HR: Het oordeel van de Rb dat het standpunt van de verschoningsgerechtigde dat zijn verschoningsrecht aan het voldoen aan de vordering in de weg staat, moet worden geëerbiedigd, is toereikend gemotiveerd

Hoge Raad 10 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1736

Feiten

In de onderhavige zaak heeft de officier van justitie met machtiging van de rechter-commissaris als bedoeld in art. 126nf Sv op 8 september 2011 een vordering tot het verstrekken van gevoelige gegevens gericht aan de forensische psychiatrische afdeling verslaafden van de Stichting Mondriaan te Heerlen. De vordering betreft gegevens die onder de verantwoordelijkheid vallen van klager, geneesheer-directeur van de Stichting Mondriaan. Omdat klager zich ten aanzien van de gevorderde gegevens op het medisch beroepsgeheim beroept, worden de relevante documenten van de Mondriaan Zorggroep in afwachting van de uitkomst van de beklagprocedure in een verzegelde envelop in bewaring gehouden door de rechter-commissaris.

Middel

Het middel klaagt over het oordeel van de Rechtbank dat de op de voet van art. 126nf lid 1 Sv van klager gevorderde gegevens onder het medisch beroepsgeheim vallen.

Beoordeling Hoge Raad

Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat tot personen met een bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in art. 218 Sv een vordering als bedoeld in art. 126nf in verbinding met art. 126nd, tweede lid derde volzin, Sv kan worden gericht, maar dat zij niet verplicht zijn aan een dergelijke vordering te voldoen voor zover de uitlevering met hun plicht tot geheimhouding in strijd zou zijn. De beslissing van de verschoningsgerechtigde dat zijn verschoningsrecht aan het voldoen aan de vordering in de weg staat, zal door de rechter in beginsel dienen te worden geëerbiedigd. In beginsel, omdat de rechter een marginale toetsing toekomt ten aanzien van het standpunt van de arts dat het gaat om onder het verschoningsrecht vallende gegevens. Indien de rechter oordeelt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan dat dat standpunt onjuist is, zal hij de beslissing van de arts om de gegevens niet te verstrekken, terzijde kunnen stellen. Dat laatste geldt ook indien naar het oordeel van de rechter sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die meebrengen dat, hoewel het gaat om gegevens die object zijn van de aan de arts toekomende bevoegdheid tot verschoning, het verschoningsrecht moet worden doorbroken (vgl. HR 26 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5979, NJ 2009/263).

Het oordeel van de Rechtbank dat het standpunt van de verschoningsgerechtigde dat zijn verschoningsrecht aan het voldoen aan de vordering in de weg staat, moet worden geëerbiedigd, is toereikend gemotiveerd. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat de Rechtbank heeft geoordeeld dat gegevens over (al dan niet begeleid) verlof en over de vraag wanneer dit verlof heeft plaatsgevonden, betrekking hebben op de behandeling van de patiënt en de wijze waarop die behandeling plaatsvindt. De in de toelichting op het middel genoemde omstandigheid dat uit strafvorderlijk onderzoek reeds was gebleken dat de betrokkene in de inrichting van de klager onder medische behandeling stond, doet aan een en ander niet af.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Nijmeegse scooterzaak moet over

De Hoge Raad heeft vandaag geoordeeld dat de Nijmeegse scooterzaak over moet. Het hof in Arnhem sprak de twee verdachten eerder vrij van het doodrijden van een overstekende voetganger. Dit ongeval gebeurde toen de verdachten samen op een scooter op de vlucht waren voor de politie en daarbij een rood stoplicht negeerden. Het hof sprak de verdachten vrij omdat het niet kon vaststellen wie van de twee de scooter bestuurde. Volgens de Hoge Raad hoeft dat aan een veroordeling niet in de weg te staan als de vlucht al was ingecalculeerd bij het beramen van het plan voor een overval.

Beide verdachten waren in januari 2010 op een scooter op pad gegaan met de bedoeling een hotel in Nijmegen gewapend te beroven. Toen zij in de buurt van het hotel politie tegenkwamen, gingen ze er hals over kop vandoor, daarbij alle verkeersregels negerend. Bij deze vluchtpoging reden ze door rood licht en schepten op een zebrapad een voetganger die bij groen licht bezig was over te steken. Deze voetganger overleed later in het ziekenhuis aan de gevolgen van de aanrijding. De rechtbank veroordeelde de verdachte tot acht jaar gevangenisstraf voor het medeplegen van het voorbereiden van de overval en voor het veroorzaken van het dodelijke ongeval en de medeverdachte tot 16 maanden gevangenisstraf (met vrijspraak van het veroorzaken van het dodelijke ongeval). In hoger beroep sprak het hof beiden vrij van het veroorzaken van het dodelijke ongeval (en veroordeelde hen onder meer voor het voorbereiden van een gewapende overval tot 24 maanden respectievelijk 18 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, gevangenisstraf). Het was volgens het hof niet duidelijk wie van de verdachten de scooter bestuurde en wie de bijrijder was, zodat het aankwam op de vraag of de verdachten als medeplegers verantwoordelijk konden worden gehouden voor het dodelijke ongeval. Dat medeplegen kon volgens het hof niet worden bewezen. Het Openbaar Ministerie stelde tegen deze vrijspraken beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

Om de verdachten te kunnen veroordelen voor medeplegen van het veroorzaken van het dodelijke ongeval moet in dit geval worden vastgesteld  dat de wilde vlucht met de gevolgen daarvan onderdeel was  van de samenwerking in het kader van de voorbereiding van de overval.  Volgens het hof was bij de vlucht zelf van een bewuste en nauwe samenwerking niets gebleken. Met dat oordeel van het hof kan de Hoge Raad zich niet verenigen want,  zo stelt de Hoge Raad , het hof had ook moeten nagaan of in het gezamenlijke plan om een gewapende overval te plegen besloten lag dat de verdachten bij betrapping koste wat kost zouden vluchten. De Hoge Raad oordeelt verder dat voor het bewijzen van medeplegen in een situatie waarin niet vaststaat wie de bestuurder was, niet is vereist dat (zoals het hof had overwogen) de rollen van bestuurder en bijrijder volstrekt inwisselbaar zijn.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en verwijst de zaak naar het hof in Den Bosch.

Dit is een nieuwsbericht naar aanleiding van de uitspraken van de Hoge Raad van 17 december.

Lees de volledige uitspraken:

Zie ook:

Print Friendly and PDF ^

Slagende bewijsklacht medeplegen valsheid in geschrifte in het kader van bijstandsfraude

Hoge Raad 10 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1750

Feiten

Het Gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, heeft de verdachte bij arrest van 30 september 2011 veroordeeld wegens het medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, tot een werkstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis, waarvan 70 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"Uit de bijlagen van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van de sociale recherche Flevoland, genummerd 070059/6017157/0, opgemaakt door [verbalisant 1], sociaal rechercheur in dienst van de gemeente Almere, als zodanig buitengewoon opsporingsambtenaar, gesloten op 6 augustus 2008:

1. als relaas van verbalisant [verbalisant 1] voornoemd, zakelijk weergegeven (blz. 3 ev):

In de periode 13 maart 2003 tot 6 november 2007 ontving verdachte een uitkering ingevolge de Abw/WWB, norm alleenstaande, middels de afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Lelystad.

Aan de toekenning van de uitkering werd onder meer de voorwaarde verbonden dat de verdachten [verdachte] en [medeverdachte] op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling maken van alle feiten en omstandigheden, waaronder werkzaamheden en/of inkomsten en wijzigingen in de leefsituatie, waarvan hem/hen redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht, hoogte en de continuering van de uitkering.

Voor de verstrekking van deze gegevens dienden de verdachten gebruik te maken van verstrekte formulieren, zijnde de rechtmatigheidsonderzoeksformulieren en/of mutatieformulieren. Voornoemde voorwaarde is bepaald in artikel 65 van de Abw.

Uit het ingestelde onderzoek is gebleken dat verdachte [verdachte]:

- in de periode van 24 maart 2003 tot en met 30 juli 2008 al dan niet met onderbrekingen, in de gemeente Lelystad de ten name van [verdachte] gestelde rechtmatigheidsonderzoeksformulieren kennelijk opzettelijk valselijk heeft ingevuld en ondertekend en vervolgens als echt en onvervalst heeft ingeleverd bij de afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Lelystad, waardoor hij een uitkering ontving, waarop hij geen recht had;

2. een proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte], opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 3], beiden sociaal rechercheur, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, gesloten op 30 juli 2008, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (bijlage 14):

Ik ben aangehouden omdat [verdachte] wel eens bij mij is. Ik had een LAT-relatie met [verdachte]. Ik heb een uitkering van de gemeente. Ik heb wel met [verdachte] samengewoond. Ik heb [verdachte] uit de woning gezet en wilde geen relatie meer. [verdachte] en ik zijn nooit echt los van elkaar geweest. [verdachte] is nu veel bij mij. Met veel bedoel ik 3 à 4 dagen per week. Dit is zo sinds een maand of 3 à 4. [verdachte] sliep daarvoor ook vaak bij mij maar nooit de hele week.

3. een proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 1]. wonende [a-straat 1] te Lelystad, opgemaakt door [verbalisant 4] en [verbalisant 5], beiden sociaal rechercheur, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, gesloten op 30 juli 2008, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (bijlage 17):

Opmerking: verbalisanten tonen de kopie pasfoto's van [verdachte] en [medeverdachte].

Deze personen wonen allebei op de [a-straat 2]. Ik woon al 15 jaar op dit adres. Zij wonen alle twee zeker 14 jaar op de [a-straat 2]. Ze zijn net na mij hier komen wonen. Ik weet dat allemaal omdat ik goed zicht heb op de woning aan [a-straat 2]. De man en de vrouw wonen al 14 jaar onafgebroken op de [a-straat 2]. De man op de foto zie ik dagelijks.

4. een proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 2], opgemaakt door [verbalisant 4] en [verbalisant 5], beiden sociaal rechercheur, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, gesloten op 30 juli 2008, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (bijlage 22):

Op [a-straat 2] te Lelystad woont mijn vriendin [betrokkene 3], haar moeder [medeverdachte] en haar stiefvader [verdachte]. [verdachte] staat niet ingeschreven op [a-straat 2]. Ik kom ongeveer al drie jaar bij [betrokkene 3] over de vloer. Sinds die tijd is [verdachte] ook op de [a-straat 2].

5. als schriftelijke bescheiden, rechtmatigheidsonderzoeksformulieren AWB/WWB van de gemeente Lelystad, Afdeling Werk en Inkomen, gericht aan en ondertekend door verdachte en betrekking hebbend op de periode 13 maart 2003 tot en met november 2007 (bijlage 27 - de Hoge Raad leest: 26)."

Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. V.C. van de Velde, advocaat te Almere, heeft een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.

Middel

Het middel klaagt onder meer dat de bewezenverklaring ten aanzien van het 'medeplegen' onvoldoende met redenen is omkleed.

Beoordeling Hoge Raad

Aangezien de bewezenverklaring, voor zover behelzende dat de verdachte meermalen "tezamen en in vereniging met een ander" een tot bewijs van enig feit bestemd geschrift valselijk heeft opgemaakt, niet zonder meer kan worden afgeleid uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, is de uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed en is het middel in zoverre derhalve terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Uitleg begrip ‘afvalstoffen’: balen samengeperst oud papier en/of karton

Hoge Raad 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1571

Feiten

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: "zij in of omstreeks de periode van 12 maart 2009 tot en met 19 maart 2009 te Rotterdam, althans in Nederland, in elk geval binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk, (een) handeling(en) heeft verricht als bedoeld in artikel 2 onder 35 sub a en/of b van de Verordening (EEG) nr 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, immers was zij doende vijf containers waarvan de inhoud onder andere bestond uit balen samengeperst oud papier en/of karton, in elk geval (een) afvalstoffen) (code B 3020) als bedoeld in Bijlage III van deze verordening, over te brengen van Nederland naar Guatamala, terwijl die overbrenging geschiedde zonder kennisgeving aan en/of toestemming van alle/ betrokken autoriteiten overeenkomstig genoemde verordening."

Het Hof heeft de verdachte vrijgesproken van het haar tenlastegelegde en daartoe het volgende overwogen: "Voor de omschrijving van hetgeen wordt bedoeld met een 'afvalstof' - in de zin van de Verordening (EG) nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (EVOA) en de Wet Milieubeheer - wordt verwezen naar de omschrijving in artikel 1, eerste lid, onder a), van de Richtlijn 2006/12/EG betreffende afvalstoffen (Richtlijn 2006). Deze Richtlijn 2006 is met ingang van 12 december 2010 ingetrokken door de Richtlijn 2008/98/EG betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (Richtlijn 2008). Daarbij is aan het slot van artikel 41 bepaald dat verwijzingen naar ingetrokken richtlijnen gelden als verwijzingen naar Richtlijn 2008. Artikel 3 aanhef en onder 1 van de Richtlijn 2008 bepaalt dat een afvalstof is elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. Blijkens de considerans van de Richtlijn 2008 is met invoering van deze richtlijn bedoeld hetgeen is bepaald in de Richtlijn 2006 - onder meer ter zake van de definitie van afvalstof - te verduidelijken en specificeren. Uitdrukkelijk wordt in de considerans overwogen dat de Richtlijn 2006 moet worden vervangen ten behoeve van de duidelijkheid en de leesbaarheid, waarbij de definitie van afvalstoffen in bepaalde opzichten moet worden gespecificeerd. Naar het oordeel van het hof is derhalve als gevolg van de vervanging van Richtlijn 2006 geen sprake van gewijzigde regelgeving ter zake van de definitie van 'afvalstof', doch enkel van een verduidelijking van hetgeen reeds in de Richtlijn 2006 te dien aanzien is bepaald.

Op grond van de zich in het dossier bevindende stukken en hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep is verhandeld, stelt het hof vast dat de inhoud van de vijf containers die zich op 12 maart 2009 in Rotterdam bevonden ter overbrenging naar Guatemala, bestond uit balen samengeperst papier dat (voornamelijk) wit, schoon en droog was. Kennelijk was geen sprake van een mengsel van stoffen of verontreiniging. Beoogd was deze stof, waar kennelijk een markt voor is, over te brengen naar de 'inrichting voor nuttige toepassing Papelera Int. SA', alwaar deze balen - na enkel verwijdering van de draden om de balen - als gebruikelijke toepassing in het productieproces konden worden gebracht ter verwerking tot - kort gezegd - tissuepapier zonder verdere andere behandeling dan die welke bij de normale productie van dat papierproduct gangbaar is, en zonder ongunstige effecten voor het milieu of de menselijke gezondheid.

Naar het oordeel van het hof kan derhalve - mede in het licht van de verduidelijking van de definitie van 'afvalstof' in de Richtlijn 2008 - het aangetroffen papier bezwaarlijk worden aangemerkt als afvalstof in de zin van de Richtlijn 2006 en de EVOA."

Middel

Het middel komt op tegen het oordeel van het Hof dat de in de tenlastelegging bedoelde balen samengeperst oud papier en/of karton niet kunnen worden aangemerkt als afvalstoffen.

Beoordeling Hoge Raad

De tenlastelegging is toegesneden op art. 10.60, tweede lid, van de Wet milieubeheer. Daarom moet de in de tenlastelegging voorkomende term "afvalstoffen" geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in de Wet milieubeheer.

Het Hof heeft terecht tot uitgangspunt genomen dat voor de uitleg van het begrip 'afvalstoffen' in de Wet milieubeheer moet worden aangesloten bij de in art. 1, eerste lid onder a, van de Richtlijn 2006/12/EG betreffende afvalstoffen (PbEG L 114) gegeven omschrijving, te weten of de houder zich van de stof of het voorwerp ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of moet ontdoen.

Het Hof heeft voor de uitleg van het begrip 'afvalstoffen' mede betekenis toegekend aan hetgeen is bepaald in de Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PbEU 2008, L 312). Deze Richtlijn heeft met ingang van 12 december 2010 - na de tijdstippen waarop de tenlastelegging ziet - de Richtlijn 2006/12/EG vervangen. Deze vervanging getuigt niet van een gewijzigd inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van de voor de inwerkingtreding van de nieuwe Richtlijn begane strafbare feiten (vgl. ECLI:NL:HR:2012:BU3988, rov. 3.2.3). De Richtlijn 2008/98/EG beoogt blijkens de preambule een verduidelijking te geven van hetgeen ten aanzien van het begrip 'afvalstoffen' reeds in de Richtlijn 2006/12/EG hierover is bepaald en beoogt in het bijzonder de definitie van de term 'afvalstoffen' te specificeren wanneer stoffen of voorwerpen geen afvalstoffen maar bijproducten zijn en wanneer een bepaalde stof niet langer een afvalstof is (einde-afval fase). Deze specificatie is in essentie ook onder het regime van de Richtlijn 2006/12/EG in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie ontwikkeld. Daarom heeft het Hof ook de Richtlijn 2008/98/EG bij de uitleg van het begrip 'afvalstoffen' kunnen en mogen betrekken.

De hiervoor bedoelde specificatie wordt in de Richtlijn 2008/98/EG ten aanzien van bijproducten gegeven in art. 5 en ten aanzien van de einde-afval fase in art. 6. Deze bepalingen luiden, voor zover hier van belang, als volgt:

Artikel 5:

"Bijproducten

1. Een stof die of een voorwerp dat het resultaat is van een productieproces dat niet in de eerste plaats bedoeld is voor de productie van die stof of dat voorwerp, kan alleen als een bijproduct en niet als een afvalstof in de zin van artikel 3, punt 1), worden aangemerkt, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

a) het is zeker dat de stof of het voorwerp zal worden gebruikt;

b) de stof of het voorwerp kan onmiddellijk worden gebruikt zonder verdere andere behandeling dan die welke bij de normale productie gangbaar is;

c) de stof of het voorwerp wordt geproduceerd als een integraal onderdeel van een productieproces; en

d) verder gebruik is rechtmatig, m.a.w. de stof of het voorwerp voldoet aan alle voorschriften inzake producten, milieu en gezondheidsbescherming voor het specifieke gebruik en zal niet leiden tot over het geheel genomen ongunstige effecten op het milieu of de menselijke gezondheid.

(...)"

Artikel 6:

"Einde-afvalfase

1. Sommige specifieke afvalstoffen zijn niet langer afvalstoffen in de zin van artikel 3, punt 1), wanneer zij een behandeling voor nuttige toepassing, waaronder een recyclingsbehandeling, hebben ondergaan en voldoen aan specifieke criteria die opgesteld moeten worden onder de volgende voorwaarden:

a) de stof of het voorwerp wordt gebruikelijk toegepast voor specifieke doelen;

b) er is een markt voor of vraag naar de stof of het voorwerp;

c) de stof of het voorwerp voldoet aan de technische voorschriften voor de specifieke doelen en aan de voor producten geldende wetgeving en normen; en tevens

d) het gebruik van de stof of het voorwerp heeft over het geheel genomen geen ongunstige effecten voor het milieu of de menselijke gezondheid.

De criteria omvatten, indien nodig, grenswaarden voor verontreinigende stoffen, en houden rekening met eventuele nadelige milieugevolgen van de stof of het voorwerp."

Voor de betekenis van 'bijproducten' en de 'einde-afval fase' is in het bijzonder de navolgende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van belang.

In zijn uitspraak van 18 april 2002, HvJ EG 18 april 2002, zaak C-9/00, LJN AF0542, NJ 2002/461 (Palin Granit), heeft het Hof van Justitie van ′bijproduct′ de omschrijving gegeven dat het gaat om de situatie waarin het hergebruik van een goed, materiaal of grondstof niet slechts mogelijk is, maar zeker is, zonder voorafgaande bewerking en als voortzetting van het productieproces (par. 36).

In zijn uitspraak van 15 juni 2000, HvJ EG 15 juni 2000, zaken C-418/97 en C-419/97 , LJN AL2947, AB 2000/311 (ARCO) heeft het Hof van Justitie de 'einde-afval fase' omschreven als het moment waarop de nuttige toepassing is voltooid en waardoor de betrokken stof dezelfde eigenschappen en kenmerken als een grondstof heeft verkregen (par. 94). In zijn uitspraak van 19 juni 2003, HvJ EG 19 juni 2003, zaak C-444/00, LJN AM0820 (Mayer Parry), heeft het Hof van Justitie overwogen dat bij omvorming van afval tot een nieuw materiaal of een nieuw product, met eigenschappen die vergelijkbaar zijn met die van het materiaal waar zij uit voortkomen, dit resultaat van de omvorming niet langer als afval kan worden gekwalificeerd (par. 75).

Het Hof heeft geoordeeld dat de balen samengeperst papier geen afvalstof in de zin van de Richtlijn 2006/12/EG en EVOA zijn en heeft dit oordeel gegrond op de vaststelling dat beoogd was de balen samengeperst, (voornamelijk) wit, schoon en droog papier over te brengen naar een bedrijf in Guatemala waar deze balen als gebruikelijke toepassing in het productieproces konden worden gebracht ter verwerking tot tissuepapier zonder verdere andere behandeling dan die welke bij de normale productie van dat product gangbaar is en zonder ongunstige effecten voor milieu of de menselijke gezondheid.

Met zijn overwegingen heeft het Hof, dat niet heeft vastgesteld dat de houder van wie de verdachte de tenlastegelegde stoffen heeft betrokken zich daarvan heeft ontdaan, voornemens was zich te ontdoen of zich moest ontdoen, ofwel blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, ofwel zijn oordeel niet begrijpelijk gemotiveerd.

Indien het Hof van oordeel was dat de tenlastegelegde stoffen moeten worden aangemerkt als 'bijproduct', heeft het Hof niet kenbaar de hiervoor vermelde maatstaf aangelegd. Indien het die maatstaf wel voor ogen heeft gehad, is zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd. De enkele omstandigheid immers dat in het land van bestemming geen verdere behandeling nodig is dan aldaar voor de normale productie van tissuepapier gangbaar is, betekent nog niet dat sprake is van hergebruik zonder dat bewerking nodig is en als voortzetting van het productieproces.

Indien het Hof heeft geoordeeld dat de tenlastegelegde stoffen niet langer afvalstoffen zijn ('einde-afval fase'), heeft het niet kenbaar de daarvoor geldende maatstaf aangelegd. Indien het die maatstaf wel voor ogen heeft gehad, is zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd. Het papier diende immers, naar het Hof heeft vastgesteld, nog een behandeling te ondergaan zodat niet begrijpelijk is dat van voltooiing van de nuttige toepassing van de balen samengeperst papier sprake is, terwijl het niet heeft duidelijk gemaakt dat en waarom de balen papier op vergelijkbare wijze als de primaire grondstof konden worden ingezet in het productieproces.

Het middel is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

HR constateert ambtshalve verjaring t.a.v. schending van een beroepsgeheim en niet-ambtelijke omkoping

Hoge Raad 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1568

Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 22 december 2011 de verdachte ter zake van 2. enig geheim waarvan hij weet dat hij uit hoofde van beroep verplicht is het te bewaren, opzettelijk schenden, en 3. anders dan als ambtenaar, optredend als lasthebber, naar aanleiding van hetgeen hij bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan of nagelaten dan wel zou doen of nalaten, een gift aannemen en dit aannemen in strijd met de goede trouw verzwijgen tegenover zijn lastgever, veroordeeld tot dertien maanden gevangenisstraf waarvan zes maanden voorwaardelijk. Het hof heeft de verdachte daarnaast ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde van het recht van de uitoefening van het beroep van tolk ten behoeve van politie en justitie ontzet voor de duur van vijf jaren.

Het Hof heeft het tenlastegelegde bewezenverklaard met dien verstande dat de feiten zijn begaan op tijdstippen in de periode van september en oktober 2001, en de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

Het hiervoor vermelde feit 2 is bij art. 272 Sr strafbaar gesteld als misdrijf waarop een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar is gesteld. Het hiervoor vermelde feit 3 is bij art. 328ter Sr strafbaar gesteld als misdrijf waarop een gevangenisstraf van ten hoogte twee jaren is gesteld.

Op grond van art. 70, eerste lid aanhef en onder 2º, in verbinding met art. 72, tweede lid, Sr beloopt de verjaringstermijn in het onderhavige geval ten hoogste twee maal zes jaren. Wat betreft deze feiten is derhalve het recht tot strafvordering wegens verjaring vervallen.

De Hoge Raad zal, met vernietiging van de bestreden uitspraak, de Officier van Justitie alsnog niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^