Slagende bewijsklacht bijstandsfraude

Hoge Raad 3 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3489

De verdachte is bij vonnis van 29 mei 2013 door de Rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden wegens opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:

"in de periode van 10 augustus 2004 tot en met 1 november 2007 en 28 maart 2008 tot en met 2 juni 2008 en 16 september 2008 tot en met 2 november 2011, te IJsselstein, opzettelijk voordeel heeft getrokken uit hetgeen werd aangeschaft met door misdrijf verkregen geld, te weten geld van een door [betrokkene], met wie hij, verdachte, duurzaam een gezamenlijke huishouding voerde als bedoeld in de Wet werk en bijstand, door middel van het niet voldoen aan de inlichtingenverplichtingen, uit hoofde van de Wet werk en bijstand verkregen uitkering, welk geld geheel werd besteed aan het huishouden waarvan hij, verdachte, deel uitmaakte."

Met betrekking tot de bewijsvoering houdt het door het Hof bevestigde vonnis van de Rechtbank het volgende in:

"4.3.1 De bewijsmiddelen

[betrokkene] heeft in de volgende periodes een uitkering ingevolge de Wet Werk en bijstand(hierna: WWB) ontvangen van de gemeente IJsselstein:

  • 10 augustus 2004 tot en met 1 november 10 mei 2007;
  • 28 maart 2008 tot en met 2 juni 2008;
  • 16 september 2008 tot en met 2 november 2011.

In de brief waarin de gemeente IJsselstein [betrokkene] met ingang van 10 augustus 2004 een WWB-uitkering heeft toegekend staat vermeld dat zij verplicht is direct alles te melden wat van invloed kan zijn op haar uitkering. Tot deze verplichtingen worden gerekend wijzigingen in de gezinssituatie en de financiële situatie.

In de brieven waarin de gemeente IJsselstein [betrokkene] met ingang van 28 maart 2008 en met ingang van 16 september 2008 een WWB-uitkering heeft toegekend staat eveneens vermeld dat zij verplicht is direct alles te melden wat van invloed kan zijn op haar uitkering.

[betrokkene] staat sinds 28 mei 2004 ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [a-straat] in IJsselstein.

Gedurende de periode van augustus 2004 tot en met december 2005 heeft [betrokkene] op de rechtmatigheidsformulieren Abw/WWB van de gemeente IJsselstein ingevuld dat haar echtgenoot in hoofdzaak niet op haar adres aan de [a-straat] te IJsselstein verbleef.

In de periode van februari 2006 tot en met 30 november 2007 heeft [betrokkene] op mutatieformulieren van de gemeente IJsselstein ingevuld dat de woon/gezinssituatie niet was gewijzigd.

In de periode van 1 oktober 2008 tot en met 30 november 2011 heeft [betrokkene] op de mutatieformulieren van de gemeente IJsselstein ingevuld dat er geen wijzigingen haar persoonlijke omstandigheden waren opgetreden, noch in de persoonlijke omstandigheden van haar partner.

[betrokkene] heeft op al voormelde formulieren telkens ingevuld dat haar vermogen niet is toegenomen.

De motorvoertuigen met de volgende kentekens hebben op naam van [betrokkene] gestaan:

  • [001] in de periode van 17-03-2004 tot en met 09-12-2004;
  • [002] in de periode van 03-02-2005 tot en met 04-05-2005;
  • [003] in de periode van 15-09-2005 tot en met 11-11-2005;
  • [004] in de periode van 12-04-2007 tot en met 19-07-2007;
  • [005] in de periode van 29-05-2007 tot en met 30-07-2007;
  • [006] in de periode van 22-08-2007 tot en met 07-02-2008;
  • [007] in de periode van 09-11-1987 tot en met 14-12-2008;
  • [008] in de periode van 05-03-2009 tot en met 02-12-20109.

[betrokkene] heeft op 2 november 2011 tegenover de sociale recherche verklaard dat [verdachte] nooit helemaal bij haar is weggegaan en dat hij bij haar sliep. [verdachte] ging de afgelopen zeven jaar naar een andere vrouw maar sliep meestal bij [betrokkene]. Hij was bij [betrokkene] om te helpen met de kinderen. [verdachte] was het grootste gedeelte van de week bij [betrokkene]. De post en boetes werden op het adres van [betrokkene] bezorgd. De kleding van [verdachte] lag in haar woning en zij deed de was voor hem. [verdachte] had een sleutel van de woning van [betrokkene]. [betrokkene] heeft elke maand gemeentebriefjes ingevuld. Zij werd hierbij soms geholpen door de sociale dienst. Daarbij werd het formulier voorgelezen.

[betrokkene] had de auto met kenteken [001] toen ze een bijstandsuitkering ontving. De auto's met de kentekens [002], [003], [004], [006] heeft [betrokkene] gekocht. De auto met het kenteken [008] heeft ze van [verdachte] gekregen. [verdachte] woonde in mei 2007 bij [betrokkene].

[verdachte] heeft op 2 november 2011 bij de sociale recherche verklaard dat hij bij [betrokkene] woonde. Vanaf 2006 was hij bij een andere vrouw maar ging hij tussendoor naar [betrokkene]. Hij zorgde ervoor dat [betrokkene] geld had. Hij betaalde alles voor haar en hun kinderen. Met de uitkering van [betrokkene] werden de huur en de vaste lasten betaald. [verdachte] deed dit al tien of vijftien jaar. [betrokkene] redde het financieel niet met haar uitkering. Er kwamen bekeuringen en ook andere post van [verdachte] op het adres van [betrokkene]. [verdachte] had een sleutel van de woning van [betrokkene]. Zijn kleding lag in de slaapkamer van die woning.

4.3.2

De bewijsoverwegingen

De rechtbank deelt de mening van de raadsman niet dat geen sprake van een duurzame gezamenlijke huishouding is geweest. De rechtbank heeft hierbij met name gelet op de verklaringen die [betrokkene] en [verdachte] bij de sociale recherche hebben afgelegd. [verdachte] sliep meestal bij [betrokkene] en had zijn kleding in de slaapkamer van de woning van [betrokkene] liggen. Hij had een sleutel van die woning. [verdachte] heeft bovendien verklaard dat de huur en vaste lasten van de uitkering van [betrokkene] werden betaald en dat [verdachte] verder alles voor haar en de kinderen betaalde. Gelet op laatstgenoemde verklaring verwerpt de rechtbank eveneens de stelling van de raadsman dat [verdachte] geen opzet heeft gehad op het voordeel trekken uit door uitkeringsfraude verkregen geld."

Middel

Het middel behelst de klacht dat het bewezenverklaarde opzettelijk voordeel trekken niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

Beoordeling Hoge Raad

Uit de inhoud van de door het Hof gebezigde bewijsvoering kan niet volgen dat de verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit door misdrijf verkregen geld. Uit de bewijsvoering heeft het Hof weliswaar kunnen afleiden dat de verdachte en betrokkene in de tenlastegelegde periodes feitelijk samenwoonden in IJsselstein en dat de verdachte aldus gebruik maakte van het geld van betrokkene dat werd besteed aan dit huishouden, maar de bewijsvoering houdt niets in waaruit kan volgen dat de verdachte wist dat betrokkene niet had voldaan aan de inlichtingenverplichtingen uit hoofde van de Wet werk en bijstand, dat zij aldus onjuiste gegevens had verstrekt en op grond van die gegevens een uitkering had genoten en dat derhalve sprake was van geld dat door misdrijf was verkregen.

Het middel is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Meer weten over de aanpak van uitkeringsfraude? Kom op 29 januari 2015 naar de Cursus Handhaving van Sociale Zekerheidsfraude. Tijdens deze cursus staan recente ontwikkelingen centraal en komende onder meer de bevoegdheden van de toezichthouders sociale zekerheidswetgeving en opsporingsambtenaren uitgebreid aan bod. 

Klik hier voor meer informatie.

Print Friendly and PDF ^

In de bewezenverklaring is geen delictsgedraging opgenomen en dus heeft het Hof het bewezenverklaarde ten onrechte gekwalificeerd als “schuldwitwassen"

Hoge Raad 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3477

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 6 december 2013 verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden wegens 1 subsidiair schuldwitwassen, meermalen gepleegd, 3. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd en 4. in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl hij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op die verstrekking of tegemoetkoming.

Ten laste van verdachte heeft het Hof onder 1 subsidiair bewezenverklaard dat:

"zij op een tijdstippen in de periode van 1 januari 2006 tot 20 augustus 2006 in de gemeente Enschede, een voorwerpen, te weten:

    • op 31 oktober 2007 in Enschede een geldbedrag van 1000 euro waarmee een auto van het merk KIA (ter waarde van ongeveer 15.000 euro) is aanbetaald en
    • op 25 maart 2008 in Enschede een geldbedrag waarmee televisies zijn betaald en
    • in de periode van 31 maart 2008 tot 10 april 2008 in Enschede een geldbedrag waarmee een wasmachine en strijkijzer zijn betaald en
    • in de periode van 1 januari 2006 tot 20 augustus 2008 in Enschede en/of elders in Nederland geldbedragen tot een totaal geldbedrag van 4457,35 euro boetes aan politie en/of justitie is/zijn betaald en
    • in de periode van 1 januari 2006 tot 20 augustus 2008 in Enschede enig geldbedrag waarmee een plafond in een woning is aanbetaald en/of afbetaald terwijl zij redelijkerwijs moest vermoeden dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf."

Middel

Het middel klaagt dat het Hof het onder 1 bewezenverklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als "schuldwitwassen, meermalen gepleegd".

Beoordeling Hoge Raad

Het aan de verdachte onder 1 subsidiair tenlastegelegde is toegesneden op art. 420quater, eerste lid aanhef en onder b, Sr.

Het Hof - dat in de voor de bewezenverklaring gebruikte tekst van de tenlastelegging heeft doorgehaald de woorden "heeft/hebben verworven, voorhanden heeft/hebben gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van dat/die voorwerp(en) gebruik heeft/hebben gemaakt", zodat in de bewezenverklaring geen delictsgedraging is opgenomen - heeft het bewezenverklaarde ten onrechte gekwalificeerd als "schuldwitwassen, meermalen gepleegd".

Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Versnelde behandeling cassatieberoep FIOD-ambtenaren

De Hoge Raad heeft het verzoek van de staatssecretaris van Financiën om versnelde behandeling van het cassatieberoep van twee FIOD-ambtenaren ingewilligd. De twee FIOD-ambtenaren stelden beroep in cassatie in bij de Hoge Raad in de zaak waarin zij als getuigen zijn gehoord door de belastingkamer van het hof Arnhem-Leeuwarden. In die zaak weigerden deze ambtenaren de naam te noemen van een tipgever.

De uiterste datum voor het indienen van verweerschriften door de staatssecretaris en de belastingplichtige is vastgesteld op 14 januari 2015. De datum voor een eventueel pleidooi is vastgesteld op 4 februari 2015. Nog niet bekend is of partijen gebruik willen maken van de mogelijkheid van pleidooi. In belastingzaken vindt het pleidooi in beginsel plaats achter gesloten deuren. Dit betekent dat pers en belangstellenden de zitting niet kunnen bijwonen.

Bron: de Rechtspraak

Print Friendly and PDF ^

Niet-ontvankelijk in cassatie: HR leest kwalificatie als “overtreding van een voorschrift gesteld bij art. 10.40 Wet milieubeheer” hetgeen een overtreding i.p.v. een misdrijf betreft

Hoge Raad 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3476

Na terugwijzing door de Hoge Raad, is verdachte bij arrest van 15 oktober 2013 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden schuldig bevonden aan de “overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.40 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan”, maar is haar geen straf of maatregel opgelegd.

Ten laste van verdachte is bewezen verklaard dat:

“zij op 14 november 2006 in de gemeente Druten als een persoon, als bedoeld in artikel 10.37, tweede lid, onder a of b van de Wet milieubeheer, opzettelijk, bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, te weten verontreinigde baggerslib (klasse 2), in ontvangst heeft genomen zonder dat haar daarbij een begeleidingsbrief als bedoeld in artikel 10.39, eerste lid, onder a en b van voornoemde Wet werd verstrekt, aangezien de baggerslib werd aangevoerd met een duwbak, [A], met een daarbij behorende begeleidingsbrief die niet volledig conform voornoemd artikel was ingevuld aangezien de geschatte hoeveelheid van de lading ontbrak.”

Namens deze heeft mr. R. de Bree, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

Middel

Het middel klaagt dat het bewezenverklaarde opzet niet (zonder meer) uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, waardoor de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.

Beoordeling Hoge Raad

Na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad bij arrest van 26 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9197 heeft het Hof in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Economische Politierechter in de Rechtbank Arnhem van 4 augustus 2009 - de verdachte ter zake van "overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.40 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan". De  Hoge Raad leest: "overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.40 van de Wet milieubeheer" (een overtreding derhalve) strafbaar verklaard doch bepaald dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom - gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal - het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

Conclusie AG: contrair

Het middel klaagt terecht dat uit deze bewijsvoering niet zonder meer volgt dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld en dat de bewezenverklaring in zoverre onvoldoende is gemotiveerd. De opname in de bewezenverklaring van het woord “opzettelijk” kan echter worden aangemerkt als een kennelijke misslag van het hof, die door de Hoge Raad kan worden hersteld door de bewezenverklaring - en de daarop gebaseerde kwalificatie - verbeterd te lezen. Nu de bewezenverklaring van de niet-opzettelijke delictvariant van art. 10.39, eerste lid, Wet Milieubeheer, die op grond van art. 2, eerste lid, Wet op de economische delicten moet worden aangemerkt als een overtreding, zonder meer toereikend is gemotiveerd en zeker gelet op het feit dat aan verdachte geen straf of maatregel is opgelegd, heeft verdachte naar mijn oordeel na een verbeterde lezing geen belang meer bij vernietiging van het bestreden arrest.

Het middel is vruchteloos voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Ontneming: Voor de mate van toerekening van het voordeel aan de betrokkene is voldoende dat de daaraan ten grondslag liggende f&o, zoals een bepaalde rolverdeling, uit het onderzoek ter terechtzitting zijn gebleken. Conclusie AG: anders.

Hoge Raad 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3491

Het Gerechtshof te Leeuwarden, zitting houdende te Arnhem, heeft bij arrest van 3 december 2012 – onder bevestiging van de beslissing van de Rechtbank Zwolle-Lelystad van 27 april 2010 - het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 32.127,66 en aan de betrokkene ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van € 32.127,66.

Het Hof heeft, met bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank, geoordeeld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel over de periode van 5 oktober 2009 tot en met 15 december 2009 (periode 1) voor tweederde deel aan de betrokkene moet worden toegerekend en voor eenderde deel aan [betrokkene 1]. De uitspraak van de Rechtbank houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"De rechtbank is bij deze schatting in beginsel uitgegaan van het rapport/proces-verbaal wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 17 februari 2010 waarin het door [betrokkene] genoten wederrechtelijk verkregen voordeel is berekend, hierna te noemen: "PV wederrechtelijk verkregen voordeel". Evenals het PV wederrechtelijk verkregen voordeel, gaat de rechtbank uit van twee periodes, te weten periode 1, die loopt van 5 oktober 2009 tot en met 15 december 2009 en periode 2, die loopt van 15 december tot 11 januari. Het betreft hier een periode van 71 dagen en van 27 dagen; in totaal 98 dagen. Daarnaast is de rechtbank er, evenals in het PV wederrechtelijk verkregen voordeel wordt gedaan, vanuit gegaan dat de opbrengst wordt gedeeld met [betrokkene 1]. In het PV wederrechtelijk verkregen voordeel is uitgegaan van een fifty-fifty verdeling. De rechtbank zal deze verdeling niet volgen nu zij van oordeel is dat het aandeel van [betrokkene 1] kleiner is in vergelijking met het aandeel van [betrokkene].

(...)

Dit leidt tot het volgende totaal:

Periode 1

Opbrengst: € 38.260,--

Inkoopkosten: - 8.022,--

Voordeel: € 30.238,--

Dit bedrag wordt voor 2/3 toegerekend aan [betrokkene] en voor 1/3 aan [betrokkene 1]. Het voordeel van [betrokkene] wordt derhalve gesteld op € 20.158,66."

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 19 november 2012 houdt in als verklaring van de betrokkene:

"Ik haalde de drugs in Schiedam. Ik haalde 30 gram per keer. De ene keer zag ik [betrokkene 2] 2 of 3 dagen niet, de andere keer zag ik hem iedere dag. Die jongen was overal. Ik moest altijd de drugs bij hem halen en hij kwam iedere dag zijn geld bij mij halen.

[betrokkene 1] was mijn chauffeur. Hij gaf mij een gevoel van veiligheid. Ik ben namelijk ook een keer goed in elkaar geslagen."

Blijkens dat proces-verbaal heeft de raadsman van de betrokkene ter terechtzitting het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, in:

"Ontnemingsvordering

In het kader van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt een tweetal perioden onderscheiden: 5 oktober 2009 tot 15 december 2009 (samenwerking met [betrokkene 1]) en 15 december 2009 tot 11 januari 2010 (samenwerking met [betrokkene 1]).

Zoals reeds betoogd, is [betrokkene] van oordeel dat de periode 5 oktober 2009 tot en met 31 oktober 2009 niet wettig en overtuigend kan worden bewezen c.q. deze periode ook niet dient te worden betrokken bij de berekening in het kader van de ontnemingsvordering.

[betrokkene] acht voorts niet correct dat de rechtbank over periode 1 een bedrag van 2/3 [heeft] toegerekend aan [betrokkene] en 1/3 aan [betrokkene 1]. Immers er is gebleken van samenwerking waarbij niet meer precies kan worden vastgesteld wie wat heeft ondernomen. De verdeling was echter gelijk aldus [betrokkene]. Onder deze omstandigheden is [betrokkene] van oordeel dat hem niet meer dan 50% kan worden toegerekend. Het PV wederrechtelijk verkregen voordeel heeft deze verdeling dan ook als uitgangspunt genomen. Hierbij acht hij relevant dat hij ander dan [betrokkene 1] niet veel ervaring had op dit gebied."

Namens betrokkene heeft mr. J.G. Wiebes, advocaat te Lelystad, drie middelen van cassatie voorgesteld.

Tweede middel

Het middel bevat onder meer de klacht dat het oordeel van het Hof over de mate waarin het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene en aan betrokkene 1 moet worden toegerekend - bezien in het licht van hetgeen de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangevoerd - onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

Wat betreft de mate van toerekening van het voordeel aan de betrokkene geldt niet de eis dat de daaraan ten grondslag liggende feiten en omstandigheden aan wettige bewijsmiddelen moeten zijn ontleend. Voldoende is dat die feiten en omstandigheden, zoals een bepaalde rolverdeling, uit het onderzoek ter terechtzitting zijn gebleken (vgl. HR 30 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2142, NJ 2010/202).

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 19 november 2012, houdt de aldaar afgelegde verklaring van de betrokkene omtrent de betrokkenheid van [betrokkene 1] in dat "[betrokkene 1] [zijn] chauffeur was" en dat "het gezelschap van [betrokkene 1] [hem] een gevoel van veiligheid [gaf]". Deze verklaring van de betrokkene in aanmerking genomen, is het oordeel van het Hof dat "het aandeel van [betrokkene 1] kleiner is in vergelijking met het aandeel van [betrokkene]" niet onbegrijpelijk. Dit behoefde in de bestreden uitspraak - ook in het licht van hetgeen door en namens de betrokkene ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd - geen nadere motivering. Het middel faalt in zoverre.

Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Conclusie AG: contrair

Het Hof heeft de beslissing van de Rechtbank in zijn geheel bevestigd. Anders dan de steller van het middel betoogt, was het Hof niet tot een nadere motivering gehouden, nu hetgeen in hoger beroep is aangevoerd zijn weerlegging vindt in de overwegingen van de Rechtbank, die niet onbegrijpelijk zijn. Dat ligt enkel anders wat betreft de verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel tussen de betrokkene en medeverdachte [betrokkene 1]. In de overwegingen van de Rechtbank wordt slechts opgemerkt dat in het “PV wederrechtelijk verkregen voordeel is uitgegaan van een fifty-fifty verdeling”, maar dat de Rechtbank deze verdeling niet zal volgen “nu zij van oordeel is dat het aandeel van [betrokkene 1] kleiner is in vergelijking met het aandeel van [betrokkene]”. Op geen enkele manier wordt echter duidelijk gemaakt op basis waarvan zij heeft geoordeeld dat het aandeel van [betrokkene 1] kleiner is in vergelijking met het aandeel van de betrokkene en hoe zij is gekomen tot een toerekening van 2/3 van het voordeel aan de betrokkene. De bewijsmiddelen in het vonnis in de hoofdzaak bieden daarvoor evenmin steun. Het Hof had, in het licht van hetgeen door de verdediging op de terechtzitting van 19 november 2012 ter zake naar voren is gebracht, de beslissing van de Rechtbank op dit punt dan ook niet mogen bevestigen zonder aanvulling van gronden. Het middel klaagt daarover terecht.

Het lijkt mij evenwel dat de Hoge Raad de zaak om doelmatigheidsredenen zelf kan afdoen door het aan de betrokkene toe te rekenen bedrag over periode 1 vast te stellen op 50%.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^