Niet-ontvankelijk in cassatie: HR leest kwalificatie als “overtreding van een voorschrift gesteld bij art. 10.40 Wet milieubeheer” hetgeen een overtreding i.p.v. een misdrijf betreft

Hoge Raad 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3476

Na terugwijzing door de Hoge Raad, is verdachte bij arrest van 15 oktober 2013 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden schuldig bevonden aan de “overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.40 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan”, maar is haar geen straf of maatregel opgelegd.

Ten laste van verdachte is bewezen verklaard dat:

“zij op 14 november 2006 in de gemeente Druten als een persoon, als bedoeld in artikel 10.37, tweede lid, onder a of b van de Wet milieubeheer, opzettelijk, bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, te weten verontreinigde baggerslib (klasse 2), in ontvangst heeft genomen zonder dat haar daarbij een begeleidingsbrief als bedoeld in artikel 10.39, eerste lid, onder a en b van voornoemde Wet werd verstrekt, aangezien de baggerslib werd aangevoerd met een duwbak, [A], met een daarbij behorende begeleidingsbrief die niet volledig conform voornoemd artikel was ingevuld aangezien de geschatte hoeveelheid van de lading ontbrak.”

Namens deze heeft mr. R. de Bree, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

Middel

Het middel klaagt dat het bewezenverklaarde opzet niet (zonder meer) uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, waardoor de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.

Beoordeling Hoge Raad

Na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad bij arrest van 26 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9197 heeft het Hof in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Economische Politierechter in de Rechtbank Arnhem van 4 augustus 2009 - de verdachte ter zake van "overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.40 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan". De  Hoge Raad leest: "overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.40 van de Wet milieubeheer" (een overtreding derhalve) strafbaar verklaard doch bepaald dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom - gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal - het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

Conclusie AG: contrair

Het middel klaagt terecht dat uit deze bewijsvoering niet zonder meer volgt dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld en dat de bewezenverklaring in zoverre onvoldoende is gemotiveerd. De opname in de bewezenverklaring van het woord “opzettelijk” kan echter worden aangemerkt als een kennelijke misslag van het hof, die door de Hoge Raad kan worden hersteld door de bewezenverklaring - en de daarop gebaseerde kwalificatie - verbeterd te lezen. Nu de bewezenverklaring van de niet-opzettelijke delictvariant van art. 10.39, eerste lid, Wet Milieubeheer, die op grond van art. 2, eerste lid, Wet op de economische delicten moet worden aangemerkt als een overtreding, zonder meer toereikend is gemotiveerd en zeker gelet op het feit dat aan verdachte geen straf of maatregel is opgelegd, heeft verdachte naar mijn oordeel na een verbeterde lezing geen belang meer bij vernietiging van het bestreden arrest.

Het middel is vruchteloos voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF