Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Afwijking door het Hof zonder opgave van de redenen die daartoe hebben geleid. Dat verzuim heeft ex art. 359 lid 8 Sv nietigheid tot gevolg.

Hoge Raad 18 september 2012, LJN BX4434 Feiten

B is een autobedrijf en dealer van A te Aalsmeer. De echtgenoot van verdachte is directeur van B. Verdachte is in dat bedrijf werkzaam; ze ondersteunt de boekhouding van het bedrijf.

Ten laste van verdachte heeft het Hof bewezen verklaard dat ze samen met een ander (haar echtgenoot) in de periode van oktober 2003 tot en met 5 januari 2004 grote geldbedragen voorhanden heeft gehad in Aalsmeer en Den Haag, terwijl ze moest vermoeden dat die bedragen onmiddellijk of middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf. Er is voor een bedrag van miljoenen euro's vanaf bankrekeningen van A telkens geld overgemaakt aan B. Vervolgens is dit geld, althans een groot deel ervan, deels in contanten overgedragen aan betrokkene 1, hoofd boekhouding en automatisering bij A, en deels op een rekening van C op naam van betrokkene 1. Het werd zo gezegd rond gepompt. Betrokkene 1 bleek gokverslaafd. In de kern ontkent verdachte de criminele herkomst van het geld.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 februari 2010 heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt in: "Vast staat dat het geld afkomstig is van A. Vast staat dat betrokkene 1 als "curator", als speciaal voor B aangewezen verantwoordelijk directeur geld mocht overmaken naar B. Overtuigend legt betrokkene 1 uit hoe en wat B moet doen met gelden (zie onder andere de betalingen aan C). Het geld wordt zo ook contant op het kantoor van A of elders overgedragen aan betrokkene 1. Gesteld dient te worden dat cliënte aldus het geld onder de hoede, onder de beschikkingsmacht van A bracht. Het misdrijf was nog niet gepleegd. Het misdrijf werd pas een feit toen betrokkene 1 als financieel directeur het geld daadwerkelijk onttrok, verduisterde, aanwendde voor privédoeleinden. Dat betrokkene 1 al aan verduistering dacht toen hij cliënte verzocht gelden over te maken of contant te brengen, maakt nog niet dat het geld dat cliënte overmaakte of bracht dus afkomstig was van misdrijf. betrokkene 1 had het onwetende B wel als werktuig nodig om zijn praktijken uit te kunnen voeren, maar pas op het moment dat hij de gelden daadwerkelijk zelf onttrok en nadien de frauduleuze boekhoudkundige handelingen verrichtte, is het misdrijf verduistering door hem gepleegd. Kortom vrijspraak dient te volgen nu het geld zolang het onder de beschikkingsmacht van cliënte is geweest nog niet verduisterd was door betrokkene 1." 

Voorts heeft de raadsman blijkens het proces-verbaal van die terechtzitting nog het volgende aangevoerd: "De advocaat-generaal stelt dat de wijze waarop de geldbedragen werden rondgepompt, met zich meebrengt dat sprake is van verduistering. De verdediging stelt echter dat betrokkene 1 B heeft gebruikt om geld te kunnen verduisteren. Hij maakte het geld van de rekening van A over naar de rekening van B. Dit geld werd vervolgens weer teruggebracht naar A. Pas nadat het geld naar A was teruggebracht, besloot betrokkene 1 het geld te verduisteren. Het geld is daarmee dus niet afkomstig van een misdrijf. Deze elementen maken, naar het oordeel van de verdediging, dat evenmin sprake is geweest van schuldwitwassen."

Middel

Het middel klaagt dat het Hof in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het door de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt inhoudende dat op het moment dat de verdachte de geldbedragen voorhanden heeft gehad en heeft overdragen, geen sprake was van gelden "van misdrijf afkomstig".

Hoge Raad

Hetgeen door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht met betrekking tot het moment van verduisteren en daarmee tot de bewijsbaarheid van "afkomstig waren uit enig misdrijf", kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het Hof naar voren is gebracht. Het Hof is in zijn arrest van dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt afgeweken, maar heeft, in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv niet in het bijzonder de redenen opgegeven die daartoe hebben geleid. Dat verzuim heeft ingevolge art. 359, achtste lid, Sv nietigheid tot gevolg.

Het middel is terecht voorgesteld.

Klik hier voor de gelijkluidende uitspraak in de zaak van de echtgenoot van verdachte, Hoge Raad 18 september 2012, LJN BX4431.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF