Jaarlijkse boeten voor zwartspaarders

De Hoge Raad heeft vandaag geoordeeld dat belastingplichtigen van wie de belastinginspecteur heeft bewezen dat zij op 31 januari 1994 een aanzienlijk tegoed op een geheime Luxemburgse bankrekening hadden, in beginsel voor alle jaren vanaf 1993 een boete kan worden opgelegd wegens opzettelijk verzwegen inkomsten.

In 2000 heeft de Belastingdienst van de Belgische belastingdienst microfiches ontvangen die gegevens bevatten over rekeningen van inwoners van Nederland bij de Kredietbank Luxembourg (KB-Lux). De microfiches vermelden saldi op rekeningen bij KB-Lux op 31 januari 1994. De Belastingdienst heeft vervolgens de (vermoedelijke) rekeninghouders benaderd met vragen. Sommigen hebben meegewerkt en opening van zaken gegeven (‘meewerkers’). Anderen hebben ontkend rekeninghouder te zijn (‘ontkenners’) dan wel geweigerd mee te werken (‘weigeraars’). Ten aanzien van ontkenners en weigeraars heeft de Belastingdienst (navorderings-)aanslagen in de inkomstenbelasting (IB) en vermogensbelasting (VB) opgelegd over, veelal, de jaren 1990 tot en met 2000, alsmede boeten van 100% van het belastingbedrag.

Belastingplichtigen zijn voor de belastingheffing verplicht om alle door de inspecteur gevraagde inlichtingen te geven. Dat betekent, zoals de Hoge Raad al eerder heeft beslist, dat de belastinginspecteur aan de ontkenners en weigeraars navorderingsaanslagen mag opleggen naar geschatte bedragen.

Voor het opleggen van boeten ligt dat anders. Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) geeft een verdachte het recht om te zwijgen. Dat betekent dat de rekeninghouders niet verplicht zijn om mee te werken aan het bewijs dat zij opzettelijk inkomsten hebben verzwegen. Dat bewijs moet de inspecteur leveren. Als de inspecteur enkel over een KB-Lux-saldo per 31 januari 1994 beschikt, heeft hij geen hard bewijs dat de ontkenners en weigeraars ook in de jaren daarvóór en de jaren daarná zwart geld in Luxemburg hadden.

De Hoge Raad heeft nu beslist dat de inspecteur in deze gevallen met een bewijsvermoeden mag werken. Als hij heeft bewezen dat de belastingplichtige op 31 januari 1994 een aanzienlijk saldo op de KB-Lux-rekening had, mag de belastinginspecteur daaraan het vermoeden ontlenen dat dit saldo er ook al in de loop van 1993 was, en ook dat dat geld na 31 januari 1994 niet is verdwenen. Het is dan ook aan de belastingplichtige om dat vermoeden te ontzenuwen. Doet hij dat niet, dan mag de inspecteur hem een boete opleggen.

Als de inspecteur geen verder bewijs heeft, mag hij met het opleggen van boeten niet verder terug gaan dan tot 1993. Boeten over de inkomstenbelasting over de jaren 1990 tot en met 1992 en voor de vermogensbelasting over de jaren 1991 tot en met 1993 vervallen dan dus.

In het hier berechte geval ligt dat anders. De belastingplichtige had verklaard dat de rekening al rond 1991 was geopend. Er was dus wel aanvullend bewijs. Ook de boeten over de jaren vóór 1993 bleven hierdoor in stand.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Niet-ontvankelijkverklaring verdachte | het aanwenden van rechtsmiddelen door anonieme verdachten

Hoge Raad 18 juni 2013, LJN CA3293

Feiten

De Politierechter in de Rechtbank Haarlem heeft de verdachte bij vonnis van 18 augustus 2009 - gesteld ten name van een persoon zich noemende [A], geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] - ter zake van het misdrijf van art. 231 Sr veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden.

Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het tegen dit vonnis ingestelde hoger beroep. Het hoger beroep is binnen de wettelijke termijn ingesteld, maar dit is volgens het hof geschied onder opgave van valse personalia.

Het Hof heeft het volgende overwogen:

"De raadsvrouw van de verdachte in eerste aanleg heeft op 25 augustus 2009 namens de verdachte [A], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985, hoger beroep ingesteld tegen het op 18 augustus 2009 tegen de verdachte [A] voormeld gewezen vonnis.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 9 juni heeft de verschenen verdachte opgegeven te zijn [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986. De verdachte heeft verklaard dat hij als verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg bij de behandeling van de strafzaak aanwezig is geweest.

Het hof beschikt niet over aanwijzingen dat de door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep opgegeven personalia onjuist zijn.

De wet bepaalt op welke wijze en binnen welke termijn een openstaand rechtsmiddel dient te worden aangewend. Die bepalingen zijn van openbare orde. Het hoger beroep is door de raadsvrouw namens de verdachte binnen de wettelijke termijn ingesteld, doch dit is geschied onder opgave van valse personalia.

De verdachte dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn hoger beroep. Daaraan doet niet af dat na het verstrijken van het voor het instellen van hoger beroep gestelde termijn de verdachte alsnog zijn identiteit ter terechtzitting in hoger beroep bekend heeft gemaakt.

Evenmin kan de omstandigheid dat tijdens de termijn voor het instellen van hoger beroep de identiteit van de verdachte kennelijk niet bekend was bij de verdediging, noch de omstandigheid dat het in stand blijven van het veroordelend vonnis in eerste aanleg negatieve gevolgen kan hebben voor de procedure met betrekking tot de door verdachte indiende aanvraag tot asiel, tot een ander oordeel leiden.

Het vorenstaande heeft tot gevolg dat niet wordt ingegaan op hetgeen overigens ter zitting namens verdachte is aangevoerd met betrekking tot zijn zaak."

Middel

Het middel klaagt dat het Hof de verdachte ten onrechte, althans op ontoereikende gronden, in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Beoordeling Hoge Raad

Vooropgesteld moet worden dat uit de art. 449-452 Sv, welke bepalingen de wijze regelen waarop rechtsmiddelen dienen te worden aangewend, moet worden afgeleid dat een verdachte te wiens laste een rechterlijke beslissing is gewezen waarin hij op andere wijze dan bij name is aangeduid, geen rechtsmiddel tegen een einduitspraak kan aanwenden anders dan onder bekendmaking van zijn persoonsgegevens. Het spreekt vanzelf dat in zodanig geval die gegevens de ware persoonsgegevens behoren te betreffen (vlg. HR 13 maart 2007, LJN AZ6694, NJ 2007/170).

Anders dan het Hof kennelijk heeft geoordeeld, doet dit geval zich hier niet voor nu het hoger beroep niet is ingesteld tegen een vonnis waarin de verdachte op andere wijze dan bij name is aangeduid. In aanmerking genomen voorts dat namens [A] hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis dat is gewezen ten laste van een persoon zich noemende [A], en dat de ter terechtzitting in hoger beroep verschenen verdachte aldaar heeft verklaard dat - naar de Hoge Raad begrijpt - hij degene is ten wiens laste het vonnis is gewezen, leidt de enkele omstandigheid dat het Hof niet beschikte over aanwijzingen dat de personalia die de verdachte in hoger beroep, verklarende te zijn genaamd [verdachte], heeft opgegeven, onjuist zijn, niet zonder meer tot de niet-ontvankelijkheid van het ingestelde beroep.

Het middel is gegrond.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Beklag, beslag. Onjuiste maatstaf.

Hoge Raad 18 juni 2013, LJN CA3320

Bij beschikking van 29 augustus 2012 heeft de Rechtbank te Utrecht het beklag strekkende tot teruggave van de onder klaagster inbeslaggenomen goederen en geldbedragen, ongegrond verklaard.

Namens klaagster is één middel van cassatie voorgesteld. Het middel houdt in dat de Rechtbank bij de beoordeling van het klaagschrift de onjuiste maatstaf heeft toegepast.

In de bestreden beschikking is door de Rechtbank het volgende vastgesteld. Op de in beslaggenomen goederen en geldbedragen rustte conservatoir beslag ingevolge art. 94a Sv ten behoeve van de procedure ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel die is aangespannen tegen betrokkene 1. Klaagster stelt de eigenaresse te zijn van deze inbeslaggenomen goederen en geldbedragen.

De Rechtbank heeft in de bestreden beschikking als volgt overwogen:

"Maatstaf bij de beoordeling van het onderhavige klaagschrift is of het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van hetgeen in beslag is genomen. Nu beslag is gelegd op de voet van artikel 94a Sv is daarbij in dit geval van belang of het voortduren van het beslag nodig is voor het aantonen van het wederrechtelijk verkregen voordeel."

De Rechtbank heeft hiermee miskend hetgeen de Hoge Raad overwoog in zijn arrest van 28 september 2010, LJN BL2823, NJ 2010, 654: "Indien een derde - als zodanig kan ook gelden degene onder wie het beslag feitelijk is gelegd, maar tegen wie het strafrechtelijk onderzoek niet is gericht - die stelt eigenaar te zijn, op de voet van art. 552a Sv een klaagschrift heeft ingediend, dient de rechter als maatstaf aan te leggen of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat de klager als eigenaar van het voorwerp moet worden aangemerkt en daarvan in zijn beslissing blijk te geven. Indien de klager als eigenaar wordt aangemerkt, zal de rechter tevens moeten onderzoeken en daarvan blijk moeten geven of zich de situatie van art. 94a, derde of vierde lid, Sv voordoet."

Voor zover de Rechtbank heeft overwogen dat het beslag dient te worden gehandhaafd in verband met procedures tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tegen klaagster merk ik op dat de Rechtbank niet heeft vastgesteld dat onder klaagster beslag is gelegd op de voet van art. 94 of art. 94a Sv met het oog op door haar wederrechtelijk verkregen voordeel en een dergelijk beslag in de onderhavige procedure dan ook niet aan de orde is.

Het middel slaagt.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden beschikking en wijst de zaak terug naar de Rechtbank Utrecht, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Profijtontneming en in mindering brengen van aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen

Hoge Raad 18 juni 2013, LJN CA3307

Feiten

Het Gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 30 januari 2012 het door de veroordeelde uit medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op nihil en aan de veroordeelde ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling van nihil aan de Staat.

Namens het Openbaar Ministerie heeft mr. W. Hemstede, Advocaat-generaal bij het Gerechtshof te Arnhem, beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. M.E. de Meijer, plaatsvervangend Advocaat-generaal bij het Gerechtshof te Arnhem, een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof door de wijze waarop het de aan benadeelde derden toegekende vorderingen in mindering heeft gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel, een onjuiste uitleg heeft gegeven aan art. 36e achtste lid Sr.

Beoordeling Hoge Raad

Bij de bepaling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat, wordt de aan een benadeelde derde in rechte toegekende vordering overeenkomstig art. 36e, achtste lid, Sr in mindering gebracht. Bij de toepassing van deze regeling komt (HR 11 april 2000, LJN AA5438, NJ 2000/590) slechts in aanmerking de in rechte onherroepelijk toegekende vordering van een (rechts)persoon die strekt tot vergoeding van diens schade als gevolg van het feit waarop de ontnemingsvordering (mede) steunt, indien en voor zover tegenover die schade een daarmee corresponderend voordeel voor de veroordeelde staat.

In de onderhavige zaak, waarin de ontnemingsvordering betrekking heeft op voordeel dat is voortgevloeid uit meer strafbare feiten, heeft het Hof per afzonderlijk feit het bedrag vastgesteld waarop het daardoor wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat en berekend dat het wederrechtelijk verkregen voordeel in totaal € 28.899,61 bedraagt. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat "ponds ponds gewijze verdeling met één mededader redelijk voorkomt" en dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene derhalve bedraagt "€ 28.899,61 / 2 = € 14.449,81".

Door vervolgens de in rechte toegekende vorderingen van B (incident 2) ten bedrage van € 3.000, I (incident 7) ten bedrage van € 10.000 en D (incident 4) ten bedrage van € 3.600 geheel in mindering te brengen op het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel dat aan de betrokkene moet worden toegerekend, heeft het Hof een onjuiste uitleg gegeven van art. 36e, achtste lid, Sr. In het onderhavige geval kan aftrek van de vordering van de benadeelde partij slechts plaatsvinden tot maximaal het bedrag van het daarmee corresponderend voordeel voor de betrokkene.

Uit hetgeen het Hof omtrent het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft vastgesteld volgt dat met de vorderingen van B (incident 2), I (incident 7) en D (incident 4) een voordeel correspondeert van onderscheidenlijk (incident 2) € 3.250 : 2 = € 1.625, (incident 7) € 10.780 : 2 = € 5.390 en (incident 4) € 3.600 : 2 = € 1.800 bedraagt. Het Hof had ter zake van de vorderingen van de benadeelde partijen mitsdien in plaats van een bedrag van € 16.600 een bedrag van € 8.815 (te weten € 1.625 + € 5.390 + € 1.800) in mindering moeten brengen.

Het middel klaagt daarover terecht.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en  wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Verschoningsrecht notaris wijkt voor waarheidsvinding

Hoge Raad 18 juni 2013, LJN CA3314

Feiten

Op 31 oktober 2011 heeft de rechter-commissaris een doorzoeking gedaan in het kantoorpand van A te Almere wegens een tegen klager gerezen verdenking van fraude. Tijdens die doorzoeking heeft klager, notaris, de door het openbaar ministerie gevorderde dossiers overgelegd. Deze dossiers zijn in het bijzijn van de rechter-commissaris door klager en de ringvoorzitter bekeken teneinde vast te stellen of er geheimhoudersstukken in de dossiers aanwezig waren waar het openbaar ministerie niet om had gevraagd. De rechter-commissaris heeft ten aanzien van de inbeslaggenomen geheimhoudersstukken geoordeeld dat deze zijn aan te merken als voorwerpen met behulp waarvan de strafbare feiten zijn gepleegd. Zijdens klager is toen medegedeeld dat dit vooralsnog werd betwist. De rechter-commissaris heeft de desbetreffende stukken vervolgens verpakt in verzegelde enveloppen en doen opslaan bij het kabinet rechter-commissaris, locatie Lelystad.

De Rechtbank Zwolle - Lelystad heeft het beklag strekkende tot opheffing van het beslag op 29 notarisdossiers bij beschikking van 10 februari 2012 ongegrond verklaard.

Aan de bestreden beschikking ligt ten grondslag dat klager als notaris ter zake van de inbeslaggenomen stukken een beroep toekomt op het verschoningsrecht als bedoeld in art. 218 Sv. In de bestreden beschikking oordeelt de Rechtbank dat zij niet heeft kunnen vaststellen dat de inbeslaggenomen stukken zijn aan te merken als voorwerpen met behulp waarvan de strafbare feiten zijn gepleegd.

Volgens de Rechtbank doen zich in het onderhavige geval zeer uitzonderlijke omstandigheden voor die de inbeslagname van de geheimhoudersstukken rechtvaardigen.

De Rechtbank heeft met betrekking tot het bestaan van die zeer uitzonderlijke omstandigheden het volgende overwogen:

"De Hoge Raad heeft blijkens bestendige jurisprudentie op dit punt geoordeeld dat het belang van de waarheidsvinding onder zeer uitzonderlijke omstandigheden kan meebrengen dat het in artikel 98 Sv genoemde verbod wordt geschonden. Deze inbreuk op het verschoningsrecht mag niet verder gaan dan strikt noodzakelijk is voor het aan het licht brengen van de waarheid en voor een dergelijke uitzondering gelden strenge motiveringseisen. Hierbij kan onder meer een rol spelen de vraag of het gaat om een tegen de verschoningsgerechtigde bestaande verdenking; de aard en ernst van de verdenking(en); de aard en omvang van de gegevens en de vraag of de informatie niet via andere weg kan worden verkregen.

Naar het oordeel van de rechtbank is in deze zaak sprake van een zeer uitzonderlijk geval als hiervoor bedoeld, om de navolgde redenen.

Klager wordt onder meer verdacht van het medeplegen van witwassen (artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht) en het medeplegen van valsheid in geschrift met betrekking tot authentieke akten (artikel 226 van het Wetboek van Strafrecht). De aan klager verweten gedragingen raken de kern van de werkzaamheden en de functie van een notaris, in het bijzonder zijn openbare en maatschappelijke functie. Die functie komt onder meer tot uitdrukking in artikel 21 van de Wet op het notarisambt. Het eerste lid van dit artikel bepaalt dat de notaris verplicht is de hem bij of krachtens de wet opgedragen of de door een partij verlangde werkzaamheden te verrichten, behoudens het bepaalde in het tweede lid. Dit lid bepaalt onder meer dat de notaris verplicht is zijn dienst te weigeren wanneer naar zijn redelijke overtuiging de werkzaamheid die van hem wordt verlangd, leidt tot strijd met het recht of de openbare orde of wanneer zijn medewerking wordt verlangd bij handelingen die kennelijk een ongeoorloofd doel of gevolg hebben. De maatschappelijke functie van een notaris brengt met zich mee dat in het maatschappelijk verkeer vertrouwd moet kunnen worden op door hem opgestelde en ondertekende stukken. Juist door dat vertrouwen in de bemoeiingen van de notaris, pleegt er in het maatschappelijk verkeer een grote waarde te worden toegekend aan een door hem opgestelde authentieke akte.

Zou bewezen worden verklaard dat klager zich in het kader van de uitoefening van zijn ambt schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift door in een authentieke akte gegevens op te nemen die in strijd zijn met de waarheid, dan zou dat ook ernstig afbreuk doen aan het ambt van de notaris en de maatschappelijke functie van de notaris in het algemeen. Daarom is er naar het oordeel van de rechtbank niet alleen sprake van de verdenking van een zeer ernstig misdrijf, maar ook van zeer uitzonderlijke omstandigheden, omdat er in dit geval met de waarheidsvinding een groter belang is gediend, namelijk het maatschappelijk belang van de naleving van de aan de notaris in het tweede lid van artikel 21 van de Wet op het notarisambt opgelegde plicht met het oog op het vertrouwen dat in de werkzaamheden van de notaris moet kunnen worden gesteld.

De rechtbank heeft in haar oordeel voorts betrokken dat het gaat om een verdenking gericht tegen de verschoningsgerechtigde (in casu klager) en dat de medeverdachten van klager, die in beginsel mogen rekenen op de geheimhouding door klager, daarop niet mogen rekenen in het geval er sprake is van het in hun opdracht opstellen van een authentieke akte met valse gegevens.

Bovendien valt niet in te zien hoe de (inhoud van de) desbetreffende authentieke stukken op een andere wijze dan door de inbeslagname ervan, zouden kunnen worden verkregen.

Alles overziende is de rechtbank van oordeel dat in dit geval het belang van de waarheidsvinding vanwege zeer uitzonderlijke omstandigheden dient te prevaleren boven het respecteren van de geheimhoudingsplicht van klager."

Alle middelen richten zich tegen dat oordeel.

Beoordeling van het eerste en het tweede middel

Het eerste middel klaagt erover dat de Rechtbank haar oordeel dat zich de zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen waaronder het belang dat de waarheid aan het licht komt moet prevaleren boven het aan de notaris toekomende verschoningsrecht onvoldoende heeft gemotiveerd, mede in het licht van hetgeen namens de klager is aangevoerd ten aanzien van aard en ernst van de jegens hem bestaande verdenking.

Het tweede middel bevat de klacht dat de Rechtbank heeft verzuimd een toereikend gemotiveerde beslissing te geven op het verweer dat de inbeslagneming, gelet op aard en aantal van de inbeslaggenomen stukken, een verdergaande inbreuk op het aan de klager toekomende verschoningsrecht veroorzaakt dan voor de waarheidsvinding noodzakelijk kan zijn.

HR: Vooropgesteld moet worden dat het verschoningsrecht van de notaris, zoals dat onder meer in de art. 98 en 125l Sv tot uitdrukking is gekomen, in zoverre niet absoluut is dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden laten denken waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt - ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap de notaris als zodanig is toevertrouwd - moet prevaleren boven het verschoningsrecht.

Dit brengt mee dat, waar doorzoeking ter inbeslagneming bij een notaris zonder diens toestemming reeds kan plaatsvinden als het gaat om brieven en geschriften die voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend, die toestemming in geval van zeer uitzonderlijke omstandigheden evenmin nodig is als de doorzoeking ter inbeslagneming een verdere strekking heeft en is gericht op brieven en geschriften die kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen.

De beantwoording van de vraag welke omstandigheden als zeer uitzonderlijk moeten worden aangemerkt, laat zich niet in een algemene regel samenvatten. Voor het oordeel dat van zodanige omstandigheden - en derhalve van een uitzondering op de hoofdregel met betrekking tot het verschoningsrecht - sprake is, gelden zware motiveringseisen. De enkele omstandigheid dat een notaris als verdachte wordt aangemerkt is in ieder geval niet toereikend maar wel de verdenking van een ernstig strafbaar feit, zoals het vormen van een crimineel samenwerkingsverband van een notaris met bepaalde cliënten. Dan zal het belang van die cliënten dat zij ervan moeten kunnen uitgaan dat de notaris geheim houdt hetgeen zij hem in die criminele aangelegenheid hebben toevertrouwd moeten wijken voor het belang dat de waarheid aan het licht komt. In een dergelijk geval dienen het verschoningsrecht en de daarmee samenhangende beperkingen van de uitoefening van de beslag- en doorzoekingsbevoegdheden te wijken voor het belang van de strafvordering, zij het dat ook dan de inbreuk op het verschoningsrecht niet verder mag gaan dan strikt nodig is voor het aan het licht brengen van de waarheid van het desbetreffende feit, waarbij zorg moet worden betracht om te voorkomen dat de belangen van andere cliënten van de notaris dan de cliënten die betrokken zijn bij de strafbare feiten waarvan de notaris wordt verdacht, onevenredig worden getroffen (vgl. HR 14 juni 2005, LJN AT4418, NJ 2005/353).

De Rechtbank heeft met toepassing van de juiste maatstaf uiteengezet dat en waarom zij van oordeel is dat zich de zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen op grond waarvan het belang dat de waarheid aan het licht komt - ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap de klager als notaris is toevertrouwd - dient te prevaleren boven het verschoningsrecht.

Dienaangaande heeft de Rechtbank in haar overwegingen betrokken dat de aan de klager verweten gedragingen raken aan de kern van diens werkzaamheden als, en aan diens openbare en maatschappelijke functie van, notaris, in verband waarmee de wet hem voorhoudt dat hij zijn diensten zal hebben te weigeren in die gevallen waarin hij moet beseffen dat die eraan kunnen bijdragen dat in strijd met het recht of met de openbare orde wordt gehandeld, of dat de van hem verlangde werkzaamheden een ongeoorloofd doel of gevolg dichterbij kunnen brengen.

De Rechtbank, die in verband met het antwoord op de vraag of zich de bedoelde zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen onder meer had te beoordelen of sprake is van een redelijk vermoeden van schuld aan een ernstig strafbaar feit, heeft vastgesteld dat de klager wordt verdacht van onder meer het medeplegen van witwassen en het medeplegen van valsheid in geschrift met betrekking tot authentieke akten en heeft als haar oordeel tot uitdrukking gebracht dat deze feiten als een zeer ernstig misdrijf moeten worden aangemerkt.

In het licht van hetgeen partijen bij de behandeling in openbare raadkamer naar voren hebben gebracht, getuigt het oordeel van de Rechtbank niet van miskenning van de in dit verband geldende zware motiveringseisen en was zij niet gehouden haar oordeel omtrent het bestaan van de verdenking jegens de klager en omtrent de ernst van die verdenking nader te motiveren om dit begrijpelijk te doen zijn. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat hetgeen namens de klager is aangevoerd de Rechtbank in een beklagprocedure als de onderhavige, waarin slechts in beperkte mate kan worden onderzocht in hoeverre de jegens de verschoningsgerechtigde geformuleerde verdenking gegrond is, niet noopte de jegens de klager bestaande verdenking als ongegrond aan te merken.

Namens de klager is erkend dat de onder hem inbeslaggenomen documenten, met uitzondering van één notarisdossier, betrekking hebben op transacties die in de processtukken zijn genoemd als voorwerp van het (strafrechtelijk) onderzoek. In het licht van hetgeen partijen bij de behandeling in openbare raadkamer naar voren hebben gebracht, was de Rechtbank niet gehouden nader te motiveren waarom kennisneming van alle inbeslaggenomen documenten met het oog op de waarheidsvinding dringend geboden is.

De middelen falen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^