Toetsingskader HR mbt van eigen misdrijf verkregen voorwerp bij witwassen

Hoge Raad 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:888

Verzoeker is bij arrest van 23 januari 2013 door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden wegens 1. witwassen, en 2.a. medeplegen van handelen in strijd met een in artikel 2 onder A Opiumwet gegeven verbod en 2.b. een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 voorbereiden of bevorderen door voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit. Daarnaast heeft het Hof de inbeslaggenomen geldbedragen van € 9.000 en € 20.500 verbeurdverklaard.

De bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde steunt onder meer op de volgende bewijsvoering:

"Op 8 september 2008 vindt een doorzoeking plaats in de woning van verdachte op het adres [a-straat 1] in [plaats]. Daarbij treft het opsporingsteam niet alleen verdachte, maar ook een man genaamd [betrokkene 2] in de woning aan.

Bij de doorzoeking wordt het volgende aangetroffen:

    • een contant geldbedrag van in totaal € 20.500 in het nachtkastje van de slaapkamer;
    • een tabel reistijden bus Göteborg;
    • een contant geldbedrag van in totaal € 9.000,- in de berging;
    • drie weegschaaltjes in de linker keukenlade.

Het geld wordt aangetroffen in coupures van € 500."

Het Hof heeft ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde voorts het volgende overwogen:

"Het hof acht ook het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Het hof neemt ten aanzien van dit feit het volgende in aanmerking:

    • Het bedrag aan contanten ter hoogte van 29.500 EURO is ongebruikelijk hoog om thuis, in een nachtkastje dan wel berging te bewaren,
    • De aangetroffen coupures van 500,-- EURO zijn in het dagelijkse verkeer niet gangbaar.
    • Het bij de Belastingdienst bekende inkomen van de verdachte maakt het onaannemelijk dat evengenoemd geld uit legale bron afkomstig spaargeld van de verdachte zou zijn. Dat een deel van het bij de verdachte aangetroffen bedrag (dat in zijn nachtkastje is aangetroffen) ter hoogte van 20.500 EUR een legale herkomst heeft uit handelsactiviteiten van Nwafor is voorts onaannemelijk nu laatstgenoemde hierover wisselend heeft verklaard en voorts de ter adstructie van de herkomst van evengenoemde geldbedragen overgelegde bescheiden hiervoor geenszins een concrete onderbouwing vormen.

Gelet op het vorenstaande is het hof dan ook, anders dan de raadsman, van oordeel dat de zijdens verdachte gestelde herkomst van bedoelde gelden onaannemelijk is. Naar het oordeel van het hof kan het daarom niet anders zijn dat evengenoemde geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf."

Het Hof heeft het onder 1 bewezenverklaarde gekwalificeerd als "witwassen" en heeft ten aanzien van die kwalificatie het volgende overwogen:

"Nu uit de stukken uit het dossier noch anderszins vaststaat dat het voorhanden hebben van de ten laste gelegde geldbedragen afkomstig zijn uit eigen misdrijf is het hof, anders dan de raadsman van oordeel dat het bewezenverklaarde kan worden gekwalificeerd als hierboven vermeld."

Namens verzoeker heeft mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht, drie middelen van cassatie voorgesteld.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof het onder 1 bewezenverklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als "witwassen".

Beoordeling Hoge Raad

Het middel doet een beroep op recente rechtspraak van de Hoge Raad over in het bijzonder het verwerven of voorhanden hebben van onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen. Die rechtspraak komt er - kort gezegd - op neer dat in zulke gevallen bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld-)witwassen in die zin dat dan uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. (Vgl. met verdere verwijzingen HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:150, NJ 2013/515, rov. 6.4.1, 6.4.2 en 6.5). Deze rechtsregels hebben slechts betrekking op het geval dat de verdachte voorwerpen heeft verworven of voorhanden heeft gehad, terwijl aannemelijk is dat die voorwerpen onmiddellijk afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf (vgl. HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2001, NJ 2014/75 en HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702, NJ 2014/302, rov. 3.8).

Indien de feitenrechter zijn kwalificatiebeslissing in de hierboven bedoelde zin heeft gemotiveerd, kan die motivering in cassatie worden getoetst. Maar ook indien de feitenrechter de bewezenverklaring zonder hierop gerichte motivering als (schuld-)witwassen heeft gekwalificeerd omdat zich (kennelijk) niet een geval voordoet als hiervoor bedoeld, kan dat (kennelijke) oordeel in cassatie op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.

Het oordeel dat niet sprake is van een onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig voorwerp zal vooral niet begrijpelijk kunnen zijn indien:

  1. daarnaast sprake is van een ten laste van de verdachte uitgesproken bewezenverklaring ter zake van het begaan van een ander misdrijf met betrekking tot hetzelfde voorwerp, door middel van welk misdrijf de verdachte dat voorwerp kennelijk heeft verworven of voorhanden heeft (bijvoorbeeld de buit van een door de verdachte zelf begaan vermogensmisdrijf), dan wel
  2. rechtstreeks uit de bewijsvoering voortvloeit dat sprake is van - kort gezegd - het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, dan wel
  3. de juistheid in het midden is gelaten van hetgeen door of namens de verdachte met voldoende concretisering is aangevoerd met betrekking tot dit verwerven of voorhanden hebben door eigen misdrijf (vgl. HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3618, rov. 2.3.1 en 2.3.2).

In het onderhavige geval gaat het om onder de verdachte in zijn woning aangetroffen geldbedragen van € 20.500,- en € 9.000,-. 's Hofs bewijsvoering houdt in dat het niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Vervolgens heeft het Hof bij de kwalificatie van het onder 1 bewezenverklaarde voorhanden hebben van deze geldbedragen als 'witwassen' geoordeeld dat niet "vaststaat" dat de tenlastegelegde geldbedragen afkomstig zijn uit eigen misdrijf. Aldus heeft het Hof, zij het in minder juiste bewoordingen, tot uitdrukking gebracht dat niet in voormelde zin "aannemelijk" is geworden dat die geldbedragen onmiddellijk afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf.

Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Niet alleen vloeit het tegendeel niet rechtstreeks voort uit 's Hofs bewijsvoering  en is door of namens de verdachte niets aangevoerd over het op 8 september 2008 voorhanden hebben van die geldbedragen door eigen misdrijf, maar de onder 2 bewezenverklaarde misdrijven (kort gezegd: uitvoer van cocaïne in de maand juni 2008 en voorbereiding van de verkoop enz. van cocaïne op 8 september 2008) zijn ook niet zodanig dat daaruit zonder meer volgt dat de verdachte de geldbedragen kennelijk door deze misdrijven heeft verworven of voorhanden heeft gehad.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Hoge Raad beperkt hoofdelijke aansprakelijkheid ontneming (art. 36e lid 7 Sr) en formuleert aandachtspunten

Hoge Raad 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:878

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 26 april 2013 het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 184.145,69 en aan de betrokkene ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot hoofdelijke betaling van dat bedrag aan de Staat.

Het Hof heeft hiertoe in zijn arrest het volgende overwogen:

“De verplichting tot betaling aan de Staat

De verplichting tot betaling aan de staat wordt vastgesteld op een bedrag van € 184.145,69.

Op 1 juli 2011 is artikel 36e, zevende lid, van het Wetboek van Strafrecht in werking getreden. In dit artikel is bepaald dat bij het vaststellen van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van het eerste en tweede lid ter zake van strafbare feiten die door twee of meer personen zijn gepleegd, de rechter kan bepalen dat deze hoofdelijk dan wel voor een door hem te bepalen deel aansprakelijk zijn voor de gezamenlijke betalingsverplichting. Het bewezenverklaarde is in vereniging met een of meer anderen gepleegd na 1 juli 2011. Betrokkene wenste ter terechtzitting niets te verklaren over het door hem genoten voordeel of een deel daarvan. Het hof zal betrokkene daarom hoofdelijk aansprakelijk stellen voor de betalingsverplichting. Voor zover door de betrokkene hierdoor meer zou worden betaald dan wel voor zover op hem meer zal worden verhaald dan aan hem aan voordeel is toegekomen, heeft hij voor dat meerdere een regresrecht op de mededader(s).”

Namens de betrokkene heeft mr. M. Berndsen, advocaat te Utrecht, één middel van cassatie voorgesteld.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte de betrokkene hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld voor de betalingsverplichting van de gehele bewezenverklaarde criminele organisatie.

Ter toelichting is aangevoerd dat het Hof ten onrechte niet het door de betrokkene individueel verkregen wederrechtelijk voordeel heeft geschat.

Beoordeling Hoge Raad

In HR 15 juni 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1580, NJ 1999/591 is geoordeeld dat de omstandigheid dat het door een criminele organisatie verkregen wederrechtelijk voordeel mede afkomstig is uit concrete strafbare feiten waarvan de betrokkene is vrijgesproken, niet afdoet aan de mogelijkheid van ontneming van het door de betrokkene uit zijn deelneming aan die criminele organisatie verkregen voordeel, omdat voor deelneming aan een criminele organisatie niet is vereist dat de deelnemer strafbaar betrokken is geweest bij strafbare feiten waarop het oogmerk van de organisatie is gericht en waarmee die organisatie daadwerkelijk voordeel heeft behaald. Voorts is in HR 8 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD6046, NJ 2008/495 geoordeeld dat ontneming van voordeel dat is aan te merken als voordeel dat is verkregen door middel van deelneming aan een criminele organisatie, ook voor zover het gaat om binnen het oogmerk van de organisatie gelegen, door leden van de criminele organisatie begane misdrijven waarvan niet bewezen kan worden dat de betrokkene daaraan feitelijk heeft deelgenomen, niet in strijd is met het in EHRM 1 maart 2007, nr. 30810/03 (Geerings tegen Nederland), ECLI:NL:XX:2007:BA1112, NJ 2007/349 gegeven oordeel. Bij zijn oordeel dat in de toen voorliggende zaak - kort gezegd - 'strijd met Geerings' zich niet voordeed, heeft de Hoge Raad in aanmerking genomen dat "uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de betrokkene feitelijk deelt in de opbrengst van door andere leden van de criminele organisatie waarvan hij deel uitmaakte, uitgevoerde misdrijven".

In de onderhavige zaak heeft het Hof aan zijn oordeel dat de betrokkene financieel voordeel heeft genoten als bedoeld in art. 36e Sr, ten grondslag gelegd dat de betrokkene in de hoofdzaak is veroordeeld ter zake van deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven en dat die organisatie, die tenminste zes inbraken heeft gepleegd, daadwerkelijk voordeel heeft behaald. Het Hof heeft een optelsom gemaakt van het in elk van die zes inbraken geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel en dat als het totale door de criminele organisatie verkregen wederrechtelijk voordeel aangemerkt. In de berekening van het Hof is aldus ook het voordeel opgenomen dat is verkregen met inbraken die aan de betrokkene niet zijn tenlastegelegd. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat ervan moet worden uitgegaan dat de betrokkene, als deelnemer aan de criminele organisatie, feitelijk deelde in de opbrengst van de door die organisatie uitgevoerde misdrijven. Dat oordeel is niet toereikend gemotiveerd. De overweging van het Hof dat niet kan worden vastgesteld welk aandeel van het totale voordeel aan de betrokkene kan worden toegerekend, is in dit verband geen toereikende motivering, nu de vaststelling dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen en de schatting van de omvang daarvan vooraf gaan aan de vraag welk aandeel van het totale voordeel aan de betrokkene moet worden toegerekend.

Het middel is in zoverre gegrond.

Aandachtspunten

Al behoeft de tweede klacht van het middel naar aanleiding van het voorgaande geen bespreking meer, de Hoge Raad acht het toch dienstig enige opmerkingen te maken over de daarin aangesneden problematiek van de zogenoemde hoofdelijke aansprakelijkheid in het verband van de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

In HR 1 juli 1997, ECLI:NL:HR:1997:AB7714, NJ 1998/242 is geoordeeld dat op grond van de in dat arrest weergegeven wetsgeschiedenis moet worden aangenomen dat, ook gelet op het reparatoire karakter van de maatregel als bedoeld in art. 36e Sr, bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald. Er is onder ogen gezien dat de rechter, in het geval er verscheidene daders zijn, niet altijd de omvang van het voordeel van elk van die daders aanstonds zal kunnen vaststellen. In dat verband is in HR 7 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8489, NJ 2006/63 overwogen dat de rechter op basis van alle hem bekende omstandigheden van het geval, zoals de rol die de onderscheiden daders hebben gespeeld en het aantreffen van het voordeel bij één of meer van hen, zal moeten bepalen welk deel van het totale voordeel aan elk van hen moet worden toegerekend. Indien de omstandigheden van het geval onvoldoende aanknopingspunten bieden voor een andere toerekening, kan dit ertoe leiden dat het voordeel pondspondsgewijze wordt toegerekend.

Bij de op 1 juli 2011 in werking getreden Wet van 31 maart 2011, Stb. 171 is art. 36e, zevende lid, Sr als volgt komen te luiden:

"Bij het vaststellen van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van het eerste en tweede lid ter zake van strafbare feiten die door twee of meer personen zijn gepleegd, kan de rechter bepalen dat deze hoofdelijk dan wel voor een door hem te bepalen deel aansprakelijk zijn voor de gezamenlijke betalingsverplichting."

Voor de wetsgeschiedenis van deze bepaling wordt verwezen naar de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 7 en 8.

Uit de wetsgeschiedenis van genoemd artikellid volgt dat met de daarin voorziene regeling niet is beoogd af te doen aan het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel, maar dat de wetgever "in de situatie waarin mededaders gezamenlijk lijken te hebben geprofiteerd van het plegen van strafbare feiten" en "er welbewust voor kiezen om geen enkele indicatie te geven van de wijze waarop de criminele opbrengsten zijn verdeeld" het redelijk acht de betalingsverplichting hoofdelijk op te leggen.

Van hoofdelijke verbondenheid is sprake als twee of meer schuldenaren ten aanzien van een zelfde schuld ieder voor het geheel aansprakelijk zijn (art. 6:6, tweede lid, BW). Art. 36e, zevende lid, Sr, dat voorziet in de mogelijkheid van hoofdelijke aansprakelijkheid voor een 'gezamenlijke betalingsverplichting', moet daarom zo worden begrepen dat het gaat om individuele verplichtingen tot betaling aan de staat van het totale bedrag van het geschatte wederrechtelijk voordeel dat door twee of meer personen uit een door hen gepleegd strafbaar feit is verkregen.

Het opleggen van een hoofdelijke betalingsverplichting voor het gehele bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel, zonder dat is kunnen worden vastgesteld dat de 'schuldenaar' dat voordeel heeft verkregen, zal doorgaans in strijd zijn met het uitgangspunt dat slechts voordeel kan worden ontnomen dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald. Alleen indien het verkregen wederrechtelijk voordeel als 'gemeenschappelijk voordeel' kan worden aangemerkt waarover ieder van de mededaders kan beschikken of heeft kunnen beschikken, tast oplegging van een hoofdelijke betalingsverplichting het karakter van de ontnemingsmaatregel niet aan. Dit 'gemeenschappelijk voordeel' kan dan aan ieder van de mededaders voor het geheel worden toegerekend.

Indien door twee of meer personen een strafbaar feit is gepleegd dat wederrechtelijk voordeel heeft opgeleverd, kan daaraan echter niet zonder meer de conclusie worden verbonden dat het verkregen voordeel als 'gemeenschappelijk voordeel' moet worden aangemerkt. Het hangt af van de omstandigheden van het geval wanneer daarvan sprake zal zijn.

Hoofdelijke aansprakelijkheid in de zin van art. 36e, zevende lid, Sr zal zich naar verwachting slechts in een beperkt aantal gevallen voordoen.

In de situatie dat twee of meer daders van een strafbaar feit daarvan hebben geprofiteerd, maar aan het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet een indicatie valt te ontlenen voor de verdeling van de opbrengst, ligt pondspondsgewijze toerekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel meer voor de hand. In de gevallen dat niet kan worden vastgesteld met hoeveel mededaders het strafbare feit is gepleegd, kan op basis van de omstandigheden van het geval het daardoor verkregen voordeel ook voor een naar redelijkheid te bepalen gedeelte aan de betrokkene worden toegerekend.

Indien het dossier en het verhandelde ter terechtzitting zodanige duidelijke aanwijzingen bevatten dat het vermoeden gerechtvaardigd is dat twee of meer, bekende of onbekende, daders gezamenlijk de beschikking hebben of gedurende zekere tijd de beschikking hebben gehad over de gehele opbrengst van het strafbare feit en de betrokkene als een van die daders geen, dat vermoeden ontzenuwende, gegevens daaromtrent verschaft - op welke situatie de wetgever bij invoering van het huidige art. 36e, zevende lid, Sr in het bijzonder het oog had - kan de rechter het wederrechtelijk verkregen voordeel als gemeenschappelijk voordeel voor het geheel aan de betrokkene toerekenen. In zo een geval mag worden aangenomen dat het opleggen van de ontnemingsmaatregel voor het gemeenschappelijke geheel van het verkregen voordeel het met de ontnemingsmaatregel beoogde reparatoire karakter heeft.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Slagend middel over verjaring

Hoge Raad 31 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:774 Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 21 maart 2011 de verdachte veroordeeld tot een geldboete van € 10.000 wegens 2. medeplegen van opzettelijk gebruik maken van het vals of vervalste geschrift, als bedoeld in artikel 225, lid 1, (oud) Sr, als ware het echt en onvervalst, 4 primair medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 7, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (oud), opzettelijk begaan, meermalen gepleegd en 5 primair medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 82, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 (oud), opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Middel

Het eerste en tweede middel klagen dat ter zake van de feiten 4 primair en 5 primair het recht tot strafvervolging wegens verjaring is komen te vervallen.

Beoordeling Hoge Raad

De in de middelen bedoelde feiten zijn volgens de tenlastelegging begaan in of omstreeks de periode van 1 januari 1999 tot en met 16 augustus 2001. Gelet op de te dezen toepasselijke straf- en verbodsbepalingen in verbinding met art. 70, eerste lid aanhef en onder 2˚, en art. 72, tweede lid, Sr beloopt de verjaringstermijn in het onderhavige geval ten hoogste twee maal zes jaren. Wat betreft deze feiten is derhalve het recht tot strafvordering wegens verjaring vervallen.

De Hoge Raad zal, met vernietiging van de bestreden uitspraak in zoverre, de Officier van Justitie te dier zake alsnog niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging.

Conclusie AG

Het Hof heeft de – met twee jaar gevangenisstraf bedreigde – misdrijfvarianten (“opzettelijk begaan”) van het onder 4 primair en 5 primair tenlastegelegde bewezenverklaard. Sinds de Wet van 16 november 2005, Stb. 2005, 595 (i.w.tr. 1 januari 2006) beloopt de verjaringstermijn in een dergelijk geval op grond van artikel 70, eerste lid aanhef en onder 2, Sr in verbinding met artikel 72, tweede lid, Sr ten hoogste twee maal zes jaren (twaalf jaren). Nu de onderhavige misdrijven volgens de bewezenverklaring zijn begaan in de periode van 1 december 2000 tot en met 16 augustus 2001, is sprake van een geval waarin de feiten zijn gepleegd vóór inwerkingtreding van voornoemde wet en de absolute termijn van verjaring daarvoor is aangevangen. De vraag of artikel 72, tweede lid, Sr in een dergelijk geval mag worden toegepast, is door de wetgever niet onder ogen gezien. Evenwel verzet noch de overgangsregeling noch de tekst van de wet of de wetsgeschiedenis zich hiertegen. Het uitgangspunt van de Hoge Raad is dat een verandering van wetgeving met betrekking tot de verjaring – waaronder de regeling van artikel 72 Sr valt – direct van toepassing is. Dat de toepassing van artikel 72, tweede lid, Sr op een geval als het onderhavige mogelijk is en niet altijd nadelig voor de verdachte hoeft uit te pakken, volgt reeds uit HR 20 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW2535.

De onder 4 primair en 5 primair bewezenverklaarde feiten zijn begaan in de periode van 1 december 2000 tot en met 16 augustus 2001. De verjaringstermijn is ingevolge artikel 71 Sr aangevangen op 17 augustus 2001 en beliep op grond van artikel 70, eerste lid aanhef en onder 2, Sr in verbinding met artikel 72, tweede lid, Sr maximaal twaalf jaar. Het recht tot strafvervolging is derhalve voor beide feiten wegens verjaring vervallen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Zie ook:

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordelingen oplichting/verduistering/fraude met investeringen ‘Hope of Afrika’ blijven in stand

Hoge Raad 31 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:777 en ECLI:NL:HR:2015:775 Eerdere veroordelingen wegens oplichting en verduistering met investeringen ‘Hope of Afrika’ blijven in stand. De Hoge Raad doet de zaak af met verwijzing naar artikel 81 RO.

Namens verdachte was beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem van 21 mei 2013.

Lees hier de uitspraken:

 

 

Print Friendly and PDF ^

Beperking omvang hoger beroep

Hoge Raad 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:710

Bij inleidende dagvaarding in de zaak met parketnummer 03/700185-10 zijn aan de verdachte drie feiten ten laste gelegd (witwassen, het telen van hennep en het voorhanden hebben van revolvers en munitie). Voorts is bij inleidende dagvaarding in de zaak met parketnummer 03/530392-09 aan de verdachte nog een feit ten laste gelegd (het aanwezig hebben van hennep).

Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 28 juni 2010 vermeldt in de aanhef “Parketnummers: 03/700185-10; 03/530392-09 (ttzgev)” en houdt voorts onder meer het volgende in:

“De raadsman van verdachte deelt mede dat hij twee dagvaardingen aangaande zijn cliënt heeft ontvangen, maar dat het lijkt alsof de officier van justitie slechts één dagvaarding heeft voorgedragen.

De voorzitter deelt mede dat de rechtbank net als de raadsman twee dagvaardingen heeft, elk met een ander parketnummer.

De officier van justitie deelt mede:

Ik heb beide tenlasteleggingen voorgedragen. (…)

De rechtbank deelt bij monde van de voorzitter mede - zakelijk weergegeven -: (…) De rechtbank beveelt de voeging van de onder bovengenoemde parketnummers afzonderlijke aangebrachte zaken.”

De oproeping voor de terechtzitting in eerste aanleg van 8 september 2010 maakt enkel melding van parketnummer 03/700185-10, terwijl het proces-verbaal van die terechtzitting in de aanhef “Parketnummers: 03/700185-10; 03/530392-09 (ttzgev)” vermeldt.

De rechtbank heeft bij vonnis van 22 september 2010 de verdachte in de zaak met 03/700185-10 wegens 1. “witwassen”, 2. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel” en 3. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd” en in de zaak met parketnummer 03/530392-09 wegens “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren.

De akte rechtsmiddel vermeldt, voor zover hier van belang, het volgende:

“Parketnummer 03/700185-10 (…)

Op 28 september 2010 kwam ter griffie van deze rechtbank

mr. T. Boumans

advocaat te Heerlen

die verklaarde door na te noemen persoon bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd tot het afleggen van de volgende verklaring,

en verklaarde namens

naam [verdachte]

voornamen [verdachte]

(…) Beroep in te stellen tegen het eindvonnis d.d. 22 september 2010 alsmede tegen het/de tussenvonnis(sen) in de zaak tegen [verdachte] met bovenvermeld parketnummer gewezen door de Meervoudige kamer in deze rechtbank.”

Op de terechtzitting in hoger beroep van 9 december 2011 is de verdachte zelf niet verschenen maar is wel een gemachtigde raadsman (mr. J.M.J.H. Coumans, advocaat te Amsterdam) aanwezig. Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“De raadsman wordt onmiddellijk na de voordracht van de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld mondeling de bezwaren van verdachte, die hoger beroep heeft ingesteld, tegen het vonnis op te geven.

De raadsman deelt mede dat het appel zich niet richt tegen het onder parketnummer 03-700185-10 ten laste gelegde. Het hoger beroep moet, aldus de raadsman, worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder parketnummer 03-530392-09 is ten laste gelegd. De raadsman geeft op dat verdachte meent ten onrechte te zijn veroordeeld en bepleit subsidiair dat verdachte de straf te zwaar acht. (…)

De advocaat-generaal voert het woord en rekwireert als volgt:

De raadsman heeft het hoger beroep beperkt, met dien verstande dat het hoger beroep zich alleen richt tegen het onder parketnummer 03-530392-09 ten laste gelegde. (…) Ik vorder dat uw hof primair het onder parketnummer 03-530392-09 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden. Voorts vorder ik dat uw hof op de voet van het bepaalde in artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering de straf voor de bij inleidende dagvaarding met parketnummer 03-700185-10 ten laste gelegde en door de eerste rechter bewezen verklaarde feiten zal bepalen op een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden.

Het hof heeft het onderzoek ter terechtzitting bij tussenarrest van 23 december 2011 heropend. In dit tussenarrest heeft het hof onder “omvang van het hoger beroep” het volgende overwogen:

“Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder parketnummer 03-530392-09 is ten laste gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.”

Op de terechtzitting in hoger beroep van 18 april 2012 is de verdachte zelf niet verschenen maar is wel een gemachtigde raadsman (mr. Coumans), aanwezig. Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“De raadsman deelt desgevraagd als volgt mede:

Het hoger beroep moet nog steeds worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder parketnummer 03-530392-09 is ten laste gelegd. Verdachte meent ten onrechte te zijn veroordeeld en bepleit subsidiair dat hij de straf te zwaar acht. De stukken zijn op de terechtzitting van 9 december 2011 afdoende voorgehouden. (…)

De advocaat-generaal voert als volgt het woord tot requisitoir.

(…) Ik vorder dat uw hof het onder parketnummer 03-530392-09 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden. Voorts vorder ik dat uw hof op de voet van het bepaalde in artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering de straf voor de bij inleidende dagvaarding met parketnummer 03-700185-10 ten laste gelegde en door de eerste rechter bewezen verklaarde feiten zal bepalen op een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden.”

Het hof heeft de verdachte bij arrest van 2 mei 2012 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden in de zaak met parketnummer 03/530392-09 wegens opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. Voorts heeft het hof de aan de verdachte opgelegde straf voor de - niet aan zijn oordeel onderworpen - feiten in de zaak met parketnummer 03/700185-10 bepaald op een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden.

Het hof heeft in dit arrest onder “omvang van het hoger beroep” het volgende overwogen:

“Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder parketnummer 03-530392-09 is ten laste gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.”

Middel

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte de omvang van het hoger beroep heeft beperkt tot de beslissingen in de zaak met parketnummer 03-530392-09 en ten onrechte toepassing heeft gegeven aan art. 423, vierde lid, Sv ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 03-700185-10 tenlastegelegde.

Beoordeling Hoge Raad

Uit de appelakte, die inhoudt dat beroep wordt ingesteld tegen "het eindvonnis d.d. 22 september 2010", kan bezwaarlijk anders volgen dan dat het hoger beroep onbeperkt is ingesteld. Het Hof heeft derhalve ten onrechte het appel opgevat "als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder parketnummer 03-530392-09 is ten laste gelegd", en heeft voorts ten onrechte "overeenkomstig het bepaalde in artikel 423, lid 4, van het Wetboek van Strafvordering, de straf voor het niet aan zijn oordeel onderworpen, door de rechtbank onder parketnummer 03-700185-10 bewezenverklaarde" bepaald. Het middel klaagt daarover terecht.

De gegrondheid van het middel leidt nochtans niet tot cassatie nu namens de verdachte bij de behandeling van de zaak door het Hof tot tweemaal toe is medegedeeld dat het beroep moet worden begrepen "als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder parketnummer 03-530392-09 is ten laste gelegd", waaruit moet worden afgeleid dat hij zich kennelijk niet geschaad heeft gevoeld door 's Hofs beperkte uitleg van het appel.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^