially a matter between the defendant and his or her counsel, whether counsel be appointed under a legal-aid scheme or be privately financed, and, as such, cannot, other than in special circumstances, incur the State’s liability under the Convention. The competent national authorities are required under Article 6 § 3 (c) to intervene only if a failure by legal-aid counsel to provide effective representation is manifest or sufficiently brought to their attention in some other way (…). It will depend on the circumstances of the case whether the relevant authorities should take action (…) and whether, taking the proceedings as a whole, the legal representation may be regarded as “practical and effective” (…). Assigning counsel to represent a party to the proceedings does not in itself ensure the effectiveness of the assistance (…).

66. The Court reiterates that the Convention is intended to guarantee not rights that are theoretical or illusory but rights that are practical and effective. This is particularly so of the right of access to the courts in view of the prominent place held in a democratic society by the right to a fair trial (…).

67. Furthermore, the “right to a court”, of which the right of access is one aspect, is not absolute; it is subject to limitations permitted by implication, in particular where the conditions of admissibility of an appeal are concerned, since by its very nature it calls for regulation by the State, which enjoys a certain margin of appreciation in this regard. However, these limitations must not restrict or reduce a person’s access in such a way or to such an extent as to impair the very essence of the right. Furthermore, such limitations will only be compatible with Article 6 § 1 if they pursue a legitimate aim and there is a reasonable relationship of proportionality between the means employed and the aim pursued (…).

68. The Convention does not compel the Contracting States to set up courts of appeal or of cassation. However, where such courts do exist, the guarantees of Article 6 must be complied with (…). The manner in which this provision applies to courts of appeal or of cassation depends on the special features of the proceedings concerned and account must be taken of the entirety of the proceedings conducted in the domestic legal order and the court of cassation’s role in them. Given the special nature of the court of cassation’s role, which is limited to reviewing whether the law has been correctly applied, the Court is able to accept that the procedure followed in such courts may be more formal (…). Never-theless, the Court has in several cases found that a particularly strict construction of procedural rules by the supreme or constitutional courts deprived applicants of their right of access to a court (…).”

16. Na onderzocht en vastgesteld te hebben dat de wettelijke mogelijkheden tot heropening van verdachtes zaak, zoals het Estlandse recht deze bood, beperkt waren en zeker niet gelijk konden worden gesteld aan een normale behandeling in cassatie oordeelde het EHRM als volgt:

“77. The Court consequently considers that although the applicant was given State legal aid for filing an appeal with the Supreme Court, and despite the fact that he did everything that could have been expected for his part, the failure of his legal-aid lawyer to duly perform his duties and the lack of any subsequent measures to adequately remedy the situation deprived the applicant of his right of access to the Supreme Court.”

Hieraan verbond het EHRM de conclusie dat art. 6 lid 1 EVRM was geschonden.

17. Het EHRM ziet dus in de overschrijding van een termijn voor cassatie door nalatigheid van een toegevoegd raadsman een schending van verdachtes recht op een eerlijk proces. Daarbij neemt het EHRM in aanmerking dat verdachte alles heeft gedaan wat van hem kon worden verwacht: hij liet zelf aan het Supreme Court weten dat hij in cassatie wilde gaan, stelde zelf ook een geschrift op waarin hij zijn bezwaren tegen de uitspraak in hoger beroep ontvouwde en belde zowel met zijn eerste raadsman als met de raadsman die hem in hoger beroep had bijgestaan met het verzoek cassatie in te stellen. Voorts weegt het EHRM mee dat er geen mogelijkheden waren om de gevolgen van het te laat instellen van cassatie teniet te doen.

18. Het valt op dat het EHRM verdachtes klacht dat hem zijn recht tot cassatie was ontnomen door nalatigheid van de aan hem toegevoegd raadsman niet, zoals verdachte, behandelt als schending van het in art. 6 lid 3 onder c EVRM verwoorde recht op rechtsbijstand, maar (par. 43) zet in de sleutel van verdachtes recht op een eerlijk proces (art. 6 lid 1 EVRM). De achtergrond daarvan zou kunnen zijn dat het EHRM zo het probleem kan omzeilen dat een staat, zoals in par. 65 en 67 nog eens wordt overwogen, behalve in bijzondere omstandigheden niet aansprakelijk kan worden gehouden voor het gedrag van een advocaat, ongeacht of deze is toegevoegd of niet. Een staat moet er immers, ongeacht of deze een raadsman heeft toegevoegd of niet, voor instaan (par.67) dat verdachte een eerlijk proces krijgt (art. 6 lid 1 EVRM).

19. Nu is het wel zo dat een staat in bijzondere omstandigheden verantwoordelijk is voor het tekortschieten van een toegevoegd raadsman in het verlenen van rechtsbijstand. Kennelijk ziet het EHRM een verzuim als in Andreyev v. Estonia aan de orde niet als zo’n bijzondere omstandigheid. Verbazingwekkend is dat niet. Het gaat hier om een “normale” beroepsfout die iedere advocaat kan overkomen, niet om een advocaat die van de rechtsbijstand een potje heeft gemaakt en wel zo dat de rechtsbijstand in het geheel niet “practical and effective” is.

20. De omstandigheid dat het onderhavige verzuim leidt tot schending van het recht op een eerlijk proces en los staat van de plicht tot toevoeging van een advocaat aan een onvermogende verdachte betekent ook dat voor beantwoording van de vraag of in een geval als het onderhavige het recht op een eerlijk proces is geschonden niet van belang is of de advocaat is toegevoegd of niet.

21. Vermelding verdient voorts dat het EHRM in zijn oordeel niet betrekt dat er voor verdachte, gelet op de aan hem opgelegde langdurige vrijheidsstraf gevolgd door langdurige verbanning, heel veel op het spel stond. Aan die omstandigheid werd in Czekalla v. Portugal (par. 65 slot) nog wel gerefereerd.

22. Voor het Nederlandse recht betekent het voorgaande mijns inziens het volgende. Heeft verdachte met zijn raadsman afgesproken dat deze voor hem een rechtsmiddel zal instellen en heeft verdachte daarmee - afgezien van bijzondere omstandigheden - alles gedaan wat van hem met het oog op het tijdig instellen van het rechtsmiddel kan worden gevergd, dan levert het uitspreken van een niet-ontvankelijkheid wegens het niet tijdig of niet op juiste wijze instellen van het hoger beroep door de advocaat een schending op van verdachtes recht op een eerlijk proces.

23. In het Nederlandse strafprocesrecht is geen uitdrukkelijke voorziening geschapen om de gevolgen van het te laat instellen van een rechtsmiddel door een advocaat te redresseren. Dat is anders in de Duitse Strafprozeßordnung. Deze kent een uitdrukkelijke voorziening voor verontschuldigbare termijnoverschrijding:

§ 44 Wiedereinsetzung in den vorigen Stand bei Fristversäumung

War jemand ohne Verschulden verhindert, eine Frist einzuhalten, so ist ihm auf Antrag Wiedereinsetzung in den vorigen Stand zu gewähren. Die Versäumung einer Rechtsmittelfrist ist als unverschuldet anzusehen, wenn die Belehrung nach den § 35a Satz 1 und 2, § 319 Abs. 2 Satz 3 oder nach § 346 Abs. 2 Satz 3 unterblieben ist.

§ 45 Anforderungen an einen Wiedereinsetzungsantrag

(1) Der Antrag auf Wiedereinsetzung in den vorigen Stand ist binnen einer Woche nach Wegfall des Hindernisses bei dem Gericht zu stellen, bei dem die Frist wahrzunehmen gewesen wäre. Zur Wahrung der Frist genügt es, wenn der Antrag rechtzeitig bei dem Gericht gestellt wird, das über den Antrag entscheidet.

(2) Die Tatsachen zur Begründung des Antrags sind bei der Antragstellung oder im Verfahren über den Antrag glaubhaft zu machen. innerhalb der Antragsfrist ist die versäumte Handlung nachzuholen. Ist dies geschehen, so kann Wiedereinsetzung auch ohne Antrag gewährt werden.“

Door § 44 StPO wordt ook voorzien in overschrijding van een termijn voor een rechtsmiddel die louter aan verdachtes raadsman valt toe te schrijven. Kühne wijst erop dat het Bundesgerichtshof lagere rechters nog wel eens heeft gecorrigeerd omdat zij gelet op verdachtes aanwezigheidsrecht een te strenge maatstaf voor verontschuldigbaarheid aanhielden. Zo achtte het BGH termijnoverschrijding verontschuldigbaar toen de termijn was gaan lopen door een niet te verwachten ambtelijk schrijven tijdens een vakantie.

24. Volgens het Argentijnse Supreme Court brengt het verzuim van een raadsman tijdig een rechtsmiddel aan te wenden mee dat het verdachte heeft ontbroken aan effectieve rechtsbijstand, een omstandigheid die rechtvaardigt dat verdachtes zaak opnieuw wordt beoordeeld. Over Engeland en Wales schrijft David J. Feldman:

“Counsel’s conduct rarely reaches the necessary level of incompetence to found an appeal on this ground alone. However, if the effect of counsel’s failure is to deprive the defendant of a fair hearing within the meaning of Article 6 of the ECHR, the Court of Appeal is now likely to have to quash the conviction in order to comply with its duty under Section 6 of the Human Rights Act to give effect to Convention rights unless compelled by primary legislation to act inconsistently with a right.”

Daarbij verwijst hij naar R. v. Nangle [2001} Crim. L.R. 506, C.A., waarin wordt overwogen:

“Per curiam: Although certain aspects of the conduct of the case by solicitors and counsel were deficient, it would be an abuse of language to describe those failings as approaching, let alone amounting to flagrant incompetence. In any event, in the light of the present requirement under Article 6 of the European Convention on Human Rights, flagrant incompetence might no longer be the appropriate measure of whether this court would quash a conviction. What Article 6 required, in this context, was that the hearing of the charges against him should be fair. If the conduct of the legal advisers had been such that this objective was not met, then this court might be compelled to intervene. The point did not arise for decision in this case, however, since such deficiencies as there might have been caused no unfairness to the defendant.”

25. Anders dan in het strafprocesrecht heeft de wetgever in het bestuursprocesrecht met het bepaalde in art. 6:11 Awb, bedoeld ter verwezenlijking van het recht op toegang tot de rechter, wel voorzien in de gevolgen van verontschuldigbare termijnoverschrijding:

“Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. geschapen:”

Deze bepaling is niet alleen op het bestuursrecht maar ook op het bestuursstrafrecht van toepassing zoals op het terrein van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften. Kennelijk zag de wetgever het aantasten van de rechtszekerheid door deze bepaling niet als een zo groot bezwaar dat deze bepaling voor het bestuursstrafrecht buiten toepassing moet worden verklaard, en dit ondanks het feit dat in het bestuursstrafrecht zeer hoge geldstraffen kunnen worden opgelegd.

26. Een wettelijke voorziening voor verontschuldigbare termijnoverschrijding kent het Wetboek van Strafvordering niet. Ter waarborging van verdachtes recht op een eerlijk proces indien zijn raadsman heeft verzuimd tijdig in hoger beroep of cassatie te gaan dient mijns inziens daarom te worden aangesloten bij de rechtspraak van de Hoge Raad voor verontschuldigbare termijnoverschrijding zij het dat, anders dan de Hoge Raad eerder oordeelde, de louter aan verdachtes raadsman toe te schrijven overschrijding van de termijn voor het instellen van het rechtsmiddel of een gebrek in de vorm van het instellen van een rechtsmiddel, gelet op verdachtes recht op een eerlijk proces(art. 6 lid 1 EVRM), ook een bijzondere omstandigheid oplevert die de overschrijding van de termijn of het gebrek in de vorm van het instellen van een rechtsmiddel verontschuldigbaar doet zijn.

27. Ik keer nu terug tot de onderhavige zaak. Vraag is dus of verdachte in hoger beroep een eerlijk proces heeft gehad. Het Hof heeft die vraag niet onder ogen gezien. Vast staat dat verdachte zijn raadsman tijdig heeft verzocht hoger beroep in te stellen en dat deze dit aan een confrère heeft overgelaten met als gevolg dat het te laat is ingesteld. Het Hof heeft niet vastgesteld dat verdachte met betrekking tot het instellen van hoger beroep op enigerlei wijze is tekortgeschoten. Het Hof laat in het midden of verdachte aan de mededeling dat hij met betrekking tot parketnummer 05-986300-11 zijn opgelegde straffen en maatregelen heeft ondergaan het vertrouwen mocht ontlenen dat er hoger beroep was ingesteld in de onderhavige zaak. Het Hof merkt op dat verdachte óók niet (alsnog) hoger beroep heeft ingesteld toen hij als gevolg van de executie van het onderhavige vonnis gedetineerd raakte. Of dat in de ogen van het Hof betekent dat verdachte met betrekking tot het instellen van het hoger beroep is tekortgeschoten laat het Hof in het midden.

28. Het Nederlandse strafprocesrecht biedt - afgezien van de door het Hof terzijde gestelde mogelijkheid van de in de rechtspraak geschapen verschoonbaarheid van overschrijding van de termijn voor hoger beroep - geen voorziening om de gevolgen van een termijnoverschrijding als de onderhavige ongedaan te maken. Dit betekent in de onderhavige omstandigheden van het geval - kort gezegd overschrijding van de termijn voor hoger beroep door een fout van verdachtes raadsman - dat de door het Hof uitgesproken niet-ontvankelijkheid bij gebreke van een nadere motivering niet verenigbaar is met verdachtes recht op een eerlijk proces. Van bijzondere omstandigheden die dit anders doen zijn, bijvoorbeeld hierin bestaande dat een verdachte die in hoger beroep wil niet alles heeft gedaan wat van hem mag worden gevergd om daarin te voorzien, blijkt uit het arrest van het Hof niet.

29. In het kader van genoemde bijzondere omstandigheden heb ik mij nog afgevraagd of van de verdachte die een raadsman ondubbelzinnig verzoekt een rechtsmiddel aan te wenden, kan worden gevergd dat hij controleert of zijn raadsman inderdaad tijdig het door hem gewenste rechtsmiddel heeft aangewend. Mijns inziens is dat niet het geval. Heeft hij zijn raadsman ondubbelzinnig duidelijk gemaakt dat hij door tussenkomst van zijn raadsman een rechtsmiddel tegen een hem onwelgevallige beslissing wil aanwenden dan mag hij er op vertrouwen dat zijn raadsman daar tijdig en op juiste wijze in voorziet tenzij deze laat weten daartoe niet bereid of in staat te zijn. Natuurlijk kan de verdachte het zekere voor het onzekere nemen en gebruik maken van de door de wet geboden mogelijkheid het rechtsmiddel in persoon in te stellen (art. 449 Sv) maar dat wil mijns inziens nog niet zeggen dat hij niet alles heeft gedaan wat van hem kan worden gevergd met het oog op het tijdig aanwenden van een rechtsmiddel. Hij mag er - behoudens aanwijzingen voor het tegendeel - op vertrouwen dat wanneer hij het instellen van een rechtsmiddel aan zijn raadsman overlaat de raadsman als deskundig rechtsbijstandsverlener zijn werk goed doet. Diens (gebrek aan) deskundigheid en/of werkorganisatie kan hij als leek immers niet beoordelen.

30. Het voorgaande brengt mij tot de conclusie dat het Hof zijn oordeel dat de verdachte niet kan worden ontvangen in zijn hoger beroep, gelet op de namens hem ter verontschuldiging van de overschrijding van de termijn voor hoger beroep aangevoerde feiten en omstandigheden in het licht van het begrip “eerlijk proces” als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM niet voldoende met redenen heeft omkleed.

31. Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

De beslissing van de Rb tot niet-ontvankelijkverklaring van de OvJ in de vervolging is een einduitspraak i.d.z.v. art. 138 Sv, waartegen ingevolge art. 404 lid 1 Sv hoge beroep open staat, ook als bedoeld vonnis niet voldoet aan de voorschriften van art. 358 en 359 Sv

Hoge Raad 5 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:1 De Rechtbank Noord-Nederland heeft de Officier van Justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de Rechtbank van 12 juni 2014 houdt dienaangaande het volgende in:

"De rechtbank spreekt, verwijzend naar artikel 349, lid 3, van het Wetboek van Strafvordering en de meergenoemde arresten van de Hoge Raad der Nederlanden van 2 februari 2010, de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie uit aangezien hij heeft aangegeven niet te zullen meewerken aan het bevel dat door de rechtbank op 27 januari 2014 is gegeven om de informant(en) door de rechter-commissaris als getuigen te laten horen. (...)

Artikel 349, lid 3, van het Wetboek van Strafvordering is gebiedend: de rechtbank spreekt de niet- ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn vervolging uit.

Er zal geen schriftelijk vonnis meer komen, nu deze uitspraak reeds mondeling door de rechtbank is gedaan. De appèltermijn zal vandaag dan ook gaan lopen voor de officier van justitie."

Het Hof heeft de Officier van Justitie niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep. Het Hof heeft daartoe het volgende overwogen:

"De zaak is in eerste aanleg op 14 januari 2013, 27 januari 2014 en 12 juni 2014 ter zitting van de meervoudige economische kamer van de rechtbank behandeld. Op 14 januari 2013 en op 27 januari 2014 heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst en de zaak verwezen naar de rechter-commissaris voor het horen van getuigen, dan wel benoemen van deskundigen.

Tijdens de behandeling op 12 juni 2014 heeft de meervoudige economische kamer vastgesteld dat de officier van justitie heeft verklaard geen medewerking te zullen verlenen aan het op 27 januari 2014 door de rechtbank gegeven bevel om de informanten die zijn bedoeld in drie CIE-verbalen te horen en evenmin een beroep te willen doen op toepassing van artikel 226a Sv. Nadat de officier van justitie om een heroverweging van dit bevel had gevraagd, heeft de rechtbank het bevel gehandhaafd, waarna de officier van justitie heeft verklaard bij zijn weigering te blijven.

Vervolgens heeft de rechtbank, onder verwijzing naar artikel 349, derde lid, Sv en jurisprudentie, de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie uitgesproken. De rechtbank heeft deze beslissing opgenomen in het zittingsproces-verbaal en daarin ook uitdrukkelijk vermeld dat er geen schriftelijk vonnis meer zal volgen, omdat de uitspraak al mondeling ter zitting door de rechtbank is gedaan.

Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of de officier van justitie hoger beroep kon instellen tegen deze 'uitspraak' van de meervoudige economische kamer. Hierbij zijn de volgende wetsbepalingen van belang.

Ingevolge artikel 404, eerste lid, Sv staat tegen de vonnissen betreffende misdrijven, door de rechtbank als einduitspraak of in de loop van het onderzoek ter terechtzitting gewezen, hoger beroep open voor de officier van justitie bij het gerecht dat het vonnis heeft gewezen, en voor de verdachte die niet van de hele tenlastelegging is vrijgesproken.

Ingevolge artikel 406, eerste lid, Sv is tegen vonnissen die geen einduitspraken zijn, het hoger beroep slechts gelijktijdig met dat tegen de einduitspraak toegelaten.

Artikel 138 Sv bepaalt, voor zover hier van belang:

'Worden verstaan:

(...) onder uitspraken de op de terechtzitting gegeven beslissingen;

onder einduitspraken de uitspraken tot schorsing der vervolging of tot verklaring van onbevoegdheid, niet-ontvankelijkheid of nietigheid van de dagvaarding, en die welke na afloop van het gehele onderzoek op de terechtzitting over de zaak worden gedaan.'

Artikel 358 Sv bepaalt, voor zover hier van belang:

'1. In de gevallen van artikel 349, eerste lid, bevat het vonnis de daarbij vermelde beslissingen. (...)

5. Alles op straffe van nietigheid.'

Artikel 359 Sv bepaalt, voor zover hier van belang:

'1. Het vonnis bevat het ten laste gelegde alsmede de vordering van de officier van justitie.

2. De beslissingen vermeld in de artikelen 349, eerste lid, en 358, tweede en derde lid. zijn met redenen omkleed. Het vonnis geeft, indien de beslissing afwijkt van door de verdachte dan wel door de officier van justitie uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, in het bijzonder de redenen op die daartoe hebben geleid. (...)

8. Alles op straffe van nietigheid.'

Verder volgt uit de tekst en het systeem van de wet dat vonnissen van meervoudige strafkamers schriftelijk dienen te zijn. Alleen indien de wet daarin uitdrukkelijk in voorziet, mag de rechter mondeling vonnis wijzen. Dat is bijvoorbeeld het geval bij het rechtsgeding voor de politierechter (artikel 367 e.v. Sv, meer bepaald artikel 378 Sv).

Het hof is zich terdege bewust van de belangen die bij een voortvarende afdoening van deze zaak zijn gemoeid, maar dient hierbij, zonder nodeloos formalistisch te zijn, toe te zien op de naleving van de toepasselijke wettelijke voorschriften. Gezien de redactie van de hierboven genoemde wetsbepalingen is een vonnis niet vormvrij en dient het op straffe van nietigheid te voldoen aan de in die bepalingen voorgeschreven eisen.

Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat de 'uitspraak' van de rechtbank ter zitting van 12 juni 2014 geen vonnis inhoudende een einduitspraak betreft.

Er is derhalve geen sprake van een einduitspraak waartegen op de voet van het bepaalde in artikel 404 Sv hoger beroep kan worden ingesteld. De omstandigheid dat de voorzitter van de economische kamer van de rechtbank heeft gesteld dat geen schriftelijk vonnis meer zal volgen maakt dit oordeel niet anders. In dit verband wijst het hof er voorts op dat de mededeling door de voorzitter over de aanvang van de appeltermijn, wat hier verder ook van zij, niet bepalend is voor de vraag of het een appellabele uitspraak betreft.

Het voorgaande leidt ertoe dat de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep dient te worden verklaard."

Middel

Het middel klaagt dat het Hof de Officier van Justitie ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd niet-ontvankelijk heeft verklaard in het ingestelde hoger beroep.

Beoordeling Hoge Raad

De beslissing van de Rechtbank tot niet-ontvankelijkverklaring van de Officier van Justitie in de vervolging is een einduitspraak in de zin van art. 138 Sv. Ingevolge art. 404, eerste lid, Sv staat tegen een dergelijke einduitspraak hoger beroep open. Het Hof heeft de Officier van Justitie dus ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep. De omstandigheid dat de Rechtbank heeft volstaan met het geven van een mondeling vonnis dat is aangetekend in het proces-verbaal van de terechtzitting, kan grond vormen voor vernietiging van dat vonnis in hoger beroep op de grond dat het niet aan de voorschriften van de art. 358 en 359 Sv voldoet, maar brengt niet mee dat geen sprake is van een einduitspraak waartegen hoger beroep kan worden ingesteld.

Het middel is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak. Zie ook:

 

Print Friendly and PDF ^

Geheimhouderstukken: De vraag of een in beslag genomen stuk 'voorwerp van het strafbare feit uitmaakt' of 'tot het begaan daarvan heeft gediend' is afhankelijk van de aard van het stuk, de aard van het delict en de feitelijke gedragingen

Hoge Raad 5 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:8 Het onderhavige cassatieberoep heeft betrekking op stukken die op 9 september 2014 onder klagers, die beiden het ambt van notaris bekleden, in beslag zijn genomen in het kader van een tegen een aantal natuurlijke en rechtspersonen lopend strafrechtelijk onderzoek ter zake van witwassen. De klaagschriften strekken tot teruggave van de desbetreffende stukken aan klagers. Namens hen is aangevoerd dat het om geheimhouderstukken gaat die vallen onder hun verschoningrecht.

De Rechtbank heeft daarover geoordeeld als volgt:

“Vooropgesteld moet worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.

Ingevolge artikel 22 van de Wet op het Notarisambt is een notaris, voor zover niet bij of krachtens de wet anders is bepaald, ten aanzien van al hetgeen waarvan hij uit hoofde van zijn werkzaamheid als zodanig kennis neemt tot geheimhouding verplicht.

Op grond van artikel 98, eerste lid, Sv mogen bij personen met een bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in artikel 218 Sv zonder hun toestemming brieven of andere geschriften, tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt, niet in beslag worden genomen. Wel mogen op de voet van het tweede lid van artikel 98 Sv, ook zonder hun toestemming, in beslag worden genomen brieven of geschriften die voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend (de zogenaamde corpora et instrumenta delicti), nu dergelijke brieven en geschriften geen object zijn van de aan de verschoningsgerechtigde toekomende bevoegdheid tot verschoning (vgl HR 22 november 1991, NJ 1992/315).

In de onderhavige zaak geldt het volgende.

Uit het proces-verbaal aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming blijkt dat een aantal daarin genoemde verdachte natuurlijke en rechtspersonen verdacht worden van het middels een bedrijvenconstructie (ofwel een loanback constructie) witwassen van crimineel, illegaal vermogen. Uit het onderzoek is gebleken dat de verdachten (wijlen) betrokkene 1 en betrokkene 2 beschikken over zeer grote geldbedragen. Hun zichtbare, legale inkomsten staan in het geheel niet in verhouding tot hun uitgaven. Verder vermeldt het proces-verbaal dat uit onderzoek is gebleken dat op de bankrekeningen van de verdachten en de aan hen gelieerde rechtspersonen veelvuldig grote contante stortingen zijn gedaan en dat dit geld is overgemaakt naar andere rekeningen van deze rechtspersonen. Van deze rechtspersonen zijn slechts marginale bedrijfsactiviteiten bekend. Gebleken is dat via deze rechtspersonen grote bedragen zijn geïnvesteerd in onroerend goed en andere ondernemingen die te relateren zijn aan de verdachten.

Het onderzoek vermeldt voorts dat de maatschap A (wijlen) betrokkene 1 lijkt te hebben gefaciliteerd bij het verhullen van de herkomst van leningen. Dit blijkt onder andere uit de aankoop van park D te plaats en park E te plaats. B B.V. heeft beide parken met het geld van C Ltd. gekocht. (Wijlen) betrokkene 1 was de ultimate beneficial owner van zowel C Ltd. als B B.V. De maatschap A lijkt te hebben meegewerkt aan het verhullen van de herkomst van het geld bestemd voor de aanschaf van de parken door het middels de derdengeldrekening wijzigen van de herkomst van het geld van C Ltd. naar B B.V. zonder dat deze partij is geweest bij de aanschaf. Daarnaast lijkt de maatschap A de loanback constructie te legitimeren door hypothecaire akten voor leningen tussen B B.V. en C Ltd. te verlijden.

Op 23 januari 2015 en 3 februari 2015 heeft de rechter-commissaris tezamen met een opsporingsambtenaar de in beslag genomen stukken onderzocht en ten aanzien van het merendeel van de stukken geoordeeld dat dit geen of niet langer geheimhouderstukken betreffen aangezien de stukken direct (voor wat betreft de akten en overeenkomsten) dan wel indirect (voor wat betreft de correspondentie met betrekking tot de transacties) voorwerp uitmaken van of hebben gediend tot het begaan van de strafbare feiten waarvan verdenking bestaat en/of het daaruit verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank - gelet op de inhoud van de thans aan haar ter beschikking gestelde stukken, in onderlinge samenhang bezien - van oordeel dat de in beslag genomen stukken geen geheimhouderstukken betreffen en kunnen bijdragen aan de waarheidsvinding ter zake van de strafbare feiten ten aanzien waarvan op de verdachten een verdenking rust. Dat de klagers zelf mogelijk geen verdachten zijn is voor de onderhavige afweging niet ter zake doende.

Namens de klagers is tevens aangevoerd dat de rechter-commissaris de verzegelde enveloppen met de in beslag genomen stukken niet had mogen bekijken totdat de rechter op de onderhavige klaagschriften heeft beslist, gelet op de eerdere toezegging terzake door de rechter-commissaris die bij de inbeslagneming aanwezig was. De rechtbank stelt vast dat het de voorkeur zou hebben verdiend als de rechter-commissaris in elk geval de ringvoorzitter en de verschoningsgerechtigden voorafgaand in kennis zou hebben gesteld van zijn onderzoek. De ongelukkige gang van zaken rechtvaardigt echter niet de conclusie van de klagers dat om die reden het beslag niet langer zou kunnen worden gehandhaafd.

Gelet op het voorgaande zullen de beklagen ongegrond worden verklaard.”

Middel

Het middel bevat onder meer de klacht dat de Rechtbank ontoereikend gemotiveerd heeft geoordeeld dat "de in beslag genomen stukken geen geheimhouderstukken betreffen".

Beoordeling Hoge Raad

Ingevolge art. 98 Sv mogen bij personen met een bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in art. 218 Sv zonder hun toestemming brieven of andere geschriften tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt, niet in beslag worden genomen. Wel mogen, zoals volgt uit art. 98, (thans) vijfde lid, Sv, ook zonder hun toestemming in beslag worden genomen brieven of geschriften die voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend, nu dergelijke brieven en geschriften geen object zijn van de aan even bedoelde personen toekomende bevoegdheid tot verschoning. De aard van de hier aan de orde zijnde bevoegdheid tot verschoning brengt mee dat het oordeel omtrent de vraag of brieven of geschriften object van de bevoegdheid tot verschoning uitmaken in beginsel toekomt aan de tot verschoning gerechtigde persoon. Wanneer deze zich op het standpunt stelt dat het gaat om brieven of geschriften die noch voorwerp van het strafbare feit uitmaken noch tot het begaan daarvan hebben gediend en waarvan kennisneming zou leiden tot schending van het beroepsgeheim, dient dit standpunt door de organen van politie en justitie te worden geëerbiedigd, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is. (Vgl. HR 12 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9162, NJ 2002/439.)

De vraag of een in beslag te nemen of in beslag genomen stuk 'voorwerp van het strafbare feit uitmaakt' of 'tot het begaan daarvan heeft gediend' laat zich niet in het algemeen beantwoorden, maar is in het bijzonder afhankelijk van de aard van het in beslag te nemen of in beslag genomen stuk en de aard van het delict dat zou zijn begaan door de (rechts)persoon jegens wie de verdenking is gericht, alsmede de feitelijke gedragingen die hem in dat verband worden verweten.

De Rechtbank heeft met haar oordeel dat de in beslag genomen stukken geen geheimhouderstukken betreffen en kunnen bijdragen aan de waarheidsvinding ter zake van de gerezen verdenking van witwassen, onvoldoende inzicht gegeven in haar gedachtegang.

Indien de Rechtbank heeft geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat een stuk kan bijdragen aan de waarheidsvinding meebrengt dat dit stuk voorwerp van het strafbare feit uitmaakt of tot het begaan daarvan heeft gediend als bedoeld in art. 98, vijfde lid, Sv, heeft zij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Indien de Rechtbank niet van die opvatting is uitgegaan, is haar oordeel, mede gelet op hetgeen hiervoor onder 2.4 is overwogen, ontoereikend gemotiveerd. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de Rechtbank omtrent de aard van de in beslag genomen stukken enkel heeft vastgesteld dat het "akten en overeenkomsten", alsook "correspondentie met betrekking tot de transacties" betreffen. Daaruit kan niet volgen dat die stukken voorwerp van de door de Rechtbank omschreven verdenkingen van witwassen uitmaken, dan wel hebben gediend tot het begaan van die feiten.

Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Slagende bewijsklacht medeplichtigheid aan oplichting

Hoge Raad 5 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:11 Verdachte is bij arrest van 31 januari 2014 door het Gerechtshof Den Haag veroordeeld tot 180 uren taakstraf wegens medeplichtigheid aan oplichting (feit 1) en witwassen (feit 2).

Verdachte is veroordeeld voor medeplichtigheid aan oplichting doordat zij haar bankrekening ter beschikking heeft gesteld aan een onbekend gebleven derde, die deze rekening heeft gebruikt om gelden op te laten storten die waren verkregen door CZ Zorgverzekeraar op te lichten. Deze oplichting bestond eruit dat ten behoeve van een reeds overleden vrouw een pgb-overeenkomst (persoonsgebonden budget) werd gesloten en in het kader daarvan geldbedragen van in totaal € 45.362,18 wegens (niet) verleende zorg werden gestort op de bankrekening van verdachte.

Middel

Het middel klaagt dat de onder 1 bewezenverklaarde medeplichtigheid aan oplichting niet naar de eisen der wet met redenen is omkleed, nu het daarvoor vereiste opzet niet uit de bewijsmiddelen volgt.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte opzettelijk middelen en inlichtingen heeft verschaft tot het plegen van de bewezenverklaarde oplichting door aan de dader(s) een bankrekening ter beschikking te stellen. Daartoe is vereist dat niet alleen wordt bewezen dat verdachtes opzet telkens was gericht op het verschaffen van die middelen en inlichtingen als bedoeld in art. 48, aanhef en onder 2º, Sr, doch tevens dat verdachtes opzet al dan niet in voorwaardelijke vorm was gericht op het door de dader(s) gepleegde misdrijf. Uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan dit opzet niet worden afgeleid.

Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^