Geen beroep OM op derdenbescherming als bedoeld in art. 1:116 BW. Conclusie AG: anders.

Hoge Raad 12 maart 2013, LJN BY9997

Feiten

Bij beschikking van 11 mei 2011 heeft de Rechtbank te 's-Hertogenbosch het klaagschrift van klaagster strekkende tot teruggave van onder meer sieraden en een personenauto gegrond verklaard.

De Rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:

"(...) Vast staat dat op 4 juni 2010 een akte huwelijkse voorwaarden tussen klager en betrokkene 1 is verleden bij notaris de notaris. Voorts staat vast dat de notaris heeft verzuimd om die akte in te schrijven in het huwelijksgoederenregister van de rechtbank te Maastricht. Op 21 maart 2011 is op goederen toebehorend aan klaagster conservatoir beslag gelegd in verband met een ontnemingsvordering op haar echtgenoot betrokkene 1. Thans dient de vraag te worden beantwoord of het openbaar ministerie zich kan beroepen op derdenwerking als bedoeld in artikel 1:116 BW. Klaagster heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie voorafgaand aan de beslaglegging op de hoogte was van de huwelijkse voorwaarden. Het openbaar ministerie heeft dit bestreden. Naar het oordeel van de rechtbank kan beantwoording van deze vraag achterwege blijven. De derdenbescherming ex artikel 1:116 BW geldt niet wanneer raadpleging van de registers niet van belang kan zijn. De grondslag van het beslag ziet in de kern op een verbintenis uit onrechtmatige daad (een ontnemingsvordering op grond van verdenking van strafbare feiten gepleegd door de echtgenoot van klaagster). Dit brengt mee dat het openbaar ministerie geen beroep toekomt op de derdenwerking ex artikel 1:116 BW en derhalve naar het oordeel van de rechtbank geen verhaal heeft op de goederen toebehorend aan de echtgenote van verdachte. Het klaagschrift dient ten aanzien van deze goederen dan ook gegrond te worden verklaard."

De Officier van Justitie bij de Rechtbank heeft één middel van cassatie voorgesteld.

Middel

Het middel klaagt in het bijzonder over het oordeel van de Rechtbank dat het Openbaar Ministerie geen beroep toekomt op derdenbescherming als bedoeld in art. 1:116 BW.

Oordeel Hoge Raad

Het ten laste van betrokkene 1 gelegde conservatoir beslag strekt tot bewaring van het recht van verhaal van een op vordering van de OvJ door de rechter aan betrokkene 1 op te leggen verplichting een bedrag te betalen aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Voor de door de Officier van Justitie in dit verband uit te oefenen bevoegdheden is bekendheid met het tussen betrokkene 1 en zijn echtgenote geldende huwelijksgoederenregime niet van belang. Een beroep van de Officier van Justitie op de in art. 1:116, eerste lid, BW bedoelde bescherming tegen de niet-inschrijving van de akte van huwelijkse voorwaarden in het huwelijksgoederenregister is daarom niet aan de orde. Het oordeel van de Rechtbank is juist.

Het middel, dat niet klaagt dat de Rechtbank - die heeft vastgesteld dat de sieraden en de auto eigendom zijn van de klaagster - niet heeft onderzocht of zich de situatie van art. 94a, derde of vierde lid, Sv voordoet (vgl. HR 28 september 2010, LJN BL2823, NJ 2010/654, rov. 2.15), is tevergeefs voorgesteld.

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Conclusie AG Vellinga

Vellinga komt tot een andere conclusie.

Conservatoir beslag kan worden gelegd onder een derde mits is voldaan aan het bepaalde in art. 94a lid 3 Sv. Door te oordelen dat de omstandigheid dat het Openbaar Ministerie geen beroep toekomt op de derdenwerking van art. 1:116 BW meebrengt dat het Openbaar Ministerie geen verhaal heeft op de goederen toebehorend aan de echtgenote van verdachte zonder de vraag onder ogen te zien of is voldaan aan de in art. 94a lid 3 Sv genoemde voorwaarden, heeft de Rechtbank dit miskend.

Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF