Afwijking uitdrukkelijk onderbouwd standpunt m.b.t. bruikbaarheid verklaringen getuige voor bewijs

Hoge Raad 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:476

Feiten

Het Gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 12 december 2011 verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met een voorwaardelijk gedeelte van vier maanden met een proeftijd van twee jaar wegens 1) afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, 2) diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en, 3) poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. Voorts heeft het Hof de vordering van benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 5.937,00 en aan verdachte voor datzelfde bedrag een betalingsverplichting opgelegd.

Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

Middel

Met het middel wordt gesteld dat het Hof heeft nagelaten in het bijzonder de redenen op te geven van zijn afwijking van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt met betrekking tot het gebruik voor het bewijs van de verklaringen van getuige betrokkene 2.

Beoordeling Hoge Raad

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verklaring van betrokkene 2 onbetrouwbaar is omdat deze betrekking heeft op een bezoek dat plaatsvond op 21 september in plaats van 6 november 2008. In weerwil daarvan heeft het Hof de door betrokkene 2 afgelegde verklaring voor het bewijs bruikbaar geacht omdat het aangevoerde door de gebezigde bewijsmiddelen wordt weerlegd. Nu in die bewijsmiddelen in dit verband is vastgesteld dat benadeelde partij - over wie betrokkene 2 verklaart dat hij die al zestien jaar kent - verklaart dat betrokkene 2 op 6 november 2008 samen met een aantal Turkse mannen op bezoek kwam alsmede dat betrokkene 2 over zijn bezoek verklaart dat hij "aan de Turken vroeg of het opgelost was; zij zeiden dat het niet opgelost kan worden op dit moment maar pas over een week omdat benadeelde partij over een week zou betalen", terwijl bewijsmiddel 9 inhoudt dat betrokkene 2 vervolgens ruim een week later, op 16 november 2008, heeft gebeld met de vraag of de zaak was "opgelost", voldoen 's Hofs overwegingen aan het motiveringsvoorschrift van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv en noopte die bepaling het Hof niet tot een nadere motivering.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Ontvankelijkheid cassatieberoep: beperking van cassatieberoep tot de beslissingen over onderdelen van de tll

Hoge Raad 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:479

Feiten

Bij arrest van 19 juli 2011 heeft het Hof te Arnhem de verdachte wegens medeplegen van mensensmokkel, meermalen gepleegd en de uitvoer van 2800 gram heroïne, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertig maanden.

Namens de verdachte heeft mr. G.A. Jansen, advocaat te Amsterdam, beroep in cassatie ingesteld. Vervolgens heeft mr. M.J.M. van Beckhoven, advocaat te Amsterdam, namens de verdachte het ingestelde cassatieberoep bij akte van 22 juli 2013 ingetrokken met betrekking tot de feiten 2, 5, 6 en 7. Nadien heeft mr. G.A. Jansen, eveneens namens de verdachte, het cassatieberoep ingetrokken met betrekking tot feit 3 en tevens met betrekking tot de feiten 4, 8, 9 en 10 maar alleen ten aanzien van de vrijspraak van het tenlastegelegde ‘behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot en/of doorreis’. Het cassatieberoep kan met betrekking tot de feiten 4, 8, 9 en 10 niet aldus worden beperkt nu het een vrijspraak betreft van de ‘voor de strafrechtelijke waardering van het tenlastegelegde niet relevante alternatieven’.

Namens de verdachte hebben mr. G.A. Jansen en Th.O.M. Dieben, beiden advocaat te Amsterdam, een schriftuur houdende twaalf middelen van cassatie ingediend.

Beoordeling Hoge Raad

Ingevolge art. 429 Sv kan het beroep in cassatie tegen een gedeelte van een in hoger beroep gewezen uitspraak worden ingesteld. Niet elke beperking van het cassatieberoep kan echter worden aanvaard. In geval van een samengestelde tenlastelegging kan het cassatieberoep worden beperkt tot de beslissingen over (cumulatieve, alternatieve en/of primaire) onderdelen van de tenlastelegging waarin een zelfstandig strafrechtelijk verwijt is omschreven (vgl. HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1610, rov. 2).

De hiervoor bewezenverklaringen van de onderdelen van de tenlastelegging waartoe het cassatieberoep door de raadsman van de verdachte is beperkt, zijn niet als zodanige zelfstandige strafrechtelijke verwijten te beschouwen. De Hoge Raad verstaat voormelde akte aldus dat namens de verdachte cassatieberoep is ingesteld tegen alle beslissingen ter zake van het onder 4, 8, 9 en 10 tenlastegelegde, en dat in de akte slechts ten overvloede is opgenomen op welke gedeelten van de bestreden uitspraak de bezwaren in het bijzonder betrekking hebben. De verdachte kan worden ontvangen in het ingestelde beroep tegen de beslissingen ter zake van het tenlastegelegde onder 4, 8, 9 en 10.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Schuld a.b.i. art. 6 WVW 1994

Hoge Raad 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:352

Feiten

Verdachte is bij arrest van 22 juni 2012 door het gerechtshof Arnhem wegens “overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood”, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden en een werkstraf van 150 uren. Ook heeft het hof verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de duur van een jaar.

Middel

Het middel komt op tegen de bewezenverklaarde "schuld" als bedoeld in art. 6 Wegenverkeerswet 1994.

Beoordeling Hoge Raad

Vooropgesteld moet worden dat in cassatie slechts kan worden onderzocht of de schuld aan het verkeersongeval in de zin van art. 6 WVW 1994 - in het onderhavige geval het bewezenverklaarde zeer onvoorzichtig rijden - uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin (vgl. HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822, NJ 2005/252).

Het Hof heeft blijkens de gebezigde bewijsvoering vastgesteld dat de verdachte met een - gelet op de bijzondere omstandigheden (op 1 januari 2010 omstreeks 00:25 uur, veel mensen op straat, volop afsteken van vuurwerk) - te hoge snelheid en onvoldoende anticiperend heeft gereden door niet stapvoets maar met een snelheid van 40 à 50 km per uur te rijden alsmede door plotseling naar links te sturen en te gaan rijden over een links van de rijbaan gelegen verdrijvingsvlak waarop zich meerdere personen bevonden, en daar met de op dat verdrijvingsvlak vuurwerk afstekende slachtoffer in botsing te komen.

Gelet op die vaststellingen geeft 's Hofs oordeel dat de verdachte "zeer onvoorzichtig" heeft gereden en er sprake is van schuld in de zin van art. 6 WVW 1994, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is.

Het middel kan niet tot cassatie leiden.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Fiscus kan langs privaatrechtelijke schade verhalen op onrechtmatig handelende belastingadviseur

Hoge Raad 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:397

Samenvatting

Door de werking van het open systeem is het mogelijk dat de ontvanger van de belastingen een onrechtmatig handelende belastingadviseur schadeplichtig stelt. Dit is bevestigd door de Hoge Raad.

Feiten

Eiser is belastingadviseur. Hij is strafrechtelijk veroordeeld in verband met zijn betrokkenheid – samen met anderen – bij transacties waarin kasgelden van vennootschappen zijn overgeboekt naar buitenlandse bankrekeningen. Daarbij is door die vennootschappen verschuldigde vennootschapsbelasting onbetaald gebleven.

De Ontvanger heeft een gedeelte van de onbetaald gebleven vennootschapsbelasting kunnen verhalen door aansprakelijkstelling van een bank. Volgens de Ontvanger staat nog een schuld open van € 17.976.767.

Vordering

De Ontvanger vordert in dit geding (hoofdelijke) betaling door (onder meer) eiser van het hiervoor in 3.1 onder (ii) vermelde bedrag als schadevergoeding. De Ontvanger heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat eiser (samen met anderen) onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door zich willens en wetens schuldig te maken aan het benadelen van de Ontvanger door actief mee te werken aan het wegmaken van voor verhaal vatbare vermogensbestanddelen, waarvan (onder anderen) eiser in belangrijke mate financieel heeft geprofiteerd. De rechtbank heeft de vordering tot een bedrag van € 17.077.929 toegewezen en voor het overige afgewezen.

Hoger beroep Het hof heeft het principale hoger beroep van eiser tegen het vonnis van de rechtbank verworpen. In het incidentele hoger beroep heeft het hof dat vonnis vernietigd en de vordering van de Ontvanger toegewezen voor zover deze door de rechtbank was afgewezen.

Het hof heeft onder meer geoordeeld dat gebruikmaking door de Ontvanger van het zogenoemde “open systeem” van art. 3 lid 2 Iw 1990 (oud), thans art. 4:124 van de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb), geen onaanvaardbare doorkruising oplevert van de in de Iw 1990 gegeven publiekrechtelijke regeling. De Ontvanger vordert in het onderhavige geding geen belasting in, maar neemt een maatregel tegen verkorting van zijn verhaalsrecht, hetgeen hem vrijstaat. Daaraan doet niet af, enerzijds, dat de Ontvanger langs deze weg slechts verhaal kan zoeken voor schulden die (op juiste wijze) in een belastingaanslag zijn vastgelegd, en anderzijds, dat wat de Ontvanger op grond van deze verhaalsactie betaald krijgt, in mindering strekt op de desbetreffende belastingschulden. (rov. 6.15)

Voorts heeft het hof geoordeeld dat een eventuele verjaring van de onderhavige belastingaanslagen niet eraan in de weg staat dat de Ontvanger de desbetreffende bedragen op de grondslag van onrechtmatige daad als schadevergoeding van (onder anderen) eiser kan vorderen. Op zichzelf houdt de Leidraad Invordering in dat de Ontvanger een vordering wegens verkorting van zijn verhaalsrecht langs civielrechtelijke weg achterwege dient te laten, indien het recht tot dwanginvordering is verjaard. Dit laatste was echter ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaardingen in deze zaak nog niet het geval. De (enkele) omstandigheid dat in de loop van dit geding het recht op dwanginvordering van de betrokken belastingschulden is verjaard leidt niet ertoe dat het ten tijde van de aanvang van de procedure bestaande recht van de Ontvanger om zijn schade op onder anderen eiser te verhalen, alsnog is komen te vervallen. Dat dit anders is volgt ook niet uit de Leidraad. Een andere opvatting zou ertoe leiden dat de Ontvanger gehouden zou zijn geweest om, uitsluitend met het oog op en in het kader van de onderhavige verhaalsprocedure, ten opzichte van de betrokken belastingplichtigen stuitingshandelingen te verrichten. Dit zou nodeloos formalistisch zijn. Het hof nam daarbij nog in aanmerking dat het geen enkele rechtvaardiging zag voor het voordeel dat onder anderen eiser zou genieten indien aan een dergelijk (gering) verzuim van de Ontvanger in de gegeven omstandigheden de door onder anderen [eiser] gewenste rechtsgevolgen zouden worden verbonden. (rov. 6.53)

Middel

Samengevat klaagt het middel vanuit verschillende invalshoeken dat het hof ten onrechte dan wel niet toereikend gemotiveerd heeft geoordeeld dat de (enkele) omstandigheid dat het recht op dwanginvordering van de belastingschulden in de loop van het geding zou zijn verjaard, niet ertoe leidt dat het recht van de Ontvanger om zijn schade te verhalen alsnog is komen te vervallen.

Beoordeling Hoge Raad

Bij de beoordeling van het middel wordt het volgende vooropgesteld.

Het in art. 3 lid 2 (oud) Iw 1990 neergelegde “open systeem” houdt in dat de Ontvanger vrij is in de keuze van de middelen die hij aanwendt om belastingschulden in te vorderen. Dat betekent dat hij tegenover de belastingschuldenaar ook de privaatrechtelijke bevoegdheden mag uitoefenen die hij ontleent aan zijn positie van schuldeiser.

Zijn keuzevrijheid wordt slechts begrensd door het bepaalde in de Leidraad Invordering 1990 en door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In HR 28 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2120, NJ 1997/102 (Van Maarseveen c.s./Ontvanger), is geoordeeld dat de bevoegdheden van een schuldeiser – en dus ook van de Ontvanger – zich mede uitstrekken tot maatregelen om tegen verkorting van zijn verhaalsrecht op te komen. Het stelsel van art. 3 lid 2 (oud) Iw 1990 laat derhalve toe dat de Ontvanger schadevergoeding vordert van een derde zoals eiser op de grond dat deze derde onrechtmatig de invordering van belastingschulden heeft verhinderd. Opmerking verdient dat hetzelfde geldt voor het thans geldende art. 4:124 Awb (zie ook de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.19).

Art. 3 lid 2 (oud) Iw 1990 – en thans art. 4:124 Awb – brengt niet mee dat voor de uitoefening van privaatrechtelijke bevoegdheden door de Ontvanger andere regels gelden dan uit het privaatrecht voortvloeien (vgl. ook de passage uit de parlementaire geschiedenis aangehaald in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.24). Dit betekent dat voor een door de Ontvanger ingestelde vordering tot vergoeding van schade wegens onrechtmatige daad – tegen de belastingschuldige of tegen een derde als eiser – de verjaringsregels van het Burgerlijk Wetboek gelden (art. 3:306 e.v. BW).

Uit de Leidraad Invordering 1990 kan evenwel voortvloeien dat de Ontvanger zijn privaatrechtelijke bevoegdheden niet onverkort mag uitoefenen. Het middel doet in dit verband een beroep op art. 27 § 1 van die Leidraad. Deze bepaling bevatte inzake de uitoefening van privaatrechtelijke bevoegdheden nadat het recht tot dwanginvordering is verjaard, het volgende voorschrift:

“Artikel 27 van de wet bepaalt dat het recht tot dwanginvordering en het recht tot verrekening verjaren door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop die belastingaanslag geheel invorderbaar is dan wel, als dit tot een later tijdstip leidt, vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop de laatste akte van vervolging terzake van die belastingaanslag aan de belastingschuldige is betekend. Het tweede lid van dit artikel bepaalt limitatief in welke gevallen de verjaring wordt geschorst. Alhoewel artikel 27 invordering door middel van een dagvaarding na verloop van de in dat artikel genoemde termijn onverlet laat wordt van deze mogelijkheid nooit gebruik gemaakt wanneer de in artikel 27 genoemde verjaring is ingetreden.”

Uit zijn bewoordingen volgt dat dit voorschrift ziet op de situatie dat de Ontvanger langs privaatrechtelijke weg belasting invordert. Dit vindt bevestiging in de parlementaire stukken waarin het voorschrift werd aangekondigd, aangehaald in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.22. Het voorschrift ziet derhalve niet op een situatie als de onderhavige, waarin de Ontvanger van een ander dan de belastingschuldenaar schadevergoeding vordert wegens een door deze gepleegde onrechtmatige daad, bestaande in het belemmeren van verhaal voor de belastingschuld.

Het bovenstaande brengt mee dat het middel ook tevergeefs een beroep doet op art. 27 § 2 van de Leidraad Invordering 1990, waarin was bepaald:

“Als een ander dan de belastingschuldige op grond van een fiscale of civielrechtelijke bepaling voor de belasting aansprakelijk is gesteld, is de belastingaanslag te zijnen aanzien niet vatbaar voor zelfstandige verjaring, maar is uitsluitend van belang of ten aanzien van de belastingschuldige van verjaring sprake is.”

Uit de passage luidende “is de belastingaanslag te zijnen aanzien niet vatbaar voor zelfstandige verjaring” blijkt immers dat ook dit voorschrift betrekking heeft op de invordering van de daadwerkelijke belastingschuld – met de bij die schuld behorende verjaringsregels – en dus niet op een op onrechtmatige daad gebaseerde vordering tot schadevergoeding als voormeld.

Er is evenmin grond voor het oordeel dat beginselen van behoorlijk bestuur steeds meebrengen dat de Ontvanger geen vordering als de onderhavige mag instellen (of een reeds aangevangen procedure moet staken) na verjaring van de belastingschuld waarvan het verhaal onrechtmatig is verhinderd. Weliswaar volgt uit art. 3 § 1 Leidraad Invordering 1990 dat de Ontvanger bij zijn keuze voor gebruikmaking van civielrechtelijke bevoegdheden in plaats van fiscale bevoegdheden het belang van de invordering moet afwegen tegen de belangen van de belastingschuldige en eventuele derden, maar daaruit volgt nog niet dat de belangen van zodanige derden steeds moeten worden ontzien. Ook overigens valt niet in te zien waarom enig beginsel van behoorlijk bestuur zou meebrengen dat de Ontvanger steeds of in beginsel gehouden is de belangen te ontzien van derden die door onrechtmatig handelen zijn verhaal hebben belemmerd. Wat betreft een verjaringskwestie als de onderhavige verdient daarbij nog opmerking dat de identiteit van zodanige derden langdurig voor de Ontvanger verborgen kan zijn gebleven. Dit maakt het temeer gerechtvaardigd om tot uitgangspunt te nemen dat de Ontvanger zijn bevoegdheid tot verhaal van schade kan uitoefenen totdat de rechtsvordering volgens art. 3:310 BW is verjaard.

Op het voorgaande stuiten alle klachten van het middel af.

Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het principale beroep tot vernietiging van het arrest van het hof leidt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling Paarlberg voor onder meer witwassen blijft in stand

Hoge Raad 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:349

Feiten

Het gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 16 mei 2012 de verdachte ter zake van

  1. medeplegen van gewoontewitwassen
  2. medeplegen van valsheid in geschrift
  3. oplichting
  4. witwassen
  5. ingevolge de Belastingwet verplicht voor raadpleging beschikbaar te stellen boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, voor dit doel in valse of vervalste vorm beschikbaar stellen, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd en opzettelijk een bij de Belastingdienst voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven en terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd
  6. medeplegen van in een authentieke akte een valse opgave doen opnemen aangaande een feit van welks waarheid de akte moet doen blijken met het oogmerk om die akte te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware zijn opgave in overeenstemming met de waarheid, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren.

Namens de verdachte heeft mr. D.M. Drok beroep in cassatie ingesteld en hebben mr. R. de Bree en mr. G. Meijer bij schriftuur negen middelen van cassatie voorgesteld.

Beoordeling Hoge Raad

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

Conclusie AG

Eerste middel

Het eerste middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring van feit 1. In het bijzonder bevat het de klacht dat het hof, in strijd met het recht op informatie (art. 6, derde lid onder a, EVRM) en in strijd met het karakter van het voortbouwend appel, een verrassingsbeslissing heeft genomen.

In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof een “verrassingsbeslissing” heeft genomen door voorbij te gaan aan de door de verdediging opgeworpen vier mogelijke conclusies (scenario’s) ten aanzien van de tien tenlastegelegde betalingen van betrokkene 1 en aan de (mogelijke) aanwezigheid van een plausibele betalingsgrond.

Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte willens en wetens de tien door betrokkene 1 betaalde geldbedragen, die betrokkene 3 onder dreiging van liquidatie ten behoeve van zichzelf had afgedwongen, heeft verworven en voorhanden heeft gehad. Voorts heeft hof op grond van het beschikbare dossier geoordeeld dat er van achteraf geconstrueerde dan wel erbij gezochte betalingstitels sprake is die onder de tien betalingen zijn geschoven en dat deze betalingen niet zijn terug te voeren op in 1998/1999 gemaakte afspraken.

AG: Anders dan het middel aanvoert, vermag ik niet in te zien dat deze bewijsredenering zich slecht verhoudt tot de notie van het voortbouwend appel en tot de informatieplichten van artikel 6 EVRM. Dat de verdediging is uitgegaan van een dwingend beslissingsschema met daarin een beperkt aantal opties omtrent de grondslag van betrokkene 1’s betalingen, betekent geenszins dat het hof hieraan gebonden is. Waar het in essentie op neerkomt is dat de verdediging het hof een keurslijf heeft willen aanmeten en vervolgens, als blijkt dat het hof dit keurslijf naar zijn oordeel niet past, klaagt dat het hof dit keurslijf niet heeft aangetrokken. Maar zo werkt het niet in de rechtspraak. Met betrekking tot het vaststellen van de feiten heeft de rechter een eigen verantwoordelijkheid. Daarin heeft de normering van het voortbouwend appel geen verandering gebracht. Dat de door het hof opgetuigde redenering volgens de stellers van het middel “verrassend” is, brengt nog niet mee dat het hof was gehouden om de procesdeelnemers die redenering reeds ter terechtzitting voor te houden opdat zij in de gelegenheid waren daarover hun licht te laten schijnen. Het hof is wel gehouden om op de voet van art. 301, vierde lid, Sv de bevindingen waarop die redenering is gestoeld ter terechtzitting voor te houden. Tot meer verplicht deze bepaling niet.

De verdediging heeft het hof niettemin willen dwingen tot een debat over onder meer de winstverwachtingen die de verdachte naar zijn zeggen in de jaren 1999 – 2003 koesterde met betrekking tot de activa die worden bedoeld in de door de verdediging gepresenteerde betalingstitels. Dat het hof geen heil zag in zo’n debat, acht ik alleszins begrijpelijk. De vaststelling van winstverwachtingen, met name van activa van meer speculatieve aard, mag bepaald geen exacte wetenschap heten. Je kunt er (bijna) alle kanten mee op. betrokkene 1 had in elk geval geen fiducie in die activa, zo wijst ’s hofs bewijsmotivering wel uit. Voor dit bewijsverweer viel het doek reeds met ’s hofs vaststelling dat achteraf naar plausibele betalingstitels is gezocht.

’s Hofs bewijsredenering is bovendien verre van verrassend. Lezing van het requisitoir van de advocaten-generaal en van hun schriftelijke repliek leert mij dat de voedingsbodem voor ’s hofs redenering reeds daarin is gelegen. Daarop heeft de verdediging kunnen reageren, en van die gelegenheid is ook gebruik gemaakt. Van door de verdediging aangevoerde strijdigheid met het recht op informatie als bedoeld in art. 6 EVRM en met het karakter van het voortbouwend appel is dan ook geen sprake.

Het middel faalt.

Tweede Middel

Het tweede middel klaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek van de verdediging om kennisneming van de (in een andere strafzaak) inbeslaggenomen financiële administratie van betrokkene 1, het zgn. Enclave-NN dossier.

AG: Geklaagd wordt dat het hof in zijn overwegingen blijk heeft gegeven van een onjuiste toepassing van de rechtspraak van de Hoge Raad en het EHRM met betrekking tot het recht op kennisneming van stukken. De klacht verwijst in dit verband naar de zogeheten processtukkenjurisprudentie van de Hoge Raad, in het bijzonder het “Dev Sol”-arrest. De klacht snijdt het onderscheid aan tussen enerzijds “processtukken” en anderzijds een categorie documenten en voorwerpen waarop het processtukkenregime niet van toepassing is en ten aanzien waarvan een rechterlijke belangenafweging is toegelaten bij de beoordeling van een verzoek tot voeging van dergelijke bescheiden en voorwerpen, dan wel de kennisneming ervan. De klacht strekt ten betoge dat het hof het verzoek van de verdediging ten onrechte niet heeft aangemerkt als een verzoek om inzage van stukken die moet worden ondergebracht bij de tweede categorie, en dat het hof bij de afwijzing een onjuiste maatstaf heeft aangelegd.

In de afwijzing van de verzoeken om het Enclave NN-dossier aan het dossier toe te voegen, dan wel daarvan inzage te verlenen, ligt als ’s hofs kennelijke oordeel besloten dat de financiële administratie van betrokkene 1 niet tot de processtukken in de onderhavige strafzaak gerekend kunnen worden. Dat oordeel is juist, in aanmerking genomen dat de financiële administratie niet het resultaat is van het opsporingsonderzoek gericht tegen de verdachte, maar van het opsporingsonderzoek naar een ander misdrijf, te weten de liquidatie van betrokkene 1. Het verzoek tot toevoeging dan wel kennisneming van bedoeld dossier is derhalve een verzoek dat aan de maatstaf van de noodzakelijkheid van art. 315 Sv dient te worden getoetst. In de hiervoor onder 17 weergegeven overweging heeft het hof geoordeeld dat het toewijzing van het verzoek niet noodzakelijk acht. Aldus heeft het hof, anders dan het middel wil, de juiste maatstaf toegepast. De vraag die vervolgens beantwoord dient te worden is of het afwijzende oordeel van het hof begrijpelijk is in het licht van de argumenten waarop het verzoek rust.

Het oordeel van het hof dat toewijzing van het in het middel bedoelde verzoek niet noodzakelijk is berust op twee gronden. De eerste is dat er volgens de bevindingen van het openbaar ministerie geen andere stukken in het dossier van de moordzaak die van belang zijn voor het onderzoek in de onderhavige zaak aanwezig zijn, dan de stukken die al in deze zaak zijn gevoegd. Daarbij heeft het hof betrokken dat het openbaar ministerie de keuze welke stukken uit de moordzaak wel en welke niet in de onderhavige zaak heeft gevoegd heeft verantwoord door te wijzen op de afstemming die er is geweest met de onderzoeksteams met betrekking tot de moordzaak en de afpersingszaak tegen betrokkene 3 en anderen, alsmede dat de financiële man van betrokkene 1, betrokkene 4, de politie heeft geattendeerd op de tien tenlastegelegde betalingen en de titels daarvoor. Daarbij is (steeds) bezien of de door betrokkene 1 in de dagboekaantekeningen genoteerde bedragen op iets anders zouden kunnen duiden dan op de tenlastegelegde betalingen. Daarnaast heeft het hof geoordeeld dat de verdediging in de verschillende fasen van de behandeling van deze zaak andere mogelijkheden heeft gehad om inzicht te krijgen in de (financiële) zaken van betrokkene 1. Het hof wijst daarbij nadrukkelijk op vier getuigen (betrokkene 4, betrokkene 5, betrokkene 6 en betrokkene 7) die – blijkens hun verklaring – goed op de hoogte waren van de administratie van betrokkene 1. Die mogelijkheden hebben, zo lees ik de overwegingen van het hof, evenwel niet geleid tot een gegrond vermoeden dat zich in het Enclave NN-dossier nog (andere) stukken bevinden die redelijkerwijs van belang zijn in de onderhavige strafzaak. Het verzoek om voeging dan wel kennisneming van de gehele financiële administratie van betrokkene 1 bezit dan ook de kenmerken van een “fishing expedition”. In het licht van het voorgaande komt het oordeel van het hof dat toewijzing van het verzoek niet noodzakelijk is mij niet onbegrijpelijk voor.

Het middel faalt.

Derde Middel

Het derde middel klaagt dat de bewezenverklaring van feit 1 voor zover betrekking hebbende op het oordeel dat de tiende betaling van betrokkene 1 aan de verdachte uit misdrijf afkomstig was niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen, althans dat het hof zich heeft beroepen op bepaalde niet in de gebezigde bewijsmiddelen vermelde gegevens zonder met voldoende mate van nauwkeurigheid aan te geven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend.

AG: Het hof heeft geoordeeld dat ook de tiende betaling als een afgedwongen betaling kan worden aangemerkt, nu die betaling blijkens de verklaring van de verdachte samenhangt met de overige betalingen en deel uitmaakt van het totaalbedrag dat betrokkene 1 aan de verdachte moest betalen. Gelet op de inhoud van de onder 29 weergeven door het hof als bewijsmiddel gebezigde verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg van 8 april 2010, waarnaar door het hof in voetnoot 80 is verwezen, heeft het hof genoegzaam voldaan aan het vereiste van nauwkeurigheid, terwijl geen sprake is van een ongeoorloofde conclusie door het hof ten aanzien van de verklaring van de verdachte.

Het middel faalt.

Vierde Middel

Het vierde middel betreft feit 1 en klaagt dat het hof is afgeweken van het door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat een lening als verstrekt aan HSIJ werkelijk is afgelost en dat die aflossing onderdeel vormt van de tien betalingen, zonder voor die afwijkende beslissing een toereikende motivering te geven.

AG: Het hof heeft, in afwijking van hetgeen namens de verdediging is aangevoerd, geconcludeerd dat sprake is van afgedwongen betalingen waarvoor in de zakelijke verhoudingen van destijds tussen de verdachte en betrokkene 1 een plausibele betalingsgrond is gezocht en in meer of mindere mate is gevonden. Blijkens zijn overwegingen, zoals bij de bespreking van het eerste middel onder 6 is weergegeven, heeft het hof geoordeeld dat er betalingen zijn gedaan die boekhoudkundig niet zijn thuis te brengen, maar die aan beide zijden, wel boekhoudkundig moesten worden verwerkt, en wel aldus dat een en ander geen vragen zou oproepen bij een eventuele controle, dat daartoe onderliggende verplichtingen aangedragen of gezocht moesten worden, en dat daarvoor zelfs speciaal iemand aan het werk is gezet. Dat de achteraf gevonden betalingstitels op grond van de zakelijke verhoudingen in 1998/1999 tussen de verdachte en betrokkene 1, ook boekhoudkundig, nog wel in meer of mindere mate aannemelijk zijn te maken, doet volgens het hof aan het voorgaande niet af. Door aldus te overwegen heeft het hof (ook) ten aanzien van het in het middel bedoelde onderdeel van het door de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwd standpunt de redenen opgegeven, als bedoeld in art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv, die ertoe hebben geleid dat dit standpunt niet door het hof is aanvaard.

Het middel faalt.

Vijfde Middel

Het vijfde middel betreft de motivering van feit 1. Het middel klaagt dat het hof zonder in het bijzonder de redenen hiervoor op te geven is voorbij gegaan aan het door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat bij de verdachte de (voor witwassen) vereiste wetenschap ontbrak, nu niet is gebleken van betalingen aan betrokkene 3 door de verdachte.

AG: Hetgeen door de verdediging ter zitting is betoogd komt er – kort gezegd – op neer dat (gewoonte)witwassen van de van afpersing van betrokkene 1 afkomstige geldbedragen niet is bewezen, nu niet is gebleken van (terug)betalingen door de verdachte aan betrokkene 3, noch van het parkeren van de door de verdachte ontvangen geldbedragen op een buitenlandse bankrekening teneinde die op een later moment aan betrokkene 3 uit te keren. Het hof heeft dit betoog kennelijk niet aangemerkt als een zelfstandig uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Dit (onuitgesproken) oordeel is niet onbegrijpelijk. De hierboven geciteerde passage is niet meer dan een enkel argument in het kader van het bewijsverweer dat de verdachte niet ten behoeve van betrokkene 3 is opgetreden als ontvanger en bewaarder van de van betrokkene 1 afgeperste gelden, c.q. bij hem het opzet daartoe ontbrak. Zoals hiervoor al betoogd gaat de motiveringsplicht van de feitenrechter niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan.

’s Hofs oordeel is te meer begrijpelijk doordat het betoog is gespeend van overtuigingskracht. Anders dan de verdediging heeft betoogd, ligt het juist niet in de lijn der verwachting dat een (omvangrijke) betaling van de verdachte richting betrokkene 3 zou kunnen worden getraceerd, net zo min als een spoor van het ‘parkeren’ van gelden ten behoeve van betrokkene 3. Hoe zou dát in de boeken moeten worden verantwoord?

De stelling dat de verdachte de gelden ter bestrijding van eigen liquiditeitsproblemen heeft aangewend verdraagt zich trouwens zeer wel met de door het hof vastgestelde rol van de verdachte als bewaarder van gelden voor betrokkene 3. Door de van betrokkene 1 ontvangen gelden te eigen bate aan te wenden, zou de vordering van betrokkene 3 immers niet komen te vervallen. Mocht het hof volgens Uw Raad toch responsieplichtig zijn geweest, dan is de weerlegging van de door de verdediging betrokken stelling dermate vanzelfsprekend dat zij reeds in de bewijsmotivering ligt besloten.

Het middel faalt.

Zesde Middel

Het zesde middel klaagt dat het hof in strijd met art. 6, eerste en derde lid onder d, EVRM de bewezenverklaring van feit 1 in beslissende mate heeft gebaseerd op de verklaringen van één getuige die door de verdediging niet ondervraagd kon worden en dat het hof heeft nagelaten de verdediging in staat te stellen de verklaringen van die getuige in voldoende mate te onderzoeken en te betwisten.

In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat, nu het hof heeft nagelaten de verdediging in de gelegenheid te stellen om de verklaringen van betrokkene 1 middels diens financiële administratie te onderzoeken en mogelijk te weerleggen, de procedure in zijn geheel niet omgeven is geweest met voldoende waarborgen om de beknotting van het ondervragingsrecht als bedoeld in art. 6, derde lid, EVRM te compenseren.

AG: Vaststaat dat de verdediging in de onderhavige zaak niet in enig stadium van het geding gelegenheid heeft gehad om betrokkene 1 als getuige te (doen) ondervragen. Nog voordat de strafzaak tegen de verdachte was aangevangen is betrokkene 1 immers om het leven gebracht. In de bewoordingen van het EHRM heeft er dan ook een “goede reden” bestaan voor het achterwege blijven van de oproeping van deze getuige en de daaropvolgende ondervraging van deze getuige door de verdediging. Het hof ziet – in navolging van de rechtbank – betrokkene 1 als belangrijkste getuige en als enige leverancier van direct (en dus ‘decisive’) bewijs tegen de verdachte. Het gaat daarbij om de schriftelijke weergave van de zogeheten “achterbankgesprekken” en de “dagboekaantekeningen”. Blijkens de hiervoor onder 44 weergegeven bewijsoverweging heeft het hof zich ervan rekenschap gegeven dat voor het gebruik als bewijs van de verklaringen van betrokkene 1, is vereist dat voldoende compenserende maatregelen zijn getroffen om de verdediging in staat te stellen de verklaringen van betrokkene 1 inhoudelijk te betwisten. Voorts heeft het hof onderkend dat stevige eisen moeten worden gesteld aan de kwaliteit van het aanwezige steunbewijs. Deze overweging hangt, naar ik begrijp, niet samen met de vraag of betrokkene 1 de doorslaggevende bron was van het belastende bewijsmateriaal, want die vraag had het hof al positief beantwoord. Zij houdt volgens mij verband met de vraag naar de ‘counterbalancing factors’. Daarbij kan namelijk de bewijswaarde (betrouwbaarheid) van de verklaringen van betrokkene 1 mede in de overwegingen van de feitenrechter worden betrokken, zonder dat daartoe uitsluitend steunbewijs uit een van betrokkene 1 onafhankelijke bron in aanmerking mag worden genomen. Het hof heeft aan de geloofwaardigheid van de tot betrokkene 1 te herleiden informatie een (hierboven aangehaalde) overweging gewijd, waarvan de begrijpelijkheid in cassatie op zichzelf niet wordt aangevochten.

Bovendien zijn naar het oordeel van het hof aan de verdediging in casu voldoende compensatiemogelijkheden geboden. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. Het hof heeft erop gewezen dat vele door de verdediging op dit punt naar voren gebrachte onderzoekswensen zijn toegewezen, dat een aanzienlijk aantal getuigen op dit punt is gehoord, alsmede dat de verdediging de gelegenheid heeft gekregen de “achterbankgesprekken” te beluisteren en naar aanleiding daarvan verbeteringen in de transcripties heeft doen aanbrengen. Van schending van art. 6 EVRM is in mijn ogen dan ook geen sprake.

Het middel faalt.

Zevende Middel

Het zevende middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring van feit 4 (witwassen). Het middel valt uiteen in drie deelklachten. Ten eerste bevat onderdeel i de klacht dat het hof onder meer art. 7 EVRM heeft geschonden door bewezen te verklaren dat sprake is geweest van witwassen, terwijl het ging om vermenging van geld voor de datum van inwerkingtreding van de witwasbepaling en de verdachte na die datum niet méér heeft gedaan dan het voorhanden hebben van aandelen. Voorts wordt blijkens de toelichting op onderdeel ii geklaagd over het oordeel van het hof dat het niet anders kan dan dat de ƒ 2,9 miljoen van misdrijf afkomstig is. Ten slotte klaagt onderdeel iii over de verwerping van een bewijsverweer.

AG: Het hof heeft de verdachte vrijgesproken van het verwerven van de aandelen ’t Gooier Hoofd, nu deze (witwas)handeling heeft plaatsgevonden op 13 augustus 1998, dus ruim vóór de datum waarop witwassen strafbaar is gesteld. Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte met van misdrijf afkomstige gelden gekochte aandelen in de periode van 14 december 2001 tot en met 16 februari 2006 voorhanden heeft gehad.

In de toelichting op onderdeel i wordt, met een beroep op het legaliteitsbeginsel (art. 7 EVRM), geklaagd dat het voor de verdachte niet voorzienbaar was dat zijn vermogen werd “besmet” door de overboekingen van de bedoelde 8,85 miljoen gulden en dat hij zodoende niet kon voorzien dat hij per 14 december 2001 strafbaar zou handelen door geen afstand te doen van dat deel van zijn vermogen dat is vermengd met geldbedragen die afkomstig zijn van (vermeende) misdrijven. Derhalve is de bewezenverklaring in strijd met het verbod van terugwerkende kracht.

De klacht ziet eraan voorbij dat het verwerven van geldbedragen in de wetenschap dat deze van misdrijf afkomstig zijn, alsook het opzettelijk voordeel trekken uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed reeds vóór de inwerkingtreding van de witwasbepalingen strafbaar was, en wel op grond van art. 416, leden 1 en 2, Sr (opzetheling). Van de door de verdediging veronderstelde onvoorzienbaarheid van strafbaarheid is dan ook geen sprake. In dat licht kan evenmin worden gezegd dat met de bewezenverklaring een onevenredige inbreuk is gemaakt op het eigendomsrecht van de verdachte (art. 1, Eerste Protocol, EVRM), zoals door de steller van het middel nog is aangevoerd.

Onderdeel ii klaagt blijkens de toelichting daarop dat het oordeel van het hof dat het niet anders kan dan dat de ƒ 2,9 miljoen van misdrijf afkomstig is, niet in voldoende mate begrijpelijk is althans niet van een toereikende motivering is voorzien.

Het hof heeft geoordeeld dat het niet aannemelijk is geworden dat – zoals door de verdediging is aangevoerd – het bedrag van ƒ 2,9 miljoen afkomstig is van de verkoop door de verdachte van aandelen in Threeglen. Het hof wijst daarbij op ongerijmdheden in de verklaringen van de verdachte ten opzichte van die van betrokkene 13, die als mede-aandeelhouder ook bij de verkoop betrokken zou zijn geweest, alsmede op een vermogensoverzicht van de verdachte dat geen steun biedt aan de verklaringen van de verdachte en van betrokkene 13 over de beweerde overdracht. Voor zover de steller van het middel aanvoert dat het hof zonder nader onderzoek de lezing van de verdediging over de herkomst van het bedrag niet aannemelijk heeft geacht, mist het derhalve feitelijke grondslag.

Het hof constateert vervolgens dat het niet geven van een aannemelijke en/of verifieerbare verklaring voor de genoemde betaling die terug te voeren is op een legale titel, op zichzelf onvoldoende is om te kunnen spreken van witwassen. Daarvoor is meer nodig. In samenhang bezien met andere omstandigheden kan, naar het oordeel van het hof, wél gezegd kan worden dat het niet anders kan dan dat die betaling van misdrijf afkomstig is. Het hof neemt daarbij in aanmerking: dat sprake is van een aanzienlijk bedrag, ƒ 3 miljoen , met een nietszeggende omschrijving “by one of our clients”; dat het bedrag van betrokkene 1 afkomstig was, die al in 1994 in verband werd gebracht met XTC-handel en het witwassen van crimineel geld; dat de verdachte al in 1996/1997 door een medewerker op de hoogte was gebracht van de omstandigheid dat banken en makelaars hem tegenwierpen dat er met betrokkene 1 werd samengewerkt en dat de verdachte volgens eigen zeggen (daarom) eind 1997 de banden met betrokkene 1 wilde verbreken; dat de verdachte een ongeloofwaardige verklaring heeft afgelegd omtrent de titel op grond waarvan het geld aan hem is betaald; dat (het merendeel van) het geld na ontvangst telkens kort na elkaar is doorgeboekt naar verschillende bankrekeningen. Anders dan het middel wil, acht ik deze gevolgtrekking door het hof niet onbegrijpelijk. Het hof heeft het oordeel dat bedoeld bedrag van misdrijf afkomstig is bovendien toereikend en zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting gemotiveerd.

Ten slotte wordt in onderdeel iii geklaagd over het oordeel van het hof dat door vermenging van de bewezenverklaarde geldbedragen (van 5,95 miljoen en 2,9 miljoen gulden) het totale overgeboekte bedrag van 37 miljoen gulden is “besmet”.

Het hof, heeft in cassatie onbestreden, geoordeeld dat zowel het bedrag van ƒ 2,9 miljoen als het bedrag van ƒ 5,95 miljoen, uiteindelijk deel is gaan uitmaken van het saldo op de rekening waarmee de aandelen ’t Gooier Hoofd zijn gekocht. Wél wordt in cassatie bestreden ’s hofs oordeel dat door vermenging van deze overboekingen het totale overgeboekte bedrag van ƒ 37 miljoen is besmet, dat dit zowel geldt voor het deel waarmee de debetstand is aangevuld als voor het deel dat is overgeboekt naar Loeff voor de aanschaf van de aandelen ’t Gooier Hoofd, en dat gelet hierop niet van belang is in welke volgorde de verschillende betalingen op de rekening van Mediamax Group zijn geboekt. Dit oordeel getuigt mijns inziens niet van een onjuiste rechtsopvatting en acht ik evenmin onbegrijpelijk.

Het middel faalt in al zijn onderdelen.

Achtste Middel

Het achtste middel klaagt over het (impliciete) oordeel van het hof dat de onder feit 5 genoemde vennootschappen ingevolge de belastingwet verplicht waren om boeken bescheiden en andere gegevensdragers en of de inhoud daarvan voor raadpleging beschikbaar te stellen, alsmede dat het hof niet heeft gerespondeerd op het door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat deze verplichting enkel rustte op Merwede Group BV.

In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof heeft blijk gegeven van een onjuiste toepassing, dan wel onjuiste uitleg van art. 47 AWR (en in het voetspoor daarvan van de strafbaarstelling ingevolge art. 68 AWR). De blijkens de bewezenverklaring aanwezig geachte verplichting ingevolge art. 47 AWR ontstaat immers enkel indien de belastingdienst aan de betreffende belastingplichtige heeft verzocht om de gegevens. Gegevensverstrekking door een groepsmaatschappij of vrijwillig verstrekte gegevens vallen niet onder het bereik van genoemde bepalingen. Het enkele gegeven dat de stukken zijn verstrekt in het kader van een boekenonderzoek binnen een groep maakt niet dat de vennootschap op wie de stukken betrekking hebben onder de reikwijdte van art. 47 AWR valt, aldus de stellers van het middel.

AG: Buiten kijf wijst het samenstel van deze bepalingen uit dat de strafbaarstelling van artikel 68, tweede lid, onder c, AWR (oud), voor zover relevant, uitsluitend bestrijkt het voor raadpleging beschikbaar stellen van die valse of vervalste gegevens en gegevensdragers waar de inspecteur met zoveel woorden om heeft gevraagd. Het verzoek constitueert de verplichting.

Daarmee is uiteraard niet gezegd dat de inspecteur, wil zijn verzoek de verplichting tot beschikbaarstelling in het leven roepen, gespecificeerd opgave moet doen van ieder afzonderlijk document. Sterker nog, voorafgaande aan zijn controle zal de inspecteur niet altijd nauwkeurig op de hoogte (kunnen) zijn van de inhoud van de boekhouding die de belastingplichtige voert. Op de kennisneming daarvan is het onderzoek nu juist gericht. De inspecteur, of namens hem de controleambtenaar, zal dus redelijkerwijs kunnen volstaan met een verzoek om inzage in bijvoorbeeld de ordners met de facturen die de belastingplichtige over een bepaald tijdvak heeft betaald, c.q. de administratie over een bepaalde periode. Een dergelijk meer generiek verzoek is inderdaad geformuleerd in de brieven van de controlerende ambtenaren van de fiscus van 26 januari en 13 juli 2006, waaruit het hof heeft geciteerd.

Als ik het middel goed begrijp schuilt in dat laatste niet de klacht. De brieven van de fiscus hadden moeten worden geadresseerd aan de afzonderlijke vennootschappen waarvan de financiële administratie voorwerp van onderzoek was, en niet slechts tot de moedervennootschap van de betreffende BV. ’s Hofs bewijsoordeel geeft dus blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de hiervoor aangehaalde bepalingen, aldus versta ik de rechtsklacht die door het middel wordt aangesneden.

Uit ’s hofs vaststellingen volgt dat de in de bewezenverklaringen opgesomde facturen en administratie waarin die facturen zijn verwerkt aan de inspecteur voor raadpleging beschikbaar zijn gesteld bij gelegenheid van boekenonderzoek bij Merwede Real Estate BV op 2 maart 2006 en boekenonderzoek op 11 en 13 september 2006 bij onder andere Merwede Group BV en Woodham & Packard Interiors. De aankondiging van deze onderzoeken was, behalve telefonisch, tevens op schrift gesteld en de betreffende brieven waren beide gericht aan Merwede Group BV. Omtrent alle in de bewezenverklaringen genoemde vennootschappen heeft het hof blijkens de hierboven aangehaalde overwegingen vastgesteld dat de verdachte daarvan de (economische) eigenaar was en dat de verdachte een doorslaggevende stem had in de beslissingen van de vennootschappen. Met uitzondering van M.I.E. Ridderhofstad Bolenstein BV, betreffen alle in de bewezenverklaring genoemde vennootschappen (volle) dochters van Merwede group BV, en alle genoemde vennootschappen waren gevestigd in hetzelfde pand: de Ridderhofstad Bolenstein te Maarssen. Dezelfde kleine groep van personen hield zich, naar ik begrijp: zonder onderscheid, met de administratie van deze vennootschappen bezig.

De enige door het middel opgeworpen vraag, namelijk of ’s hofs oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de eis van een voorafgaand verzoek tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van de betreffende gegevens of gegevensdragers, beantwoord ik negatief. ’s Hofs oordeel geeft geen blijk van miskenning van die wettelijke eis. Klaarblijkelijk heeft het hof geoordeeld dat de in de bewezenverklaring genoemde vennootschappen vanwege de geschetste, in cassatie onbetwiste maatschappelijke realiteit, – in dit verband – kunnen worden vereenzelvigd en dat uit de gang van zaken kan worden afgeleid dat het verzoek om beschikbaarstelling mede was gericht tot de afzonderlijke vennootschappen in de administratie waarvan de valse facturen zijn aangetroffen. Die vennootschappen kunnen zich niet met een formele redenering verschuilen achter de vennootschappelijke sluier, aldus versta ik het hof. Dit oordeel is voor het overige van feitelijke aard. Mede in het licht van hetgeen daaromtrent in cassatie niet is aangevoerd, is voor verdere toetsing daarvan thans geen plaats.

Het middel faalt.

Negende Middel

Het negende middel klaagt over ’s hofs motivering van de strafoplegging.

Ten eerste klaagt het middel erover dat het hof “de ernst van de afpersing die ten grondslag ligt aan het onder 1 tenlastegelegde” bij het bepalen van de strafmaat heeft betrokken. Voor zover het middel klaagt dat niet uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte wetenschap had van de ernst van de afpersing, stelt het een eis die het recht niet kent. Voorts geldt dat het hof onder 1 heeft bewezenverklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van een tiental van afpersing van betrokkene 1 afkomstige geldbedragen en dat de verdachte wetenschap had dat de bedragen van misdrijf afkomstig waren. Dat het hof de ernst van de afpersing van betrokkene 1 door betrokkene 3, welke omstandigheid genoegzaam ter terechtzitting is gebleken, bij de strafoplegging heeft betrokken komt mij gelet op het voorgaande geenszins onbegrijpelijk voor.

Ten tweede klaagt het middel dat het hof in strijd met art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt met betrekking tot de strafoplegging in verband met de op de verdachte uitgeoefende druk.

Namens de verdediging is bij gelegenheid van pleidooi en dupliek in het kader van een beroep op psychische overmacht aangevoerd dat de verdachte onder druk van betrokkene 3 zou hebben meegewerkt aan het witwassen van de van afpersing van betrokkene 1 afkomstige geldbedragen. Dat verweer heeft het hof verworpen.

Het hof heeft het in het middel bedoelde verweer opgevat als een verweer omtrent de strafbaarheid van de verdachte en niet (tevens) als een strafmaatverweer. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Overigens maakt ’s hofs verwerping van het beroep op overmacht evenzeer duidelijk waarom het hof de gestelde druk die op de verdachte zou zijn gelegd door de afperser(s) van betrokkene 1 bij de strafmaat niet in aanmerking heeft genomen: de verdachte heeft deze druk steeds ontkend.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^