OM-cassatie tegen niet-ontvankelijkverklaring OM in de vervolging, opportuniteitsbeginsel art. 167 Sv

Hoge Raad 6 november 2012, LJN BX4280 Feiten

Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 29 oktober 2010 het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk verklaard in zijn strafvervolging.

Aan de verdachte was tenlastegelegd dat: "hij op of omstreeks 1 maart 2008 te Oisterwijk opzettelijk mishandelend (met kracht) een stok, althans een (hard) voorwerp tegen het lichaam van een persoon (te weten [betrokkene 1]) heeft gegooid/gesmeten, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden."

Van de zijde van de verdachte is het verweer gevoerd dat het OM in zijn strafvervolging niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard, omdat het in de onderhavige zaak niet tot een beslissing tot (verdere) vervolging had mogen komen. Daartoe is primair aangevoerd dat deze strafrechtelijke vervolging in strijd is met de beginselen van een goede procesorde ex art. 167, tweede lid, Sv, waaronder en meer in het bijzonder met het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging.

De raadsman heeft ter onderbouwing van zijn (primaire) standpunt in zijn pleitnota een zevental redenen aangevoerd, die - zeker in onderlinge samenhang bezien - volgens de raadsman in de onderhavige zaak de conclusie rechtvaardigen dat niet tot een strafrechtelijke vervolging had mogen worden overgegaan, te weten:

  1. Het gaat om een uniek incident dat zich heeft afgespeeld in de bossen van Oisterwijk en waarvan de kans zeer klein is dat dit zich ooit nog zal herhalen; er is geen sprake van een deuk in de rechtsorde die strafrechtelijk glad gestreken dient te worden.
  2. Dit incident raakt duidelijk niet de kern van de delictsomschrijving van mishandeling, strafbaar gesteld bij artikel 300 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht.
  3. Partijen hebben zeer wisselende lezingen over wat zich precies heeft afgespeeld. De feiten staan niet vast.
  4. Het openbaar ministerie heeft besloten om [verdachte] te vervolgen, terwijl het de aangifte van [verdachte] tegen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] heeft geseponeerd hetgeen in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.
  5. Deze strafrechtelijke vervolging heeft een enorme impact op [verdachte], een internist die, anders dan als slachtoffer, nog nooit met politie en justitie in aanraking is gekomen.
  6. Er bevinden zich voldoende aanwijzingen in het politiedossier waaruit blijkt dat aangeefster en haar vriendin [verdachte] fors getergd hebben en, op zijn zachtst gezegd, mede debet zijn aan een compleet onnodig opgefokte en bedreigende situatie welke was ontstaan door dat gedrag.
  7. Aangeefster heeft zelf nooit een strafrechtelijke vervolging van [verdachte] gewenst, zoals zij ook uitdrukkelijk in haar aangifte op 1 maart 2008 bij de politie heeft verklaard. Wat haar betreft was de zaak afgedaan als verdachte op zijn gedrag werd aangesproken.

Subsidiair bepleit de raadsman dat, gelet op de door hem genoemde punten, bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld, terwijl de rechtsgevolgen hiervan ook niet uit de wet blijken, en het verzuim zodanig is dat van een behandeling van de zaak die voldoet aan de beginselen van een behoorlijke procesorde geen sprake is, zodat dit op grond van art. 359a Sv dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Het Hof heeft het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging. Het Hof heeft daartoe het volgende overwogen:

“Krachtens het in artikel 167, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering neergelegde opportuniteitsbeginsel, is het aan het openbaar ministerie om te beslissen of - en zo ja - wie vervolgd wordt. Hierbij heeft het openbaar ministerie een ruime discretionaire bevoegdheid. Slechts indien zou blijken dat het openbaar ministerie bij zijn vervolgingsbeslissing zou handelen in strijd met de wet, een verdrag, of enig beginsel van een goede procesorde, zou dit de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie kunnen raken. 

Met het hof in de op 6 juli 2010 gewezen beschikking in de procedure ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering is het hof van oordeel dat, gelet op de omstandigheden van de onderhavige zaak, een verzoeningsgesprek met alle partijen meer in de rede had gelegen dan een strafrechtelijke procedure. Dit is echter op zichzelf genomen nog geen reden om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren. Voorop staat immers dat over het algemeen terughoudendheid moet worden betracht bij het niet-ontvankelijkverklaren van het openbaar ministerie op grond van het ontbreken van een redelijke en billijke belangenafweging bij het openbaar ministerie. Naar het oordeel van het hof kunnen de door de verdediging genoemde omstandigheden als hierboven onder 1° tot en met 7° weergegeven, elk afzonderlijk beschouwd, dan ook niet (zonder meer) leiden tot de conclusie dat er sprake is van een vervolgingsbeslissing die in strijd is te achten met de beginselen van een goede procesorde. Dit kan evenwel anders zijn als de omstandigheden tezamen en in onderlinge samenhang worden beschouwd. Hiervan is ook in dit uitzonderlijke geval sprake. Gelet op de genoemde omstandigheden, tezamen en in onderlinge samenhang beschouwd, en de geringe ernst van het ten laste gelegde feit is het hof van oordeel dat er geen sprake kan zijn geweest van een redelijke en billijke belangenafweging en heeft het openbaar ministerie derhalve gehandeld in strijd met de beginselen van een goede procesorde."

Tegen deze uitspraak is door het Openbaar Ministerie cassatieberoep ingesteld.

Middel

Het middel keert zich tegen het oordeel van het Hof dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard in de strafvervolging van verdachte.

Beoordeling Hoge Raad

In art. 167, eerste lid, Sv is - zoals het Hof terecht tot uitgangspunt heeft genomen - aan het openbaar ministerie de bevoegdheid toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde, voor zover hier van belang met het verbod van willekeur - dat in strafrechtspraak in dit verband ook wel wordt omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging - om de reden dat geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. Indien een rechter op deze grond tot het oordeel komt dat sprake is van een uitzonderlijk geval waarin het openbaar ministerie om die reden niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging, gelden voor deze beslissing zware motiveringseisen.

Het oordeel van het Hof dat in de gegeven omstandigheden "geen sprake kan zijn geweest van een redelijke en billijke belangenafweging" geeft ofwel blijk van een onjuiste rechtsopvatting, ofwel is ontoereikend gemotiveerd. Het eerste is het geval als het Hof de hiervoor weergegeven, tot terughoudendheid nopende, maatstaf heeft miskend. Heeft het Hof zulks niet miskend, dan is, gelet op de voor deze beslissing geldende zware motiveringseisen, zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd, mede in aanmerking genomen dat

  • niet tot uitdrukking is gebracht hoe het standpunt van het Openbaar Ministerie ten aanzien van het belang bij de onderhavige strafvervolging is meegewogen, en
  • niet nader is uiteengezet waarom de door de verdediging aangevoerde omstandigheden, zoals in 's Hofs overwegingen onder 1e tot en met 7e samengevat, die naar het oordeel van het Hof afzonderlijk beschouwd niet de conclusie kunnen dragen dat het instellen van de strafvervolging onverenigbaar is met beginselen van een behoorlijke procesorde, terwijl het Hof de feitelijke juistheid van een en ander in het midden heeft gelaten, in onderlinge samenhang beschouwd wèl tot het oordeel moeten leiden dat de vervolgingsbeslissing in strijd is met het verbod van willekeur.

Het middel is terecht voorgesteld.

 

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Gevolgen overschrijding redelijke termijn in eerste cassatieprocedure

Hoge Raad 6 november 2012, LJN BX8507 Verdachte is - na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad - bij arrest van 4 januari 2011 door het Gerechtshof te 's-Gravenhage veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren voor het medeplegen van moord.

Het middel klaagt in de eerste plaats dat onbegrijpelijk is het oordeel van het Hof dat aan de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn in de eerste cassatieprocedure geen nadere gevolgen behoeven te worden verbonden.

Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, in:

"Na het instellen van beroep in cassatie op 2 juli 2009 is het dossier op 4 februari 2010 ingezonden naar de Hoge Raad der Nederlanden. Deze heeft op 4 januari 2011 arrest gewezen en de zaak teruggewezen naar het gerechtshof, waarop onderhavige beslissing wordt gegeven. Naar het oordeel van het hof is het tijdsverloop tussen het instellen van beroep in cassatie door de verdachte (2 juli 2009) en de verzending van het dossier naar de Hoge Raad der Nederlanden (4 februari 2010), te weten meer dan zes maanden, zodanig dat in deze fase van het geding de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, is overschreden. Het hof stelt deze overschrijding van de redelijke termijn vast, maar verbindt daaraan, gelet op de (relatief) beperkte mate van overschrijding en de voortvarende behandeling van de zaak nadien, geen verdere gevolgen." 

Beoordeling Hoge Raad

Vooropgesteld moet worden dat het rechtsgevolg dat de feitenrechter heeft verbonden aan de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn, in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst (vgl. HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008/358, rov. 3.7). Het Hof heeft geoordeeld dat, gelet op de (relatief) beperkte overschrijding van de redelijke termijn tijdens de eerste cassatieprocedure en de voortvarende behandeling van de zaak na terugwijzing door de Hoge Raad, geen verdere gevolgen behoeven te worden verbonden aan de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk.

Voor zover het middel daarover klaagt, faalt het.

Het middel klaagt voorts dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de onderhavige cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

Deze klacht is gegrond. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de onderhavige cassatiefase is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van vijftien jaren.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Overname Duitse ontnemingsmaatregel

Hoge Raad 30 oktober 2012, LJN BX4537 Feiten

De Rechtbank te Roermond heeft in haar uitspraak van 31 januari 2012 de tenuitvoerlegging in Nederland van de rechterlijke beslissing van het Landgericht Duisburg (Bondsrepubliek Duitsland) van 13 september 2006 ter zake van de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel toelaatbaar verklaard en verlof verleend tot tenuitvoerlegging in Nederland van de voormelde rechterlijke beslissing. De Rechtbank heeft aan veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van € 23.900,- ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Middel

Het middel behelst de klacht dat de Rechtbank art. 31a WOTS heeft geschonden doordat zij niet naar de Nederlandse maatstaven, vastgelegd in art. 36e Sr, de door de veroordeelde gemaakte kosten in mindering heeft gebracht op het door de Duitse rechter vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel.

Beoordeling van het tweede middel

Voor zover het middel klaagt dat de Rechtbank haar oordeel dat voor een nieuwe inhoudelijke beoordeling van de feiten geen plaats is, ten onrechte heeft gegrond op Kaderbesluit nr. 2006/783/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 6 oktober 2006 (PbEU L 328/59) inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen tot confiscatie, is het terecht voorgesteld.

De Hoge Raad verwijst hierbij naar de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 14 tot en met 19. Die gronden komen - kort gezegd - op het volgende neer:

  1. Aan de onderhavige zaak ligt geen verzoek ten grondslag dat is gebaseerd op het Kaderbesluit maar een verzoek dat is gebaseerd op de artikelen 13 e.v. Verdrag inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven.
  2. Aan een Kaderbesluit komt geen rechtstreekse werking toe. In zoverre lijkt de Rechtbank daarom ten onrechte de artikelen 4, 5, 6 en 7 uit het Kaderbesluit aan in de toegepaste artikelen.
  3. Voorts ziet de Rechtbank eraan voorbij dat het Kaderbesluit in Nederland is geïmplementeerd in de huidige Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging strafrechtelijke sancties 2008 (hierna: WETSS).(9) De Wet voorziet - kort gezegd - in de tenuitvoerlegging van door de justitiële autoriteit van de uitvaardigende lidstaat door de justitiële autoriteit in de uitvoerende lidstaat (de Officier van Justitie bij het arrondissementsparket te Leeuwarden: artikel 4 WETSS 2008). De WOTS is met andere woorden op de wederzijdse erkenning niet van toepassing.
  4. Wat de Rechtbank in feite doet, is een kaderbesluitconforme uitleg van de WOTS. Hiertegen verzet zich niet het feit dat de Nederlandse wetgeving in een afzonderlijke procedure voorziet die is toegesneden op de implementatie van het Kaderbesluit. In Pupino overwoog het HvJ EG immers dat de nationale rechter 'alle bepalingen van nationaal recht in aanmerking [moet] nemen en deze zo veel mogelijk [moet] uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van het kaderbesluit.'
  5. Het probleem is echter dat het Kaderbesluit niet van toepassing is op het onderhavige verzoek tot ontneming. Het Kaderbesluit en de daarin opgenomen erkenning van de confiscatiebeslissing heeft alleen betrekking op een confiscatiebeslissing die overeenkomstig artikel 4 lid 1 Kaderbesluit is 'toegezonden aan de bevoegde autoriteit van een lidstaat waar, volgens redelijke vermoedens van de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat, de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie de beslissing tot confiscatie is opgelegd, eigendom of inkomen heeft.' Het onderhavige verzoek is niet toegezonden aan de Officier van Justitie bij het arrondissementsparket te Leeuwarden. Reeds om deze reden kan het Kaderbesluit niet worden toegepast en kan van een kaderbesluitconforme uitleg van de WOTS geen sprake zijn.

De gegrondheid van de klacht behoeft echter op grond van het navolgende niet te leiden tot vernietiging van de bestreden uitspraak, aldus de Hoge Raad.

De Rechtbank heeft vastgesteld dat het onderhavige verzoek tot erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissing tot, kort gezegd, confiscatie van wederrechtelijk verkregen voordeel, door de verzoekende Staat is gebaseerd op art. 13 van het Verdrag inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven (Straatsburg 8 november 1990, Trb. 172, hierna: het Witwasverdrag). Op de behandeling van een op het Witwasverdrag gegrond verzoek zijn de bepalingen van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen toepasselijk.

Krachtens art. 14, tweede lid, van het Witwasverdrag is (de rechter in) de aangezochte Staat gebonden aan de vaststelling van feiten, voor zover deze feiten zijn uiteengezet in de rechterlijke uitspraak waarvan erkenning en tenuitvoerlegging wordt verzocht, of voor zover die rechterlijke uitspraak impliciet op de vaststelling van deze feiten berust. Ook in art. 28, derde lid, WOTS is bepaald dat de rechter bij beoordeling van een verzoek als het onderhavige is gebonden aan de vaststelling van de feiten die de buitenlandse rechter kennelijk aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd.

Het oordeel van de Rechtbank dat voor een nieuwe inhoudelijke beoordeling van de feiten geen plaats is, is derhalve juist en draagt haar beslissing zelfstandig.

Het middel faalt.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

HR: De verwijzing naar de tapgesprekken voldoet niet aan het vereiste van nauwkeurigheid en delen van de bewezenverklaring worden voorts niet door de inhoud van de bewijsvoering geschraagd

Hoge Raad 30 oktober 2012, LJN BX4762 Feiten

Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 6 september 2011 het vonnis in eerste aanleg waarbij verdachte is veroordeeld wegens medeplichtigheid aan diefstal voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen bevestigd, behalve ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing ten aanzien van de benadeelde partij.

Middel

Het eerste middel klaagt dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.

Beoordeling Hoge Raad

De werkwijze in de onderhavige zaak ten aanzien van de bewijsmotivering komt hierop neer dat de beslissing dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, steunt op een bewijsredenering waarin de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen zakelijk is samengevat, en waarin voor de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewijsbeslissing steunt, wordt verwezen naar de bewijsmiddelen waaraan deze feiten en omstandigheden zijn ontleend. In zo'n geval behoort de verwijzing naar de bewijsmiddelen zo nauwkeurig te zijn dat kan worden beoordeeld of de bewezenverklaring in toereikende mate steunt op de inhoud van wettige bewijsmiddelen en of de samenvatting geen ongeoorloofde conclusies of niet-redengevende onderdelen inhoudt dan wel of de bewijsmiddelen niet zijn gedenatureerd (vgl. HR 15 mei 2007, LJN BA0424, NJ 2007/367 rov. 5.6.1).

In de bewijsmotivering zijn aan tapverslagen ontleende feiten en omstandigheden vermeld die het Hof kennelijk redengevend heeft geacht voor de bewezenverklaring. De verwijzing in voetnoot 5 naar "p. 14 076 t/m 14 122 (geschriften, te weten de weergave van tapgesprekken)" voldoet echter niet aan de vereiste mate van nauwkeurigheid.

Voorts is de bewezenverklaring voor zover behelzende de volgende woorden of zinsneden: (i) "[betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4]", (ii) "te Amsterdam", "[heeft weggenomen een tas] met daarin onder andere een geldbedrag van 2500 euro", (iii) "[dat hij, verdachte of zijn mededader] tegen [betrokkene 5] heeft geroepen "je hebt nog meer geld bij je, je hebt nog meer geld" en aan de tas van [betrokkene 5] heeft gerukt", niet naar de eis der wet met redenen omkleed, aangezien deze woorden of zinsneden niet door de inhoud van de bewijsvoering worden geschraagd.

De bewezenverklaring is aldus ontoereikend gemotiveerd. Het middel klaagt daarover terecht.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

HR: Uit de bewijsvoering van het Hof kan niet zonder meer volgen dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van twee personen door een fiets van een flat naar beneden te gooien

Hoge Raad 30 oktober 2012, LJN BX5396 Feiten

Het Gerechtshof te Amsterdam heeft verdachte veroordeeld wegens

  1. poging tot doodslag, meermalen gepleegd en
  2. opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen

tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Middel

Het middel klaagt onder meer dat uit 's Hofs bewijsvoering niet valt af te leiden dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dodelijk letsel bewust heeft aanvaard.

Beoordeling Hoge Raad

Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier de dood van betrokkene 1 en betrokkene 2 - is aanwezig indien de verdachte zich bewust heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich bewust heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard (vgl. HR 25 maart 2003, LJN AE9049, NJ 2003/552).

In zijn nadere bewijsoverweging heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en in die nadere bewijsoverweging vastgestelde omstandigheden de verdachte zich op zijn minst bewust heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zouden komen te overlijden en meer in het bijzonder dat de verdachte die kans met zijn wijze van handelen ook welbewust heeft aanvaard en op de koop heeft toegenomen. Uit die omstandigheden kan dit evenwel niet zonder meer volgen. De bewezenverklaring van feit 1 is derhalve niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^