OM-cassatie. Motivering vrijspraak. Gebruik getuigenverklaringen voor het bewijs.

Hoge Raad 18 september 2012, LJN BX4559 De verdachte is bij arrest door het Gerechtshof te Amsterdam vrijgesproken van het hem ten laste gelegde, te weten primair medeplegen van een woninginbraak en subsidiair opzettelijke dan wel culpoze heling.

Het heeft hierbij het volgende overwogen: Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Op 24 juni 2006 tussen 01:30 uur en 08:45 uur werd er ingebroken in de woning. Bij deze inbraak werd onder andere een computer weggenomen. Op 24 juni 2006 tussen 18:19 en 18:35 uur werd er met deze computer ingelogd op MSN vanaf het (unieke) IP-adres b-straat 1 te Amersfoort. Dit is het woonadres van de broers, betrokkene 1 en 2. Zij hebben beiden bij de politie verklaard dat betrokkene 2 de computer heeft gekocht van verdachte. Ter zitting van de politierechter zijn zij beiden teruggekomen op hun bij de politie afgelegde verklaring. De verklaringen zoals afgelegd bij de politie van betrokkene 1 en 2 zijn de enige bewijsmiddelen waaruit verdachtes betrokkenheid bij het tenlastegelegde feit rechtstreeks kan volgen. Gelet op het feit dat de verklaringen van betrokkene 1 en 2 zoals afgelegd bij de politie de enige bewijsmiddelen zijn waaruit verdachtes betrokkenheid bij het tenlastegelegde feit rechtstreeks kan volgen en zij bij de politierechter hun belastende verklaringen hebben ingetrokken, ligt het, volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad in de rede dat deze getuigen ook ter terechtzitting van het hof gehoord worden zodat het hof zich een oordeel kan vormen omtrent de betrouwbaarheid van de verklaringen. Het OM had dat kunnen en moeten voorzien. Het hof ziet geen reden om ambtshalve alsnog te bepalen dat beide broers gehoord moeten worden. Het betreft een relatief oude zaak met een, intussen, beperkt belang, nu deze zaak onderdeel is van een reeks soortgelijke feiten waarvoor verdachte wel is veroordeeld. Het hof zal verdachte vrijspreken.

Middel

Het middel behelst de klacht dat het (impliciete) oordeel van het Hof dat de in het opsporingsonderzoek afgelegde belastende verklaringen van de broers (betrokkene 1 en 2) niet voor het bewijs gebezigd konden worden nu zij beiden deze verklaringen bij de Politierechter hebben ingetrokken en zij derhalve als getuigen op de terechtzitting van het Hof gehoord hadden moeten worden opdat het Hof zich een oordeel had kunnen vormen omtrent de betrouwbaarheid van deze verklaringen, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans dat dit oordeel ontoereikend is gemotiveerd.

Hoge Raad

Het Hof heeft in zijn hiervoor weergegeven motivering van de vrijspraak overwogen dat het uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen dat de verdachte het hem primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan. In deze overwegingen heeft het Hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat het voorhanden wettige bewijsmateriaal - in het bijzonder de bij de politie afgelegde verklaringen van betrokkene 1 en 2 die de enige bewijsmiddelen vormen waaruit verdachtes betrokkenheid bij het hem tenlastegelegde rechtstreeks kan volgen - overtuigingskracht mist, aangezien deze verklaringen ten overstaan van de Politierechter zijn ingetrokken en het Hof zich geen oordeel heeft kunnen vormen over de betrouwbaarheid van deze verklaringen. Deze - niet onbegrijpelijke - motivering kan zijn oordeel zelfstandig dragen. Daaraan kan de in deze overwegingen tevens opgenomen verwijzing naar het aldaar vermelde arrest van de Hoge Raad niet afdoen. Daarop stuit het middel af.

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Klik hier voor de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Art. 588a Sv toezending opgegeven adres

Hoge Raad 18 september 2012, LJN BX4497 De Enkelvoudige Kamer van het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest verdachte bij verstek veroordeeld wegens het "als bestuurder van een motorrijtuig daarmede op een weg rijden zonder dat er voor dat motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen is gesloten en in stand gehouden".

Het middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte niet heeft onderzocht of de appeldagvaarding geldig was uitgebracht, althans ten onrechte de behandeling van het hoger beroep niet heeft aangehouden, althans ontoereikend heeft gemotiveerd waarom nietigheid van de appeldagvaarding of aanhouding achterwege kon blijven.

De stukken van het geding houden het volgende in:

  1. Nadat de inleidende dagvaarding overeenkomstig art. 588, derde lid onder c, Sv in verbinding met art. 3 Besluit kennisgeving gerechtelijke mededelingen is uitgereikt aan de griffier, is de verdachte bij vonnis van 2 december 2009 bij verstek door de Kantonrechter veroordeeld.
  2. Namens de verdachte heeft betrokkene 1, ambtenaar ter griffie van de Rechtbank Rotterdam, op 8 maart 2010 hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. De appelakte vermeldt als adres van de verdachte a-straat 1 A in plaats C.
  3. De aan de akte rechtsmiddel gehechte schriftelijke bijzondere volmacht van de verdachte zoals bedoeld in art. 450, eerste lid onder b, Sv vermeldt als adres van de verdachte b-straat 1 B in plaats C.
  4. De dagvaarding van de verdachte in hoger beroep om te verschijnen op de terechtzitting van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 21 juli 2010 is op 20 april 2010 tevergeefs aangeboden op het adres a-straat 1 A in plaats C en vervolgens - na niet te zijn afgehaald op het postkantoor - op 4 mei 2010 uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank te 's-Gravenhage, waarbij is voldaan aan de vijf-dagentermijn. Bovendien is op 4 mei 2010 een afschrift van de dagvaarding verzonden naar het GBA-adres van de verdachte.
  5. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 21 juli 2010 vermeldt als adres van de verdachte a-straat 1 A in plaats C. Dit proces-verbaal houdt voorts in dat de verdachte niet ter terechtzitting is verschenen en dat het Hof verstek tegen hem heeft verleend. Vervolgens heeft de behandeling van de zaak plaatsgevonden en is de verdachte bij arrest van diezelfde datum veroordeeld.

Hoge Raad

De vermelding van het adres b-straat 1 B te plaats C in de genoemde volmacht kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als de opgave van een adres in de zin van art. 588a, eerste lid aanhef onder c, Sv waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. Gelet daarop mag de omstandigheid dat de vermelding van dit adres in de ter griffie opgemaakte appelakte achterwege is gebleven, niet ten nadele van de verdachte strekken.

Uit de stukken van het geding kan niet blijken dat een afschrift van de appeldagvaarding aan dit adres is toegezonden, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit niet is geschied. Evenmin houden de stukken iets in waaruit kan volgen dat die verzending ingevolge het derde lid van art. 588a Sv achterwege kon blijven. Daarom had het Hof ervan blijk moeten geven te hebben onderzocht of er reden was het onderzoek ter terechtzitting te schorsen teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek op de terechtzitting tegenwoordig te zijn. Van een zodanig onderzoek blijkt niet. Dat verzuim leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak.

De klacht is gegrond.

Klik hier voor de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Bewijsklacht, uitleg van "teniet doen van een inschuld". De Hoge Raad leest de bewezenverklaring met herstel van een misslag. Slagende bewijsklacht met betrekking tot pleegplaats.

Hoge Raad 18 september 2012, LJN BX3653 Feiten

Verzoeker is bij arrest van 25 januari 2011 door het Gerechtshof te Amsterdam veroordeeld wegens 1 medeplegen van oplichting en 2 primair medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Eerste middel

Het eerste middel keert zich tegen het onder 1 bewezenverklaarde feit en behelst de klacht dat het Hof is uitgegaan van een onjuiste uitleg van de woorden "teniet doen van een inschuld" door daaronder (mede) "het aangaan van het verstrekken van een hypothecaire geldlening" te begrijpen, althans dat niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen dat sprake is van het 'tenietdoen van een inschuld' in de zin van art. 326 Sr.

Ten laste van verzoeker is onder 1 door het Hof bewezen verklaard dat hij in de periode van 01 juni 2005 tot en met 10 juli 2007 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels, Zwitserleven en/of UCB Hypotheken BV heeft bewogen tot het teniet doen van een inschuld (te weten het aangaan van het verstrekken van een hypothecaire geldlening) en tot de afgifte van een geldbedrag (Euro 178.000,-), hebbende verdachte met voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid (zoals uit de door verdachte en/of medeverdachte aan de Hypotheekshop BV te Utrecht en/of UCB Hypotheken BV en/of Zwitserleven verstrekte werkgeversverklaring en salarisstrook over de maand juni 2005 blijkt) de hoedanigheid aangenomen van een bonafide werknemer van [A] BV door zich voor te doen alsof hij, verdachte, - een arbeidsovereenkomst had voor onbepaalde tijd of is aangesteld in vaste dienst bij [A] BV sinds 09 januari 2004 (in de functie van meewerkend voorman) en - een maandsalaris had van (ongeveer) Euro 2.239,00 en - een brutoloon SV (jaarsalaris) had van (ongeveer) Euro 17.345,62 en - de uitbetaling van de hiervoor genoemde salaris/tegoeden plaatsvond op rekeningnummer [001], ten name van hem, verdachte, waardoor Zwitserleven en/of UCB Hypotheken BV werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

De door het Hof gebezigde bewijsmiddelen laten het volgende beeld zien. ZwitserLeven houdt zich onder meer bezig met het verstrekken van hypothecaire geldleningen als gevolmachtigde van UCB Hypotheken B.V., waarbij UCB Hypotheken als geldschieter optreedt en ZwitserLeven als bemiddelaar. Op 23 augustus 2005 ontving ZwitserLeven een aanvraag voor een hypotheek via een tussenpersoon (de Hypotheekshop). De aanvraag betrof een hypothecaire lening voor een bedrag van € 178.000,- in verband met oversluiting van de hypotheek met betrekking tot een pand te Utrecht. Bij deze aanvraag zijn als bijlagen een werkgeversverklaring van A (ondertekend door betrokkene 1) en een salarisspecificatie aangeleverd. Nadat het acceptatieproces was doorlopen is de hypotheek op 16 november 2005 gepasseerd bij de notaris en is de geldlening door ZwitserLeven dan wel UCB Hypotheken verstrekt. Door informatie van een ambtenaar van de gemeente Eindhoven, afdeling Sociale zaken, is duidelijk geworden dat de schuldenaar sinds 1984 een sociale uitkering heeft gehad via UWV in verband met arbeidsongeschiktheid. Bij het UWV was in het jaar 2005 geen geregistreerd dienstverband van verzoeker bekend. De halfzus van verzoeker, betrokkene 1, heeft op verzoek van verzoeker een werkgeversverklaring en een loonstrook opgemaakt ten behoeve van het oversluiten van de hypotheek. Verzoeker zelf heeft verklaard dat het zou kunnen dat hij een werkgeversverklaring en loonstrook heeft aangeleverd en dat hij de werkgeversverklaring aan zijn halfzus heeft gevraagd. ZwitserLeven had voornoemde hypothecaire lening nooit geoffreerd als zij had geweten dat er vermoedelijk sprake was van het opgeven van niet juiste gegevens/bescheiden.

Het Hof is gekomen tot bewezenverklaring van het "teniet doen van een inschuld" door (tussen haakjes geplaatst) "het aangaan van het verstrekken van een hypothecaire geldlening". Door de in de bewezenverklaring omschreven oplichtingshandelingen heeft verzoeker ZwitserLeven en/of UCB Hypotheken BV ertoe bewogen dat hij zijn hypotheek kon oversluiten en dat aan verzoeker een geldbedrag van € 178.000,- werd afgegeven. Namens ZwitserLeven is verklaard dat de hypothecaire lening nooit zou zijn geoffreerd als zij had geweten dat er vermoedelijk sprake was van het opgeven van niet juiste gegevens/bescheiden.

Hoge Raad

De bewijsmiddelen houden in dat de verdachte zijn hypotheek wilde oversluiten en daartoe door middel van een valselijk opgemaakte werkgeversverklaring en loonstrook Zwitserleven en/of UCB Hypotheken BV heeft bewogen tot de verstrekking van een hypothecaire lening van € 178.000,-.

De Hoge Raad neemt aan dat als gevolg van een kennelijke misslag de tussen haakjes geplaatste nadere aanduiding "te weten het aangaan van het verstrekken van een hypothecaire geldlening" in de bewezenverklaring van feit 1 is opgenomen. De Hoge Raad leest de bewezenverklaring met herstel van deze misslag. Aangezien in die lezing de aard en de ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd niet worden aangetast, behoeft 's Hofs kennelijke vergissing niet tot cassatie te leiden.

AG Hofstee over "teniet doen van een inschuld"

Met betrekking tot art. 326 Sr is de gangbare opvatting dat men de bestanddelen "het aangaan van een schuld" en "het tenietdoen van een inschuld" ruim moet uitleggen en dat de strafrechter hierbij niet gebonden is aan de civielrechtelijke betekenis van deze begrippen.

Tweede middel

Het tweede middel klaagt dat de bewezenverklaring van feit 2 primair niet naar de eis der wet met redenen is omkleed nu uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat het bewezenverklaarde feit (telkens) te Utrecht is gepleegd.

Hoge Raad

Uit de bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat, zoals onder 2 is bewezenverklaard, het feit is gepleegd in Utrecht. De motivering van de bewezenverklaring schiet in zoverre dan ook tekort.

Het middel slaagt.

AG Hofstee

Een bewijsmiddel waaruit kan worden afgeleid dat verzoeker (tezamen en in vereniging met een ander) een werkgeversverklaring en salarisstrook valselijk heeft opgemaakt te Utrecht ontbreekt.

Uit verschillende arresten van de laatste jaren op dit punt volgt dat de Hoge Raad een strenge lijn hanteert. "Wellicht is er blijkens HR 7 juni 2011, LJN BQ3148 sprake van een lichte verruiming, in die zin dat daarin het ontbreken van een pleegplaats werd 'gered' door de korte tijdspanne die was verstreken tussen het moment van aanhouding van de verdachte te Rotterdam en het tijdstip waarop hij zijn medewerking aan het hem bevolen ademonderzoek weigerde alsmede het gegeven dat de desbetreffende opsporingsambtenaren werkzaam waren bij de politie Rotterdam-Rijnmond.

In de onderhavige zaak zie ik echter geen mogelijkheid tot een dergelijke oprekking. Dat zou anders zijn geweest als bijvoorbeeld betrokkene 1 had verklaard dat zij de werkgeversverklaring en de loonstrook in haar woning dan wel bedrijfspand had vervaardigd en duidelijk zou zijn geweest dat deze woning of dat bedrijfspand in Utrecht gelegen respectievelijk gevestigd is. Van een dergelijke verklaring is echter geen sprake. De enige link met Utrecht bestaat hierin dat de hypotheek via De Hypotheekshop te Utrecht is aangevraagd (bewijsmiddel 1) en dat het pand met betrekking waartoe de hypotheek werd overgesloten is gelegen aan de a-straat te Utrecht (bewijsmiddelen 1 en 6). Dat is echter onvoldoende om te komen tot bewezenverklaring van Utrecht als pleegplaats van het bewezenverklaarde feit.”

Print Friendly and PDF ^

Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Afwijking door het Hof zonder opgave van de redenen die daartoe hebben geleid. Dat verzuim heeft ex art. 359 lid 8 Sv nietigheid tot gevolg.

Hoge Raad 18 september 2012, LJN BX4434 Feiten

B is een autobedrijf en dealer van A te Aalsmeer. De echtgenoot van verdachte is directeur van B. Verdachte is in dat bedrijf werkzaam; ze ondersteunt de boekhouding van het bedrijf.

Ten laste van verdachte heeft het Hof bewezen verklaard dat ze samen met een ander (haar echtgenoot) in de periode van oktober 2003 tot en met 5 januari 2004 grote geldbedragen voorhanden heeft gehad in Aalsmeer en Den Haag, terwijl ze moest vermoeden dat die bedragen onmiddellijk of middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf. Er is voor een bedrag van miljoenen euro's vanaf bankrekeningen van A telkens geld overgemaakt aan B. Vervolgens is dit geld, althans een groot deel ervan, deels in contanten overgedragen aan betrokkene 1, hoofd boekhouding en automatisering bij A, en deels op een rekening van C op naam van betrokkene 1. Het werd zo gezegd rond gepompt. Betrokkene 1 bleek gokverslaafd. In de kern ontkent verdachte de criminele herkomst van het geld.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 februari 2010 heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt in: "Vast staat dat het geld afkomstig is van A. Vast staat dat betrokkene 1 als "curator", als speciaal voor B aangewezen verantwoordelijk directeur geld mocht overmaken naar B. Overtuigend legt betrokkene 1 uit hoe en wat B moet doen met gelden (zie onder andere de betalingen aan C). Het geld wordt zo ook contant op het kantoor van A of elders overgedragen aan betrokkene 1. Gesteld dient te worden dat cliënte aldus het geld onder de hoede, onder de beschikkingsmacht van A bracht. Het misdrijf was nog niet gepleegd. Het misdrijf werd pas een feit toen betrokkene 1 als financieel directeur het geld daadwerkelijk onttrok, verduisterde, aanwendde voor privédoeleinden. Dat betrokkene 1 al aan verduistering dacht toen hij cliënte verzocht gelden over te maken of contant te brengen, maakt nog niet dat het geld dat cliënte overmaakte of bracht dus afkomstig was van misdrijf. betrokkene 1 had het onwetende B wel als werktuig nodig om zijn praktijken uit te kunnen voeren, maar pas op het moment dat hij de gelden daadwerkelijk zelf onttrok en nadien de frauduleuze boekhoudkundige handelingen verrichtte, is het misdrijf verduistering door hem gepleegd. Kortom vrijspraak dient te volgen nu het geld zolang het onder de beschikkingsmacht van cliënte is geweest nog niet verduisterd was door betrokkene 1." 

Voorts heeft de raadsman blijkens het proces-verbaal van die terechtzitting nog het volgende aangevoerd: "De advocaat-generaal stelt dat de wijze waarop de geldbedragen werden rondgepompt, met zich meebrengt dat sprake is van verduistering. De verdediging stelt echter dat betrokkene 1 B heeft gebruikt om geld te kunnen verduisteren. Hij maakte het geld van de rekening van A over naar de rekening van B. Dit geld werd vervolgens weer teruggebracht naar A. Pas nadat het geld naar A was teruggebracht, besloot betrokkene 1 het geld te verduisteren. Het geld is daarmee dus niet afkomstig van een misdrijf. Deze elementen maken, naar het oordeel van de verdediging, dat evenmin sprake is geweest van schuldwitwassen."

Middel

Het middel klaagt dat het Hof in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het door de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt inhoudende dat op het moment dat de verdachte de geldbedragen voorhanden heeft gehad en heeft overdragen, geen sprake was van gelden "van misdrijf afkomstig".

Hoge Raad

Hetgeen door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht met betrekking tot het moment van verduisteren en daarmee tot de bewijsbaarheid van "afkomstig waren uit enig misdrijf", kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het Hof naar voren is gebracht. Het Hof is in zijn arrest van dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt afgeweken, maar heeft, in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv niet in het bijzonder de redenen opgegeven die daartoe hebben geleid. Dat verzuim heeft ingevolge art. 359, achtste lid, Sv nietigheid tot gevolg.

Het middel is terecht voorgesteld.

Klik hier voor de gelijkluidende uitspraak in de zaak van de echtgenoot van verdachte, Hoge Raad 18 september 2012, LJN BX4431.

Print Friendly and PDF ^

Het oordeel van het Hof dat de inbeslaggenomen auto vatbaar is voor verbeurdverklaring, aangezien het een voorwerp is met behulp waarvan het bewezenverklaarde is begaan, is niet zonder meer begrijpelijk

Hoge Raad 18 september 2012, LJN BU7366 Feiten

De bestreden uitspraak houdt als beslissing en motivering van het hof in:

"Beslag De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de inbeslaggenomen personenauto verbeurd zal worden verklaard.

Het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een personenauto Volkswagen Golf, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met behulp van welke het onder 2 bewezenverklaarde is begaan. Het hof zal daarom dit voorwerp verbeurdverklaren."

Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezen verklaard dat hij:

"in de periode van 9 mei 2001 tot en met 21 mei 2007 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk afleveren, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I te bevorderen, anderen heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of inlichtingen te verschaffen, hebbende verdachte en/of een of meer van verdachtes mededaders - kontakten gelegd en/of onderhouden en/of (onder meer telefonische) afspraken gemaakt en/of ontmoetingen en/of besprekingen gehad en/of informatie verzameld en/of uitgewisseld en/of inlichtingen verschaft en/of berichten en/of boodschappen ontvangen en/of doorgegeven en/of verzonden onder meer over de container(s) (met nummer(s) [002] en/of [001]) en - afspraken gemaakt voor het verder transporteren en/of opslaan van (een) container(s) met daarin cocaïne en - contacten onderhouden met zijn mededader(s) en - gezocht naar perso(o)n(en) met een bedrijf die de container(s) (met nummer(s) [002] en/of [001]) met bananen (met daarin de cocaïne) op kon(den) halen."

Middel

Het middel klaagt over de motivering van de verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen personenauto.

Hoge Raad

Het oordeel van het Hof dat de inbeslaggenomen auto vatbaar is voor verbeurdverklaring aangezien het een voorwerp is met behulp waarvan het onder 2 bewezenverklaarde is begaan, is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Het middel klaagt daarover terecht, zodat de bestreden uitspraak in zoverre niet in stand kan blijven.

Advocaat-Generaal Aben

Gelet op de bewezenverklaring, is het oordeel van het hof dat het bewezenverklaarde met behulp van de in het middel bedoelde personenauto is begaan, zonder nadere, doch ontbrekende, motivering niet begrijpelijk. Het middel slaagt.

Print Friendly and PDF ^