Motivering verbeurdverklaring. HR wijkt af van eerdere rechtspraak.

  Hoge Raad 12 februari 2013, LJN BZ1897

Feiten

Het Gerechtshof te Amsterdam heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 33 maanden wegens het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod. Voorts heeft het Hof inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten één vliegticket, één instapkaart van Turkish Airlines en twintig kledingstukken, verbeurdverklaard.

Middel

Het middel behelst onder meer de klacht dat het Hof de verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen twintig kledingstukken onvoldoende heeft gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

De motivering van de bijkomende straf van verbeurdverklaring is, gelet op hetgeen de verdachte heeft aangevoerd, niet zonder meer begrijpelijk. Anders dan tot nu toe aan de rechtspraak van de Hoge Raad kon worden ontleend, heeft de verdachte evenwel bij haar klacht dienaangaande geen rechtens te respecteren belang. Verbeurdverklaring van voorwerpen die een verdachte niet (zouden) toebehoren als bedoeld in art. 33a Sr treft hem immers niet in zijn vermogen. De klacht kan dan ook niet tot cassatie leiden.

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Witwassen & profijtontneming

Hoge Raad 19 februari 2013, LJN BY5217 Feiten

Bij arrest van 18 november 2010 heeft het Gerechtshof te Amsterdam, aan betrokkene de plicht opgelegd om ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 397.451,62 aan de Staat te betalen.

Middel

Het middel bevat de klacht dat de schatting van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel niet naar behoren is gemotiveerd, aangezien zonder nadere motivering niet begrijpelijk is hoe dat voordeel kan zijn verkregen door het begaan van de feiten die in de met deze ontnemingsprocedure samenhangende strafzaak zijn bewezen verklaard, te weten medeplegen van witwassen en bezit van een vuurwapen.

Beoordeling Hoge Raad

In de met deze ontnemingsprocedure verband houdende strafzaak is bewezenverklaard dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van het voorhanden hebben van geldbedragen waarvan hij wist dat deze van misdrijf afkomstig waren, welk feit is gekwalificeerd als medeplegen van witwassen.

Het Hof heeft als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat het begaan van het bewezenverklaarde misdrijf 'medeplegen van witwassen' tot het door de verdachte wederrechtelijk verkrijgen van vermogen heeft geleid.

Het Hof heeft dit oordeel kennelijk gebaseerd op zijn opvatting dat de genoemde bedragen aan contant geld en banksaldi en het voor het verwerven van aandelen betaalde bedrag, nu zij voorwerp van het bewezenverklaarde misdrijf 'witwassen' waren, reeds daardoor wederrechtelijk verkregen voordeel vormden.

Dat standpunt is niet juist. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is niet begrijpelijk dat de verdachte daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde 'witwassen'. Dat die geldbedragen vermogensbestanddelen vormen die, zoals het Hof heeft overwogen, de verdachte tot voordeel (kunnen) strekken, vormt nog niet een toereikende motivering.

Daarover klaagt het middel terecht.

Ook voor zover door het Hof tot uitdrukking is gebracht dat de door het Hof genoemde bedragen aan contant geld, banksaldi en gebruikt voor het verwerven van aandelen, zijn verkregen door middel van of uit de baten van soortgelijke feiten als bedoeld in art. 36e, tweede lid, Sr, is dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk omdat in deze overwegingen geen enkel aanknopingspunt voor die veronderstelling is genoemd.

Ook daarover wordt in het middel terecht geklaagd.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

 

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

HR: Geen rechtssregel verplicht de rechter te beslissen omtrent enig verweer dat niet door of namens de verdachte ter terechtzitting uitdrukkelijk is voorgedragen.

Hoge Raad 19 februari 2013, LJN BZ1431 Feiten

Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft het vonnis van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 22 oktober 2010 bevestigd, waarbij verdachte wegens (1) poging doodslag en (2) overtreding van art. 7 lid 1 WvW is veroordeeld, het vonnis voor wat betreft de strafoplegging vernietigd en verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden opgelegd.

Middelen

De middelen richten zich tegen de verwerping van het beroep op (putatief) noodweer en (putatief) noodweerexces.

Beoordeling Hoge Raad

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer in:

"De raadsman voert het woord tot verdediging en verzoekt zijn in eerste aanleg gevoerde verweren als hier herhaald en ingelast te beschouwen (...)."

Geen rechtssregel verplicht de rechter te beslissen omtrent enig verweer dat niet door of namens de verdachte ter terechtzitting uitdrukkelijk is voorgedragen. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt niet in dat het Hof heeft ingestemd met voormeld verzoek van de raadsman en evenmin dat de raadsman met instemming van het Hof heeft mogen volstaan met een korte aanduiding van de in eerste aanleg gevoerde en in hoger beroep uitdrukkelijk gehandhaafde verweren. In cassatie moet het daarom ervoor worden gehouden dat noch het een noch het ander is geschied.

De middelen, die ervan uitgaan dat de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep de in eerste aanleg voorgedragen verweren in hoger beroep heeft gevoerd, missen derhalve feitelijke grondslag en kunnen dus niet tot cassatie leiden.

 

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Aan het enkele voorhanden hebben van door afpersing ontvreemde goederen kan niet zonder meer de conclusie worden verbonden dat de betrokkene die goederen ook door afpersing heeft verkregen

Hoge Raad 19 februari 2013, LJN BY0102 Feiten

Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens afpersing veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

Door de verdediging was betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken omdat verdachte niet de dader van de afpersing is, maar slechts een mobiele telefoon, buitgemaakt bij een afpersing, heeft gekocht.

Middel

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

Vooropgesteld moet worden dat aan het enkele voorhanden hebben van door een vermogensdelict ontvreemde goederen niet zonder meer de conclusie kan worden verbonden dat de betrokkene die goederen ook door het plegen van dat vermogensdelict heeft verkregen. Voor de beoordeling van de betekenis die aan dat voorhanden hebben moet worden gehecht, zijn de feiten en omstandigheden van het geval van belang.

In casu heeft het Hof uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat het de verdachte is geweest die het in de bewezenverklaring omschreven feit heeft gepleegd.

Het middel faalt.

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Conclusie AG Vellinga: anders

De omstandigheid dat bij een afpersing buitgemaakte goederen bij de verdachte worden aangetroffen, dan wel door de verdachte aan een ander zijn overgedragen, kan weliswaar bijdragen aan het bewijs dat de verdachte het slachtoffer heeft afgeperst, maar wil bewezen kunnen worden dat verdachte degene is geweest die heeft afgeperst dan dienen er wel voldoende omstandigheden aanwezig te zijn waaruit kan blijken dat de verdachte degene is geweest die de afpersingshandeling heeft verricht, omdat het bezit of de overdracht van de afgeperste voorwerpen anders hooguit een vorm van heling c.q. witwassen kan opleveren.

De door het Hof gebezigde bewijsmiddelen houden ten aanzien van de gebeurtenis enkel in dat aangeefster slachtoffer 1 door een - niet nader omschreven - man onder bedreiging van een zwart, klein compact model, vierkant vuurwapen is gedwongen tot afgifte van haar handtas, met daarin diverse goederen, waaronder een mobiele telefoon en een portemonnee. Ook houden de bewijsmiddelen in dat de verdachte sinds augustus 2010 in het bezit was van een zwart plastic balletjespistool.

De bewijsmiddelen houden echter niet in dat verdachte door aangeefster als de afperser is herkend en/of dat het bij verdachte aangetroffen balletjespistool soortgelijk was aan het vuurwapen waarmee aangeefster is afgeperst.

Voorts kan uit het gedrag van de verdachte ten aanzien van de sd-kaart wel worden opgemaakt dat hij iets te verbergen had maar niet dat dit geen heling maar afpersing was. Nu ook overigens uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte degene was die aangeefster heeft afgeperst, kan uit de gebezigde bewijsmiddelen niet worden afgeleid dat het de verdachte is geweest die op 3 december 2010 aangeefster slachtoffer 1 onder bedreiging van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft gedwongen tot afgifte van haar handtas. De bewezenverklaring is op dit punt derhalve ontoereikend gemotiveerd.

Het middel slaagt.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

De niet-nakoming van art. 51 Sv staat aan een geldige behandeling van de zaak ter terechtzitting, buiten tegenwoordigheid van de verdachte en diens raadsman, in de weg

Hoge Raad 19 februari 2013, LJN BZ1453 Feiten

Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam - na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad bij arrest van 2 februari 2010 (nr. 08/03504, LJN BK8947) - veroordeeld een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 180 uur wegens overtreding van art. 6 WvW, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, terwijl de schuldige na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens art. 163, zesde lid WvW. Voorts heeft het Hof verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de duur van zestien maanden.

Middel

Het middel behelst de klacht dat in hoger beroep het voorschrift van art. 51 Sv niet is nageleefd, doordat is verzuimd een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep aan de raadsman van de verdachte te zenden.

Beoordeling Hoge Raad

Bij de stukken van het geding bevinden zich een brief van mr. A. Moszkowicz aan de Voorzitter van het Hof van 10 maart 2011, waarbij als bijlage is gevoegd zijn brief van 16 februari 2010 aan de strafgriffie van het Hof, alsook een brief van de strafgriffie van het Hof aan mr. Moskowicz van 27 april 2011.

De brief van mr. Moszkowicz van 16 februari 2010 houdt de mededeling in dat hij de verdachte als raadsman zal bijstaan. De inhoud van de brief van de strafgriffie van het Hof van 27 april 2011 biedt grond voor het ernstige vermoeden dat deze stelbrief ter griffie van het Hof is ontvangen doch aldaar vervolgens in het ongerede is geraakt.

Bij de stukken bevindt zich tevens het dubbel van de dagvaarding in hoger beroep. Noch uit mededelingen gesteld op dat dubbel noch uit enig ander aan de Hoge Raad gezonden stuk kan blijken dat een afschrift van die dagvaarding aan mr. Moszkowicz is gezonden.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is aldaar noch de verdachte noch diens raadsman verschenen.

Hieruit vloeit het ernstige vermoeden voort dat ten aanzien van de dagvaarding in hoger beroep het voorschrift vervat in de tweede volzin van art. 51 Sv niet is nageleefd.

Dit in het belang van de verdachte gegeven voorschrift is van zo grote betekenis dat, al is dit niet uitdrukkelijk in de wet bepaald, de niet-nakoming ervan moet worden geacht aan een geldige behandeling van de zaak ter terechtzitting buiten tegenwoordigheid van de verdachte en diens raadsman in de weg te staan.

Het middel, dat daarover klaagt, is dus terecht voorgesteld.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^