Profijtontneming en in mindering brengen van aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen

Hoge Raad 18 juni 2013, LJN CA3307

Feiten

Het Gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 30 januari 2012 het door de veroordeelde uit medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op nihil en aan de veroordeelde ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling van nihil aan de Staat.

Namens het Openbaar Ministerie heeft mr. W. Hemstede, Advocaat-generaal bij het Gerechtshof te Arnhem, beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. M.E. de Meijer, plaatsvervangend Advocaat-generaal bij het Gerechtshof te Arnhem, een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof door de wijze waarop het de aan benadeelde derden toegekende vorderingen in mindering heeft gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel, een onjuiste uitleg heeft gegeven aan art. 36e achtste lid Sr.

Beoordeling Hoge Raad

Bij de bepaling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat, wordt de aan een benadeelde derde in rechte toegekende vordering overeenkomstig art. 36e, achtste lid, Sr in mindering gebracht. Bij de toepassing van deze regeling komt (HR 11 april 2000, LJN AA5438, NJ 2000/590) slechts in aanmerking de in rechte onherroepelijk toegekende vordering van een (rechts)persoon die strekt tot vergoeding van diens schade als gevolg van het feit waarop de ontnemingsvordering (mede) steunt, indien en voor zover tegenover die schade een daarmee corresponderend voordeel voor de veroordeelde staat.

In de onderhavige zaak, waarin de ontnemingsvordering betrekking heeft op voordeel dat is voortgevloeid uit meer strafbare feiten, heeft het Hof per afzonderlijk feit het bedrag vastgesteld waarop het daardoor wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat en berekend dat het wederrechtelijk verkregen voordeel in totaal € 28.899,61 bedraagt. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat "ponds ponds gewijze verdeling met één mededader redelijk voorkomt" en dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene derhalve bedraagt "€ 28.899,61 / 2 = € 14.449,81".

Door vervolgens de in rechte toegekende vorderingen van B (incident 2) ten bedrage van € 3.000, I (incident 7) ten bedrage van € 10.000 en D (incident 4) ten bedrage van € 3.600 geheel in mindering te brengen op het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel dat aan de betrokkene moet worden toegerekend, heeft het Hof een onjuiste uitleg gegeven van art. 36e, achtste lid, Sr. In het onderhavige geval kan aftrek van de vordering van de benadeelde partij slechts plaatsvinden tot maximaal het bedrag van het daarmee corresponderend voordeel voor de betrokkene.

Uit hetgeen het Hof omtrent het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft vastgesteld volgt dat met de vorderingen van B (incident 2), I (incident 7) en D (incident 4) een voordeel correspondeert van onderscheidenlijk (incident 2) € 3.250 : 2 = € 1.625, (incident 7) € 10.780 : 2 = € 5.390 en (incident 4) € 3.600 : 2 = € 1.800 bedraagt. Het Hof had ter zake van de vorderingen van de benadeelde partijen mitsdien in plaats van een bedrag van € 16.600 een bedrag van € 8.815 (te weten € 1.625 + € 5.390 + € 1.800) in mindering moeten brengen.

Het middel klaagt daarover terecht.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en  wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF