Bewijsklacht, uitleg van "teniet doen van een inschuld". De Hoge Raad leest de bewezenverklaring met herstel van een misslag. Slagende bewijsklacht met betrekking tot pleegplaats.

Hoge Raad 18 september 2012, LJN BX3653 Feiten

Verzoeker is bij arrest van 25 januari 2011 door het Gerechtshof te Amsterdam veroordeeld wegens 1 medeplegen van oplichting en 2 primair medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Eerste middel

Het eerste middel keert zich tegen het onder 1 bewezenverklaarde feit en behelst de klacht dat het Hof is uitgegaan van een onjuiste uitleg van de woorden "teniet doen van een inschuld" door daaronder (mede) "het aangaan van het verstrekken van een hypothecaire geldlening" te begrijpen, althans dat niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen dat sprake is van het 'tenietdoen van een inschuld' in de zin van art. 326 Sr.

Ten laste van verzoeker is onder 1 door het Hof bewezen verklaard dat hij in de periode van 01 juni 2005 tot en met 10 juli 2007 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels, Zwitserleven en/of UCB Hypotheken BV heeft bewogen tot het teniet doen van een inschuld (te weten het aangaan van het verstrekken van een hypothecaire geldlening) en tot de afgifte van een geldbedrag (Euro 178.000,-), hebbende verdachte met voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid (zoals uit de door verdachte en/of medeverdachte aan de Hypotheekshop BV te Utrecht en/of UCB Hypotheken BV en/of Zwitserleven verstrekte werkgeversverklaring en salarisstrook over de maand juni 2005 blijkt) de hoedanigheid aangenomen van een bonafide werknemer van [A] BV door zich voor te doen alsof hij, verdachte, - een arbeidsovereenkomst had voor onbepaalde tijd of is aangesteld in vaste dienst bij [A] BV sinds 09 januari 2004 (in de functie van meewerkend voorman) en - een maandsalaris had van (ongeveer) Euro 2.239,00 en - een brutoloon SV (jaarsalaris) had van (ongeveer) Euro 17.345,62 en - de uitbetaling van de hiervoor genoemde salaris/tegoeden plaatsvond op rekeningnummer [001], ten name van hem, verdachte, waardoor Zwitserleven en/of UCB Hypotheken BV werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

De door het Hof gebezigde bewijsmiddelen laten het volgende beeld zien. ZwitserLeven houdt zich onder meer bezig met het verstrekken van hypothecaire geldleningen als gevolmachtigde van UCB Hypotheken B.V., waarbij UCB Hypotheken als geldschieter optreedt en ZwitserLeven als bemiddelaar. Op 23 augustus 2005 ontving ZwitserLeven een aanvraag voor een hypotheek via een tussenpersoon (de Hypotheekshop). De aanvraag betrof een hypothecaire lening voor een bedrag van € 178.000,- in verband met oversluiting van de hypotheek met betrekking tot een pand te Utrecht. Bij deze aanvraag zijn als bijlagen een werkgeversverklaring van A (ondertekend door betrokkene 1) en een salarisspecificatie aangeleverd. Nadat het acceptatieproces was doorlopen is de hypotheek op 16 november 2005 gepasseerd bij de notaris en is de geldlening door ZwitserLeven dan wel UCB Hypotheken verstrekt. Door informatie van een ambtenaar van de gemeente Eindhoven, afdeling Sociale zaken, is duidelijk geworden dat de schuldenaar sinds 1984 een sociale uitkering heeft gehad via UWV in verband met arbeidsongeschiktheid. Bij het UWV was in het jaar 2005 geen geregistreerd dienstverband van verzoeker bekend. De halfzus van verzoeker, betrokkene 1, heeft op verzoek van verzoeker een werkgeversverklaring en een loonstrook opgemaakt ten behoeve van het oversluiten van de hypotheek. Verzoeker zelf heeft verklaard dat het zou kunnen dat hij een werkgeversverklaring en loonstrook heeft aangeleverd en dat hij de werkgeversverklaring aan zijn halfzus heeft gevraagd. ZwitserLeven had voornoemde hypothecaire lening nooit geoffreerd als zij had geweten dat er vermoedelijk sprake was van het opgeven van niet juiste gegevens/bescheiden.

Het Hof is gekomen tot bewezenverklaring van het "teniet doen van een inschuld" door (tussen haakjes geplaatst) "het aangaan van het verstrekken van een hypothecaire geldlening". Door de in de bewezenverklaring omschreven oplichtingshandelingen heeft verzoeker ZwitserLeven en/of UCB Hypotheken BV ertoe bewogen dat hij zijn hypotheek kon oversluiten en dat aan verzoeker een geldbedrag van € 178.000,- werd afgegeven. Namens ZwitserLeven is verklaard dat de hypothecaire lening nooit zou zijn geoffreerd als zij had geweten dat er vermoedelijk sprake was van het opgeven van niet juiste gegevens/bescheiden.

Hoge Raad

De bewijsmiddelen houden in dat de verdachte zijn hypotheek wilde oversluiten en daartoe door middel van een valselijk opgemaakte werkgeversverklaring en loonstrook Zwitserleven en/of UCB Hypotheken BV heeft bewogen tot de verstrekking van een hypothecaire lening van € 178.000,-.

De Hoge Raad neemt aan dat als gevolg van een kennelijke misslag de tussen haakjes geplaatste nadere aanduiding "te weten het aangaan van het verstrekken van een hypothecaire geldlening" in de bewezenverklaring van feit 1 is opgenomen. De Hoge Raad leest de bewezenverklaring met herstel van deze misslag. Aangezien in die lezing de aard en de ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd niet worden aangetast, behoeft 's Hofs kennelijke vergissing niet tot cassatie te leiden.

AG Hofstee over "teniet doen van een inschuld"

Met betrekking tot art. 326 Sr is de gangbare opvatting dat men de bestanddelen "het aangaan van een schuld" en "het tenietdoen van een inschuld" ruim moet uitleggen en dat de strafrechter hierbij niet gebonden is aan de civielrechtelijke betekenis van deze begrippen.

Tweede middel

Het tweede middel klaagt dat de bewezenverklaring van feit 2 primair niet naar de eis der wet met redenen is omkleed nu uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat het bewezenverklaarde feit (telkens) te Utrecht is gepleegd.

Hoge Raad

Uit de bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat, zoals onder 2 is bewezenverklaard, het feit is gepleegd in Utrecht. De motivering van de bewezenverklaring schiet in zoverre dan ook tekort.

Het middel slaagt.

AG Hofstee

Een bewijsmiddel waaruit kan worden afgeleid dat verzoeker (tezamen en in vereniging met een ander) een werkgeversverklaring en salarisstrook valselijk heeft opgemaakt te Utrecht ontbreekt.

Uit verschillende arresten van de laatste jaren op dit punt volgt dat de Hoge Raad een strenge lijn hanteert. "Wellicht is er blijkens HR 7 juni 2011, LJN BQ3148 sprake van een lichte verruiming, in die zin dat daarin het ontbreken van een pleegplaats werd 'gered' door de korte tijdspanne die was verstreken tussen het moment van aanhouding van de verdachte te Rotterdam en het tijdstip waarop hij zijn medewerking aan het hem bevolen ademonderzoek weigerde alsmede het gegeven dat de desbetreffende opsporingsambtenaren werkzaam waren bij de politie Rotterdam-Rijnmond.

In de onderhavige zaak zie ik echter geen mogelijkheid tot een dergelijke oprekking. Dat zou anders zijn geweest als bijvoorbeeld betrokkene 1 had verklaard dat zij de werkgeversverklaring en de loonstrook in haar woning dan wel bedrijfspand had vervaardigd en duidelijk zou zijn geweest dat deze woning of dat bedrijfspand in Utrecht gelegen respectievelijk gevestigd is. Van een dergelijke verklaring is echter geen sprake. De enige link met Utrecht bestaat hierin dat de hypotheek via De Hypotheekshop te Utrecht is aangevraagd (bewijsmiddel 1) en dat het pand met betrekking waartoe de hypotheek werd overgesloten is gelegen aan de a-straat te Utrecht (bewijsmiddelen 1 en 6). Dat is echter onvoldoende om te komen tot bewezenverklaring van Utrecht als pleegplaats van het bewezenverklaarde feit.”

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF