HR constateert ambtshalve verjaring t.a.v. schending van een beroepsgeheim en niet-ambtelijke omkoping

Hoge Raad 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1568

Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 22 december 2011 de verdachte ter zake van 2. enig geheim waarvan hij weet dat hij uit hoofde van beroep verplicht is het te bewaren, opzettelijk schenden, en 3. anders dan als ambtenaar, optredend als lasthebber, naar aanleiding van hetgeen hij bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan of nagelaten dan wel zou doen of nalaten, een gift aannemen en dit aannemen in strijd met de goede trouw verzwijgen tegenover zijn lastgever, veroordeeld tot dertien maanden gevangenisstraf waarvan zes maanden voorwaardelijk. Het hof heeft de verdachte daarnaast ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde van het recht van de uitoefening van het beroep van tolk ten behoeve van politie en justitie ontzet voor de duur van vijf jaren.

Het Hof heeft het tenlastegelegde bewezenverklaard met dien verstande dat de feiten zijn begaan op tijdstippen in de periode van september en oktober 2001, en de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

Het hiervoor vermelde feit 2 is bij art. 272 Sr strafbaar gesteld als misdrijf waarop een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar is gesteld. Het hiervoor vermelde feit 3 is bij art. 328ter Sr strafbaar gesteld als misdrijf waarop een gevangenisstraf van ten hoogte twee jaren is gesteld.

Op grond van art. 70, eerste lid aanhef en onder 2º, in verbinding met art. 72, tweede lid, Sr beloopt de verjaringstermijn in het onderhavige geval ten hoogste twee maal zes jaren. Wat betreft deze feiten is derhalve het recht tot strafvordering wegens verjaring vervallen.

De Hoge Raad zal, met vernietiging van de bestreden uitspraak, de Officier van Justitie alsnog niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Beslag & beklag & rechtshulpverzoek

Hoge Raad 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1575

Feiten

Bij beschikking van 13 november 2012 heeft de Rechtbank te Amsterdam het beklag, strekkende tot teruggave van onder klager inbeslaggenomen schilderijen, ongegrond verklaard.

De Rechtbank heeft het door de klager ingediende klaagschrift, waarmee hij zich verzet tegen de kennisgeving van de Officier van Justitie voornemens te zijn "de in beslag genomen kunstwerken via de Noorse autoriteiten te retourneren aan de Noorse rechthebbenden", en teruggave verzoekt van de onder hem inbeslaggenomen schilderijen, ongegrond verklaard. De bestreden beschikking houdt daaromtrent het volgende in:

"Klager is eigenaar van Gallery A. Op 28 mei 2010 zijn onder klager voornoemde schilderijen inbeslaggenomen.

Klager heeft de schilderijen op 26 mei 2010 gekocht van een Engelssprekende man die hem de schilderijen te koop aanbod. De schilderijen hadden allemaal een uniek nummer en nog voor de aankoop heeft klager van de Sam Francis Foundation vernomen dat er bij hen geen melding van diefstal van de betrokken schilderijen bekend was. Op 27 mei 2010 is klager gebeld door een man afkomstig uit Hong Kong, die hem ook een schilderij van Sam Francis wilde verkopen. Klager vond het vreemd dat hem in zo'n korte tijd door twee verschillende mensen schilderijen van Sam Francis werden aangeboden. Na verder onderzoek is gebleken dat de schilderijen in Noorwegen zijn gestolen.

Standpunten

De raadsvrouw van klager heeft in raadkamer gepersisteerd bij het klaagschrift tot teruggave van de schilderijen aan klager en ter aanvulling op het klaagschrift aangevoerd - kort samengevat - dat inbeslaggenomen voorwerpen volgens de hoofdregel worden teruggegeven aan degene onder wie zij in beslag zijn genomen. In civielrechtelijke zin mag klager in zijn hoedanigheid als houder c.q. bezitter van de schilderijen als eigenaar worden beschouwd. Er zijn geen stukken in het dossier aanwezig waaruit blijkt dat de Noorse galerie, van wie de schilderijen gestolen zouden zijn, zich als eigenaar bij de politie heeft gemeld en de schilderijen heeft opgeëist. Er bevindt zich een aangifte van diefstal in het dossier, maar niet een rechtelijke beslissing waarin is vastgesteld dat de schilderijen van diefstal afkomstig zijn. De raadsvrouw heeft voorts gesteld dat klager in gesprek is met de verzekeringsmaatschappij van de Noorse galerie en dat de verzekeringsmaatschappij uitbetaling aan klager overweegt. Voor zover er sprake is van een andere rechthebbende dan klager, is dit de verzekeringsmaatschappij en niet de Noorse autoriteiten of de Noorse galerie van wie de schilderijen zijn ontvreemd, aldus de raadsvrouw.

De officier van justitie heeft verklaard dat het strafvorderlijk belang zich niet verzet tegen opheffing van het beslag. De officier verzet zich tegen teruggave van de inbeslaggenomen schilderijen aan klager en heeft daartoe aangevoerd dat de Noorse autoriteiten in het kader van internationale rechtshulp om overlegging van de schilderijen hebben verzocht, zodat zij deze aan de eigenaar kunnen teruggeven. De officier van justitie heeft hiertoe een e-mail bericht van betrokkene 1 van 8 mei 2012 aan de rechtbank overgelegd. Niet klager, maar de Noorse eigenaar van wie de schilderijen zijn gestolen kan redelijkerwijs als rechthebbende van de schilderijen worden aangemerkt.

De rechtbank overweegt het volgende.

In de onderhavige procedure dient de rechtbank te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, of klager redelijkerwijs als rechthebbende op het inbeslaggenomene kan worden aangemerkt.

De officier van justitie heeft verklaard dat het strafvorderlijk belang zich niet verzet tegen opheffing van het beslag. Gelet hierop, is de rechtbank van oordeel dat het beslag dient te worden opgeheven.

Nu er voorts sprake is van meer dan één belanghebbende, dient de rechtbank bij de beoordeling van de vraag aan wie het voorwerp dient te worden teruggegeven zich te laten leiden door hetgeen op het eerste gezicht redelijk en maatschappelijk niet onverantwoord is. Daarbij mag de rechtbank civielrechtelijke aspecten betrekken, maar van haar kan niet worden verlangd te treden in de beslechting van burgerrechtelijke eigendoms- en bezitskwesties.

Klager heeft de vijf schilderijen als galeriehouder gekocht. Vastgesteld kan worden dat de schilderijen van diefstal afkomstig zijn. Een rechterlijke veroordeling is hiervoor niet vereist, een aangifte van diefstal is voldoende. Door de raadsvrouw is niet betwist dat een dergelijke aangifte is gedaan. Uitgangspunt is dat de officier van justitie in geval van diefstal het inbeslaggenomene retourneert aan de oorspronkelijke eigenaar.

De rechtbank, overweegt voorts dat wellicht thans niet duidelijk is wie als oorspronkelijke eigenaar dient te worden aangemerkt, de Noorse galerie of de verzekeringsmaatschappij, maar dat nu de schilderijen door de Noorse autoriteiten zijn opgeëist, op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel moet worden aangenomen dat de eigenaar de schilderijen bij de Noorse autoriteiten binnen drie jaar na de diefstal heeft opgeëist.

Bij deze stand van zaken kan klager op het eerste gezicht redelijkerwijs niet als rechthebbende worden aangemerkt, ook als ervan wordt uitgegaan dat klager te goeder trouw was toen hij de vijf schilderijen kocht. Omdat klager in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf handelde, beschermt zijn goede trouw hem immers niet tegen een eis tot teruggave van de eigenaar.

Het beklag dient dan ook ongegrond te worden verklaard."

Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer houdt het volgende in:

"De officier van justitie verklaart, zakelijk weergegeven:

De schilderijen zijn gestolen bij een bedrijfsinbraak, zoals ook blijkt uit een e-mail bericht van 8 mei 2012 van Alvar Krafft Randa. De schilderijen behoren toe aan het bedrijf van betrokkene 2. De Noorse autoriteiten hebben in het kader van internationale rechtshulp om overlegging van het beslag verzocht, zodat zij de schilderijen kunnen overhandigen aan de eigenaar. Dit blijkt uit het bericht van de Noorse officier van justitie. Tevens is bevestigd dat er contact met de verzekeringsmaatschappij is.

De officier overhandigt de rechtbank voornoemd e-mail bericht."

Het door de Officier van Justitie aan de Rechtbank overhandigde e-mailbericht bevindt zich bij de stukken en houdt het volgende in:

"Since our last conversation I have spoken, yesterday, with the lawyer representing betrokkene 2, the owner of the jewllery seized bij the Dutch police.

The case is as follows - and I have so far forgotten one very important piece of information that will make this more easy;

The jewellery, except the six paintings by Sam Francis from june 2010, is owned by betrokkene 2 personally, and are the subject of the fortcoming trial in June.

The six paintings by Sam Francis belongs to the company "KB Presens". According to my information, it is an ongoing process with the insurance company AXA and A Gallery. The insurance company has allegedly accepted responsebility to pay the art gallery, but to decrease their loss - the will sought to retrieve the money from the German Police/Customs.

My suggestion is that we, Norwegian Police, come to Amsterdam and transport the goods back to Norway. After that - we await the result of the insurance company's process with the art gallery. My suggestion is that we try to pick up the items between the 31th of May and 1st of June. Is that ok with you?"

Namens klager heeft mr. G.J. van Oosten, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

Middel

Het middel komt op tegen de ongegrondverklaring van het beklag.

Beoordeling Hoge Raad

Voor zover de Rechtbank in haar overwegingen als haar oordeel tot uitdrukking heeft gebracht dat de kennisgeving van de Officier van Justitie is gegrond op een rechtshulpverzoek waaraan op grond van art. 552k, eerste lid, Sv zoveel mogelijk het verlangde gevolg dient te worden gegeven, wordt het volgende overwogen.

Zowel art. 3 van het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken, gesloten te Straatsburg op 20 april 1959 (Trb. 1965, 10), waarbij Noorwegen en Nederland zijn aangesloten, als art. 552h, tweede lid, Sv zien uitsluitend op de overdracht van stukken van overtuiging. Het door de Officier van Justitie bij de behandeling in raadkamer overgelegde e-mailbericht houdt niet een zodanig verzoek in.

Art. 8, eerste lid, van de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie, gesloten te Brussel op 29 mei 2000 (Trb. 2000, 96) (EU-Rechtshulpovereenkomst) houdt in dat de aangezochte lidstaat, op verzoek van de verzoekende lidstaat en onverminderd de rechten van derden te goeder trouw, de voorwerpen die door een strafbaar feit zijn verkregen, ter beschikking kan stellen van de verzoekende lidstaat met het oog op de teruggave daarvan aan de rechtmatige eigenaar. Zo al moet worden aangenomen - nu Noorwegen geen EU-lidstaat is - dat art. 8 lid 1 van de EU-Rechtshulpovereenkomst van toepassing is, is van belang dat de Memorie van Toelichting bij de goedkeuringswet van dat verdrag inhoudt:

"Het rechtshulpverkeer is gericht op het behulpzaam zijn bij het opsporen en vervolgen van strafbare feiten en er zijn daarbij ook raakvlakken met het slachtoffer. Bijvoorbeeld het horen van een slachtoffer als getuige. Ook ten aanzien van strafrechtelijk in beslag genomen voorwerpen komt het voor dat de dader deze op onrechtmatige wijze heeft onttrokken aan de rechtmatige eigenaar en volgt teruggave aan de laatste. Bij de overdracht van ten behoeve van het buitenland in beslag genomen voorwerpen wordt gewoonlijk bedongen dat deze na het vereiste strafvorderlijke gebruik worden teruggezonden. Van die teruggave kan, ingevolge artikel 552p, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering alleen worden afgezien wanneer duidelijk is dat de rechthebbende niet in Nederland verblijft.

In het eerste lid wordt voor het eerst rechtshulp uitsluitend met het oog op de teruggave van voorwerpen aan het slachtoffer geïntroduceerd. Slechts enkele lidstaten kennen dit type inbeslagneming. Het gaat daarbij wel om voorwerpen of goederen die door een strafbaar feit zijn verkregen. Deze bepaling houdt voor lidstaten, die deze vorm van inbeslagneming niet kennen, overigens geen verplichting in tot invoering daarvan over te gaan - zo is ook in het toelichtend rapport vermeld. Aan de gronden voor inbeslagneming opgenomen in artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering, te weten de waarheidsvinding, het aantonen van wederrechtelijke verkregen voordeel, verbeurdverklaring en onttrekking aan het verkeer en het conservatoir strafvorderlijke beslag, bedoeld in de artikelen 94a en 94c van het Wetboek van Strafvordering, blijkt dat door Nederland niet kan worden voldaan aan verzoeken, waarvan de uitvoering zou neerkomen op inbeslagneming uitsluitend met het oog op teruggave aan het slachtoffer in het buitenland. Wel is het mogelijk, wanneer er in Nederland een voorwerp om strafvorderlijke redenen in beslag is genomen en een andere lidstaat ons verzoekt om ter beschikking stelling daarvan met het oog op teruggave aan het aldaar wonende slachtoffer, te bezien of daaraan kan worden voldaan. Eenvoudiger lijkt het om naar aanleiding van zulk een verzoek na te gaan of met toepassing van artikel 116 van het Wetboek van Strafvordering teruggave aan het slachtoffer mogelijk is en vervolgens het slachtoffer rechtstreeks per brief over de teruggave en de wijze waarop dit zal geschieden te informeren. Het antwoord aan de verzoekende lidstaat kan dan beperkt blijven tot een eenvoudig afloopbericht. De onderhavige bepaling staat daaraan niet in de weg, want deze bevat niet de verplichting dat de feitelijke teruggave per se via de autoriteiten van de verzoekende lidstaat dient te verlopen." (Kamerstukken II 2001–2002, 28 350 (R 1720), nr. 3, p. 13-14)

Uit het voorgaande volgt dat aan het Noorse rechtshulpverzoek tot teruggave van de schilderijen aan de rechtmatige eigenaar slechts kan worden voldaan indien het belang van strafvordering het voortduren van het beslag niet langer vordert en als overigens voldaan is aan het vereiste dat de beslagene op de voet van art. 116, tweede lid, Sv afstand van de schilderijen heeft gedaan, dan wel dat het klaagschrift van de beslagene tegen de schriftelijke kennisgeving als bedoeld in art. 116, derde lid, Sv dat het openbaar ministerie voornemens is de inbeslaggenomen voorwerpen te doen teruggeven aan een ander dan de beslagene, ongegrond is verklaard.

Uit de kennisgeving van de Officier van Justitie dat hij voornemens is de onder de klager inbeslaggenomen schilderijen via de Noorse autoriteiten te doen teruggeven aan de oorspronkelijke eigenaar, de Noorse galerie dan wel de verzekeringsmaatschappij, volgt dat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag niet langer vordert. Nu de klager tegen die kennisgeving op de voet van art. 552a Sv een klaagschrift heeft ingediend, dient de Rechtbank te beoordelen of degene aan wie de Officier van Justitie de schilderijen wil doen teruggeven, redelijkerwijs als rechthebbende van die schilderijen kan worden aangemerkt. Het gaat daarbij om een voorlopig oordeel omtrent de eigendoms- en bezitsrechten ten aanzien van die schilderijen (vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654).

Voor het antwoord op de vraag of de Noorse galerie (of de betreffende verzekeringsmaatschappij die in haar rechten is getreden) als rechthebbende van de schilderijen moet worden aangemerkt, zoals de Rechtbank heeft geoordeeld, is bepalend of de Noorse galerie op de voet van art. 3:86, derde lid, BW de schilderijen binnen drie jaar te rekenen vanaf de dag van de diefstal als haar eigendom heeft opgeëist.

Het middel klaagt in het bijzonder over het oordeel van de Rechtbank dat de schilderijen gestolen zijn en dat de Noorse galerie die als haar eigendom heeft opgeëist.

Het oordeel van de Rechtbank dat, nu niet betwist is dat aangifte van diefstal is gedaan, ervan kan worden uitgegaan dat de inbeslaggenomen schilderijen van diefstal afkomstig zijn, is niet onbegrijpelijk.

Anders dan in de toelichting bij het middel is betoogd, brengt het vereiste dat de Noorse galerie binnen drie jaar na de diefstal de schilderijen als haar eigendom heeft opgeëist, niet mee dat de Noorse galerie binnen die termijn een klaagschrift moet hebben ingediend. Voldoende is dat vaststaat dat de Noorse galerie zich binnen de vervaltermijn van drie jaren tot de Noorse politie of justitie heeft gewend en te kennen heeft gegeven de inbeslaggenomen schilderijen als haar eigendom te willen opeisen. De Rechtbank heeft geoordeeld dat "op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel" moet worden aangenomen dat de bestolene de schilderijen bij de Noorse autoriteiten binnen drie jaar na de diefstal heeft opgeëist. Klaarblijkelijk heeft de Rechtbank haar oordeel doen berusten op het door de Officier van Justitie bij de behandeling in raadkamer gestelde Noorse rechtshulpverzoek en daaruit - niet onbegrijpelijk - afgeleid dat de Noorse galerie aan de Noorse Officier van Justitie te kennen heeft gegeven de schilderijen als haar eigendom te willen opeisen.

Het voorgaande brengt mee dat het middel tevergeefs is voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Verontschuldigbare termijnoverschrijding bij instellen hoger beroep?

Hoge Raad 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1557

Feiten

Het gerechtshof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, heeft verdachte op 31 januari 2012 niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 11 april 2008, waarbij verdachte ter zake van “het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door haar gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft” bij verstek is veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 50 uren, te vervangen door 25 dagen hechtenis.

Blijkens de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota heeft de raadsman van de verdachte met betrekking tot de ontvankelijkheid van de verdachte in het ingestelde hoger beroep het volgende aangevoerd:

"7. Met betrekking tot de ontvankelijkheid concludeert verdachte primaire dan ook dat zij hoger beroep heeft ingesteld binnen de veertien dagentermijn, nadat de einduitspraak bij haar bekend was geworden (...).

8. Mocht u daarentegen tot de conclusie komen dat er wel sprake is van een termijnoverschrijding, dan stelt verdachte zich subsidiair op het standpunt dat er sprake is van een verontschuldigbare termijnoverschrijding.

9. Immers, zij is op 13 mei 2010 aangehouden in verband met openstaande Wet Mulder-boetes en naar aanleiding daarvan direct opgesloten in de PI Overijssel.

verdachte ontbrak het dan ook aan daadwerkelijke rechtsbijstand. Zo is er pas begin juli 2010 door middel van bemiddeling van het maatschappelijk werk van de PI, door verdachte contact opgenomen met ondergetekende. verdachte stelt dat, doordat zij geen enkele financiële middelen ter beschikking had, zij niet in telefonisch contact kon treden met een raadsman.

10. Daarnaast was zij er ook niet van op de hoogte dat er ook door middel van een verklaring ex artikel 451a Sv hoger beroep kon worden ingesteld. Ook stelt zij dat zij er niet van op de hoogte was dat de hoger beroepstermijn 14 dagen betreft bij politierechterzaken. Met betrekking tot de mogelijkheid van een verklaring ex 451a Sv dan wel dat de hoger beroepstermijn 14 dagen is, heeft haar geen ambtelijke informatie bereikt.

11. Reden waarom verdachte van mening is dat er sprake is van verontschuldigbare termijnoverschrijding."

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman voorts het volgende aangevoerd:

"Primair ben ik van mening dat er op 13 mei 2010 geen mededeling uitspraak in deze zaak is uitgereikt. Subsidiair, indien dit wel gebeurd zou zijn, geeft de bijsluiter geen informatie voor het geval cliënt in voorlopige hechtenis zit. Cliënt heeft dus verontschuldigbaar de termijn overschreden."

Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het op de voet van art. 451a Sv ingestelde hoger beroep en heeft daartoe het volgende overwogen:

"Het vonnis waarvan beroep is op 13 mei 2010 aan verdachte in persoon betekend. Verdachte kon volgens de wet gedurende veertien dagen daarna tegen het vonnis hoger beroep instellen. Het hoger beroep is pas na het verstrijken van die termijn op 31 mei 2010 ingesteld. Het hof acht uit hetgeen door de raadsman van verdachte ter zitting van het hof is aangevoerd niet aannemelijk geworden dat sprake is geweest van uitzonderlijke omstandigheden die deze termijnoverschrijding zouden verontschuldigen. Daarom zal verdachte niet ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep."

Middel

Het middel strekt ten betoge dat het Hof het namens de verdachte gedane beroep op de verontschuldigbaarheid van de overschrijding van de termijn voor het instellen van het hoger beroep ten onrechte, althans onbegrijpelijk gemotiveerd heeft verworpen.

Beoordeling Hoge Raad

Vooropgesteld moet worden dat de wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden; die termijnen zijn van openbare orde. Overschrijding van de termijn voor hoger beroep door de verdachte, zoals in het onderhavige geval, betekent in de regel dat deze niet in dat hoger beroep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend niet worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn. (Vgl. HR 4 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5706, NJ 2004/462).

Het Hof heeft geoordeeld dat de omstandigheden waarop door de raadsman een beroep is gedaan, niet kunnen worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in voormelde zin. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, noch in het licht van hetgeen door de raadsman is aangevoerd, noch in het licht van de bij de pleitnota gevoegde bijsluiter bij de aan de verdachte uitgereikte mededeling uitspraak. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het Hof op grond van die bijsluiter, inhoudende onder meer dat het aanwenden van een rechtsmiddel mogelijk is binnen veertien dagen na de uitreiking van de mededeling uitspraak, aangenomen dat indien de verdachte toen gebruik had willen maken van een rechtsmiddel maar niet op de hoogte zou zijn geweest van de wijze waarop zij hoger beroep diende in te stellen, van haar in redelijkheid mocht worden gevergd dat zij tijdig het nodige zou hebben gedaan om zich daarvan op de hoogte te stellen, bijvoorbeeld door zich te wenden tot ter zake deskundige medewerkers van de inrichting, terwijl door de raadsman niet is aangevoerd dat zij zodanige activiteiten heeft ondernomen.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Aanwezigheidsrecht: De vermelding van het adres van de raadsman van verdachte in de schriftelijke volmacht kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als de opgave van een adres

Hoge Raad 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1569

Feiten

Het gerechtshof Arnhem heeft verdachte op 31 januari 2012 niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Arnhem van 4 maart 2011, waarbij verdachte ter zake van “diefstal” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.

Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. G. Jansen, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.

Middel

Het middel klaagt over de beslissing van het Hof tot het verlenen van verstek tegen de niet-verschenen verdachte.

Beoordeling Hoge Raad

Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken bevinden zich:

(i) een appelakte van 2 mei 2011 waarin als adres van de verdachte is vermeld: zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande;

(ii) een aan voormelde akte gehechte schriftelijke bijzondere volmacht van de raadsman mr. H. Jahae als bedoeld in art. 450, eerste lid onder a, in verband met art. 450, derde lid, Sv, waarin is vermeld dat het kantooradres van Jahae Advocaten, te weten Jollemanhof 26 te Amsterdam, kan worden gebruikt om de verdachte op te roepen cq te dagvaarden;

(iii) een aan het dubbel van de appeldagvaarding gehechte akte van uitreiking, inhoudende dat die dagvaarding op 8 november 2011 is uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank Arnhem omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats bekend is, alsmede een tevens aan het dubbel gehechte akte van uitreiking inhoudende dat de dagvaarding op 11 november 2011 tevergeefs is aangeboden op het adres van de verdachte, te weten a-straat 1 te plaats en dat ter plaatse een bericht van aankomst is achtergelaten waarin is vermeld dat de dagvaarding kon worden afgehaald op het in dat bericht genoemde postkantoor en dat de dagvaarding op 30 november 2011 is uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank Arnhem onder toezending van een afschrift van de dagvaarding naar voornoemd adres;

(iv) een tweetal aan het dubbel van de appeldagvaarding gehechte ID-staten SKDB van 8 november 2011 en 5 januari 2012, inhoudende dat een huidig GBA-adres niet beschikbaar is en als laatst opgegeven woon- of verblijfadres op 30 augustus 2011 geregistreerd staat het adres a-straat 1 te plaats;

(v) het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, inhoudende dat tegen de aldaar niet-verschenen verdachte verstek is verleend.

De vermelding van het adres van de raadsman van de verdachte, Jollemanhof 26 te Amsterdam, in de schriftelijke volmacht kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als de opgave van een adres in de zin van art. 588a, eerste lid aanhef en onder c, Sv waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden.

Uit de stukken van het geding kan niet blijken dat een afschrift van de appeldagvaarding aan dit adres is toegezonden, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit niet is geschied. Evenmin houden de stukken iets in waaruit kan volgen dat die verzending ingevolge het derde lid van art. 588a Sv achterwege kon blijven. Daarom had het Hof ervan blijk moeten geven te hebben onderzocht of er reden was het onderzoek ter terechtzitting te schorsen teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek op de terechtzitting tegenwoordig te zijn. Van een zodanig onderzoek blijkt niet. Dat verzuim leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak. (Vgl. HR 27 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4736, NJ 2012/695).

Het middel is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Bekennende verdachte, art. 359 lid 3 Sv. Het middel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Conclusie AG: anders.

Hoge Raad 26 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1424

Feiten

Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 4 januari 2013, onder aanvulling van gronden, het vonnis van de Rechtbank Haarlem van 3 juli 2012 bevestigd, bij welk vonnis de verdachte ter zake van “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod” is veroordeeld tot dertig maanden gevangenisstraf met aftrek.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof het vonnis van de Rechtbank niet had mogen bevestigen.

Oordeel Hoge Raad

De Rechtbank heeft in het vonnis volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in de tweede volzin van art. 359, derde lid, Sv. De raadsvrouwe van de verdachte heeft bij de behandeling van de zaak in hoger beroep vrijspraak bepleit ten aanzien van het tenlastegelegde. Uit de bewoordingen van art. 359, derde lid, Sv volgt dat deze bepaling in ieder geval geen toepassing kan vinden indien door of namens de verdachte ter terechtzitting vrijspraak is bepleit.

Uit de overwegingen volgt dat het Hof dit niet heeft miskend. Die overwegingen bevatten de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden en een opgave van de wettige bewijsmiddelen waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend. Het middel mist dus feitelijke grondslag en kan derhalve niet tot cassatie leiden.

Conclusie AG Vegter

De Rechtbank heeft in haar vonnis volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in de tweede volzin van art. 359, derde lid, Sv. De raadsvrouwe van de verdachte heeft bij de behandeling van de zaak in hoger beroep een verweer gevoerd strekkende tot vrijspraak. Uit de bewoordingen van art. 359, derde lid, Sv volgt dat deze bepaling in ieder geval geen toepassing kan vinden indien door of namens de verdachte ter terechtzitting vrijspraak is bepleit. Gelet op het voorgaande had het Hof het vonnis van de Rechtbank niet mogen bevestigen dan onder de in art. 423, eerste lid, Sv bedoelde aanvulling van gronden, te weten de in de eerste volzin van art. 359, derde lid, Sv bedoelde weergave van de inhoud van de bewijsmiddelen.

Het middel is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^