Hoge Raad laat oordelen in zaak Millecam in stand

De Hoge Raad laat de eerdere veroordelingen van twee artsen die de actrice Sylvia Millecam op alternatieve wijze  behandelden in stand.  Ook de eerdere vrijspraak van het medium Jomanda houdt stand.

Bij actrice Sylvia Millecam werd in 1999 borstkanker geconstateerd. Millecam koos ervoor zich buiten het reguliere medische circuit te laten behandelen door alternatieve artsen en genezers, onder wie ook Jomanda.

Verantwoordelijk

De beide artsen zijn veroordeeld omdat zij vanuit hun verantwoordelijkheid als arts te weinig hebben gedaan om ervoor te zorgen dat Millecam de reguliere medische en palliatieve zorg kreeg die zij op dat moment nodig had. Tot die verantwoordelijkheid behoort dat volgens de professionele standaard verantwoorde zorg wordt geboden. De beide artsen wisten dat borstkanker als diagnose was gesteld en dat de werking van hun alternatieve geneeswijzen nooit wetenschappelijk was aangetoond. Ondanks het feit dat Millecam de reguliere geneeskunst afwees, hadden zij haar moeten informeren over de consequenties van die keuze en moeten stimuleren tot het ondergaan van reguliere behandelingen die haar leven mogelijk zouden verlengen  en haar pijn verlichten. In dat opzicht zijn de artsen te kort geschoten. De Hoge Raad laat de veroordeling door het hof van de beide artsen dan ook in stand. Zij kregen voorwaardelijke gevangenisstraffen van respectievelijk 6 en 3 weken. Die straffen zijn nu definitief.

Vrijgesproken

Wat betreft de rol van Jomanda in het ziekteverloop en het uiteindelijke overlijden van Sylvia Millecam stelt het hof vast dat hoewel zij geen arts is, zij wel een zorgplicht had ten aanzien van Millecam. Dit is een andere plicht dan die waar artsen aan zijn gehouden. In haar geval houdt die in dat de zorgverlener moet voorkomen dat de patient onnodig schade aan de gezondheid ondervindt en dat hij handelt volgens de professionele standaard voor zorgverleners. In dat kader moet ook een niet medisch geschoolde zorgverlener cliënten adviseren een reguliere arts te bezoeken. Dat is in dit geval gebeurd en Millecam heeft dat advies ook opgevolgd. Met het hof vindt ook de Hoge Raad dat in die situatie niet snel sprake is van een grove schending van de op de verdachte rustende zorgplicht. Het hof mocht Jomanda op deze gronden vrijspreken. Deze vrijspraak is nu definitief.

Bron: de Rechtspraak

Lees de volledige uitspraken:

Print Friendly and PDF ^

Tongzoen geldt niet langer als verkrachting

De Hoge Raad oordeelt vandaag dat een gedwongen tongzoen niet langer geldt als verkrachting (art. 242 Sr). Iemand dwingen tot een tongzoen blijft strafbaar maar zou vanaf nu onder een lichter wetsartikel kunnen worden gebracht. Zo bedraagt de maximale gevangenisstraf voor ‘feitelijke aanranding van de eerbaarheid’ (art. 246 Sr) acht jaar tegenover twaalf jaar voor verkrachting.

Met deze uitspraak komt de Hoge Raad terug op zijn eerdere oordeel dat  ieder seksueel binnendringen van het lichaam, dus ook een tongzoen, moet worden gezien als verkrachting. Op dit oordeel bestond  kritiek. Het bestempelen van een tongzoen als verkrachting zou strijdig zijn met het algemene taalgebruik. Daarbij werd veroordeling voor verkrachting vanwege een tongzoen vaak als onrechtvaardig ervaren omdat een tongzoen niet op een lijn kan worden gesteld met geslachtsgemeenschap of een daarmee vergelijkbare gedraging. Op grond van deze overwegingen is de Hoge Raad tot zijn gewijzigde rechtsopvatting gekomen.

Lees de volledige uitspraak:

Print Friendly and PDF ^

Verandering van wetgeving

Hoge Raad 5 maart 2013, LJN BZ3257 en BZ3230

In deze arresten herhaalt de Hoge Raad de toepasselijke overwegingen uit LJN BP6878.

Het Hof is blijkens zijn overwegingen kennelijk uitgegaan van de opvatting dat onder een “verandering in de wetgeving” als bedoeld in art. 1.2 Sr ook kan worden verstaan een verandering in beleidsregels van het OM inzake het transactie- en strafvorderingsbeleid. Die opvatting is echter onjuist. In deze casus ging het om de Richtlijn strafvordering tarieven en feitomschrijvingen voor misdrijven, overtredingen en gedragingen als bedoeld in de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften.

De Hoge Raad acht ook het oordeel van het hof, dat sprake is van een verandering in regels van sanctierecht, onjuist. Als een verandering in de regels van sanctierecht kan niet worden aangemerkt een wetswijziging waarbij in algemene zin naast strafrechtelijke afdoening óók - kort gezegd - een bestuursrechtelijke afdoening mogelijk wordt gemaakt.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Instelling hoger beroep d.m.v. een bijzondere schriftelijke volmacht aan griffiemedewerker

Hoge Raad 5 maart 2013, LJN BZ2951

De HR herhaalt de toepasselijke overwegingen uit HR LJN BJ7810 en HR LJN BY8357 m.b.t. de eisen die worden gesteld aan een dergelijke volmacht en de ratio van die eisen. Het middel klaagt terecht dat het Hof hetgeen in die arresten is bepaald, heeft miskend.

Feiten

De verdachte is bij vonnis van de Rechtbank Zutphen veroordeeld tot een geldboete van € 600,-, subsidiair 12 dagen hechtenis, ter zake van

  1. eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan ambtenaren gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening en
  2. wederspannigheid

Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

De verdachte en zijn raadsman waren ter terechtzitting in hoger beroep aanwezig.

Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep en heeft daartoe het volgende overwogen:

Het hoger beroep is namens de verdachte op 27 oktober 2010 ingesteld door een - daartoe door de raadsman van de verdachte mr. P.J. Stronks schriftelijk gemachtigde - medewerker van de griffie van de rechtbank Zutphen.

Deze volmacht houdt het volgende in:

'Ik, mr. P.J. Stronks, advocaat, kantoorhoudende aan de Amstelveenseweg 54/56 bg te Amsterdam (1075 XH), verklaar hierbij dat ik door mijn cliënt, [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1970, bepaaldelijk gevolmachtigd ben om appèl in te stellen tegen het vonnis d.d. 7 december 2009 van de rechtbank te Zutphen, machtig hierbij, de griffier van de rechtbank te Zutphen, om appel in te stellen tegen bovengenoemd vonnis.' 

Het hof overweegt dat de volmacht aan de strafgriffie van de Rechtbank niet voldoet aan de in het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2009 onder (ii) en (iii) genoemde vereisten waaraan de schriftelijke volmacht ingevolge artikel 450 Sv moet voldoen en verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het namens hem ingestelde hoger beroep.

Beoordeling Hoge Raad

In het arrest van 22 december 2009 (LJN BJ7810) zijn eisen geformuleerd waaraan een schriftelijke volmacht van een advocaat aan een griffiemedewerker om hoger beroep in te stellen moet voldoen.

Die volmacht dient onder andere de verklaring van de advocaat te bevatten dat hij door de betrokkene bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van hoger beroep (art. 450, eerste lid sub a, Sv). Die eisen dienen te worden bezien tegen de achtergrond van de aanscherping van de wettelijke regeling voor het instellen van hoger beroep. Die aanscherping had tot doel problemen met betrekking tot de betekening van appeldagvaardingen te voorkomen althans te verminderen. Gelet op de ratio van de eisen waaraan een door een advocaat verstrekte volmacht moet voldoen, bestaat in een geval als het onderhavige, waarin de verdachte ter terechtzitting is verschenen, onvoldoende grond voor niet-ontvankelijkverklaring van het appel wegens het niet voldoen van de volmacht aan de in de overwegingen van het Hof onder (ii) en (iii) vermelde voorwaarden. Het belang dat met die voorwaarden is gediend, is in zo een geval niet geschaad. Het verzuim kan daarom voor gedekt worden gehouden (vgl. HR 23 januari 2013, LJN BY8357).

Het middel klaagt terecht dat het Hof het voorgaande heeft miskend.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Alleen de verschoningsgerechtigde zelf kan in een beklagprocedure, waarin het verschoningsrecht in het geding is, worden aangemerkt als belanghebbende i.d.z.v. art. 552a Sv

Hoge Raad 12 februari 2013, LJN BX4284 Feiten

Klager in deze en zijn ex-echtgenote worden ervan verdacht het kind te hebben mishandeld. Het medisch dossier van het kind, waarvan de inhoud is onderworpen aan het verschoningsrecht van de behandelend arts (B), namens wie in verband met de inbeslagneming van het dossier (mede) is opgetreden als gemachtigde, is op grond van een op art. 105 Sv gebaseerd bevel tot uitlevering van de Rechter-Commissaris door (B) in een verzegelde enveloppe overgedragen aan de Officier van Justitie.

(B) heeft zich niet met een klaagschrift tegen de inbeslagneming van het medisch dossier verzet.

Het klaagschrift strekt ertoe dat de inbeslagneming onrechtmatig zal worden verklaard, en de Officier van Justitie zal worden verboden van het medisch dossier kennis te nemen, dat dossier te gebruiken of te verspreiden, met last tot vernietiging van het dossier of teruggave daarvan aan (B).

Oordeel Hoge Raad

In de bestreden beschikking heeft de Rechtbank de vraag of de klager belanghebbende is in de zin van art. 552a Sv bevestigend beantwoord nu klager verdachte is in een strafzaak waarin de inbeslaggenomen stukken een (cruciale) rol kunnen gaan spelen.

Het is in beginsel aan de verschoningsgerechtigde om te bepalen of een inbeslaggenomen voorwerp gegevens bevat die onder zijn verschoningsrecht vallen. Diens standpunt daaromtrent dient door de bij het voorbereidend onderzoek betrokken functionarissen te worden geëerbiedigd, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is (HR 29 juni 2004, LJN AO5070, NJ 2005/273). Hieruit volgt dat alleen de verschoningsgerechtigde zelf in een beklagprocedure als de onderhavige waarin het verschoningsrecht in het geding is, kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van art. 552a Sv.

De Rechtbank had behoren te oordelen dat de klager niet als belanghebbende in de zin van art. 552a Sv kon worden aangemerkt en had hem deswege niet-ontvankelijk moeten verklaren in zijn beklag.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^