Slagende bewijsklacht medeplichtigheid aan oplichting

Hoge Raad 5 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:11 Verdachte is bij arrest van 31 januari 2014 door het Gerechtshof Den Haag veroordeeld tot 180 uren taakstraf wegens medeplichtigheid aan oplichting (feit 1) en witwassen (feit 2).

Verdachte is veroordeeld voor medeplichtigheid aan oplichting doordat zij haar bankrekening ter beschikking heeft gesteld aan een onbekend gebleven derde, die deze rekening heeft gebruikt om gelden op te laten storten die waren verkregen door CZ Zorgverzekeraar op te lichten. Deze oplichting bestond eruit dat ten behoeve van een reeds overleden vrouw een pgb-overeenkomst (persoonsgebonden budget) werd gesloten en in het kader daarvan geldbedragen van in totaal € 45.362,18 wegens (niet) verleende zorg werden gestort op de bankrekening van verdachte.

Middel

Het middel klaagt dat de onder 1 bewezenverklaarde medeplichtigheid aan oplichting niet naar de eisen der wet met redenen is omkleed, nu het daarvoor vereiste opzet niet uit de bewijsmiddelen volgt.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte opzettelijk middelen en inlichtingen heeft verschaft tot het plegen van de bewezenverklaarde oplichting door aan de dader(s) een bankrekening ter beschikking te stellen. Daartoe is vereist dat niet alleen wordt bewezen dat verdachtes opzet telkens was gericht op het verschaffen van die middelen en inlichtingen als bedoeld in art. 48, aanhef en onder 2º, Sr, doch tevens dat verdachtes opzet al dan niet in voorwaardelijke vorm was gericht op het door de dader(s) gepleegde misdrijf. Uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan dit opzet niet worden afgeleid.

Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF