Hoge Raad casseert niet in beklagzaak van voormalig arts van de Haagse “CityKliniek” tegen beslag dat is gelegd op dossiers onder de IGZ

Hoge Raad 23 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1701 De zaak heeft te maken met de strafrechtelijke vervolging van klager wegens mishandeling en oplichting van patiënten bij wie hij borstoperaties uitvoerde in zijn privékliniek “CityKliniek”. Met het aanhangig maken van de strafzaak is niet (langer) gewacht op de uitkomst van de onderhavige beklagzaak. De Rechtbank Den Haag heeft klager bij vonnis van 30 oktober 2014 vrijgesproken, waarbij een rol lijkt te hebben gespeeld dat het IGZ-dossier (waarop de onderhavige beklagzaak betrekking heeft) niet ter beschikking van de Rechtbank stond. Tegen het vrijsprekende vonnis is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

Op basis van de vaststellingen van de Rechtbank in de onderhavige beklagzaak kan als vaststaand worden aangenomen dat de Officier van Justitie in het kader van het strafrechtelijk onderzoek tegen klager op 16 februari 2010 bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg op basis van art. 126nf Sv de verstrekking heeft gevorderd van de tegen CityKliniek en klager ingediende tuchtklacht van 20 oktober 1999 en alle bijlage bij die klacht. De stukken zijn op 15 maart 2010 door de IGZ aan het onderzoeksteam verstrekt.

Het aan het OM verstrekte IGZ-dossier bestaat uit de bij het regionaal tuchtcollege ingediende tuchtklacht tegen klager en diverse bijlagen bij deze klacht waaronder:

  1. meldingen van de Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie (NVPC) aan IGZ;
  2. verslag van het inspectiebezoek van de IGZ aan de CityKliniek;
  3. 32 patiëntendossiers;
  4. verslagen van een of meer gesprekken tussen klager en de inspecteur.

Naast de door de IGZ verstrekte stukken zijn tijdens een doorzoeking bij klager thuis op 16 november 2010 – dus negen maanden na de vordering aan de IGZ – 32 patiëntendossiers in beslag genomen. Het klaagschrift dat klager tegen het beslag op deze 32 patiëntendossiers heeft ingediend, is door de Rechtbank Den Haag ongegrond verklaard. De Rechtbank overwoog in haar beschikking van 15 maart 2011 dat “hier sprake is van een situatie waarin het belang van waarheidsvinding dient te prevaleren boven de geheimhoudingsplicht”. De Hoge Raad heeft klager in het hiertegen ingestelde cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard omdat geen middelen van cassatie waren voorgesteld.

De Rechtbank heeft in de bestreden beschikking geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat de inhoud van de 32 patiëntendossiers die door IGZ zijn verstrekt identiek is aan de inhoud van de patiëntendossiers die onder klager in beslag zijn genomen, ook al gaat het om dezelfde patiënten en heeft klager die dossiers zelf aan de IGZ verstrekt in het kader van de tuchtklacht.

Na terugwijzing van de onderhavige zaak door de Hoge Raad is het klaagschrift opnieuw in raadkamer behandeld op 2 juli 2013. Tijdens die behandeling heeft de OvJ meegedeeld dat een nadere afbakening van het onderzoek heeft plaatsgevonden in die zin dat het GVO sinds september 2011 alleen nog betrekking heeft op (de behandeling door klager van) tien patiënten. Daarbij heeft de OvJ zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de stukken die betrekking hebben op de overige 22 patiënten niet langer een strafvorderlijk belang bestaat bij handhaving van het beslag. Dat heeft ertoe geleid dat de Rechtbank het klaagschrift gedeeltelijk gegrond heeft verklaard.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad doet de zaak af onder verwijzing naar artikel 81 RO.

Middel

Het middel richt zich tegen het oordeel van de Rechtbank dat het belang van strafvordering bij inzage in de (overige) inbeslaggenomen stukken nog altijd bestaat.

Bij de behandeling in raadkamer van 2 juli 2013, is namens de klager aangevoerd dat geen strafvorderlijk belang meer bestaat bij het gebruik van de gegevens uit het IGZ-dossier. De Rechtbank heeft met betrekking tot dit standpunt het volgende overwogen:

“Het primaire standpunt van klager houdt nu in dat (volgens uitlatingen van de zaaksofficier van justitie) geen strafvorderlijk belang (meer) bestaat bij gebruik van de gegevens uit het IGZ-dossier, zodat om die reden het beslag moet worden opgeheven. Klager heeft daartoe gewezen op een e-mail van de zaaksofficier van justitie van 11 februari 2013 waarin onder meer het volgende staat: 'Het OM heeft besloten (vooralsnog) geen gebruik te gaan maken van de IGZ stukken. De HR heeft de beslissing weer uitgesteld en dat zou zomaar nog enkele keren kunnen gebeuren. Uit het nieuw verstrekte verbaal kunt u opmaken dat gekozen is voor de uitspraak van het tuchtcollege als uitgangspunt voor onze zaak. ' Daarnaast heeft klager een stukje van de inhoud van het proces-verbaal van bevindingen van de rechtercommissaris van 13 februari 2013 aangehaald, voor zover daarin staat dat de zaaksofficier van justitie heeft medegedeeld dat de uitspraak van de Hoge Raad van 12 februari 2013 niet leidt tot wijziging van het standpunt van het Openbaar Ministerie dat (vooralsnog) geen gebruik zal worden gemaakt van de IGZ-stukken.

De officier van justitie bij de behandeling van het klaagschrift heeft gemotiveerd in welk licht die mededelingen van de zaaksofficier van justitie moeten worden bezien, namelijk dat de zaaksofficier van justitie er op 11 februari 2013 nog van uitging - kennelijk ten onrechte - dat de beschikking van de Hoge Raad op zich zou laten wachten en zij op 13 februari 2013 weliswaar de beschikking had over die beschikking maar nog geen enkel zicht had op (de planning van) een hernieuwde behandeling van het klaagschrift bij deze rechtbank. Dat heeft gemaakt dat de officier van justitie op dat moment en met de toevoeging 'vooralsnog' ervoor koos geen gebruik te maken van de IGZ-stukken. Nu binnen afzienbare termijn alsnog uitzicht is gekomen op een (definitieve) beslissing van de rechtbank op dit klaagschrift, wil de officier van justitie alsnog inzage in de inbeslaggenomen stukken.

De rechtbank heeft geen aanleiding aan die uitleg van de door de zaaksofficier van justitie gedane mededelingen te twijfelen, al is het maar omdat die uitleg strookt met de inhoud van de weergegeven mededelingen van de zaaksofficier van justitie en ook voorstelbaar is dat gedurende een (langlopend) strafrechtelijk onderzoek mede door procedures als deze steeds opnieuw en afhankelijk van de situatie belangen moeten worden afgewogen en keuzes, voorlopige of niet, moeten worden gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat de zaaksofficier van justitie in elk geval door de constante toevoeging van het woordje 'vooralsnog' duidelijk heeft gemaakt dat niet uit te sluiten viel dat haar keuze van dat moment om geen gebruik te maken van de IGZ-stukken weer of nog kon veranderen. De rechtbank leest in geen van de mededelingen dat wat het Openbaar Ministerie betreft geen belang van strafvordering meer bestaat bij kennisneming van die stukken.”

Conclusie AG

Bij de beoordeling van het middel moet voorop worden gesteld dat het is gericht tegen een feitelijk oordeel van de Rechtbank dat in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst.

De Rechtbank heeft vastgesteld dat het om een oordeel gaat van de Officier van Justitie dat “vooralsnog” is gegeven. Vooralsnog betekent volgens Van Dale: “voor het ogenblik”, waarbij “voorlopig” en “vooreerst” als synoniemen worden gegeven. De Officier van Justitie heeft op 11 mei 2013 een tijdgebonden oordeel gegeven – op basis van de haar toen ter beschikking staande gegevens, in het bijzonder het feit dat toen nog geen uitzicht bestond op een beslissing in de beklagprocedure – waarbij zij zich het recht heeft voorbehouden later op dit voorlopige standpunt terug te komen op basis van de haar dan ter beschikking staande gegevens. Inderdaad heeft zij dat daadwerkelijk gedaan toen was gebleken dat de Hoge Raad twee dagen later de beschikking in de beklagprocedure had gegeven.

Het oordeel van de Rechtbank dat er geen reden is om te twijfelen aan de uitleg die door de Officier van Justitie aan de bedoelde uitlatingen is gegeven, acht de AG niet onbegrijpelijk. Aan het – voor het eerst in cassatie gedane – beroep op het ‘nemo debet bis vexari’-beginsel kan daarom voorbij worden gegaan.

Het middel faalt.

Tweede middel

Het middel klaagt dat de Rechtbank ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld dat sommige inbeslaggenomen stukken niet vallen onder het van verzoeker afgeleide verschoningsrecht van de IGZ.

Conclusie AG

De vraag is op welke stukken het middel betrekking heeft. Van de vier categorieën stukken die hiervoor zijn weergegeven, vallen er in elk geval twee af. Ten aanzien van categorie a (de meldingen van de Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie (NVPC) aan IGZ) heeft de Rechtbank het beklag ongegrond verklaard omdat klager (zoals de Hoge Raad al had geoordeeld) zich niet kan beroepen op een verschoningsrecht dat mogelijk aan anderen toekomt. Dat oordeel van de Rechtbank wordt door het middel niet aangevochten. Het middel heeft evenmin betrekking op categorie c (de 32 patiëntendossiers). Ten aanzien van 22 dossiers is het beklag als gezegd gegrond verklaard, zodat moet worden aangenomen dat het cassatieberoep zich daartegen niet richt. Van de resterende tien dossiers wordt in het middel uitdrukkelijk gesteld dat het daarop geen betrekking heeft (“niet zijnde de tien patiëntendossiers”).

Dat laatste behoeft niet te verbazen. Met betrekking tot die tien patiëntendossiers heeft de Rechtbank geoordeeld dat zij “evident” onder het van klager afgeleide verschoningsrecht vallen. De AG merkt daarbij op dat de Rechtbank ten aanzien van deze dossiers heeft geoordeeld dat hier sprake is van een situatie waarin het belang van waarheidsvinding dient te prevaleren boven de geheimhoudingsplicht en het verschoningsrecht. Over dat oordeel wordt in cassatie niet geklaagd.

Wat aan stukken resteert, is, behalve de ingediende tuchtklacht, het verslag van het inspectiebezoek van de IGZ aan de CityKliniek (categorie b), verslagen van een of meer gesprekken tussen klager en de inspecteur (categorie d) en eventuele andere bijlagen. Met betrekking tot deze stukken blinkt de beschikking niet uit door duidelijkheid. Er lijkt zich een discrepantie voor te doen tussen het oordeel van de Rechtbank zoals dat uit haar overwegingen blijkt en de (formulering van) de vervolgens gegeven beslissing.

Uit de aan het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer gehechte schriftelijke conclusie aan de hand waarvan de OvJ in raadkamer het woord voerde, blijkt dat het standpunt van het openbaar ministerie dat het strafvorderlijk belang ten aanzien van een deel van de stukken was komen te vervallen, niet alleen betrekking had op categorie c (de patiëntendossiers), maar op alle stukken die gegevens bevatten die specifiek betrekking hebben op de 22 patiënten die buiten het nader afgebakende GVO vielen. Zo wordt onder punt 10 geconcludeerd dat onder meer “overblijven” de gespreksverslagen (categorie d) “voor zover die betrekking hebben op de tien patiënten die onderwerp zijn van het GVO”. Het oordeel van de Rechtbank sluit bij deze standpuntbepaling aan. Overwogen wordt:

“De officier van justitie heeft betoogd dat nog steeds een belang van strafvordering bestaat bij inzage van stukken uit het IGZ-dossier, maar om andere redenen dan aangevoerd door klager het strafvorderlijk belang bij een deel van de stukken uit het IGZ-dossier prijs gegeven. Het Openbaar Ministerie heeft het onderzoek afgebakend en zal de rechtercommissaris uitsluitend nog vragen om toevoeging van die stukken uit het IGZ-dossier die betrekking hebben op (a.) de algemene zorgverlening door klager en (b.) de tien patiënten die onderwerp zijn van het GVO.

Dat brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat - bij gebreke van een strafvorderlijk belang - het beslag op alle stukken die betrekking hebben op andere patiënten dan die tien en niet handelen over de algemene zorgverlening door klager dient te worden opgeheven en het klaagschrift in zoverre gegrond dient te worden verklaard. Zolang beslag rust op (ook) die stukken, behoudt klager belang bij zijn klacht. Het is daarom dat de rechtbank niet met de officier van justitie zal oordelen dat klager in zoverre niet-ontvankelijk is in zijn klacht.”

Uit deze overwegingen blijkt onmiskenbaar dat de bedoeling van de Rechtbank was om het klaagschrift gegrond te verklaren ten aanzien van “alle stukken” die betrekking hebben op andere dan de tien patiënten waarop het GVO zich richtte en bovendien ten aanzien van “alle stukken” die “niet handelen over de algemene zorgverlening door klager”. De gegrondverklaring beperkte zich derhalve niet tot de 22 buiten de boot van het GVO vallende patiëntendossiers van categorie c. In het dictum is dat echter niet, of althans niet duidelijk, tot uitdrukking gebracht. Dat betekent tegelijkertijd dat de vraag rijst waarop de ongegrondverklaring – die “voor het overige” is gedaan – precies betrekking heeft.

Hier verdient aandacht dat hetgeen de Rechtbank overweegt na de zojuist weergegeven passage, gelezen moet worden in het licht van de onmiskenbare bedoeling die uit die passage blijkt. Het gaat in het vervolg alleen nog om stukken die betrekking hebben op de tien bedoelde patiënten en om stukken die zien op de algemene zorgverlening door klager. Zo overweegt de Rechtbank, na te hebben geoordeeld dat de klager geen beroep op een verschoningsrecht toekomt ten aanzien van NVPC-meldingen (categorie a), het volgende:

“Verder zal in elk geval het beslag op de 22 dossiers van die patiënten die geen onderwerp zijn van het GVO dienen te worden opgeheven. Voor alle andere resterende stukken geldt - voor zover hiervoor al volledig opgesomd - dat gelet op de aard daarvan niet valt uit te sluiten dat deze stukken informatie bevatten, over voornoemde tien patiënten en/of over de algemene zorgverlening door klager, die door het Openbaar Ministerie nog steeds relevant wordt geacht.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat voor die door het Openbaar Ministerie nog steeds relevant geachte stukken uit het IGZ-dossier geldt dat een belang van strafvordering, te weten het belang van waarheidsvinding, bestaat bij inzage daarin. De officier van justitie heeft het bestaan van dat belang ook onderbouwd, namelijk door aan te geven dat ze (naar alle waarschijnlijkheid) informatie bevatten over de algemene behandelmethoden die klager hanteerde, over zijn dossiervoering en over de behandeling van die tien patiënten, welke informatie relevant kan zijn voor het aan het licht brengen van de waarheid in zijn strafzaak.”

Deze overwegingen zijn alleen begrijpelijk als aangenomen wordt dat de Rechtbank met de daarin genoemde 22 dossiers waarop het beslag dient te worden opgeheven, niet alleen het oog heeft op de dossiers van categorie c, maar op alle stukken die betrekking hebben op de desbetreffende 22 patiënten, dus bijvoorbeeld ook op de gespreksverslagen die over deze patiënten gaan. Als dat anders zou zijn, valt niet goed te begrijpen waarom de Rechtbank ten aanzien van “alle andere resterende stukken” oordeelt dat niet uit te sluiten valt dat zij informatie bevatten over de tien overgebleven patiënten en/of over de algemene zorgververlening door klager. Niet uit te sluiten valt dan immers evenmin dat die stukken informatie bevatten over de bedoelde 22 patiënten. Bovendien valt dan niet te begrijpen dat de Rechtbank overweegt dat het hier gaat om “door het Openbaar Ministerie nog steeds relevant geachte stukken”. Stukken die betrekking hebben op de 22 bedoelde patiënten had de OvJ immers uitdrukkelijk niet langer relevant geacht.

Derhalve concludeert de AG dat de hierna weergegeven overweging waarin de Rechtbank haar oordeel over al de bedoelde “andere resterende stukken” geeft, alleen betrekking heeft op stukken die gegevens bevatten over de tien patiënten die tot het onderwerp van het GVO behoren en op stukken die zien op de algemene zorgverlening door klager. Bij een andere lezing zou die overweging weer niet goed te begrijpen zijn, nu daarin over stukken die betrekking hebben op de 22 andere patiënten niet wordt gerept. De bedoelde overweging luidt:

“Dat de tien resterende patiëntdossiers medische informatie van patiënten kunnen bevatten, is evident, zodat die vallen onder het van klager afgeleide verschoningsrecht van IGZ. Kennelijk heeft de officier van justitie met de andere door het Openbaar Ministerie gewenste stukken, de stukken uit het IGZ-dossier die betrekking hebben op de algemene zorgverlening door klager, gedoeld op andere stukken dan die welke medische informatie van specifieke patiënten bevatten, zodat die stukken naar het oordeel van de rechtbank niet vallen onder het van klager afgeleide verschoningsrecht van de IGZ. Ten aanzien van die stukken is het klaagschrift dan ook om die reden ongegrond.”

Op het eerste gezicht is het merkwaardig dat de Rechtbank een tweedeling maakt tussen de tien patiëntendossiers en de “andere door het Openbaar Ministerie gewenste stukken” en ten aanzien van die andere stukken oordeelt dat die (alleen) betrekking hebben op de algemene zorgverlening door klager. De gespreksverslagen die op de tien patiënten betrekking hebben, lijken zo tussen de wal en het schip te zijn gevallen. Dat echter kan niet de bedoeling zijn. Aangenomen moet daarom worden dat voor de term ‘patiëntdossiers’ in deze overweging hetzelfde geldt als voor de term ‘dossiers’ in de weergegeven overweging, namelijk dat daarmee alle stukken worden bedoeld die gegevens bevatten over de desbetreffende patiënten. In diezelfde zin is de term ‘patiëntdossier’ dan kennelijk in het dictum gebezigd. Bij die uitleg is de gesignaleerde discrepantie minder groot.

Wat betekent dit alles voor het voorgestelde middel? In de eerste plaats dat het feitelijke grondslag mist voor het zover het ervan uitgaat dat de Rechtbank heeft geoordeeld dat stukken die specifieke informatie bevatten over patiënten (zoals mogelijk het geval is met betrekking tot de gespreksverslagen) niet onder het afgeleide verschoningsrecht vallen. Hetzelfde geldt voor zover het middel ervan uitgaat dat de Rechtbank zich over bepaalde stukken in het geheel niet heeft uitgelaten. De overwegingen van de Rechtbank moeten immers zo worden verstaan dat het klaagschrift alleen ongegrond is verklaard voor zover het gaat om (i) stukken die specifiek betrekking hebben op de tien patiënten waarop het GVO zich richt en (ii) stukken die enkel betrekking hebben op de algemene zorgverlening door klager. Van alle onder (i) bedoelde stukken heeft de Rechtbank geoordeeld dat zij onder het verschoningsrecht vallen. Van de onder (ii) bedoelde stukken heeft zij geoordeeld dat dit niet het geval is. Het voorgaande betekent daarom in de tweede plaats dat het middel enkel nog bespreking behoeft voor zover het betrekking heeft op het oordeel dat de Rechtbank gaf ten aanzien van de onder (ii) bedoelde stukken.

De aan dit oordeel ten grondslag liggende opvatting van de Rechtbank dat deze stukken niet onder het verschoningsrecht vallen omdat zij geen “medische informatie van specifieke patiënten” bevatten, wordt in de toelichting op het middel niet bestreden met argumenten die zich speciaal daarop richten. Toch gaat de AG ervan uit dat het middel zich ook tegen het bedoelde oordeel richt. De algemene klacht dat de Rechtbank haar eigen oordeel niet voor dat van de klager in de plaats had mogen stellen, geldt voor dat oordeel evenzeer. De AG merkt daarbij op dat, mocht de Rechtbank hebben bedoeld dat er redelijkerwijze geen twijfel over kan bestaan dat het standpunt van de klager onjuist is, mij dit niet zonder meer begrijpelijk voorkomt. Het gaat bij de bedoelde stukken niet om algemeen toegankelijke informatie over zorgverlening en behandelmethoden die in de gezondheidszorg gangbaar zijn, maar om de zorgverlening die door de klager in zijn kliniek werd gepraktiseerd en die – zo lijkt de verdenking in te houden – juist niet algemeen gangbaar was. Daarom valt niet redelijkerwijs uit te sluiten dat de bedoelde stukken informatie bevatten over de behandelingen die de patiënten in de kliniek ondergingen.

Het middel is in zoverre gegrond. De vraag is of dat tot cassatie moet leiden. De AG meent van niet en wel omdat de klager daarbij onvoldoende belang heeft. Het kan er namelijk voor gehouden worden dat de Rechtbank, als zij wél had geoordeeld dat de bedoelde stukken onder het verschoningsrecht vallen, ook ten aanzien van die stukken zou hebben geoordeeld dat sprake was van zeer uitzonderlijke omstandigheden die een doorbreking van het verschoningsrecht rechtvaardigen. Het zou immers vreemd zijn als de Rechtbank een inbreuk op het verschoningsrecht wel gerechtvaardigd zou achten ten aanzien van stukken die specifiek betrekking hebben op bepaalde patiënten, maar niet ten aanzien van stukken die dergelijke specifieke informatie niet bevatten. In het laatste geval gaat de inbreuk op het verschoningsrecht minder ver en valt de belangenafweging dus eerder in het voordeel van doorbreking uit.

Een andere oplossing zou zijn dat de Hoge Raad wel tot partiële vernietiging overgaat en vervolgens, zoals art. 448 lid 1 Sv hem voorschrijft, in zoverre beveelt wat had behoren te geschieden. De Hoge Raad doet dan dus opnieuw recht, waarbij hij zich kan baseren op het in cassatie overeind gebleven oordeel dat de Rechtbank met betrekking tot de tien patiëntendossiers gaf. De uitkomst waartoe dat leidt, dient in de optiek van de AG te zijn dat het beklag opnieuw ongegrond wordt verklaard, maar dan omdat een doorbreking van het verschoningsrecht is gerechtvaardigd. Voor de klager komt dit op hetzelfde neer. Dat illustreert dat hij bij vernietiging onvoldoende belang heeft.

Het middel kan niet tot cassatie leiden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Slagende bewijsklacht verduistering: Het zuiver negatieve nalaten van moeite om iets aan de eigenaar terug te geven is, zelfs niet als overeengekomen is dat dit zonder aanmaning zal geschieden, geen toe-eigening in de betekenis die daaraan in art. 321 Sr toekomt

Hoge Raad 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1771 Verdachte heeft op naam van B, het bedrijf waar verdachte op dat moment werkzaam was, een huurovereenkomst/ leasecontract gesloten met A, waarbij een personenauto (merk Honda, type CRV) is gehuurd/geleaset. De huurovereenkomst/ het leasecontract liep af op 14 september 2011. Hoewel verdachte van deze datum op de hoogte was, was de personenauto op 13 oktober 2011 (nog) niet bij A teruggebracht. De sleutel van de personenauto lag in huis bij betrokkene 2, een collega van verdachte en tevens medeverdachte van verdachte in een andere strafzaak. Betrokkene 2 is, net als verdachte, op 13 september 2011 aangehouden en heeft tegelijk met verdachte in beperkingen gezeten. Op 23 november 2011 is voornoemde personenauto in beslag genomen onder betrokkene 3.

Het Gerechtshof Amsterdam heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand wegens verduistering.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring het volgende overwogen:

"De raadsman van de verdachte heeft in de zaak met parketnummer 15-152874-12 ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte geen opzet had op de wederrechtelijke toe-eigening van de huurauto en geconcludeerd dat hij van dit feit moet worden vrijgesproken.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt daaromtrent het volgende.

Gezien de volgende omstandigheden is het hof van oordeel dat de verdachte opzet heeft gehad op de wederrechtelijke toe-eigening van de door hem gehuurde auto.

- de verdachte heeft een short-leaseovereenkomst gesloten met [A];

- hij heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij wist dat de auto moest worden geretourneerd op 14 september 2011;

- de verdachte had aan zijn medewerker [betrokkene 2] toestemming gegeven deze auto te gebruiken en onder zich te houden;

- de verdachte wist dat [betrokkene 2] tegelijkertijd met hem was aangehouden, op 13 september 2011. Dat was een dag voordat de huurovereenkomst afliep, zodat hij zich niet blindelings kon verlaten op een eventuele afwikkeling van de leaseovereenkomst door [betrokkene 2];

- de verdachte, die daartoe als contractspartij verantwoordelijk was, heeft in de gehele tenlastegelegde periode geen actie ondernomen de auto tijdig te doen terugbrengen naar de eigenaar.

Het feit dat de verdachte gedetineerd was en in alle beperkingen zat doet hier niets aan af, nu dit niet in de weg stond aan contact tussen hem en zijn raadsman. Aldus had de verdachte via zijn raadsman kunnen zorgdragen voor een tijdige terugkeer van de auto bij de verhuurder."

Middel

Het middel bevat de klacht dat de bewezenverklaarde wederrechtelijke toe-eigening niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen, althans dat het Hof bij de verwerping van het van het door de verdediging in hoger beroep gevoerde verweer inhoudende dat verdachte geen opzet had op de wederrechtelijke toe-eigening heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, nu het Hof, door te overwegen dat verdachte geen actie heeft ondernomen om de auto tijdig aan de eigenaar te doen terugbrengen, heeft miskend dat het nalaten van het tijdig teruggeven van de gehuurde auto aan de verhuurder niet zonder meer wederrechtelijke toe-eigening in de zin van verduistering oplevert, althans dat het Hof voornoemd verweer onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.

Beoordeling Hoge Raad

In de tenlastelegging en bewezenverklaring is het begrip 'zich wederrechtelijk toe-eigenen' gebezigd in de betekenis die daaraan in art. 321 Sr toekomt. Volgens vaste rechtspraak is van zodanig toe-eigenen sprake indien een persoon zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester beschikt over een goed dat aan een ander toebehoort (vgl. onder meer HR 13 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:57).

Blijkens de bewijsmiddelen heeft de verdachte niet ervoor gezorgd dat de auto na afloop van de leaseovereenkomst werd teruggegeven aan A, aan wie de auto toebehoorde. Aan die omstandigheid kan evenwel niet zonder meer de conclusie worden verbonden dat de verdachte na afloop van de leaseovereenkomst over de auto 'als heer en meester is gaan beschikken'. De gebezigde bewijsmiddelen houden geen andere feiten of omstandigheden in waaruit dat zou kunnen worden afgeleid. Het oordeel van het Hof dat de verdachte die auto zich wederrechtelijk heeft toegeëigend, is daarom niet toereikend gemotiveerd.

Het middel is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Faillissementsfraude: art. 344 Sr behelst geen specialis van art. 343 Sr

Hoge Raad 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1756 Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 7 maart 2014 verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en tot een taakstraf voor de duur van 150 uren wegens 1. (primair) medeplegen van als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon enig goed aan de boedel onttrokken hebben en 2. telkens: medeplegen van valsheid in geschrifte.

Aan de verdachte is onder 1 tenlastegelegd dat:

"1. primair

hij in de periode van 1 augustus 2005 tot 1 november 2005 te Blaricum en/of Bussum en/of te Hilversum, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), te weten [betrokkene 1], zijnde bestuurder van [A] B.V. en/of [betrokkene 2], en/of een of meer andere mededader(s), terwijl [A] B.V. bij vonnis van de rechtbank te Amsterdam d.d. 11 oktober 2005 in staat van faillissement was verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van [A] B.V.,

- (een) ba(a)t(en) niet heeft verantwoord en/of verantwoord en/of (een) goed(eren) aan de boedel heeft onttrokken en/of onttrekt en/of

- enig(e) goed(eren) om niet en/of klaarblijkelijk beneden de waarde heeft vervreemd en/of

- ter gelegenheid van het faillissement van [A] B.V. en/of op een tijdstip waarop hij en/of zijn mededader(s) wist(en) dat het faillissement niet kon worden voorkomen, een of meerdere van de schuldeiser(s) van [A] B.V. op enige wijze heeft bevoordeeld en/of bevoordeelt,

immers heeft verdachte en/of [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of een of meer andere mededader(s):

- een nieuwe leningsovereenkomst opgesteld tussen [A] B.V. en [B] B.V., met daarin opgenomen dat [A] B.V. als schuldenaar de verplichting heeft om tot meerdere zekerheid voor de terugbetaling aan [B] B.V. als schuldeiser stil pandrecht te verlenen op alle bestaande en toekomstige vorderingen daaronder begrepen eventuele andere rechten ingevolge de uitoefening van het bedrijf van [A] B.V., welke leningsovereenkomst geantedateerd is op 2 november 2004 (rubriek 9 p. 164) en/of

- werkzaamheden die verricht waren door [A] B.V. gefactureerd vanuit de nieuwe B.V., [C] B.V. i.o. en/of

- het geld van de debiteuren van [A] B.V. dat binnenkwam op de rekening van [A] B.V. doorgestort naar de rekening van [B] B.V. en/of

- een te lage overnameprijs voor de activa van [A] B.V. vastgesteld van EUR 5.000,-;

subsidiair

hij in de periode van 1 augustus 2005 tot 1 november 2005 te Blaricum en/of Bussum en/of te Hilversum, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

- in geval van faillissement, of in het vooruitzicht daarvan, nu het faillissement van [A] B.V. is gevolgd op 11 oktober 2005, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers, (een) goed(eren) aan de boedel heeft onttrokken en/of een betaling heeft aangenomen van een niet opeisbare schuld en/of van een opeisbare schuld, terwijl hij, verdachte, en of zijn mededader(s) in het laatste geval wist(en) dat het faillissement van de schuldenaar, te weten [A] B.V., reeds was aangevraagd of ten gevolge van overleg met de schuldenaar, te weten [A] B.V. en/of

- bij verificatie van de schuldvorderingen in geval van faillissement, een niet bestaande schuldvordering heeft voorgewend of een bestaande tot een verhoogd bedrag heeft doen gelden,

immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s):

- een nieuwe leningsovereenkomst opgesteld tussen [A] B.V. en [B] B.V., met daarin opgenomen dat [A] B.V. als schuldenaar de verplichting heeft om tot meerdere zekerheid voor de terugbetaling aan [B] B.V. als schuldeiser stil pandrecht te verlenen op alle bestaande en toekomstige vorderingen daaronder begrepen eventuele andere rechten ingevolge de uitoefening van het bedrijf van [A] B.V., welke leningsovereenkomst geantedateerd is op 2 november 2004 en/of

- werkzaamheden die verricht waren door [A] B.V. gefactureerd vanuit de nieuwe B.V., [C] B.V. i.o. en/of

- het geld van de debiteuren van [A] B.V. dat binnenkwam op de rekening van [A] B.V. doorgestort naar de rekening van [B] B.V. en/of

- een te lage overnameprijs voor de activa van [A] B.V. vastgesteld van EUR 5.000,-."

Daarvan is bewezenverklaard dat:

"1. primair

hij in de periode van 1 augustus 2005 tot 1 november 2005 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, te weten [betrokkene 1], zijnde bestuurder van [A] B.V. en [betrokkene 2], terwijl [A] B.V. bij vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 11 oktober 2005 in staat van faillissement was verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van [A] B.V.,

- baten aan de boedel heeft onttrokken,

immers heeft verdachte en [betrokkene 1] en [betrokkene 2]:

- een nieuwe leningsovereenkomst opgesteld tussen [A] B.V. en [B] B.V., met daarin opgenomen dat [A] B.V. als schuldenaar de verplichting heeft om tot meerdere zekerheid voor de terugbetaling aan [B] B.V. als schuldeiser stil pandrecht te verlenen op alle bestaande en toekomstige vorderingen daaronder begrepen eventuele andere rechten ingevolge de uitoefening van het bedrijf van [A] B.V., welke leningsovereenkomst geantedateerd is op 2 november 2004 en

- werkzaamheden die verricht waren door [A] B.V. gefactureerd vanuit de nieuwe B.V., [C] B.V. i.o. en

- het geld van een debiteur van [A] B.V. dat binnenkwam op de rekening van [A] B.V. doorgestort naar de rekening van [B] B.V. en

- een te lage overnameprijs voor de activa van [A] B.V. vastgesteld van EUR 5.000,00."

Het Hof heeft het bewezenverklaarde - onder aanhaling van art. 343 Sr als mede toepasselijk wettelijk voorschrift - gekwalificeerd als "medeplegen van als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon enig goed aan de boedel onttrokken hebben".

Middel

Het middel komt op tegen 's Hofs verwerping van het door de verdediging ter zake van feit 1 gevoerde verweer dat art. 344 Sr een specialis behelst van het in art. 343 Sr omschreven faillissementsdelict.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"De raadsman heeft ter terechtzitting van dit hof - in de kern en zakelijk weergegeven - bepleit dat het bepaalde in artikel 55, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht (hierna Sr) zich verzet tegen een veroordeling ter zake van het onder 1 primair tenlastegelegde medeplegen van een bedrieglijke bankbreuk. Daartoe is door de raadsman het volgende aangevoerd. Artikel 343 Sr stelt strafbaar de bestuurder of de commissaris van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard. De verdachte bezit geen van beide hoedanigheden. Hoewel gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad in beginsel een veroordeling ter zake van medeplegen van een dergelijk kwaliteitsdelict tot de mogelijkheden behoort, staat artikel 344 Sr, dat aan de verdachte hetgeen hem onder 1 subsidiair is tenlastegelegd hieraan in de weg. In artikel 344 Sr is immers een strafbepaling opgenomen die expliciet ziet op faillissementsdelicten gepleegd door derden, zodat sprake is van een specialiteitsverhouding. Gelet op het bepaalde in artikel 55, tweede lid, Sr dient de speciale bepaling te worden toegepast.

Het hof begrijpt de conclusie die de raadsman aan zijn betoog heeft verbonden aldus, dat het onder 1 primair bewezen verklaarde gelet op de specialiteitsverhouding niet gekwalificeerd kan worden op de voet van artikel 343 Sr, zodat de verdachte - naar het hof de raadsman begrijpt - van het onder 1 primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt daartoe het volgende.

De stelling van de raadsman dat artikel 344 Sr een specialis is van artikel 343 Sr vindt geen steun in het recht. Reeds daarom verwerpt het hof het verweer van de raadsman. Het hof legt de tenlastelegging zo uit dat de steller daarvan beoogd heeft de verhouding tussen beide delictsomschrijvingen aldus te bepalen dat artikel 343 Sr een kwaliteitsdelict is waarvan als normadressaat zijn aangewezen de bestuurders en commissarissen van de gefailleerde rechtspersoon. Juist is dat de wetgever paulianeuze gedragingen die zijn verricht door een ander dan de gefailleerde schuldenaar of zijn bestuurder(s) in een afzonderlijke strafbepaling, te weten artikel 344 Sr, heeft ondergebracht, maar dat laat onverlet dat deze 'derden' onder omstandigheden ook in zodanige mate met die schuldenaar of zijn bestuurders kunnen hebben samengewerkt, dat zij tevens kunnen worden vervolgd voor het strafrechtelijk deelnemen aan bedrieglijke bankbreuk als bedoeld in artikel 343 Sr. De tenlastelegging kan in redelijkheid aldus worden begrepen. Naar het oordeel van het hof is van tegenstrijdigheid in de tenlastelegging geen sprake.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman."

Noch de tekst van de wet, noch de wetsgeschiedenis biedt steun voor de aan het verweer en aan het middel ten grondslag gelegde opvatting dat art. 344 Sr een specialis behelst van art. 343 Sr. In art. 344 Sr heeft de wetgever immers strafbaar gesteld het door "derden" plegen van faillissementsdelicten, terwijl art. 343 Sr zich richt tegen de bestuurder of commissaris van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard. Het oordeel van het Hof dat bedoelde opvatting geen steun vindt in het recht, ook niet indien de verdachte niet de hoedanigheid van bestuurder of commissaris van de rechtspersoon heeft en hem het medeplegen van art. 343 Sr ten laste is gelegd, is derhalve juist.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordelingen in zaak Palm Invest voor o.a. oplichting blijven in stand

Hoge Raad 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1785 Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 16 april 2013 verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren ter zake van:

  • feitelijk leiding geven aan oplichting, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;
  • feitelijk leidinggeven aan valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;
  • medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken; en
  • feitelijk leiding geven aan de opzettelijk begane overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 3, eerste lid van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Ten laste van de verdachte is onder 4 bewezenverklaard dat:

"[A] B.V. ([A] B.V.) in de periode van 1 november 2005 tot eind november 2006 te Hilversum telkens opzettelijk effecten heeft aangeboden zonder dat ter zake de aanbieding een prospectus algemeen verkrijgbaar was te weten obligatieleningen van [A] BV aan onder meer de volgende beleggers:

- [betrokkene 1] (obligatieovereenkomst € 20.000,00) en

- [betrokkene 2] (obligatieovereenkomst € 25.000,00) en

- [betrokkene 3] (obligatieovereenkomst € 20.000,00 en € 10.000,00) en

- [betrokkene 4] (obligatieovereenkomst € 10.000,00 en 10.000,00), aan het plegen van bovengenoemde strafbare feiten hij, verdachte, telkens feitelijk leiding heeft gegeven."

Met betrekking tot de strafbaarheid van dit bewezenverklaarde houdt het arrest van het Hof het volgende in:

“Strafbaarheid van het onder 4 ten laste gelegde feit: de opzettelijke overtreding van de Wet toezicht effectenverkeer 1995

Onder feit 4 is bewezenverklaard dat de verdachte als feitelijk leidinggever van [A] B.V. in de periode van 1 november 2005 tot eind november 2006 effecten heeft aangeboden zonder dat ter zake de aanbieding een prospectus algemeen verkrijgbaar was.

Ten tijde van het plegen van dit feit werd deze overtreding aangemerkt als een economisch delict in artikel 1 sub 2 van de Wet op de economische delicten (hierna : WED) en als zodanig ook strafbaar gesteld (artikel 1, 2 en 6 WED).

De Wet toezicht effectenverkeer 1995 (hierna: Wte 1995) is daarna op 1 januari 2007 komen te vervallen en het verbod van 3 lid 1 Wte 1995 is thans opgenomen in artikel 5:2 van de Wet op het Financieel toezicht (Wft) die wet per 1 januari 2007 inwerking is getreden. Bij de invoering van art 5:2. Wft heeft de wetgever per abuis nagelaten dit artikel aan te merken als een economisch delict in de zin van die wet.

Deze omissie in de wetgeving heeft de wetgever inmiddels ook weer hersteld. Bij wijziging van de WED (Staatsblad 2011, nr. 248) is artikel 1 van deze wet gewijzigd in die zin dat opnieuw artikel 5:2 is ingevoegd. In de kamerstukken betreffende deze wijziging (kamerstuk 2008/2009, nr. 32036, memorie van toelichting) is vermeld dat deze aanpassing het mogelijk maakt opzettelijke overtreding van artikel 5:2 Wft strafrechtelijk af te doen, welke bevoegdheid per abuis was weggevallen bij de introductie van het boetestelsel financiële wetgeving.

Uit het voorgaande volgt dat de wetgever is overgegaan tot reparatie van de desbetreffende wetgeving. De rechtbank heeft bij haar vonnis van 22 april 2010 geoordeeld dat deze omissie van de wetgever een misslag van de wetgever was en mitsdien geen sprake is geweest van een veranderd inzicht over de strafwaardigheid van de gedraging en geen aanleiding diende te geven tot het buiten toepassing laten van de strafbedreiging uit 2005/2006. De raadsman en het openbaar ministerie hebben zich op het standpunt gesteld dat nu de 'misslag' ook thans nog niet is hersteld, de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof verwerpt het verweer bij het ontbreken van feitelijke grondslag, nu het ervoor moet worden gehouden dat op het moment van begaan van het feit de verweten gedraging met straf was bedreigd en thans op het moment van berechting door de reparatiewetgeving opnieuw is strafbaar gesteld. Daaraan doet niet af dat gedurende enige tijd de omschreven gedraging door een misslag van de wetgever niet strafbaar was gesteld. Als tot uitgangspunt zou moeten worden genomen dat niet enig aan de wetgever toe te schrijven inzicht over de strafwaardigheid het bij de toepassing van artikel 1, tweede lid Sr als het leidende beginsel zou moeten genomen, maar het vertrouwen dat de burger mag stellen in de wet zelf, dan nog is dat vertrouwen in casu niet beschaamd, nu de gedraging van de verdachte op het moment van begaan daarvan strafbaar was - en ook kenbaar voor hem -, is dat niet anders dan op het moment van berechting. Tussenliggende wijzigingen doen daar niet aan af, nu die wijzigingen inmiddels door de wetgever in de oude toestand zijn hersteld.

De verdediging heeft nog een beroep gedaan op het zogenoemde Scoppola-arrest (EHRM 17 september 2009, LJN BK6009) en de interpretatie die de Hoge Raad daaraan heeft gegeven (HR 12 juli 2011, LJN BP6878). Dit beroep kan de verdediging niet baten. De Hoge Raad heeft in dat arrest bepaald dat hij blijft bij zijn bestendige rechtspraak met betrekking tot veranderingen die verband houden met delictsomschrijvingen, waaronder begrepen het vervallen van strafbaarstellingen. De Hoge Raad heeft daarbij opgemerkt dat die rechtspraak goede grond heeft, omdat de strafrechtelijke aansprakelijkheid in beginsel wordt bepaald door de regelgeving die geldt ten tijde van het plegen van het strafbare feit. Een uitzondering daarop wordt echter gerechtvaardigd ingeval sprake is van een verandering van inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van de vóór de wetswijziging begane strafbare feiten, welk inzicht naar het oordeel van de Hoge Raad door de wetgever wordt vastgelegd in bijzondere overgangsbepalingen. Uit het herstellen van de misslag leidt het hof af dat de strafbedreiging niet gunstiger is voor de verdachte. Het verweer wordt mitsdien verworpen.”

Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld.

Middel

Het middel klaagt over het oordeel van het Hof omtrent de strafbaarheid van het onder 4 bewezenverklaarde feit.

Beoordeling Hoge Raad

Op 1 augustus 2009 is met de inwerkintreding van de Wet wijziging boetestelsel financiële wetgeving de WED gewijzigd waardoor de per 1 januari 2007 in art. 5:2 Wet op het financieel toezicht neergelegde - uit het voordien geldende art. 3, eerste lid, Wet toezicht effectenverkeer 1995 overgenomen - prospectusplicht niet langer in art. 1 sub 2 WED was opgenomen. Naleving van de desbetreffende plicht kon worden gehandhaafd via het bestuursrecht. Met de inwerkingtreding op 1 juli 2011 van de Wijzigingswet financiële markten 2010 is genoemd art. 5:2 Wft opnieuw in art. 1 sub 2 WED ingevoegd. In de periode van 1 augustus 2009 tot 1 juli 2011 ontbrak in genoemde bepaling van de WED derhalve een verwijzing naar art. 5:2 Wft.

Art. XII van de Wet wijziging boetestelsel financiële wetgeving, (Stb 2009, 327) luidt:

"Ter zake van overtredingen die hebben plaatsgevonden of zijn aangevangen voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijft het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing."

De klacht van het middel sluit af op art. XII van de Wet wijziging boetestelsel financiële wetgeving, nu het overeenkomstig de tenlastelegging bewezenverklaarde feit betrekking heeft op gedragingen die zijn gepleegd in de periode van 1 november 2005 tot eind november 2006, welke gedragingen op grond van het toen geldende art. 3, eerste lid, Wet toezicht effectenverkeer 1995 strafbaar waren.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en vermindert deze in die zin dat deze vier jaren en negen maanden beloopt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

HR herhaalt relevante overwegingen mbt (doen) horen van getuigen en verhouding tot artikel 6 EVRM

Hoge Raad 23 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1709 Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft het vonnis van de Politierechter in de Rechtbank Midden-Nederland bevestigd, waarbij verdachte wegens overtreding van artikel 8 Wegenverkeerswet is veroordeeld tot een werkstraf van 28 uren en ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor 12 maanden, waarvan 4 voorwaardelijk.

Het Hof heeft het proces-verbaal inhoudende de niet ter terechtzitting afgelegde, voor verdachte belastende verklaring van X voor het bewijs gebezigd zonder dat de verdediging in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad om X als getuige te (doen) ondervragen. Die verklaring houdt onder meer in dat X heeft gezien dat degene die uit de auto stapte de Peugeot heeft bestuurd. Voor dit door verdachte betwiste onderdeel van de verklaring van X is geen steun te vinden in andere door het Hof gebezigde bewijsmiddelen.

Middel

Het middel bevat in de eerste plaats de klacht dat het Hof ten onrechte, in strijd met art. 6 EVRM, de verklaring van betrokkene 1 tot het bewijs heeft gebezigd zonder dat de verdediging betrokkene 1 als getuige heeft kunnen (doen) horen.

Beoordeling Hoge Raad

Het gebruik voor het bewijs van een ambtsedig proces-verbaal voor zover inhoudende een niet ter terechtzitting afgelegde, de verdachte belastende verklaring is niet onverenigbaar met art. 6, eerste lid en derde lid aanhef en onder d, EVRM indien de verdediging in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad om een dergelijke verklaring op haar betrouwbaarheid te toetsen en aan te vechten door de persoon die de verklaring heeft afgelegd als getuige te (doen) ondervragen. Het gebruik van die verklaring is ook niet ongeoorloofd indien genoemde gelegenheid heeft ontbroken, doch die verklaring in belangrijke mate steun vindt in andere bewijsmiddelen. Dit steunbewijs zal dan betrekking moeten hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist (vgl. HR 29 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5539, NJ 2013/145).

Het Hof heeft het proces-verbaal inhoudende de niet ter terechtzitting afgelegde, de verdachte belastende verklaring van betrokkene 1 voor het bewijs gebezigd zonder dat de verdediging in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad om die betrokkene 1 als getuige te (doen) ondervragen. Die verklaring houdt onder meer in, kort samengevat, dat betrokkene 1 heeft gezien dat degene die uit de auto stapte de Peugeot heeft bestuurd. Voor dit door de verdachte betwiste onderdeel van de verklaring van betrokkene 1 is geen steun te vinden in andere door het Hof gebezigde bewijsmiddelen.

Het voorgaande brengt mee dat het Hof in strijd met art. 6, eerste lid en derde lid aanhef en onder d, EVRM het hiervoor bedoelde proces-verbaal voor het bewijs heeft gebezigd. De klacht is gegrond.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^