Rb heeft met juistheid geoordeeld dat art. 552 Sv niet voorziet in de mogelijkheid een klaagschrift in te dienen tegen een bevel van de OvJ tot ontoegankelijk maken van gegevens

Hoge Raad 15 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:908

Feiten

Tegen klaagster is door de officier van justitie te Arnhem op 25 april 2012 een bevel zoals bedoeld in artikel 54a van het Wetboek van Strafrecht uitgevaardigd. Klaagster heeft, als internet Serviceprovider, tijdig aan dit bevel van de officier van justitie voldaan. De officier van justitie heeft op 26 april 2012 dit bevel ingetrokken. Tegen het uitgevaardigde bevel heeft klaagster een bezwaarschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering ingediend.

De Rechtbank heeft de klaagster niet-ontvankelijk verklaard in haar klaagschrift. Zij heeft daartoe het volgende overwogen:

"Artikel 54a van het Wetboek van Strafrecht ziet op een vervolgingsuitsluitingsgrond. Dit houdt in dat degene te wiens aanzien het bevel is afgegeven niet vervolgd kan worden ter zake van een eventueel geconstateerd strafbaar feit indien aan dat bevel wordt voldaan. Artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering geeft geen mogelijkheid te klagen over bevelen gegeven ingevolge artikel 54a van het Wetboek van Strafrecht. Bovendien volgt uit noch uit enige rechtsregel, noch uit de parlementaire geschiedenis, dat de wetgever de bedoeling heeft gehad om het voldoen aan de schulduitsluitingsgrond van artikel 54a Wetboek van Strafrecht, dan wel enige actie zijdens de overheid op grond van artikel 54a van het Wetboek van Strafrecht, onder de werking van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering te doen vallen.

Dit houdt in dat klaagster niet-ontvankelijk is in haar klaagschrift."

Namens klaagster is cassatieberoep ingesteld de  op 12 september 2012 uitgesproken beschikking van de Rechtbank Arnhem, waarbij klaagster niet-ontvankelijk is verklaard in een klaagschrift tegen een krachtens art. 54a Sr gegeven bevel.

Namens klaagster heeft mr. P.T.C. van Kampen, advocaat te Amsterdam, een middel van cassatie voorgesteld.

Middel

Het middel bevat de volgende stelling (samengevat door de AG):

Uit de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel ‘Computercriminaliteit II’ kan worden afgeleid dat onder “onderzoek in een geautomatiseerd werk” moet worden begrepen: elk onderzoek dat opsporingsambtenaren in een computer hebben verricht. Dit begrip is dus niet beperkt tot de doorzoeking (op grond van art. 125o Sv), en bovendien volgt uit die Memorie van Toelichting dat de in het wetsvoorstel voorziene verruiming van beklagmogelijkheden (wijziging van art. 552a, eerste lid Sv) moet worden gezien in het licht van art. 13 EVRM. Daarom mag de omstandigheid dat de in het wetsvoorstel aanvankelijk voorziene wijziging van de art. 125n tot en met 125q Sv – daarop hadden de uitlatingen van de Minister over het begrip “onderzoek in een geautomatiseerd werk” in rechtstreekse zin betrekking – uiteindelijk niet is doorgegaan geen belemmering zijn om aan te nemen dat op de voet van art. 552a Sv kan worden geklaagd over het ontoegankelijk maken van gegevens in alle gevallen waarin dat ontoegankelijk maken is geschied in verband met een onderzoek naar gegevens die zijn opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van een geautomatiseerd werk, zodat het beklag ook gericht kan zijn tegen het in art. 54a Sr bedoelde bevel, aldus de toelichting op het middel.

Beoordeling Hoge Raad

Gelet op de bewoordingen van art. 552a.1 Sv heeft de Rb met juistheid geoordeeld dat art. 552 Sv niet voorziet in de mogelijkheid een klaagschrift a.b.i. art. 552.1 Sv in te dienen tegen een in art. 54a Sr bedoeld bevel van de OvJ tot ontoegankelijk maken van gegevens. De Rb heeft klaagster terecht n-o verklaard in haar klaagschrift, zodat klaagster niet kan worden ontvangen in haar cassatieberoep.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Toewijzing vordering benadeelde partij aan erfgenaam

Hoge Raad 15 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:917 

Feiten

Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 9 april 2013 verdachte wegens, onder 1 en onder 6, “diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld met bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren en zes maanden. Voorts heeft het Hof de in het arrest nader omschreven beslissingen met betrekking tot verschillende inbeslaggenomen voorwerpen genomen. Tot slot heeft het Hof de vorderingen van de twee benadeelde partijen toegewezen tot bedragen van, respectievelijk, € 2.500,00 en € 19.850,- en aan verdachte voor diezelfde bedragen betalingsverplichtingen opgelegd.

Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte de vordering van de benadeelde partij betrokkene 1 heeft toegewezen aan haar erfgenaam betrokkene 2.

Beoordeling Hoge Raad

Het strafgeding voorziet niet in de mogelijkheid dat in geval van overlijden van de benadeelde partij de erfgenaam zich in het geding voegt en de (proces)positie van benadeelde partij overneemt. Dit betekent dat ook indien degene die zich op de voet van art. 51f, eerste lid, Sv als benadeelde partij in het strafgeding heeft gevoegd, is overleden, de rechter ingevolge art. 361, vierde lid, Sv dient te beslissen op diens vordering. (Vlg. ook HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL9105, NJ 2011/259).

De vordering van de benadeelde partij betrokkene 1 tot vergoeding van geleden immateriële schade tot een bedrag van € 2500,- is in eerste aanleg integraal toegewezen. In het onderhavige geval is dus sprake van de in art. 421, tweede lid, Sv bedoelde situatie dat de voeging van betrokkene 1 als benadeelde partij in hoger beroep van rechtswege voortduurde. Het Hof had die vordering, gelet op hetgeen hiervoor onder 3.4 is overwogen, niet mogen aanmerken als een vordering van haar erfgenaam betrokkene 2 en op die vordering niet mogen beslissen. Nu het Hof heeft geoordeeld dat de gevorderde immateriële schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 6 bewezenverklaarde handelen van de verdachte, had het die vordering moeten toewijzen aan de benadeelde partij betrokkene 1 (wiens vordering op de voet van art. 6:106, tweede lid tweede volzin, BW vatbaar is voor overgang onder algemene titel op de erfgenaam). Het middel, dat hierover klaagt, is terecht voorgesteld. De Hoge Raad zal doen wat het Hof had behoren te doen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Geen cassatie mogelijk tegen beslissing voorzitter hof beperking in het voeren van verdediging tot hetgeen van belang is voor het tenlastegelegde

Hoge Raad 15 april, ECLI:NL:HR:2014:911

Feiten

Verdachte is bij arrest van 20 december 2012 door het hof te Arnhem wegens eenvoudige belediging veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van twintig uren te vervangen door tien dagen hechtenis en tot een geldboete van € 250,- te vervangen door vijf dagen hechtenis. Mr. H. Sytema en mr. J.L. Bar hebben namens de verdachte een schriftuur met een middel van cassatie ingediend.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof de verdachte "op ontoelaatbare wijze heeft beperkt in het voeren van zijn verdediging".

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"De verdachte, die hoger beroep heeft ingesteld, wordt onmiddellijk na de voordracht van de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld mondeling de bezwaren tegen het vonnis op te geven.

Verdachte geeft te kennen dat dit een politiek proces is. De voorzitter deelt mondeling mede de korte inhoud van de relevante stukken van de zaak. De verdachte verklaart – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik heb de brief van 4 juni 2011 aan betrokkene verzonden. Ik vind het kwalificerend wat ik heb geschreven. Ik spreek mij uit over het functioneren van een ambtenaar, een wethouder. Ik heb die bewoordingen gebruikt, gelet op de ernst van de zaak. Het zijn geen prettige woorden die ik heb gebruikt, maar de woorden kwamen mij passend voor. Natuurlijk moeten mensen respectvol met elkaar om gaan, maar dat moet wederzijds gebeuren. betrokkene heeft er voor gezorgd dat mij dingen zijn overkomen. Ik ben zeer hardhandig door de politie uit de Arnhemse raadzaal ontvoerd tijdens een openbaar debat. Ik ben diverse keren door negers agressief bejegend. Ik ben hartpatiënt en ik ben tot drie keer toe belaagd door die bende onvolwassen racistische negers en dat heb ik in mijn brief aan betrokkene vermeld. Ik kon mij niet verdedigen, want ik stond stijf van de reuma. betrokkene faciliteert zaken door zijn politieke opvattingen, en de situatie die daar uit voortkomt, bevalt mij niet. Daarom heb ik deze woorden in mijn brief gebruikt. Door deze aanvallen heb ik volgens de cardioloog een verminderde elektrische doorstroming van mijn hart. Ik gebruik ook medicijnen.

De oudste raadsheer houdt verdachte voor dat hij op 22 april 2011 door het Gerechtshof Arnhem is veroordeeld.

De verdachte verklaart, zakelijk weergegeven:

De behandeling van die zaak door mr Van den Dungen als politierechter beviel mij totaal niet. Ik heb die zaak onderbroken. Ik ben ook niet in kennis gesteld van het vonnis. Ik ben zelf bij de zitting geweest, zowel bij de rechtbank als bij het hof. Die zaak ging ook over het plaatsen van die moskee.

De advocaat-generaal voert het woord, zakelijk weergegeven:

In korte tijd is twee keer door betrokkene aangifte gedaan ter zake van geschriften met beledigende teksten die verdachte heeft gestuurd. De oorzaak en de reden van verdachte om zo te handelen zit in het feit dat verdachte betrokkene verantwoordelijk houdt voor de herplaatsing van een moskee in Klarendal, als gevolg waarvan verdachte hinder ondervindt. De tekst is beledigend, maar ook op de rand van bedreigend. Ik acht het feit wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft ook verklaard dat hij verantwoordelijk is voor het versturen van de brief aan betrokkene, die voorheen een publieke functie vervulde. Verdachte vindt zijn taalgebruik kwalificerend en gepast, maar dat is totaal niet aan de orde. Dit is beledigend. Woorden als landverrader, amoreel zwijn, ploert en dictator. Dit overschrijdt de grenzen van fatsoen en vrijheid van meningsuiting. Verdachte is eerder veroordeeld voor een soortgelijk feit. De veroordeling van de rechtbank heeft plaatsgevonden voor het plegen van dit feit. Verdachte trekt zich niets aan van de gerechtelijke uitspraak. De advocaat-generaal leest de vordering voor en legt die aan het hof over.

De voorzitter geeft verdachte het woord en geeft daarbij aan dat hij zich dient te beperken tot een betoog wat ziet op deze zaak. De verdachte voert het woord tot verdediging, zakelijk weergegeven: Eén van de daders heeft mij als dader aangewezen en ik word vervolgd. Waarom sta ik hier en niet u? Van een slachtoffer wordt een dader gemaakt. Wij zijn allemaal geconditioneerd. Wij zijn elk een eigen entiteit. Ik ook, u heeft met mijn cortex te maken. De voorzitter geeft te kennen dat verdachte ter zake dient te komen en geen betoog dient te houden over zijn cortex. De verdachte verklaart, zakelijk weergegeven: Ik kan mij niet anders verdedigen dan door dit betoog te houden. Het klopt wat ik heb geschreven. Dit is een politiek proces, dat onderdeel uitmaakt van koehandel. Artikel 147 Sr staat op de nominatielijst om op de schroothoop te belanden. Artikel 137 Sr is door Wilders als achterlijk gekwalificeerd. Artikel 266 Sr laat uitdrukkelijk het kwalificeren van functionarissen in zijn/haar ambt open. Ik ben niet strafbaar. Ik kan mij niet adequaat verdedigen. Ik spreek verder over mijn cortex. De voorzitter geeft te kennen dat verdachte zijn pleidooi dient te beperken tot het tenlastegelegde en niet over zijn cortex. De verdachte verklaart zakelijk weergegeven: Ik voel mij het zwijgen opgelegd. Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken. De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van heden. Na gehouden beraad, geeft de bode te kennen dat verdachte tussentijds de zaal heeft verlaten en dat hij niet wenst terug te keren voor de uitspraak van het arrest."

Beoordeling Hoge Raad

De verdachte is door de voorzitter van het hof beperkt in zijn pleidooi tot hetgeen van belang is voor het tenlastegelegde. Het betreft hier een beslissing van de voorzitter ten behoeve van de handhaving van de orde op de terechtzitting. Daartegen staat geen beroep in cassatie open (vgl. HR 2 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9897, NJ 2010/303). In zoverre moet het middel onbesproken blijven.

Voor zover het middel klaagt dat het onderzoek ter terechtzitting nietig is omdat de verdachte niet overeenkomstig art. 311, tweede lid, Sv het woord heeft kunnen voeren, mist het feitelijke grondslag en kan het dus niet tot cassatie leiden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Flora- en faunawet & Grondslagverlating

Hoge Raad 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:853

Feiten

Aan de verdachte is onder 4 onder meer tenlastegelegd het opzettelijk onder zich hebben van "één of meer vogels, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten 8, althans een of meer vinken en/of 55, althans een of meer (grote en/of kleine) goudvinken".

Daarvan is door het Hof bewezenverklaard het opzettelijk onder zich hebben van "vogels, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten meer vinken en meer goudvinken".

Tweede middel

Het middel klaagt dat het Hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten.

Beoordeling Hoge Raad

De klacht dat het Hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten, behoeft geen bespreking nu niet wordt aangevoerd dat blijkens de gebezigde bewijsvoering 's Hofs bewezenverklaring méér dan 8 vinken en 55 goudvinken betreft.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

Derde middel

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van het onder 4 tenlastegelegde wat betreft de noordse goudvink en de afrikaanse vink niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.

Beoordeling Hoge Raad

Onder 4 is ten laste van de verdachte onder meer bewezenverklaard het opzettelijk onder zich hebben van vogels, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten afrikaanse vinken en een noordse goudvink.

Het bestreden arrest houdt, voor zover hier van belang, in:

"Vast staat dat de tenlastegelegde vogels behoren tot inheemse beschermde diersoorten, waarop de Flora en Faunawet en de daaronder liggende regelingen van toepassing zijn. Voor zover de tenlastelegging ziet op de Noordse goudvink en de Afrikaanse vink is het hof, met de rechtbank, van oordeel dat dit ondersoorten van respectievelijk de goudvink en de vink zijn en dat zij van nature op Europees grondgebied van de Europese Unie voorkomen, zodat deze soorten daarmee behoren tot beschermde inheemse diersoorten."

Ingevolge art. 13, eerste lid, Flora- en faunawet is het onder meer verboden dieren die tot een beschermde inheemse diersoort behoren, onder zich te hebben. In art. 4, eerste lid aanhef onder b, van die wet zijn - afgezien van hier niet relevante uitzonderingen - alle van nature op het Europese grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie voorkomende soorten vogels aangemerkt als beschermde inheemse diersoort. Ingevolge art. 1, tweede lid, van genoemde wet wordt onder "soort" mede verstaan: "ondersoort".

Het is van algemene bekendheid dat de afrikaanse vink (Fringilla coelebs africana) een ondersoort is van de soort (boek)vink (Fringilla coelebs) en dat de noordse goudvink (Pyrrhula pyrrhula pyrrhula) een ondersoort is van de goudvink (Pyrrhula pyrrhula). Gelet hierop moet 's Hofs overweging aldus worden verstaan dat de noordse goudvink en de afrikaanse vink ondersoorten zijn van respectievelijk de goudvink en de vink, dat deze soorten van nature op het Europese grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie voorkomen, zodat ook genoemde ondersoorten behoren tot de door de Flora- en faunawet beschermde diersoorten.

Het middel miskent dat de regel van art. 339, tweede lid, Sv dat feiten of omstandigheden van algemene bekendheid geen bewijs behoeven, ook ziet op gegevens die zonder noemenswaardige moeite uit algemeen toegankelijke bronnen kunnen worden achterhaald. Daarom faalt het middel.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Economische zaak & Strafoplegging

Hoge Raad 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:850

Essentie

Het Hof, dat uitdrukkelijk heeft overwogen dat het rekening heeft gehouden met de financiële draagkracht van verdachte v.zv. deze ttz. is gebleken, heeft kennelijk geoordeeld dat de draagkracht van verdachte toereikend is om de opgelegde – voor de helft voorwaardelijke – geldboete te voldoen. Dat is in het licht van hetgeen door en namens verdachte omtrent o.m. het bedrag van zijn uitkering is aangevoerd, ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk.

Feiten

Het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 3 april 2012 de verdachte ter zake van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 96 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, opzettelijk begaan veroordeeld tot een geldboete van € 8.000, subsidiair 75 dagen hechtenis, waarvan € 4.000, subsidiair 50 dagen, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Het beroep is ingesteld door de verdachte.

Middel

Het middel behelst de klacht dat de strafoplegging, gelet op een gevoerd strafmaatverweer, onvoldoende met redenen is omkleed.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof, dat uitdrukkelijk heeft overwogen dat het rekening heeft gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte voor zover deze ter terechtzitting is gebleken, heeft kennelijk geoordeeld dat de draagkracht van de verdachte toereikend is om de opgelegde - voor de helft voorwaardelijke - geldboete te voldoen. Dat is in het licht van hetgeen door en namens de verdachte omtrent onder meer het bedrag van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering is aangevoerd, ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk. De strafoplegging is in dit opzicht dus toereikend gemotiveerd.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^