Vordering benadeelde partij & wettelijke rente

Hoge Raad 21 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:123

Feiten

Het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 14 maart 2012 de verdachte wegens het opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren alsmede een geldboete van € 2.000.

Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van €4.850 euro en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard, één en ander zoals omschreven in het bestreden arrest. Voorts heeft het Hof de verdachte veroordeeld in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten ten bedrage van €684. Ten slotte heeft het Hof aan de verdachte de betalingsverplichting aan de Staat opgelegd ad €4.850.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft bepaald dat het toegewezen bedrag van de vordering van de benadeelde partij moet worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2012 en niet - zoals het middel betoogt - vanaf de datum waarop het delict plaatsvond.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft vastgesteld dat de benadeelde partij heeft gevorderd de verdachte tevens te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over het toegewezen bedrag van haar vordering.

Uit art. 6:162, eerste lid, BW, art. 6:119, eerste lid, BW en art. 6:83, aanhef en onder b, BW vloeit voort dat de verdachte ten gevolge van zijn onrechtmatige gedragingen jegens de benadeelde partij jegens deze schadeplichtig is en dat hij zonder ingebrekestelling tevens de wettelijke rente verschuldigd is vanaf het moment dat de schade is ingetreden (vgl. HR 3 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW3559).

Door te bepalen dat het toegewezen bedrag van de vordering van de benadeelde partij pas vanaf 14 maart 2012 - de dag waarop het Hof zijn arrest heeft uitgesproken - wordt vermeerderd met de wettelijke rente, heeft het Hof het voorgaande miskend. Het middel is terecht voorgesteld. De Hoge Raad zal dit verzuim herstellen en daarbij voor de datum waarop de wettelijk rente ingaat, uitgaan van de uit bewijsmiddel 6 blijkende data waarop de verschillende in de vordering van de benadeelde partij genoemde geldbedragen van de bankrekening van de benadeelde partij zijn afgeschreven, te weten 15 januari 2003, 20 februari 2003, 18 maart 2003, 26 maart 2003 en 23 mei 2003.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor zover daarin is bepaald dat het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag van € 4.850,- wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2012 en bepaalt dat het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag van € 4.850,- wordt vermeerderd met de wettelijke rente

  • over een bedrag van € 350,- met ingang van 15 januari 2003;
  • over een bedrag van € 2.000,- met ingang van 20 februari 2003;
  • over een bedrag van € 750,- met ingang van 18 maart 2003;
  • over een bedrag van € 250,- met ingang van 26 maart 2003;
  • over een bedrag van € 1.500,- met ingang van 23 mei 2003.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF