HR stelt duidelijke eisen aan te voeren verweer vormverzuim, in lijn met nieuwe standaardarrest

Hoge Raad 21 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:144

Feiten

Bij arrest van 16 augustus 2012 heeft het Hof te Amsterdam de verdachte wegens – kort gezegd – het telen van hennep en diefstal van elektriciteit, veroordeeld tot vier weken gevangenisstraf met aftrek van voorarrest overeenkomstig het bepaalde in art. 27, eerste lid, Sr.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd te beslissen op het ter terechtzitting in hoger beroep namens de verdachte gevoerde verweer dat het binnentreden in de woning van de verdachte onrechtmatig was, nu de verbalisanten vóór het binnentreden geen mededeling hebben gedaan van het doel van het binnentreden, en dat dit tot bewijsuitsluiting moet leiden.

Beoordeling Hoge Raad

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"1. hij in de periode van 22 juni 2010 tot en met 3 augustus 2010 te Amsterdam opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [a-straat 1] een hoeveelheid van in totaal ongeveer 174 hennepplanten.

2. hij in de periode van 22 juni 2010 tot en met 3 augustus 2010 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektrische stroom, toebehorende aan Liander N.V."

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 2 augustus 2012 heeft de raadsvrouwe van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de door haar overgelegde pleitnota. Deze pleitnota houdt in:

"Geen toestemming van bewoner

16. Uit het dossier blijkt ook niet dat cliënt, bewoner van de woning op nummer [1], toestemming heeft gegeven voor het betreden van zijn woning, hetgeen vereist is op grond van art. 1 lid 4 Awbi. (...)

Doel van binnentreding

24. Ten overvloede wijs ik er nog op dat uit het dossier ook niet blijkt dat de verbalisanten van tevoren hebben aangegeven met welk doel zij de woning wilden betreden, hetgeen vereist is op grond van art. 1 lid 1 Awbi. Zelfs indien toestemming zou zijn gegeven door de bewoner tot binnentreding van zijn woning, hadden de verbalisanten dit doel kenbaar dienen te maken.

25. Verbalisant [verbalisant 1] heeft een uitgebreide omschrijving gegeven van de omstandigheden waaronder de woning van cliënt betreden zou zijn. In deze beschrijving staat wel dat zij zich heeft gelegitimeerd (al lijkt zij te hebben volstaan met het roepen van "Politie" en ik vraag mij af of dat daadwerkelijk kan worden aangemerkt als "legitimeren" in de zin van art. 1, lid 1 Awbi), maar niet dat zij voor het binnentreden het doel hiervan kenbaar zou hebben.

26. Verbalisant [verbalisant 2] heeft in het proces-verbaal van binnentreden wel opgemerkt dat het doel van binnentreden gemeld zou zijn aan cliënt. Het proces-verbaal vermeldt echter niet welk doel hiervoor genoemd zou zijn. Indien dit doel kenbaar zou zijn gemaakt, was mogelijk snel duidelijk geweest dat het niet [betrokkene] was die zich in de woning bevond maar cliënt. Zoals [verbalisant 3] ook heeft verklaard bij de rechter-commissaris was het "al snel duidelijk dat de aangehouden verdachte niet degene was die wij aanvankelijk zochten". Bovendien mag aan het "Proces-verbaal van binnentreden woning" van [verbalisant 2], zoals al eerder opgemerkt, niet te veel waarde worden gehecht, aangezien dit volgens [verbalisant 2] vermoedelijk een "zogenaamd imprime" is.

(...)

34. Geconcludeerd kan derhalve worden dat er in strijd is gehandeld met de Awbi: Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat er een schriftelijke machtiging tot binnentreden was, dat cliënt toestemming zou hebben gegeven voor het binnentreden van zijn woning, dat er van tevoren zou zijn aangegeven met welk doel de woning binnen getreden zou worden of dat er een ernstig of onmiddellijk gevaar voor goederen of personen het binnentreden van de woning zonder machtiging zou rechtvaardigen.

Conclusie

35. Gezien al het voorgaand kan niet anders dan tot de conclusie worden gekomen dat ten gevolge van een onherstelbaar verzuim in de zin van art. 359a Sv, de daardoor verkregen resultaten van het onderzoek van het bewijs moeten worden uitgesloten. Client dient derhalve van het tenlastegelegde te worden vrijgesproken."

Het Hof heeft het verweer als volgt samengevat en verworpen:

"De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat het binnentreden van de woning van de verdachte onrechtmatig was, nu geen sprake was van een schriftelijke machtiging noch toestemming van de bewoner. De verklaringen die de verdachte daarna tegenover de politie heeft afgelegd dienen derhalve van het bewijs te worden uitgesloten en bij gebrek aan andere bewijsmiddelen moet de verdachte worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, aldus de raadsvrouw.

Ondanks de omstandigheid dat - naar het hof heeft kunnen vaststellen aan de hand van het onderzoek dat op verzoek van de verdediging door de rechter-commissaris is verricht - het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van relaas van de verbalisante [verbalisant 2] (dossierpagina 1) grote en betreurenswaardige onzorgvuldigheden bevat, blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen van 3 augustus 2010 van verbalisante [verbalisant 1] (dossierpagina 6) en haar bij de rechter-commissaris op 12 januari 2012 afgelegde verklaring voldoende duidelijk dat de verdachte, die zich bevond in de woning aan de [a-straat 1] te Amsterdam, voorafgaand aan het betreden van die woning daartoe toestemming heeft verleend aan verbalisante.

Het hof betrekt bij zijn oordeel dat de verdachte zelf niets heeft verklaard met betrekking tot het binnentreden van de woning door de verbalisanten, noch heeft tegengesproken dat hij toestemming tot het binnentreden heeft gegeven. Evenmin heeft de verdachte verklaard dat toen de deur van de woning openging, hij zich niet meer vrij voelde om toestemming tot binnentreden te weigeren. Het hof neemt in aanmerking dat de sluiting van de deur kennelijk - doordat de deurstijl gedeeltelijk was verbroken - zo gammel was dat deze zomaar, na een duw door verbalisant, naar binnen openging.

Het hof ziet in hetgeen door de raadsvrouw ter terechtzitting is aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van voormeld proces-verbaal van bevindingen en de verklaring van de verbalisante [verbalisant 1] bij de rechter-commissaris.

Het hof acht daarom het binnentreden van de woning rechtmatig.

Het verweer wordt mitsdien, in alle onderdelen en als geheel, verworpen."

Het Hof heeft ten aanzien van de verwerping van het verweer blijkens de aanvulling op het verkorte arrest nog het volgende overwogen:

"In verband met de verwerping van het gevoerde bewijsverweer zij vermeld de inhoud van een proces-verbaal van 12 januari 2012, opgemaakt door mr. P.B. Martens, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam, doorgenummerde pagina 3.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 12 januari 2012 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van opsporingsambtenaar [verbalisant 1]:

"De woningen waren een soort kraakpanden. Ik had niet verwacht dat er nog iemand aanwezig zou zijn. De betreffende voordeur hing zo ongeveer uit zijn sponning. Ik gaf er een duwtje tegenaan en die deur vloog open. Ik heb letterlijk gezegd: "Politie. Mag ik binnenkomen?" De persoon die ik in de woning zag antwoordde: "Ja". Ik stond in de deuropening toen ik vroeg of ik mocht binnenkomen. Hij zei ja."

Blijkens de pleitnota is door de raadsvrouwe van de verdachte onder meer aangevoerd dat door de verbalisanten in strijd met genoemd art. 1, eerste lid Awbi, niet voorafgaand aan het binnentreden in de woning mededeling is gedaan van het doel van dat binnentreden en dat zulks tot bewijsuitsluiting moet leiden. Het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte vóór het binnentreden in de woning daartoe toestemming heeft gegeven aan de verbalisante, doch niet blijkt dat het Hof voormeld onderdeel van het verweer in zijn overwegingen heeft betrokken. Dat behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden, nu het gevoerde verweer blijkens de pleitnota slechts inhoudt dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim en dat zulks tot bewijsuitsluiting moet leiden, terwijl over het belang van voormeld geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het daardoor veroorzaakte nadeel niet meer is aangevoerd dan dat anders mogelijk snel duidelijk was geweest dat het niet betrokkene was die zich in de woning bevond, maar de verdachte. (Vgl. HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321, NJ 2013/308).

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

"Ontdekking op heeter daad”

Hoge Raad 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:100

Feiten

Het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage heeft bij arrest van 19 januari 2012 bevestigd het vonnis van de Rechtbank te Rotterdam van 2 september 2010, waarbij de verdachte wegens 2. “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, 3. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C van de Opiumwet gegeven verbod” en 4. “diefstal” is veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis, en een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

Middel

Het middel klaagt onder meer dat het Hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het begrip "heeter daad" als bedoeld in art. 55 Sv.

Beoordeling Hoge Raad

In het door het Hof in zoverre bevestigde vonnis van de Rechtbank is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"2. hij in de periode van 29 februari 2008 tot en met 05 februari 2009 te Maassluis meermalen, opzettelijk heeft geteeld en bewerkt en verwerkt, (in een pand aan [a-straat]) een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3. hij op 06 februari 2009 te Maassluis opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [a-straat]) ongeveer honderdzesennegentig (196) hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4. hij in de periode van 29 februari 2008 tot en met 06 februari 2009 te Maassluis met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen hoeveelheden electrische energie, toebehorende aan Energiebedrijf Eneco."

Dat vonnis houdt voorts het volgende in:

"De raadsman heeft vrijspraak van alle ten laste gelegde feiten bepleit. Hij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat de verbalisanten op 6 februari 2009 onrechtmatig in de woning van de verdachte zijn binnengetreden, aangezien op dat moment geen sprake meer was van een aanhouding op heterdaad. Er is – naar de mening van de raadsman – in casu niet voldaan aan de vereisten die artikel 54 van het Wetboek van Strafvordering stelt aan de aanhouding buiten heterdaad. De raadsman stelt zich verder op het standpunt dat de resultaten van het onderzoek door de opsporingsambtenaren in de woning van de verdachte niet mogen bijdragen aan het bewijs van de onder 2 tot en met 4 ten laste gelegde feiten.

De officier van justitie heeft betoogd dat de verbalisanten binnen één uur na de aangifte naar de woning van de verdachte zijn gegaan. Hierdoor is er sprake van een poging tot aanhouding bij heterdaad.

Het volgende wordt overwogen:

Uit het proces-verbaal van aangifte blijkt dat de aangever op 6 februari 2009 om 19.05 uur aangifte heeft gedaan van een strafbaar feit dat kort daarvoor (rond 18.55 uur) zou zijn gepleegd. De verbalisanten zijn om 20.05 uur de woning van de verdachte binnengetreden. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat de verbalisanten in het bezit van een machtiging binnentreden van de hulpofficier van justitie naar de woning van de verdachte zijn gegaan en dat de deur van de woning na aanbellen en kloppen niet werd geopend. Vervolgens hebben de verbalisanten een sleutelmaker ter plaatse laten komen om de voordeur te openen, hebben zij de woning betreden en een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen.

Nu tussen het moment van aangifte en het moment van binnentreden in de woning slechts één uur zit, in welk uur ook de aangifte is opgenomen, is sprake van het onafgebroken verrichten van opsporingsactiviteiten. Zodoende was sprake van een aanhouding op heterdaad, waardoor de woning van de verdachte niet onrechtmatig is binnengetreden. Het vervolgens verkregen bewijs is niet als onrechtmatig aan te merken en zal derhalve niet worden uitgesloten van het bewijs."

In aanmerking genomen het door het Hof vastgestelde "onafgebroken verrichten van opsporingsactiviteiten" na het tijdstip waarop het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan is gepleegd tot het tijdstip waarop de woning van de verdachte is binnengetreden, geeft het oordeel van het Hof dat de politieambtenaren de woning van de verdachte zijn binnengetreden ter aanhouding "op heeter daad" niet blijk van een onjuiste uitleg van het begrip "ontdekking op heeter daad" als bedoeld in art. 55, eerste lid, Sv.

Het middel faalt in zoverre.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Betekeningsperikelen & Dubbel verstek

Hoge Raad 21 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:138

Feiten

Verdachte is bij arrest van 15 februari 2012 door het Gerechtshof te ‘s Gravenhage wegens valsheid in geschrift, meermalen gepleegd en het in strijd met een hem bij wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf, en terwijl hij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn recht op die verstrekking of tegemoetkoming danwel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 240 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 dagen hechtenis en tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken bevinden zich:

  1. een akte van uitreiking, gehecht aan de in art. 366 Sv bedoelde mededeling inzake het bij verstek gewezen vonnis van de Rechtbank van 5 april 2006, inhoudende dat die mededeling op 27 juni 2011 aan de verdachte in persoon is uitgereikt;
  2. een appelakte van 1 juli 2011 waarin als adres van de verdachte is vermeld: [a-straat 1] te [woonplaats];
  3. een aan die akte gehechte schriftelijke volmacht van mr. P. van Zon, advocaat te Amsterdam, tot het instellen van hoger beroep waarin - in strijd met art. 450, derde lid, in verbinding met art. 408a Sv - geen opgave is gedaan van een adres van de verdachte voor de ontvangst van een afschrift van de appeldagvaarding;
  4. een aan het dubbel van de dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep van 15 februari 2012 gehechte akte van uitreiking, inhoudende dat de dagvaarding op 16 december 2011 tevergeefs is aangeboden op het adres [a-straat 1] te [woonplaats]; dat de dagvaarding op 9 januari 2012 is uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank Den Haag, omdat de geadresseerde, blijkens de aan de akte gehechte mededeling van de afdeling bevolking van diens woongemeente, op de dag van aanbieding van de gerechtelijke brief en tenminste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens op het op deze akte vermelde adres was ingeschreven, onder toezending van een afschrift van de dagvaarding naar dat adres;
  5. een aan het dubbel van de appeldagvaarding gehechte ID-staat SKDB van 9 januari 2012, inhoudende dat de verdachte vanaf 8 februari 2011 is ingeschreven op het adres [a-straat 1], [woonplaats].

Bij de stukken van het geding bevindt zich voorts een faxbericht van mr. Van Zon, voornoemd van 14 februari 2012, inhoudende:

"Met referte aan bovengenoemde zaak, bij u bekend onder vermeld parketnummer, zal op 15 februari aanstaande te 10.00 uur de inhoudelijke behandeling bij uw Gerechtshof plaatshebben.

In verband daarmee bericht ik u dat na herhaaldelijke verzoeken contact met mij op te nemen ik niets van [verdachte] heb mogen vernemen.

Gelet op het voorgaande is het mij dan ook niet duidelijk of [verdachte] nog mijn rechtsbijstand wenst en zal ik dan ook niet bij de zitting op genoemde datum aanwezig zijn.

Ik geef u in overweging de zaak aan te houden opdat [verdachte] in de gelegenheid wordt gesteld een en ander met mij te bespreken danwel een nieuwe advocaat in de arm te nemen."

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 februari 2012 houdt onder meer het volgende in:

"De verdachte gedagvaard als: (...) is niet ter terechtzitting verschenen.

De raadsman van de verdachte, mr. P.E. van Zon, advocaat te Amsterdam, is evenmin verschenen.

Het gerechtshof verleent verstek tegen de niet-verschenen verdachte.

De advocaat-generaal draagt de zaak voor.

De voorzitter maakt melding van een binnengekomen faxbericht van de raadsman, d.d. 15 februari 2012, inhoudende een verzoek, gedaan door de raadsman van de verdachte, tot aanhouding van de behandeling van de zaak.

De advocaat-generaal verzet zich tegen aanhouding van de behandeling van de zaak.

De voorzitter onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad. Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak wordt afgewezen. Uit het faxbericht van de raadsman blijkt dat de verdachte na herhaaldelijke verzoeken daartoe geen contact met zijn raadsman heeft opgenomen. Er is niets dat er op wijst dat de raadsman in de nabije toekomst wel contact met de verdachte zal kunnen hebben. Evenmin is aangegeven dat en waarom de verdachte niet ter terechtzitting kan verschijnen. Gelet hierop en alle daarvoor in aanmerking komende belangen afwegende, waaronder het aanwezigheidsrecht van de verdachte, het belang bij een spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging, is het hof van oordeel dat het belang bij een spoedige berechting en een goede organisatie van de rechtspleging in dit geval prevaleert boven het belang van de verdachte om bij de behandeling van de zaak aanwezig te zijn."

Middel

Het middel klaagt in de eerste plaats dat de dagvaarding in hoger beroep niet op rechtsgeldige wijze is betekend, en in de tweede plaats dat het Hof ten onrechte verstek heeft verleend tegen de niet-verschenen verdachte.

Beoordeling Hoge Raad

Het in de bestreden, bij verstek gewezen, uitspraak besloten liggende oordeel van het Hof dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend, geeft niet blijk van een onjuiste opvatting nopens art. 588 Sv.

De eerste klacht faalt derhalve.

Bij de beoordeling van de tweede klacht, die betrekking heeft op de beslissing van het Hof om de zaak niet aan te houden, moet wat betreft het aanwezigheidsrecht van de verdachte in hoger beroep het volgende worden vooropgesteld.

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad dienen de justitiële autoriteiten rekening te houden met de waarschijnlijkheid dat de verdachte van dat recht gebruik wil maken, en mag met het oog daarop van de verdachte die hoger beroep instelt en prijs stelt op berechting op tegenspraak, worden verwacht dat hij de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen neemt om te voorkomen dat de appeldagvaarding hem niet bereikt of de inhoud daarvan niet te zijner kennis komt, waaronder in ieder geval kan worden gerekend dat de verdachte zich bereikbaar houdt voor zijn raadsman opdat hij in voorkomende gevallen (ook) langs die weg van het tijdstip van de behandeling van zijn zaak op de hoogte komt. (Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317, rov. 3.36-3.37).

Voorts dient de rechter bij zijn beslissing op een verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak een afweging te maken tussen alle daarbij betrokken belangen, waaronder het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging (vgl. HR 26 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1314, NJ 1999/294).

Gelet op dit een en ander getuigt de beslissing van het Hof om de behandeling van de zaak ter terechtzitting niet aan te houden, niet van een onjuiste rechtsopvatting.

Voor zover het middel steunt op de opvatting dat het Hof het aanhoudingsverzoek had moeten toewijzen op de grond dat de verdachte ook in eerste aanleg bij verstek is berecht, faalt het omdat die opvatting in haar algemeenheid geen steun vindt in het recht, ook niet in art. 6 EVRM. Daarbij verdient opmerking dat het middel voorbijziet aan (i) de omstandigheid dat het de verdachte is die appel heeft ingesteld en dus op de hoogte was van de tegen hem lopende vervolging, (ii) hetgeen in dat verband onder 2.6.1 is overwogen, alsmede (iii) hetgeen onder 2.2 is vastgesteld met betrekking tot het procesverloop in deze zaak en het in dat kader genoemde verzuim van de raadsman opgave te doen van een adres van de verdachte.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Vordering benadeelde partij & wettelijke rente

Hoge Raad 21 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:123

Feiten

Het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 14 maart 2012 de verdachte wegens het opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren alsmede een geldboete van € 2.000.

Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van €4.850 euro en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard, één en ander zoals omschreven in het bestreden arrest. Voorts heeft het Hof de verdachte veroordeeld in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten ten bedrage van €684. Ten slotte heeft het Hof aan de verdachte de betalingsverplichting aan de Staat opgelegd ad €4.850.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft bepaald dat het toegewezen bedrag van de vordering van de benadeelde partij moet worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2012 en niet - zoals het middel betoogt - vanaf de datum waarop het delict plaatsvond.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft vastgesteld dat de benadeelde partij heeft gevorderd de verdachte tevens te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over het toegewezen bedrag van haar vordering.

Uit art. 6:162, eerste lid, BW, art. 6:119, eerste lid, BW en art. 6:83, aanhef en onder b, BW vloeit voort dat de verdachte ten gevolge van zijn onrechtmatige gedragingen jegens de benadeelde partij jegens deze schadeplichtig is en dat hij zonder ingebrekestelling tevens de wettelijke rente verschuldigd is vanaf het moment dat de schade is ingetreden (vgl. HR 3 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW3559).

Door te bepalen dat het toegewezen bedrag van de vordering van de benadeelde partij pas vanaf 14 maart 2012 - de dag waarop het Hof zijn arrest heeft uitgesproken - wordt vermeerderd met de wettelijke rente, heeft het Hof het voorgaande miskend. Het middel is terecht voorgesteld. De Hoge Raad zal dit verzuim herstellen en daarbij voor de datum waarop de wettelijk rente ingaat, uitgaan van de uit bewijsmiddel 6 blijkende data waarop de verschillende in de vordering van de benadeelde partij genoemde geldbedragen van de bankrekening van de benadeelde partij zijn afgeschreven, te weten 15 januari 2003, 20 februari 2003, 18 maart 2003, 26 maart 2003 en 23 mei 2003.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor zover daarin is bepaald dat het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag van € 4.850,- wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2012 en bepaalt dat het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag van € 4.850,- wordt vermeerderd met de wettelijke rente

  • over een bedrag van € 350,- met ingang van 15 januari 2003;
  • over een bedrag van € 2.000,- met ingang van 20 februari 2003;
  • over een bedrag van € 750,- met ingang van 18 maart 2003;
  • over een bedrag van € 250,- met ingang van 26 maart 2003;
  • over een bedrag van € 1.500,- met ingang van 23 mei 2003.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Aan te leggen maatstaf artikel 94a lid 2 Sv

Hoge Raad 7 janauri 2014, ECLI:NL:HR:2014:38

Feiten

Het Rechtbank Groningen heeft bij beschikking van 18 juni 2012 het klaagschrift van de klager en de klaagster tegen het onder hen opgelegde conservatoire beslag gegrond verklaard, en gelast dat het inbeslaggenomene wordt teruggegeven aan klagers.

Mr. A. van den Oever, officier van justitie in het arrondissement Groningen, heeft beroep in cassatie ingesteld.

Middel

Het middel klaagt dat de opheffing van het beslag ex 94a Sv door de rechtbank blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans op verkeerde gronden is genomen en/of onvoldoende met redenen is omkleed, althans onbegrijpelijk is.

Beoordeling Hoge Raad

In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat het gaat om op de voet van art. 94a, tweede lid, Sv onder de klaagster en de klager gelegde beslagen op de in de bestreden beschikking genoemde zaken.

Bij de beoordeling van een klaagschrift tegen zo een beslag dient de rechter te onderzoeken a. of er ten tijde van zijn beslissing sprake is van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en b. of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de klaagster en/of de klager, als verdachte, een verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen (vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654).

Uit de overwegingen van de Rechtbank blijkt niet dat zij deze maatstaf heeft aangelegd. Daarom is de bestreden beschikking ontoereikend gemotiveerd.

De toe te passen maatstaf sluit niet uit dat de rechtbank, indien de omstandigheden van het geval dat meebrengen, bij de beoordeling van het klaagschrift tevens onderzoekt of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Aan de omstandigheid dat de zaak tegen de klagers "al 5 maanden lijkt stil te liggen en sprake is van inbreuk op het eigendomsrecht", zoals de Rechtbank heeft overwogen, kan evenwel niet zonder meer de conclusie worden verbonden dat voortzetting van het beslag niet in overeenstemming is met die eisen en de beslagen moeten worden opgeheven. Ook in zoverre is het oordeel van de Rechtbank niet toereikend gemotiveerd.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden beschikking en wijst de zaak terug naar de Rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^