Buitenlandse ontnemingsmaatregel & artikel 6 EVRM

Hoge Raad 25 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3382

De rechtbank Rotterdam heeft op 16 april 2014 verlof verleend tot tenuitvoerlegging van de uitspraak van het gerechtshof Borgarting te Oslo (Noorwegen) van 11 januari 2010 voor zover dit betreft de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van de veroordeelde voor een bedrag van 1,6 miljoen Noorse Kronen, alsook opgelegd de verplichting tot betaling van de waarde van dit bedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, een en ander bovendien beperkt tot de tenuitvoerlegging van dat gedeelte dat de waarde vertegenwoordigt van het hier in Nederland uiteindelijk na executie van deze beslissing verkregen bedrag.

Namens de veroordeelde is beroep in cassatie ingesteld.

Middel

Zich beroepend op art. 6, eerste lid, en art. 6, derde lid, aanhef en onder b, EVRM klaagt het middel dat de veroordeelde niet de beschikking heeft gekregen over een vertaling van een essentieel processtuk, te weten de bestreden uitspraak zelf. De veroordeelde is daardoor niet in de gelegenheid geweest zich te verdiepen in die uitspraak met het oog op het thans aanhangige cassatieberoep.

Conclusie AG Aben

De steller van het middel kwalificeert een en ander als tekortkomingen en hij beroept zich zoals gezegd nu op art. 6 EVRM. Een dergelijk beroep veronderstelt dat deze bepaling van toepassing is op de procedure die strekt tot de tenuitvoerlegging hier te lande van een in het buitenland opgelegde ontnemingsmaatregel. Dat de bescherming van art. 6 EVRM met vrucht kan worden ingeroepen, is echter geen vanzelfsprekendheid. Procedures die verband houden met de verlening van internationale rechtshulp, zoals in geval van uitlevering, overlevering en overdracht van executie, vallen (vooralsnog) niet onder het bereik van art. 6 EVRM. Bij de beslissingen waarin dergelijke procedures uitmonden worden namelijk geen burgerlijke rechten of verplichtingen vastgesteld, noch wordt daarbij de gegrondheid van een strafvervolging bepaald. Het gaat in die procedures alleen om de toelaatbaarheid van de gevraagde rechtshulp, die de rechter pleegt te toetsen aan de hand van vrij abstracte criteria. Alleen in een civiele procedure dan wel in een strafprocedure, in de autonome betekenis die het EHRM hieraan geeft, herbergt art. 6 EVRM toepasselijke aanspraken.

Niettemin heeft het EHRM, in weerwil van het voorgaande, geoordeeld dat rechterlijke procedures van internationale rechtshulp waarin het verlenen van verlof voor de tenuitvoerlegging in een lidstaat van elders opgelegde vermogenssancties of confiscaties centraal staat, bestreken worden door art. 6 EVRM, doch uitsluitend in zijn civielrechtelijke component. De onderhavige procedure behelst dus naar het oordeel van het EHRM geen (voortgezette) strafvervolging. Dit onderscheid tussen de strafrechtelijke component en de civielrechtelijke component van artikel 6 is niet zonder implicaties. De uitwerking die in het tweede en het derde lid van art. 6 EVRM aan de eisen van een eerlijk proces is gegeven, heeft volgens de aanhef van die bepalingen alleen het oog heeft op de strafrechtelijke component van art. 6 EVRM (“Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld,…”). Deze voorzieningen bieden de veroordeelde thans dus geen soelaas, in elk geval niet rechtstreeks. Dat de procedure tot overdracht van een confiscatiesanctie binnen een redelijke termijn wordt afgerond, vindt daarentegen weer wel bescherming in art. 6 EVRM, aangezien deze eis is geformuleerd in het eerste lid ervan. Deze bepaling noopt de rechter er bovendien toe om te beoordelen of de betreffende procedure ‘as a whole’ eerlijk is geweest.

Een en ander brengt in deze zaak mee dat het beroep op het derde lid van art. 6 EVRM tot mislukken gedoemd is. Het beroep op de analoge toepassing van de Richtlijn 2010/64/EU betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures van 20 oktober 2010, kan de veroordeelde evenmin baten, nu het bestreden verlof van 16 april 2014 (dus) juist niet kan worden geschaard onder de daarin bedoelde essentiële processtukken van een strafprocedure.

Desalniettemin zal moeten worden beoordeeld of het ontbreken van een vertaling van de bestreden uitspraak ten behoeve van de veroordeelde meebrengt dat verlofprocedure, in zijn geheel beschouwd, niet eerlijk is (geweest).

Anders dan de steller van het middel meen ik dat die situatie zich hier niet voordoet. Het proces in cassatie is nog gaande. De veroordeelde wordt vertegenwoordigd door een rechtsgeleerd raadsman. Indien de verdediging in deze stand van het geding werkelijk gehinderd zou zijn vanwege het ontbreken van een vertaling van een essentieel processtuk had het m.i. op de weg van de raadsman gelegen zich met een verzoek om vertaling te wenden tot de rolraadsheer van Uw Raad. De facto heeft de steller van het middel alleen ‘achterover hangend’ geconstateerd dat een vertaling ontbrak en vervolgens niets anders gedaan dan verzoeken om cassatie. Dat is mij te kort door de bocht.

Het middel faalt en kan naar mijn oordeel met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden verworpen.

Beoordeling Hoge Raad

Voor zover de schriftuur beoogt te klagen dat de strafadministratie van de Hoge Raad heeft verzuimd een afschrift van die vertaling aan de raadsman van de veroordeelde toe te zenden, keert zij zich niet tegen een rechterlijke of daarmee op één lijn te stellen handeling of beslissing als bedoeld in art. 78 RO. De klacht kan dus niet worden aangemerkt als een middel van cassatie in de zin van art. 32, vierde lid, WOTS.

Voor zover de schriftuur bedoelt te klagen dat voormelde vertaling zich niet bevindt bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken, wordt miskend dat een raadsman die bevindt dat de processtukken niet volledig zijn, ingevolge art. IV lid 3 van het Procesreglement Strafkamer Hoge Raad schriftelijk een verzoek om aanvulling moet indienen bij de rolraadsheer voordat hij in een middel over die onvolledigheid wenst te klagen. Nu niet is gebleken dat de raadsman met betrekking tot voormelde vertaling een dergelijk verzoek heeft gedaan, kan ook deze klacht niet worden aangemerkt als een middel van cassatie in voormelde zin.

Nu de veroordeelde niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 32, vierde lid, WOTS, zodat hij in het beroep niet kan worden ontvangen.

De Hoge Raad verklaart de veroordeelde niet-ontvankelijk in het beroep.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF