Ontneming: Voor de mate van toerekening van het voordeel aan de betrokkene is voldoende dat de daaraan ten grondslag liggende f&o, zoals een bepaalde rolverdeling, uit het onderzoek ter terechtzitting zijn gebleken. Conclusie AG: anders.

Hoge Raad 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3491

Het Gerechtshof te Leeuwarden, zitting houdende te Arnhem, heeft bij arrest van 3 december 2012 – onder bevestiging van de beslissing van de Rechtbank Zwolle-Lelystad van 27 april 2010 - het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 32.127,66 en aan de betrokkene ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van € 32.127,66.

Het Hof heeft, met bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank, geoordeeld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel over de periode van 5 oktober 2009 tot en met 15 december 2009 (periode 1) voor tweederde deel aan de betrokkene moet worden toegerekend en voor eenderde deel aan [betrokkene 1]. De uitspraak van de Rechtbank houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"De rechtbank is bij deze schatting in beginsel uitgegaan van het rapport/proces-verbaal wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 17 februari 2010 waarin het door [betrokkene] genoten wederrechtelijk verkregen voordeel is berekend, hierna te noemen: "PV wederrechtelijk verkregen voordeel". Evenals het PV wederrechtelijk verkregen voordeel, gaat de rechtbank uit van twee periodes, te weten periode 1, die loopt van 5 oktober 2009 tot en met 15 december 2009 en periode 2, die loopt van 15 december tot 11 januari. Het betreft hier een periode van 71 dagen en van 27 dagen; in totaal 98 dagen. Daarnaast is de rechtbank er, evenals in het PV wederrechtelijk verkregen voordeel wordt gedaan, vanuit gegaan dat de opbrengst wordt gedeeld met [betrokkene 1]. In het PV wederrechtelijk verkregen voordeel is uitgegaan van een fifty-fifty verdeling. De rechtbank zal deze verdeling niet volgen nu zij van oordeel is dat het aandeel van [betrokkene 1] kleiner is in vergelijking met het aandeel van [betrokkene].

(...)

Dit leidt tot het volgende totaal:

Periode 1

Opbrengst: € 38.260,--

Inkoopkosten: - 8.022,--

Voordeel: € 30.238,--

Dit bedrag wordt voor 2/3 toegerekend aan [betrokkene] en voor 1/3 aan [betrokkene 1]. Het voordeel van [betrokkene] wordt derhalve gesteld op € 20.158,66."

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 19 november 2012 houdt in als verklaring van de betrokkene:

"Ik haalde de drugs in Schiedam. Ik haalde 30 gram per keer. De ene keer zag ik [betrokkene 2] 2 of 3 dagen niet, de andere keer zag ik hem iedere dag. Die jongen was overal. Ik moest altijd de drugs bij hem halen en hij kwam iedere dag zijn geld bij mij halen.

[betrokkene 1] was mijn chauffeur. Hij gaf mij een gevoel van veiligheid. Ik ben namelijk ook een keer goed in elkaar geslagen."

Blijkens dat proces-verbaal heeft de raadsman van de betrokkene ter terechtzitting het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, in:

"Ontnemingsvordering

In het kader van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt een tweetal perioden onderscheiden: 5 oktober 2009 tot 15 december 2009 (samenwerking met [betrokkene 1]) en 15 december 2009 tot 11 januari 2010 (samenwerking met [betrokkene 1]).

Zoals reeds betoogd, is [betrokkene] van oordeel dat de periode 5 oktober 2009 tot en met 31 oktober 2009 niet wettig en overtuigend kan worden bewezen c.q. deze periode ook niet dient te worden betrokken bij de berekening in het kader van de ontnemingsvordering.

[betrokkene] acht voorts niet correct dat de rechtbank over periode 1 een bedrag van 2/3 [heeft] toegerekend aan [betrokkene] en 1/3 aan [betrokkene 1]. Immers er is gebleken van samenwerking waarbij niet meer precies kan worden vastgesteld wie wat heeft ondernomen. De verdeling was echter gelijk aldus [betrokkene]. Onder deze omstandigheden is [betrokkene] van oordeel dat hem niet meer dan 50% kan worden toegerekend. Het PV wederrechtelijk verkregen voordeel heeft deze verdeling dan ook als uitgangspunt genomen. Hierbij acht hij relevant dat hij ander dan [betrokkene 1] niet veel ervaring had op dit gebied."

Namens betrokkene heeft mr. J.G. Wiebes, advocaat te Lelystad, drie middelen van cassatie voorgesteld.

Tweede middel

Het middel bevat onder meer de klacht dat het oordeel van het Hof over de mate waarin het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene en aan betrokkene 1 moet worden toegerekend - bezien in het licht van hetgeen de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangevoerd - onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

Wat betreft de mate van toerekening van het voordeel aan de betrokkene geldt niet de eis dat de daaraan ten grondslag liggende feiten en omstandigheden aan wettige bewijsmiddelen moeten zijn ontleend. Voldoende is dat die feiten en omstandigheden, zoals een bepaalde rolverdeling, uit het onderzoek ter terechtzitting zijn gebleken (vgl. HR 30 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2142, NJ 2010/202).

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 19 november 2012, houdt de aldaar afgelegde verklaring van de betrokkene omtrent de betrokkenheid van [betrokkene 1] in dat "[betrokkene 1] [zijn] chauffeur was" en dat "het gezelschap van [betrokkene 1] [hem] een gevoel van veiligheid [gaf]". Deze verklaring van de betrokkene in aanmerking genomen, is het oordeel van het Hof dat "het aandeel van [betrokkene 1] kleiner is in vergelijking met het aandeel van [betrokkene]" niet onbegrijpelijk. Dit behoefde in de bestreden uitspraak - ook in het licht van hetgeen door en namens de betrokkene ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd - geen nadere motivering. Het middel faalt in zoverre.

Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Conclusie AG: contrair

Het Hof heeft de beslissing van de Rechtbank in zijn geheel bevestigd. Anders dan de steller van het middel betoogt, was het Hof niet tot een nadere motivering gehouden, nu hetgeen in hoger beroep is aangevoerd zijn weerlegging vindt in de overwegingen van de Rechtbank, die niet onbegrijpelijk zijn. Dat ligt enkel anders wat betreft de verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel tussen de betrokkene en medeverdachte [betrokkene 1]. In de overwegingen van de Rechtbank wordt slechts opgemerkt dat in het “PV wederrechtelijk verkregen voordeel is uitgegaan van een fifty-fifty verdeling”, maar dat de Rechtbank deze verdeling niet zal volgen “nu zij van oordeel is dat het aandeel van [betrokkene 1] kleiner is in vergelijking met het aandeel van [betrokkene]”. Op geen enkele manier wordt echter duidelijk gemaakt op basis waarvan zij heeft geoordeeld dat het aandeel van [betrokkene 1] kleiner is in vergelijking met het aandeel van de betrokkene en hoe zij is gekomen tot een toerekening van 2/3 van het voordeel aan de betrokkene. De bewijsmiddelen in het vonnis in de hoofdzaak bieden daarvoor evenmin steun. Het Hof had, in het licht van hetgeen door de verdediging op de terechtzitting van 19 november 2012 ter zake naar voren is gebracht, de beslissing van de Rechtbank op dit punt dan ook niet mogen bevestigen zonder aanvulling van gronden. Het middel klaagt daarover terecht.

Het lijkt mij evenwel dat de Hoge Raad de zaak om doelmatigheidsredenen zelf kan afdoen door het aan de betrokkene toe te rekenen bedrag over periode 1 vast te stellen op 50%.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Buitenlandse ontnemingsmaatregel & artikel 6 EVRM

Hoge Raad 25 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3382

De rechtbank Rotterdam heeft op 16 april 2014 verlof verleend tot tenuitvoerlegging van de uitspraak van het gerechtshof Borgarting te Oslo (Noorwegen) van 11 januari 2010 voor zover dit betreft de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van de veroordeelde voor een bedrag van 1,6 miljoen Noorse Kronen, alsook opgelegd de verplichting tot betaling van de waarde van dit bedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, een en ander bovendien beperkt tot de tenuitvoerlegging van dat gedeelte dat de waarde vertegenwoordigt van het hier in Nederland uiteindelijk na executie van deze beslissing verkregen bedrag.

Namens de veroordeelde is beroep in cassatie ingesteld.

Middel

Zich beroepend op art. 6, eerste lid, en art. 6, derde lid, aanhef en onder b, EVRM klaagt het middel dat de veroordeelde niet de beschikking heeft gekregen over een vertaling van een essentieel processtuk, te weten de bestreden uitspraak zelf. De veroordeelde is daardoor niet in de gelegenheid geweest zich te verdiepen in die uitspraak met het oog op het thans aanhangige cassatieberoep.

Conclusie AG Aben

De steller van het middel kwalificeert een en ander als tekortkomingen en hij beroept zich zoals gezegd nu op art. 6 EVRM. Een dergelijk beroep veronderstelt dat deze bepaling van toepassing is op de procedure die strekt tot de tenuitvoerlegging hier te lande van een in het buitenland opgelegde ontnemingsmaatregel. Dat de bescherming van art. 6 EVRM met vrucht kan worden ingeroepen, is echter geen vanzelfsprekendheid. Procedures die verband houden met de verlening van internationale rechtshulp, zoals in geval van uitlevering, overlevering en overdracht van executie, vallen (vooralsnog) niet onder het bereik van art. 6 EVRM. Bij de beslissingen waarin dergelijke procedures uitmonden worden namelijk geen burgerlijke rechten of verplichtingen vastgesteld, noch wordt daarbij de gegrondheid van een strafvervolging bepaald. Het gaat in die procedures alleen om de toelaatbaarheid van de gevraagde rechtshulp, die de rechter pleegt te toetsen aan de hand van vrij abstracte criteria. Alleen in een civiele procedure dan wel in een strafprocedure, in de autonome betekenis die het EHRM hieraan geeft, herbergt art. 6 EVRM toepasselijke aanspraken.

Niettemin heeft het EHRM, in weerwil van het voorgaande, geoordeeld dat rechterlijke procedures van internationale rechtshulp waarin het verlenen van verlof voor de tenuitvoerlegging in een lidstaat van elders opgelegde vermogenssancties of confiscaties centraal staat, bestreken worden door art. 6 EVRM, doch uitsluitend in zijn civielrechtelijke component. De onderhavige procedure behelst dus naar het oordeel van het EHRM geen (voortgezette) strafvervolging. Dit onderscheid tussen de strafrechtelijke component en de civielrechtelijke component van artikel 6 is niet zonder implicaties. De uitwerking die in het tweede en het derde lid van art. 6 EVRM aan de eisen van een eerlijk proces is gegeven, heeft volgens de aanhef van die bepalingen alleen het oog heeft op de strafrechtelijke component van art. 6 EVRM (“Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld,…”). Deze voorzieningen bieden de veroordeelde thans dus geen soelaas, in elk geval niet rechtstreeks. Dat de procedure tot overdracht van een confiscatiesanctie binnen een redelijke termijn wordt afgerond, vindt daarentegen weer wel bescherming in art. 6 EVRM, aangezien deze eis is geformuleerd in het eerste lid ervan. Deze bepaling noopt de rechter er bovendien toe om te beoordelen of de betreffende procedure ‘as a whole’ eerlijk is geweest.

Een en ander brengt in deze zaak mee dat het beroep op het derde lid van art. 6 EVRM tot mislukken gedoemd is. Het beroep op de analoge toepassing van de Richtlijn 2010/64/EU betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures van 20 oktober 2010, kan de veroordeelde evenmin baten, nu het bestreden verlof van 16 april 2014 (dus) juist niet kan worden geschaard onder de daarin bedoelde essentiële processtukken van een strafprocedure.

Desalniettemin zal moeten worden beoordeeld of het ontbreken van een vertaling van de bestreden uitspraak ten behoeve van de veroordeelde meebrengt dat verlofprocedure, in zijn geheel beschouwd, niet eerlijk is (geweest).

Anders dan de steller van het middel meen ik dat die situatie zich hier niet voordoet. Het proces in cassatie is nog gaande. De veroordeelde wordt vertegenwoordigd door een rechtsgeleerd raadsman. Indien de verdediging in deze stand van het geding werkelijk gehinderd zou zijn vanwege het ontbreken van een vertaling van een essentieel processtuk had het m.i. op de weg van de raadsman gelegen zich met een verzoek om vertaling te wenden tot de rolraadsheer van Uw Raad. De facto heeft de steller van het middel alleen ‘achterover hangend’ geconstateerd dat een vertaling ontbrak en vervolgens niets anders gedaan dan verzoeken om cassatie. Dat is mij te kort door de bocht.

Het middel faalt en kan naar mijn oordeel met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden verworpen.

Beoordeling Hoge Raad

Voor zover de schriftuur beoogt te klagen dat de strafadministratie van de Hoge Raad heeft verzuimd een afschrift van die vertaling aan de raadsman van de veroordeelde toe te zenden, keert zij zich niet tegen een rechterlijke of daarmee op één lijn te stellen handeling of beslissing als bedoeld in art. 78 RO. De klacht kan dus niet worden aangemerkt als een middel van cassatie in de zin van art. 32, vierde lid, WOTS.

Voor zover de schriftuur bedoelt te klagen dat voormelde vertaling zich niet bevindt bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken, wordt miskend dat een raadsman die bevindt dat de processtukken niet volledig zijn, ingevolge art. IV lid 3 van het Procesreglement Strafkamer Hoge Raad schriftelijk een verzoek om aanvulling moet indienen bij de rolraadsheer voordat hij in een middel over die onvolledigheid wenst te klagen. Nu niet is gebleken dat de raadsman met betrekking tot voormelde vertaling een dergelijk verzoek heeft gedaan, kan ook deze klacht niet worden aangemerkt als een middel van cassatie in voormelde zin.

Nu de veroordeelde niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 32, vierde lid, WOTS, zodat hij in het beroep niet kan worden ontvangen.

De Hoge Raad verklaart de veroordeelde niet-ontvankelijk in het beroep.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Hoge Raad licht verschil tussen medeplegen versus medeplichtigheid toe

Hoge Raad 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474

Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 27 juli 2012 verdachte veroordeeld tot een werkstraf 200 uren wegens medeplegen van afpersing en medeplegen van diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren.

Het Hof heeft onder het opschrift 'medeplegen' het volgende overwogen:

"Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte betoogd dat de verdachte niet als medepleger van het ten laste gelegde feit kan worden aangemerkt doch hoogstens als (niet ten laste gelegde) medeplichtigheid. De raadsman heeft ter onderbouwing hiervan aangevoerd dat de verdachte niet wist van de plannen van de daders en dus geen opzet heeft gehad op het strafbare feit. Voorts heeft de verdachte zich, alle omstandigheden in aanmerking genomen, voldoende gedistantieerd.

Anders dan de raadsman en met de rechtbank is het hof van oordeel dat de verdachte als medepleger van het ten laste gelegde feit kan worden aangemerkt. Het hof overweegt hiertoe het volgende:

Voor medeplegen van een strafbaar feit is vereist dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de betrokken personen, gericht op de totstandkoming van het delict. Daarnaast moet de van medeplegen verdachte persoon aan de totstandkoming van het delict een wezenlijke bijdrage hebben geleverd.

Daarbij is niet doorslaggevend dat de van medeplegen verdachte persoon ook een daadwerkelijke uitvoerder is geweest of alle handelingen van het strafbare feit zelf moet hebben verricht; ook een andere rol kan leiden tot de conclusie dat de verdachte een wezenlijke bijdrage aan de voltooiing van het delict heeft geleverd.

Uit de verklaringen van de medeverdachte [betrokkene 3] en de verdachte blijkt het volgende.

Verdachte heeft enige dagen voor de overval aan de medeverdachten [betrokkene 3] en [betrokkene 4] balletjespistolen geleverd die hij vanuit Turkije had meegenomen. Deze [betrokkene 3] en [betrokkene 4] hebben daarop aan de verdachte verteld dat zij van plan waren om met deze balletjespistolen iemand te gaan beroven. In eerste instantie heeft verdachte gezegd dat hij hier niet aan mee wilde doen, maar toen de medeverdachten zeiden dat hij alleen maar bij de scooters hoefde te blijven, heeft hij met het plan ingestemd.

Op de avond van de overval is de verdachte met zijn mededaders rondjes gaan rijden, naar eigen zeggen 'om te kijken of er iemand was om te beroven'. In de Haarlemmerhout zijn de verdachten bij een bank gestopt waar de latere slachtoffers op zaten. Nadat de verdachten enige tijd met de jongens hadden gepraat en verdachten het er over eens waren dat deze jongens het slachtoffer zouden worden, hebben de twee medeverdachten de jongens met de balletjespistolen bedreigd en ze goederen afhandig gemaakt. De verdachte stond op dat moment op ongeveer vijf meter afstand bij de scooters te wachten. Na het feit zijn de drie verdachten op de twee scooters weggereden.

Aldus is de verdachte met de wetenschap dat er een plan was om een overval te plegen, op 22 juli 2008 tezamen met zijn medeverdachten bewust op zoek gegaan naar een geschikt slachtoffer. Tijdens de overval is de verdachte naast de scooters, op ongeveer vijf meter van de slachtoffers blijven staan, zodat van zijn lijfelijke aanwezigheid een zekere mate van dreiging uitging. Hoewel de verdachte kort voor de beroving heeft gezegd dat hij toch niet (meer) wilde meedoen, heeft hij zich op dat moment op geen enkele wijze gedistantieerd, hoewel hij daartoe meerdere mogelijkheden heeft gehad, bijvoorbeeld door te trachten [betrokkene 3] en [betrokkene 4] te weerhouden van de uitvoering van de voorgenomen overval dan wel door de slachtoffers te waarschuwen dan wel door nog op een moment voordat de uitvoering van de overval een aanvang zou nemen, zich te begeven op geruime afstand van de plaats waar de op handen zijnde overval zou moeten plaatsvinden. Door tezamen met de andere twee overvallers te komen en vervolgens - ondanks zijn inmiddels ontstane bedenkingen - te blijven versterkte de verdachte met zijn aanwezigheid de dreiging die van de overvallers uitging.

Gelet op het bovenstaande, in onderlinge samenhang beschouwd, is het hof van oordeel dat is komen vast te staan dat tussen de verdachte en zijn mededaders sprake is geweest van een dermate nauwe en bewuste samenwerking dat de verdachte als medepleger van het strafbare feit kan worden aangemerkt. Het verweer wordt om die reden verworpen."

Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

Middel

Het middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring wat betreft het "medeplegen".

Aan de beoordeling van het middel voorafgaande beschouwing

De art. 47 tot en met 51 Sr bieden diverse mogelijkheden om iemand, ook als hij niet zelf de gehele delictsomschrijving vervult - al dan niet in zogenoemd functionele vorm - onder specifieke voorwaarden strafrechtelijk aansprakelijk te stellen voor zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit. In het geval van medeplegen houden de voorwaarden voor aansprakelijkstelling vooral in dat sprake moet zijn geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. (Vgl. HR 24 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6581, NJ 2011/481). Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. (Vgl. HR 6 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9905, NJ 2004/443).

In de praktijk is een belangrijke en moeilijke vraag wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken. Die vraag laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. Algemene regels kunnen daarom dienaangaande niet worden gegeven. Wel kan de Hoge Raad met betrekking tot dit thema, mede gelet op zijn eerdere rechtspraak, enige aandachtspunten formuleren.

De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Dat geldt in vergelijkbare zin indien het medeplegen - bijvoorbeeld in de vorm van "in vereniging" - een bestanddeel vormt van de delictsomschrijving.

Dat de kwalificatie medeplegen gerechtvaardigd moet zijn, is mede van belang omdat het in dit verband vaak gaat om de vraag: medeplegen dan wel medeplichtigheid aan een strafbaar feit. Medeplichtigheid is alleen strafbaar in geval van misdrijf. Verder kent medeplichtigheid een beduidend lager strafmaximum (art. 49, eerste lid, Sr). Medeplegen daarentegen levert regelmatig een wettelijke strafverzwaringsgrond op (zie bijvoorbeeld art. 311, eerste lid onder 4, Sr). Waar het verwijt bij medeplegen zich concentreert op het gewicht van de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte, is het kernverwijt bij medeplichtigheid "het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf" (vgl. HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO2629, NJ 2011/341). Voor het gewicht van de rol van de medepleger in de zin van art. 47 Sr kan ook worden gewezen op art. 141, eerste lid, Sr. Het daar strafbaar gestelde "in vereniging plegen" van geweld eist dat de verdachte "een voldoende significante of wezenlijke bijdrage aan het geweld" heeft geleverd, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn geweest. (Vgl. HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR: 2013:132, NJ 2013/407).

Een en ander brengt mee dat indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering - dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging - dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij verdient overigens opmerking dat aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt. Het gaat er immers om dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict. In dit verband valt te wijzen op bijvoorbeeld HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK3356, NJ 2010/193 waarin ten aanzien van het medeplegen van een vernieling werd overwogen "dat het louter aanwezig zijn bij en zich niet distantiëren van een door een ander gepleegde vernieling, alsmede het louter instemmen met die vernieling, ieder voor zich en in onderlinge samenhang bezien daarvoor onvoldoende zijn", alsmede HR 3 juni 2014, ECLI:NL: HR:2014:1307 inzake diefstal door twee of meer verenigde personen waarin onvoldoende werd bevonden de enkele vaststelling "dat de verdachte een vluchtmogelijkheid heeft gefaciliteerd en dat het niet anders kan zijn dan dat over het verschaffen van deze vluchtmogelijkheid van te voren door de verdachte en zijn mededaders afspraken zijn gemaakt".

De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Maar de bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Ook is niet uitgesloten dat de bijdrage in hoofdzaak vóór het strafbare feit is geleverd. (Vgl. bijvoorbeeld HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9972, NJ 2012/452). Zeker in dergelijke, in zekere zin afwijkende of bijzondere, situaties dient in de bewijsvoering aandacht te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest. Dat geldt in nog sterkere mate indien het hoofdzakelijk gaat om gedragingen die na het strafbare feit zijn verricht. (Vgl. HR 9 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6505, NJ 2013/229). Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke uitzonderlijke gevallen wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.

Er bestaat geen precieze afgrenzing tussen medeplegen en de andere deelnemingsvormen. Dat neemt niet weg dat wanneer medeplegen wordt tenlastegelegd, dit medeplegen moet worden beoordeeld aan de hand van de voor medeplegen geldende maatstaven. Het gebruikmaken van aan andere deelnemingsvormen ontleende begrippen of constructies kan de bewijsvoering voor medeplegen compliceren en verdient daarom in zulke gevallen geen aanbeveling. (Vgl. HR 18 december 2012, ECLI:NL:HR:2012: BX5140 en HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1593, in welke zaken het medeplegen door het hof was bewezenverklaard aan de hand van criteria voor het zogenoemde functionele daderschap). Het valt overigens op dat het openbaar ministerie bij het tenlasteleggen van commune en andere niet-economische strafbare feiten - in vergelijking met economische delicten - vaker gebruik lijkt te maken van (soms ingewikkelde) deelnemingsconstructies dan van het meer geëigend lijkende functionele daderschap. (Vgl. HR 24 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6581, NJ 2011/481 met betrekking tot de verkoop van hennepplanten door de eigenaar van een growshop).

Het ontbreken van een precieze afgrenzing tussen medeplegen en de andere deelnemingsvormen brengt mee dat het openbaar ministerie in voorkomende gevallen er goed aan doet de rechter een keuzemogelijkheid te bieden door daarop toegesneden varianten in de tenlastelegging op te nemen. Als het openbaar ministerie evenwel om hem moverende redenen uitsluitend het medeplegen en niet ook de medeplichtigheid heeft tenlastegelegd, moet de rechter vrijspreken indien het medeplegen niet kan worden bewezen, ook al zou vaststaan dat de verdachte medeplichtig was aan het feit.

Beoordeling Hoge Raad

Mede gelet op hetgeen hiervoor is vooropgesteld, heeft het Hof zijn oordeel dat te dezen geen sprake is van (niet tenlastegelegde) medeplichtigheid maar van "medeplegen", onvoldoende gemotiveerd. Daarbij heeft de Hoge Raad in het bijzonder in aanmerking genomen

(a) dat het Hof kennelijk vooral betekenis heeft toegekend aan de omstandigheid dat van verdachtes "lijfelijke aanwezigheid een zekere mate van dreiging uitging" en de omstandigheid dat "hij zich op dat moment op geen enkele wijze [heeft] gedistantieerd, hoewel hij daartoe meerdere mogelijkheden heeft gehad", en

(b) dat het Hof tevens als vaststaand heeft aangenomen dat de verdachte (i) "in eerste instantie heeft gezegd dat hij [aan de beroving] niet mee wilde doen maar toen de medeverdachten hadden gezegd dat hij alleen maar bij de scooters hoefde te blijven, met het plan heeft ingestemd" en (ii) tijdens de beroving daadwerkelijk op enige afstand bij de scooters is blijven wachten.

Hetgeen het Hof in dit verband voor het overige heeft vastgesteld, leidt niet tot een ander oordeel.

Het middel is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Beklag, beslag & belang van Strafvordering

Hoge Raad 25 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3424

Onder de klager is op de voet van art. 94 Sv beslag gelegd. Het klaagschrift dat strekt tot teruggave van de inbeslaggenomen vrachtauto en loader, is door de Rechtbank ongegrond verklaard voor zover het betrekking heeft op de loader. De bestreden beschikking houdt het volgende in.

"De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van klager ten aanzien van de loader, nu klager bij gebrek aan bewijs de rechthebbende te zijn geen belang heeft bij het klaagschrift. De rechter is in tegenstelling tot de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat in een latere strafprocedure de loader verbeurd zal worden verklaard omdat het strafbare feit onder meer met de loader is gepleegd. Daarmee is het strafvorderlijk belang van het in beslag houden gegeven en zal de rechtbank het klaagschrift ongegrond verklaren voor wat betreft de loader."

Namens klager is beroep in cassatie ingesteld. Mr. R.J.M. Oerlemans, advocaat te ‘s-Hertogenbosch, heeft in deze zaak bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

Middel

Het middel komt in de kern erop neer dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het belang van de strafvordering in de weg staat aan teruggave van de inbeslaggenomen loader aan klager.

Beoordeling Hoge Raad

Ingevolge art. 116, eerste lid, Sv doet het openbaar ministerie de inbeslaggenomen voorwerpen teruggeven aan de beslagene zodra het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet. In het systeem van de wet ligt aldus besloten dat, indien het openbaar ministerie bij de behandeling van een beklag als bedoeld in art. 552a Sv te kennen geeft van oordeel te zijn dat het belang van de strafvordering zich niet meer tegen de gevraagde teruggave verzet, de rechter zonder zelf in een beoordeling van dat punt te treden, op het klaagschrift dient te beslissen.

Uit de overwegingen van de Rechtbank blijkt dat de Officier van Justitie te kennen heeft gegeven dat het belang van de strafvordering zich niet langer verzet tegen opheffing van het beslag. Gelet op het overwogene had de Rechtbank het beklag derhalve gegrond moeten verklaren en op de voet van art. 552a, zevende lid, Sv de daarmee overeenkomende last behoren te geven.

Het middel is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Witwassen & hawala-bankieren

Hoge Raad 25 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3380

Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens schuldwitwassen veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis en verbeurdverklaring van twee geldbedragen.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 14 juni 2005, te Vinkeveen, gemeente De Ronde Venen, tezamen en in vereniging met een ander, voorwerpen, te weten geldbedragen van 70.000 euro en 350 euro voorhanden heeft gehad en overgedragen, terwijl hij, verdachte, redelijkerwijze moest vermoeden dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf."

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring het volgende overwogen:

"Door de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep het volgende aangevoerd.

De criminele herkomst van het geld kan niet worden vastgesteld. Weliswaar is er sprake geweest van een vorm van Hawala-bankieren, waarbij zonder vergunning geldtransacties worden verricht, maar dat brengt nog niet mee dat gelden die op deze manier worden ingezameld en overgemaakt per se van een misdrijf afkomstig zijn. Hawala-bankieren is strafbaar, maar het levert geen witwassen op. De raadsman heeft hierbij verwezen naar een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 29 april 2008 (LJN BD2799) en naar een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 april 2008 (LJN BC9951).

(...)

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan worden afgeleid dat medeverdachte [medeverdachte] binnen het bedrijf [A] de facto een kantoor hield gericht op het verrichten van geldtransacties. Bij dit kantoor konden mensen in Nederland bedragen storten die door of vanwege de verdachte op de één of andere wijze in Suriname terecht kwamen. In het kader van deze geldtransacties werden één à twee keer per week al dan niet grote bedragen geld die in die week waren verzameld, door [medeverdachte] gebundeld en via een derde - in deze de verdachte - afgestort bij een bank ten behoeve van een rekening van een in Suriname gevestigd bedrijf, te weten [B] B.V.

Medeverdachte [medeverdachte] verrichtte deze handelingen zonder dat aan hem of aan [betrokkene], in wiens opdracht [medeverdachte] naar eigen zeggen deze handelingen verrichtte, daartoe een vergunning was afgegeven. Zij hebben zich daarbij gerealiseerd - of in ieder geval willens en wetens de aanmerkelijke kans daartoe aanvaard - dat een dergelijke vergunning wel nodig was voor deze activiteiten. Het hof leidt daaruit af dat sprake is van opzettelijke overtreding van artikel 3, eerste lid, van de Wet inzake de geldtransactiekantoren, hetgeen blijkens artikel 1 sub 2, van de Wet op de economische delicten een misdrijf oplevert. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting komen onvoldoende aanwijzingen naar voren dat het geld dat [medeverdachte] van de klanten ontving van misdrijf afkomstig was. [medeverdachte] heeft het geld echter voorhanden gekregen door middel van het opzettelijk begaan van voormeld misdrijf, het zonder vergunning voeren van een geldtransactiekantoor. Daardoor is dit geld aan te merken als 'afkomstig uit enig misdrijf', als bedoeld in artikel 420bis Wetboek van Strafrecht. De, met het in het kader van de geldtransacties ontvangen geld, verrichte handelingen, te weten het bundelen, overdragen en afstorten van het geld, zijn, naar het oordeel van het hof derhalve vormen van witwassen."

Namens verdachte heeft mr. J. Kuiper, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het in de bewezenverklaring genoemde geldbedrag van € 70.000,- afkomstig is uit enig misdrijf.

Beoordeling Hoge Raad

Het oordeel van het Hof dat de geldbedragen die de verdachte en zijn mededader in het kader van het zonder vergunning voeren van een geldtransactiekantoor voorhanden hebben gehad en hebben overgedragen 'daardoor' uit misdrijf afkomstig zijn, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Vermogensbestanddelen kunnen immers in beginsel slechts worden aangemerkt als "afkomstig (...) uit enig misdrijf" in de zin van art. 420quater Sr indien zij afkomstig zijn uit een misdrijf gepleegd voorafgaand aan het voorhanden hebben en het overdragen daarvan, terwijl de bewezenverklaring wat betreft het geldbedrag van € 70.000,- kennelijk niet ziet op de mogelijke opbrengst of verdiensten van het zonder vergunning voeren van een geldtransactiekantoor (vgl. HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3044).

Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^