Onbegrijpelijke strafoplegging

Hoge Raad 12 maart 2013, LJN BZ3633

De Hoge Raad acht de strafoplegging in onderhavige zaak onbegrijpelijk, nu het Hof een gevangenisstraf heeft opgelegd die de door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd met 28 dagen overstijgt, terwijl het Hof in zijn strafmotivering heeft betrokken dat het niet wenselijk en geboden is dat verdachte t.z.v. het onderhavige feit “thans van zijn vrijheid zal worden beroofd” en daarom een gevangenisstraf waarvan de duur gelijk is aan de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht wordt opgelegd.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Geen beroep OM op derdenbescherming als bedoeld in art. 1:116 BW. Conclusie AG: anders.

Hoge Raad 12 maart 2013, LJN BY9997

Feiten

Bij beschikking van 11 mei 2011 heeft de Rechtbank te 's-Hertogenbosch het klaagschrift van klaagster strekkende tot teruggave van onder meer sieraden en een personenauto gegrond verklaard.

De Rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:

"(...) Vast staat dat op 4 juni 2010 een akte huwelijkse voorwaarden tussen klager en betrokkene 1 is verleden bij notaris de notaris. Voorts staat vast dat de notaris heeft verzuimd om die akte in te schrijven in het huwelijksgoederenregister van de rechtbank te Maastricht. Op 21 maart 2011 is op goederen toebehorend aan klaagster conservatoir beslag gelegd in verband met een ontnemingsvordering op haar echtgenoot betrokkene 1. Thans dient de vraag te worden beantwoord of het openbaar ministerie zich kan beroepen op derdenwerking als bedoeld in artikel 1:116 BW. Klaagster heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie voorafgaand aan de beslaglegging op de hoogte was van de huwelijkse voorwaarden. Het openbaar ministerie heeft dit bestreden. Naar het oordeel van de rechtbank kan beantwoording van deze vraag achterwege blijven. De derdenbescherming ex artikel 1:116 BW geldt niet wanneer raadpleging van de registers niet van belang kan zijn. De grondslag van het beslag ziet in de kern op een verbintenis uit onrechtmatige daad (een ontnemingsvordering op grond van verdenking van strafbare feiten gepleegd door de echtgenoot van klaagster). Dit brengt mee dat het openbaar ministerie geen beroep toekomt op de derdenwerking ex artikel 1:116 BW en derhalve naar het oordeel van de rechtbank geen verhaal heeft op de goederen toebehorend aan de echtgenote van verdachte. Het klaagschrift dient ten aanzien van deze goederen dan ook gegrond te worden verklaard."

De Officier van Justitie bij de Rechtbank heeft één middel van cassatie voorgesteld.

Middel

Het middel klaagt in het bijzonder over het oordeel van de Rechtbank dat het Openbaar Ministerie geen beroep toekomt op derdenbescherming als bedoeld in art. 1:116 BW.

Oordeel Hoge Raad

Het ten laste van betrokkene 1 gelegde conservatoir beslag strekt tot bewaring van het recht van verhaal van een op vordering van de OvJ door de rechter aan betrokkene 1 op te leggen verplichting een bedrag te betalen aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Voor de door de Officier van Justitie in dit verband uit te oefenen bevoegdheden is bekendheid met het tussen betrokkene 1 en zijn echtgenote geldende huwelijksgoederenregime niet van belang. Een beroep van de Officier van Justitie op de in art. 1:116, eerste lid, BW bedoelde bescherming tegen de niet-inschrijving van de akte van huwelijkse voorwaarden in het huwelijksgoederenregister is daarom niet aan de orde. Het oordeel van de Rechtbank is juist.

Het middel, dat niet klaagt dat de Rechtbank - die heeft vastgesteld dat de sieraden en de auto eigendom zijn van de klaagster - niet heeft onderzocht of zich de situatie van art. 94a, derde of vierde lid, Sv voordoet (vgl. HR 28 september 2010, LJN BL2823, NJ 2010/654, rov. 2.15), is tevergeefs voorgesteld.

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Conclusie AG Vellinga

Vellinga komt tot een andere conclusie.

Conservatoir beslag kan worden gelegd onder een derde mits is voldaan aan het bepaalde in art. 94a lid 3 Sv. Door te oordelen dat de omstandigheid dat het Openbaar Ministerie geen beroep toekomt op de derdenwerking van art. 1:116 BW meebrengt dat het Openbaar Ministerie geen verhaal heeft op de goederen toebehorend aan de echtgenote van verdachte zonder de vraag onder ogen te zien of is voldaan aan de in art. 94a lid 3 Sv genoemde voorwaarden, heeft de Rechtbank dit miskend.

Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

“Hetzelfde feit”

Hoge Raad 12 maart 2013, LJN BZ3571

Verdachte is bij arrest van 6 april 2011 door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden wegens:

  • Feit 1 primair: diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen,
  • Feit 3 primair: diefstal door twee of meer verenigde personen,
  • Feit 5: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, en
  • Feit 6 subsidiair: verduistering.

Aan de verdachte is bij inleidende dagvaarding als feit 6 tenlastegelegd dat: "hij op of omstreeks 20 juli 2009 in de gemeente Venlo, in elk geval in Nederland, een damesfiets (merk: Gazelle) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen van die damesfiets wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof."  Ter terechtzitting van het Hof heeft de Advocaat-Generaal op de voet van art. 313 Sv gevorderd dat de tenlastelegging wordt gewijzigd, in dier voege dat daaraan subsidiair wordt toegevoegd dat: "hij in of omstreeks de periode van 13 juni 2009 tot en met 20 juli 2009 in de gemeente Venlo, in elk geval in Nederland, opzettelijk enig goed (damesfiets, Gazelle), geheel of ten dele toebehorende aan [betrokkene], in elk geval aan een ander dan aan hem, verdachte, en dat hij anders dan door misdrijf, te weten als vinder, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend." 

Het Hof heeft de vordering tot wijziging van de tenlastelegging toegewezen.

Het (tweede) middel behelst de klacht dat het Hof in strijd met art. 68 Sr ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, de vordering tot wijziging van de tenlastelegging heeft toegewezen.

HR: Voor zover het middel klaagt dat het Hof de beslissing tot toewijzing van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging ten onrechte niet heeft gemotiveerd, stelt het een eis die het recht niet kent (vgl. HR 30 november 1999, LJN ZD1723, NJ 2000/93), zodat het middel in zoverre tevergeefs is voorgesteld.

Het middel klaagt voorts over het kennelijke oordeel van het Hof dat sprake is van "hetzelfde feit".

De aan de verdachte verweten gedraging is in de tenlastelegging omschreven als het helen van een damesfiets op 20 juli 2009 in de gemeente Venlo, en in de vordering tot wijziging van de tenlastelegging als de verduistering van een damesfiets in de periode van 13 juni 2009 tot en met 20 juli 2009 in de gemeente Venlo. De tenlastelegging is toegesneden op art. 416/417bis Sr en de vordering tot wijziging van de tenlastelegging op art. 321 Sr.

Zowel het verschil in de juridische aard van de aan de verdachte verweten feiten als het verschil tussen de omschreven gedragingen loopt niet zodanig uiteen dat geen sprake kan zijn van "hetzelfde feit" in de zin van art. 68 Sr. De strafbaarstelling van (schuld)heling en verduistering strekt immers mede ter bescherming van het vermogen van de rechthebbende, terwijl de strafmaxima die op (schuld)heling en verduistering zijn gesteld, slechts in geringe mate uiteenlopen.

Het Hof heeft de vordering tot wijziging van de tenlastelegging dus zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting kunnen toewijzen. Het kennelijke oordeel van het Hof dat in de omstandigheden van het geval de desbetreffende gedragingen dezelfde fiets betreffen en als één feitencomplex kunnen worden aangemerkt, is evenmin onbegrijpelijk.

Voor zover het middel daarover klaagt, is het eveneens tevergeefs voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Artikel 422 en 416 lid 2 Sv, beraadslaging in hoger beroep

Hoge Raad 12 maart 2013, LJN BZ3624

Feiten

Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 5 november 2010 bij verstek verdachte op grond van art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep.

In eerste aanleg is verdachte bij vonnis van 19 juni 2008 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling van € 325.590, vermeerderd met de vermogensaanwas die is of nog zal worden gekweekt over een in conservatoir beslag genomen appartement in Marbella.

Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld.

Middel

Het middel komt niet op tegen de niet-ontvankelijkverklaring, maar klaagt dat het Hof in strijd met art. 422 Sv niet heeft doen blijken mede beraadslaagd te hebben naar aanleiding van het onderzoek in eerste aanleg en dat dit tot nietigheid van het onderzoek in hoger beroep en van de bestreden uitspraak dient te leiden.

Oordeel Hoge Raad

Nu onder de vraag van art. 422, eerste lid, Sv "of het hoger beroep is ingesteld overeenkomstig de eisen die dit wetboek daaraan stelt" mede moet worden begrepen het in art. 416, tweede lid, Sv beschreven geval, volgt uit art. 422 Sv dat de beraadslaging in hoger beroep bij de beoordeling van die vraag niet mede behoeft te geschieden naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het middel, dat van een andere opvatting uitgaat, is dus tevergeefs voorgesteld.

Toelichting AG Machielse

Het middel berust op de opvatting dat het Hof ook bij een niet-ontvankelijkverklaring op grond van art. 416 Sv gehouden is deze beslissing ingevolge art. 422, tweede lid, Sv mede naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg te wijzen. Deze opvatting berust op een onjuiste lezing van de wet. De voorgeschreven beraadslaging van art. 422, tweede lid, Sv komt pas aan de orde nadat het Hof op grond van art. 422, eerste lid, Sv heeft geoordeeld dat verdachte rechtsgeldig is opgeroepen én dat verdachte in het hoger beroep kan worden ontvangen.

In art. 422, eerste lid, lijkt de ontvankelijkheidsvraag zich door de formulering "of het hoger beroep is ingesteld overeenkomstig de eisen die dit wetboek daaraan stelt" weliswaar te beperken tot de tijdigheid en rechtsgeldigheid van de wijze van instellen van het appèl, maar hieronder dient de gehele vraag van ontvankelijkheid van het hoger beroep te worden begrepen; dus ook de kwestie van art. 416, tweede lid, Sv. Niet valt immers in te zien wat een beraadslaging op grond van het onderzoek ter terechtzitting in beide instantie kan toe- of afdoen aan beantwoording van de vraag of de verdachte grieven heeft ingediend en aldus, ondanks de verstekverlening, in het appèl kan worden ontvangen. Art. 416 Sv biedt wel ruimte voor een ambtshalve afweging om zonder grieven toch de zaak in hoger beroep inhoudelijk te behandelen, maar het ligt geenszins in de rede dat de wetgever beoogd heeft de gerechtshoven in die zin bij toepassing van art 416 Sv te beperken dat het pas na beraadslaging op grond van art. 422, tweede lid, Sv tot de beslissing van niet-ontvankelijkheid zou kunnen komen. Dat volgt ook uit de mogelijkheid reeds zonder inhoudelijke behandeling van de zaak op grond van art. 416 Sv tot niet-ontvankelijkheid te beslissen, terwijl de gerechtshoven voorts niet gehouden zijn in het kader van art. 416 Sv acht te slaan op bezwaren die in eerste aanleg zijn geformuleerd.

Het voorschrift van art. 422, eerste lid, Sv ziet derhalve op alle te beantwoorden vragen in het kader van de (niet-)ontvankelijkheid van het appèl, zodat de voorgeschreven beraadslaging van het tweede lid van art 422 hier niet aan de orde is in verband met de geconstateerde niet-ontvankelijkheid op grond van art. 416 Sv.

Pas nadat het Hof heeft vastgesteld dat de appèldagvaarding of oproeping van de verdachte geldig is uitgereikt en de appellant in het hoger beroep kan worden ontvangen, komt het immers toe aan de voorgeschreven beraadslaging.

Los hiervan geldt overigens nog dat niet-naleving van art. 422, tweede lid, Sv bij wet niet uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd en dat zodanige nietigheid evenmin voortvloeit uit de aard van dat voorschrift. Niet-naleving leidt eerst dan tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, indien de verdachte door het verzuim in enig belang is geschaad. In de onderhavige zaak valt niet in te zien welk belang van verdachte in het geding is. Zoals hiervoor uiteengezet was het Hof immers niet gehouden hetgeen ter terechtzitting in eerste aanleg naar voren is gebracht in zijn overwegingen of bij het ontvankelijkheidsoordeel te betrekken.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Het (doen) horen van een getuige omtrent diens niet ter terechtzitting afgelegde belastende verklaring

Hoge Raad 12 maart 2013, LJN BY1251

Feiten

Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren wegens (1) diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en (2) medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven.

Middelen

Het eerste middel keert zich tegen het oordeel van het Hof dat de omstandigheid dat medeverdachte, als getuige gehoord, zich bij de rechter steeds op zijn verschoningsrecht heeft beroepen niet meebrengt dat de verdediging niet in de gelegenheid is geweest om zijn bij de politie afgelegde verklaringen op hun betrouwbaarheid te toetsen.

Het tweede middel klaagt dat de verdediging niet in enig stadium de gelegenheid heeft gehad medeverdachte te ondervragen en voorts dat onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is verworpen het verweer dat de betrokkenheid van de verdachte bij de bewezenverklaarde feiten in onvoldoende mate, namelijk slechts ten aanzien van de tenaamstelling van de gebruikte auto, steun vindt in andere bewijsmiddelen dan de verklaringen van medeverdachte.

De middelen worden gezamenlijke besproken.

Beoordeling Hoge Raad

Zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 29 januari 2013 (LJN BX5539) heeft geoordeeld moet in het licht van EHRM 10 juli 2012, LJN BX3071, NJ 2012/649 (Vidgen tegen Nederland) thans worden geoordeeld dat in een geval waarin de op verzoek van de verdediging opgeroepen en ter terechtzitting verschenen getuige heeft geweigerd antwoord te geven op de hem gestelde vragen, de verdachte niet het bij art. 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM voorziene recht heeft kunnen uitoefenen die getuige te (doen) horen omtrent diens niet ter terechtzitting afgelegde, de verdachte belastende verklaring. Dat betekent dat in zo'n situatie niet sprake is van het in HR 1 februari 1994, LJN AB7528, NJ 1994/427 onder 6.3.3. sub (ii) vermelde geval dat "de verdediging in enig stadium van het geding, hetzij op de terechtzitting hetzij daarvoor, de gelegenheid heeft gehad om een dergelijke verklaring op haar betrouwbaarheid te toetsen en aan te vechten door de persoon die de verklaring heeft afgelegd als getuige te (doen) ondervragen". Het andersluidende oordeel van het Hof is dus onjuist. Het eerste middel is terecht voorgesteld, maar leidt op de volgende gronden niet tot cassatie.

De klacht dat met art. 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM onverenigbaar is dat de verdediging niet in enig stadium de gelegenheid heeft gehad medeverdachte te ondervragen faalt aangezien de verdediging, van wie in de regel het nodige initiatief daartoe mag worden verwacht, niet heeft verzocht medeverdachte voor de terechtzitting in hoger beroep als getuige op te roepen. Bovendien doet zich niet de situatie voor dat het Hof medeverdachte ambtshalve had dienen op te roepen als getuige, zodat de klacht ook in zoverre faalt. Het Hof heeft in zijn overwegingen immers als zijn - niet onbegrijpelijke - oordeel tot uitdrukking gebracht dat de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen en dit steunbewijs betrekking heeft op die onderdelen van de hem belastende verklaringen die door de verdachte zijn betwist.

De klacht dat het enige steunbewijs de tenaamstelling van de gebruikte auto betreft, te weten die van de moeder van de verdachte, faalt vanwege de inhoud van andere door het Hof gebezigde bewijsmiddelen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^