Ontneming: Voor de mate van toerekening van het voordeel aan de betrokkene is voldoende dat de daaraan ten grondslag liggende f&o, zoals een bepaalde rolverdeling, uit het onderzoek ter terechtzitting zijn gebleken. Conclusie AG: anders.

Hoge Raad 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3491

Het Gerechtshof te Leeuwarden, zitting houdende te Arnhem, heeft bij arrest van 3 december 2012 – onder bevestiging van de beslissing van de Rechtbank Zwolle-Lelystad van 27 april 2010 - het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 32.127,66 en aan de betrokkene ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van € 32.127,66.

Het Hof heeft, met bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank, geoordeeld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel over de periode van 5 oktober 2009 tot en met 15 december 2009 (periode 1) voor tweederde deel aan de betrokkene moet worden toegerekend en voor eenderde deel aan [betrokkene 1]. De uitspraak van de Rechtbank houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"De rechtbank is bij deze schatting in beginsel uitgegaan van het rapport/proces-verbaal wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 17 februari 2010 waarin het door [betrokkene] genoten wederrechtelijk verkregen voordeel is berekend, hierna te noemen: "PV wederrechtelijk verkregen voordeel". Evenals het PV wederrechtelijk verkregen voordeel, gaat de rechtbank uit van twee periodes, te weten periode 1, die loopt van 5 oktober 2009 tot en met 15 december 2009 en periode 2, die loopt van 15 december tot 11 januari. Het betreft hier een periode van 71 dagen en van 27 dagen; in totaal 98 dagen. Daarnaast is de rechtbank er, evenals in het PV wederrechtelijk verkregen voordeel wordt gedaan, vanuit gegaan dat de opbrengst wordt gedeeld met [betrokkene 1]. In het PV wederrechtelijk verkregen voordeel is uitgegaan van een fifty-fifty verdeling. De rechtbank zal deze verdeling niet volgen nu zij van oordeel is dat het aandeel van [betrokkene 1] kleiner is in vergelijking met het aandeel van [betrokkene].

(...)

Dit leidt tot het volgende totaal:

Periode 1

Opbrengst: € 38.260,--

Inkoopkosten: - 8.022,--

Voordeel: € 30.238,--

Dit bedrag wordt voor 2/3 toegerekend aan [betrokkene] en voor 1/3 aan [betrokkene 1]. Het voordeel van [betrokkene] wordt derhalve gesteld op € 20.158,66."

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 19 november 2012 houdt in als verklaring van de betrokkene:

"Ik haalde de drugs in Schiedam. Ik haalde 30 gram per keer. De ene keer zag ik [betrokkene 2] 2 of 3 dagen niet, de andere keer zag ik hem iedere dag. Die jongen was overal. Ik moest altijd de drugs bij hem halen en hij kwam iedere dag zijn geld bij mij halen.

[betrokkene 1] was mijn chauffeur. Hij gaf mij een gevoel van veiligheid. Ik ben namelijk ook een keer goed in elkaar geslagen."

Blijkens dat proces-verbaal heeft de raadsman van de betrokkene ter terechtzitting het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, in:

"Ontnemingsvordering

In het kader van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt een tweetal perioden onderscheiden: 5 oktober 2009 tot 15 december 2009 (samenwerking met [betrokkene 1]) en 15 december 2009 tot 11 januari 2010 (samenwerking met [betrokkene 1]).

Zoals reeds betoogd, is [betrokkene] van oordeel dat de periode 5 oktober 2009 tot en met 31 oktober 2009 niet wettig en overtuigend kan worden bewezen c.q. deze periode ook niet dient te worden betrokken bij de berekening in het kader van de ontnemingsvordering.

[betrokkene] acht voorts niet correct dat de rechtbank over periode 1 een bedrag van 2/3 [heeft] toegerekend aan [betrokkene] en 1/3 aan [betrokkene 1]. Immers er is gebleken van samenwerking waarbij niet meer precies kan worden vastgesteld wie wat heeft ondernomen. De verdeling was echter gelijk aldus [betrokkene]. Onder deze omstandigheden is [betrokkene] van oordeel dat hem niet meer dan 50% kan worden toegerekend. Het PV wederrechtelijk verkregen voordeel heeft deze verdeling dan ook als uitgangspunt genomen. Hierbij acht hij relevant dat hij ander dan [betrokkene 1] niet veel ervaring had op dit gebied."

Namens betrokkene heeft mr. J.G. Wiebes, advocaat te Lelystad, drie middelen van cassatie voorgesteld.

Tweede middel

Het middel bevat onder meer de klacht dat het oordeel van het Hof over de mate waarin het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene en aan betrokkene 1 moet worden toegerekend - bezien in het licht van hetgeen de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangevoerd - onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

Wat betreft de mate van toerekening van het voordeel aan de betrokkene geldt niet de eis dat de daaraan ten grondslag liggende feiten en omstandigheden aan wettige bewijsmiddelen moeten zijn ontleend. Voldoende is dat die feiten en omstandigheden, zoals een bepaalde rolverdeling, uit het onderzoek ter terechtzitting zijn gebleken (vgl. HR 30 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2142, NJ 2010/202).

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 19 november 2012, houdt de aldaar afgelegde verklaring van de betrokkene omtrent de betrokkenheid van [betrokkene 1] in dat "[betrokkene 1] [zijn] chauffeur was" en dat "het gezelschap van [betrokkene 1] [hem] een gevoel van veiligheid [gaf]". Deze verklaring van de betrokkene in aanmerking genomen, is het oordeel van het Hof dat "het aandeel van [betrokkene 1] kleiner is in vergelijking met het aandeel van [betrokkene]" niet onbegrijpelijk. Dit behoefde in de bestreden uitspraak - ook in het licht van hetgeen door en namens de betrokkene ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd - geen nadere motivering. Het middel faalt in zoverre.

Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Conclusie AG: contrair

Het Hof heeft de beslissing van de Rechtbank in zijn geheel bevestigd. Anders dan de steller van het middel betoogt, was het Hof niet tot een nadere motivering gehouden, nu hetgeen in hoger beroep is aangevoerd zijn weerlegging vindt in de overwegingen van de Rechtbank, die niet onbegrijpelijk zijn. Dat ligt enkel anders wat betreft de verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel tussen de betrokkene en medeverdachte [betrokkene 1]. In de overwegingen van de Rechtbank wordt slechts opgemerkt dat in het “PV wederrechtelijk verkregen voordeel is uitgegaan van een fifty-fifty verdeling”, maar dat de Rechtbank deze verdeling niet zal volgen “nu zij van oordeel is dat het aandeel van [betrokkene 1] kleiner is in vergelijking met het aandeel van [betrokkene]”. Op geen enkele manier wordt echter duidelijk gemaakt op basis waarvan zij heeft geoordeeld dat het aandeel van [betrokkene 1] kleiner is in vergelijking met het aandeel van de betrokkene en hoe zij is gekomen tot een toerekening van 2/3 van het voordeel aan de betrokkene. De bewijsmiddelen in het vonnis in de hoofdzaak bieden daarvoor evenmin steun. Het Hof had, in het licht van hetgeen door de verdediging op de terechtzitting van 19 november 2012 ter zake naar voren is gebracht, de beslissing van de Rechtbank op dit punt dan ook niet mogen bevestigen zonder aanvulling van gronden. Het middel klaagt daarover terecht.

Het lijkt mij evenwel dat de Hoge Raad de zaak om doelmatigheidsredenen zelf kan afdoen door het aan de betrokkene toe te rekenen bedrag over periode 1 vast te stellen op 50%.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF