HR: Schuld in de zin van art. 307 Sr en art. 130 WMSr

Hoge Raad 12 juni 2012, LJN BW7948

Feiten

Het gaat in de onderhavige zaak om het volgende. Op zaterdag 2 juni 2007 vond in Wezep op de Prinses Margriet Kazerne een open dag van de Koninklijke Landmacht plaats. Tijdens die open dag werd een demonstratie gehouden waarbij vier militairen van de Luchtmobiele Brigade vanuit een Lynx helikopter vanaf 30 meter hoogte aan een touw afdaalden. Toen de militairen waren afgedaald is de helikoper weggevlogen, terwijl de afdaallijn van één van de militairen niet van de helikopter en ook niet van de militair zelf was losgekomen. Door het wegvliegen van de helikopter werd deze militair 'gekatapulteerd', is hij vervolgens tegen de grond geslagen en daarna over een aanzienlijke afstand over de grond en tegen obstakels gesleurd. Daardoor is hij ernstig gewond geraakt en nadien aan zijn verwondingen overleden. Verdachte maakte deel uit van de personen die zich in de helikopter bevonden, en was als boordwerktuigkundige/loadmaster belast met het lossnijden van de afdaaltouwen in de helikopter.

Hoger beroep 

Verdachte was primair ten laste gelegd dood door schuld (art. 307 Sr) en dubsidiar het in ernstige mate nalatig zijn dat hij een dienstbevel niet heeft opgevolgd  (art. 130 WMSr). 

De Militaire Kamer van het Gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 21 september 2010 de verdachte vrijgesproken van het hem primair en subsidiair tenlastegelegde. 

Middel  

Het middel klaagt dat het Hof niet op de grondslag van de tenlastelegging heeft onderzocht en beslist of sprake is van schuld in de zin van art. 307 Sr (en art. 130 Wetboek van Militair Strafrecht), althans dat 's Hofs motivering van de gegeven vrijspraak onbegrijpelijk is. 

Hoge Raad 

De Hoge Raad overweegt dat onder schuld als delictsbestanddeel een min of meer grove of aanmerkelijke schuld wordt verstaan. Of sprake is van dergelijke schuld in de zin van art. 307 Sr of art. 130 WMSr wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd, en is voorts afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. 

Het Hof heeft geoordeeld dat de door de verdachte gemaakte fout in belangrijke mate mede in de hand is gewerkt door "de organisatorische omgeving waarin hij zijn werkzaamheden moest verrichten" en dat het in die omstandigheden te ver gaat om de verdachte de door hem gemaakte fout in strafrechtelijke zin aan te rekenen als grof of aanmerkelijk onachtzaam of nalatig. Het hierin besloten liggende oordeel van het Hof dat wegens het ontbreken van voldoende verwijtbaarheid geen sprake is geweest van min of meer grove of aanmerkelijke schuld als in de tenlastelegging omschreven, geeft niet blijk van een onjuiste uitleg van art. 307 Sr of art. 130 WMSr. Het Hof heeft derhalve niet vrijgesproken van iets anders dan is tenlastegelegd. Van grondslagverlating is daarom geen sprake.  

De primaire klacht faalt dus.

Ook de subsidiaire klacht faalt aangezien voormeld, met feitelijke waarderingen verweven oordeel door het Hof niet onbegrijpelijk is gemotiveerd.

Toevoeging AG Vellinga 

In de toelichting op het middel nog wordt geklaagd dat 's Hofs oordeel, voor zover inhoudende dat bij de beoordeling van de mate van schuld de ernst van het gevolg niet redengevend is voor de mate van schuld, onbegrijpelijk is, nu aan de omstandigheid dat het voor de verdachte was te voorzien dat het wegvliegen van de helikopter, zonder dat de lijnen los waren, zonder meer tot de dood van een of meer afdalers zou leiden en daaraan bij de beoordeling van de mate van schuld wel degelijk betekenis mag worden gehecht.  

Bedoelde overweging dient klaarblijkelijk aldus te worden verstaan dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van bepaald gedrag kan worden afgeleid dat sprake is van merkelijke schuld als bedoeld in art. 307 Sr. Derhalve geeft deze overweging geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.(7) Voorts ziet de klacht eraan voorbij dat de voorzienbaarheid van het gevolg van een bepaalde gedraging een omstandigheid is die van belang is voor de beantwoording van de vraag of sprake is van onvoorzichtigheid, onachtzaamheid of onoplettendheid, maar dat voor de mate van schuld geldt dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van bepaald gedrag kan worden afgeleid dat sprake is van merkelijke schuld als bedoeld in art. 307 Sr en in zoverre aan de ernst van het gevolg geen redengevende kracht voor het bewijs van de aanmerkelijkheid van de schuld toekomt. Een kleine fout kan immers grote gevolgen hebben. Vgl. HR 1 juni 2004, LJN AO5822, NJ 2005, 252, m.nt. Kn., rov. 3.5, HR 29 april 2008, LJN BD0544, NJ 2008, 440, HR 27 mei 2008, LJN BC7860, NJ 2008, 441, HR 28 oktober 2008, LJN BE9800, HR 29 juni 2010, LJN BL5630, NJ 2010, 674, m.nt. P.A.M. Mevis.
Print Friendly and PDF ^

HR: Wijzen van een "herstelbeslissing"

Hoge Raad 12 juni 2012, LJN BW1478
Herstelbeslissing

Blijkens HR 6 juli 2010, LJN BJ7243, NJ 2012/248 is het de feitenrechter in strafzaken toegestaan een zogenoemde herstelbeslissing te geven indien de oorspronkelijk gewezen beslissing, kort gezegd, een onmiddellijk kenbare fout bevat. Het is gebleken dat de uitoefening van deze bevoegdheid in de praktijk tot enkele vragen aanleiding heeft gegeven. Daarom voegt de Hoge Raad het volgende toe aan zijn eerdere arrest.

Het gaat hier om een zelfstandige, niet in de wet verankerde en beperkte mogelijkheid voor de feitenrechter om een in zijn uitspraak voorkomende kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent te verbeteren. Dat brengt mee dat de feitenrechter slechts in evidente gevallen gebruik kan maken van de bevoegdheid het dictum te verbeteren, mede met het oog op de richtige executie van de uitspraak.

Er is gelet op het voorgaande geen aanleiding in strafzaken de procespartijen in de gelegenheid te stellen zich over een voorgenomen verbetering uit te laten.

Een herstelbeslissing dient te worden gewezen door de rechter(s) die op de zaak heeft/hebben gezeten (vgl. HR 10 januari 2012, LJN BT8778, NJ 2012/249). De griffier dient er zorg voor te dragen dat de herstelbeslissing wordt aangetekend op dan wel wordt gehecht aan het origineel van de uitspraak en per gewone brief ter kennis van de procespartijen wordt gebracht.
Tegen de verbetering (of de weigering daarvan) staat geen rechtsmiddel open. Een herstelbeslissing (of de weigering daarvan) heeft evenmin invloed op de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel in de strafzaak.

Hoge Raad

Met zijn "herstelbeslissing" (zie hieronder) heeft het Hof ernstige twijfel doen ontstaan omtrent de opgelegde vrijheidsstraf. Daarin vindt de Hoge Raad aanleiding de bestreden uitspraak ten aanzien van de strafoplegging te vernietigen.

Gerechtshof

Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 2 juni 2010 verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.

Het Hof heeft op 29 juni 2010 een "herstelbeslissing" gegeven waarin het de opgelegde straf aanzienlijk heeft verlaagd.

Het Hof heeft bij arrest van 2 juni 2010, voor zover hier van belang, als volgt beslist:


Het hof (...) Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 (tweeëntwintig) maanden. Bepaalt, dat een op 10 (tien) maanden bepaald gedeelte van de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. (...) 

De herstelbeslissing van 29 juni 2010 houdt het navolgende in.


"Overweging ten aanzien van de opgelegde straf

Het arrest van dit hof van 2 juni 2010 is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 3 februari 2010 en 19 mei 2010. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest. Op 19 mei 2010 zijn eveneens, gelijktijdig doch niet gevoegd, de zaken behandeld tegen de verdachte met rolnummers 22-004072-08 en 22-004228-08. In de zaak met rolnummer 22-004228-08 is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging verklaard en is de zaak teruggewezen naar de rechtbank Rotterdam. In de zaak met rolnummer 22-004072-08 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest. De tijd die de verdachte heeft doorgebracht in verzekering en in voorlopige hechtenis in de strafzaak met rolnummer 22-004228-08 is bij de uitvoering van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf in de zaak met rolnummer 22-004072-08 in mindering gebracht - voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht - nu de dagvaarding in de zaak met rolnummer 22-004228-08 dezelfde feiten behelst als waarvoor de verdachte gelijktijdig is vervolgd in de zaak met rolnummer 22-004072-08(2) en welke vervolging niet in een veroordeling tot vrijheidstraf Is geëindigd, zodat het in die zaak ondergane voorarrest - gelet op artikel 27, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht - in de zaak met rolnummer 22-004072-08 voor aftrek in aanmerking komt.


De verdachte heeft de periode van 20 november 2007 tot 7 januari 2010 in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. Naar het oordeel van het hof had de verdachte met deze ondergane detentie in de zaken met rolnummers 22-006112- 07 en 22-004072-08 zijn - in rechte nog vast te stellen - onvoorwaardelijke vrijheidstraffen feitelijk al volledig uitgezeten. Met de in de zaken met rolnummers 22-006112- 07 en 22-004072-08 opgelegde straffen beoogde het hof dienovereenkomstig recht te doen en te bewerkstelligen dat de verdachte niet behoefde terug te keren naar de gevangenis.

Naar het hof thans is gebleken, heeft de verdachte bovengenoemd voorarrest echter alleen in de zaken met rolnummers 22-004072-08 en 22-004228-08 doorgebracht, zodat het voorarrest, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, slechts in de zaak met rolnummer 22-004072-08 voor aftrek in aanmerking komt.

Deze herstelbeslissing strekt ertoe te bereiken hetgeen het hof voor ogen stond, te weten dat de verdachte niet alsnog detentie behoeft te ondergaan.

Op grond van voorgaande komt het hof tot oplegging van na te melden voorwaardelijke gevangenisstraf, in plaats van de straf opgelegd bij arrest van dit hof van 2 juni 2010, welke straf het hof passend en geboden acht.


BESLISSING
Het hof Bepaalt dat het dictum van het arrest van het gerechtshof 's-Gravenhage van 2 juni 2010 in de zaak met rolnummer 22-006112-07 als volgt gelezen moet worden: (...) Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden. Beveelt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. (...)"

Uit de strafmotivering in deze casus blijkt niet dat hier sprake is van een onmiddellijk kenbare fout, verschrijving of verrekening. Het Hof heeft, zo blijkt uit het herstelarrest, op grond van een omstandigheid die pas ná het wijzen van het arrest tot hem is doorgedrongen de opgelegde straf willen wijzigen om te bereiken wat het Hof bij het wijzen van de bestreden uitspraak voor ogen stond: dat de verdachte niet alsnog detentie behoeft te ondergaan. Dat dit het Hof voor ogen stond, volgt echter niet uit de bestreden uitspraak. Het voorgaande brengt mee dat het Hof de oplegde straf niet bij herstelbeslissing had mogen wijzigen.

Print Friendly and PDF ^

HR: Profijtontneming. Art. 36e lid 3 (oud) Sr.

Hoge Raad 12 juni 2012, LJN BW7954

De klacht berust op de opvatting dat ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van art. 36e derde lid (oud) Sr slechts mogelijk is indien uit wettige bewijsmiddelen, zoals (de verslaglegging van) het strafrechtelijke financieel onderzoek, blijkt, dat er andere strafbare feiten zijn begaan die tot dat voordeel hebben geleid. De klacht faalt omdat deze uitgaat van een eis die de wet niet stelt. Bij toepassing van art. 36e derde lid Sr geldt wat betreft de daar genoemde "andere feiten" als maatstaf of gelet op het strafrechtelijk financieel onderzoek aannemelijk is dat dergelijke feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Geen rechtsregel schrijft voor dat uit de inhoud van de wettige bewijsmiddelen waaraan de rechter de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft ontleend, moet blijken om welke andere feiten het gaat vgl. HR 4 april 2006, LJN AV0397.

Print Friendly and PDF ^

Voorbedachte raad

Hoge Raad 19 juni 2012, LJN BW8678

De Hoge Raad herhaalt de relevante overwegingen uit haar arrest van eerder dit jaar (HR 28 februari 2012, LJN BR2342).

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.


Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.


Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten - anders dan wel uit eerdere rechtspraak van de Hoge Raad wordt afgeleid - aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven (vgl. HR 28 februari 2012, LJN BR2342).

In de nadere bewijsoverweging over de voorbedachte raad heeft het Hof onder meer geoordeeld dat de verdachte voldoende gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven, in welk verband het Hof onder meer heeft overwogen: "De verdachte is, nadat slachtoffer 1  zich uit zijn greep had losgemaakt, naar de boxgang gelopen en heeft daar het kapmes gepakt, dat, naar zijn zeggen, in krantenpapier gewikkeld achter de deur stond. Nu de verdachte heeft gesteld dat het kapmes in krantenpapier was gewikkeld kan het niet anders zijn dan dat hij het mes toen aldaar heeft moeten uitpakken. Nadat de verdachte aldus het kapmes had gepakt en van de krant had ontdaan, is hij vervolgens met dat mes de boxgang uitgelopen en heeft hij slachtoffer 1  vervolgens met het kapmes geslagen toen ze wegliep." Het Hof heeft onder de gebezigde bewijsmiddelen als bij de politie afgelegde verklaring van slachtoffer 2  evenwel onder meer opgenomen: "Ik zag dat verdachte  slachtoffer 1  met zijn linkerhand bij haar arm vastpakte en haar een stukje naar achteren trok. Ik zag dat hij met zijn rechterhand de boxingang inging en vanuit een hoekje een groot kapmes pakte. Ik schat dat het kapmes ongeveer 80 cm lang was. Ik zag dat hij het mes hief en met de platte kant van het mes in de richting van slachtoffer 1  sloeg. Ik zag dat het mes met de platte kant slachtoffer 1  raakte in haar halsstreek aan haar linkerzijde. Ik zag dat slachtoffer 1  zich probeerde los te rukken, maar dat hij haar vasthield bij haar arm en nog een keer met het hakmes een verticale 'kappende' beweging maakte, nu in de richting van haar borst. Deze keer zag ik dat dit met de scherpe zijde van het mes gebeurde, de snijkant dus. Ik zag dat slachtoffer 1  zich had losgerukt en dat zij richting de geparkeerde auto's liep."


's Hof overweging met betrekking tot het uitpakken door de verdachte van het kapmes en de eerste slag die hij met dat mes toebracht aan het slachtoffer strookt niet met de verklaring dienaangaande van slachtoffer 2. De bewijsvoering is daarom - op een punt dat niet van ondergeschikte betekenis is - innerlijk tegenstrijdig.

Print Friendly and PDF ^

Wettelijk voorschrift als bedoeld in art. 184 Sr.

Hoge Raad 15 mei 2012, LJN BW5164

Hoger beroep

Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verdachte op grond van artikel 184 Sr veroordeeld wegens het "Opzettelijk niet voldoen aan een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast". Het hof heeft bepaald dat aan verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld.

Het middel klaagt over het oordeel van het hof, dat de bepaling van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Ridderkerk, op basis waarvan opsporingsambtenaren de vordering hebben gedaan waaraan verdachte niet heeft voldaan, niet is aan te merken als een wettelijk voorschrift in de zin van art. 184 Sr.

Hoge Raad

Het oordeel van het Hof dat art. 2.1.1.1 APV Ridderkerk in verbinding met art. 6.2 APV Ridderkerk een wettelijk voorschrift inhoudt als omschreven in art. 184 Sr, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Art. 184, eerste lid, Sr eist een "krachtens wettelijk voorschrift" gedane vordering. Een dergelijk voorschrift moet uitdrukkelijk inhouden dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het doen van een vordering (vgl. HR 29 januari 2008, LJN BB4108, NJ 2008/206). Art. 2.1.1.1 APV Ridderkerk - al dan niet in verbinding met art. 6.2 APV Ridderkerk - kan niet worden aangemerkt als een wettelijk voorschrift op basis waarvan vorderingen of bevelen kunnen worden gegeven waaraan op straffe van overtreding van art. 184, eerste lid, Sr moet worden voldaan.

Conclusie AG Machielse

Het gaat om de vraag of de opzettelijke overtreding van art. 2.1.1.1 APV Ridderkerk, een bepaling waarin de politie niet uitdrukkelijk een bevelsbevoegdheid wordt toegekend, maar die burgers verplicht om in bepaalde situaties een bevel of vordering van een politieambtenaar op te volgen, het misdrijf van art. 184 lid 1 Sr kan opleveren. Het belang van deze vraag is mede hierin gelegen, dat art. 2.1.1.1 APV Ridderkerk gelijkluidend is aan dezelfde bepaling in de door de VNG opgestelde model-APV waarop vele gemeenten hun APV enten.

In de verplichting die is neergelegd in art. 2.1.1.1 model-APV verschilt deze bepaling van art. 2 Pw, dat zich niet tot burgers richt. Logischerwijs lijkt het gebod een bevoegdheid van de ambtenaar van politie te impliceren om bij (dreigende) wanordelijkheden burgers het bevel te geven zich te verwijderen of hun weg te vervolgen. De gedane vordering vormt dan als het ware de afdruk van de verplichting. Maar vormt dit voldoende grondslag om te kunnen spreken van een vordering waaraan niet-voldoen strafbaar is op grond van art. 184 Sr?

De tenlastelegging luidt dat de vordering van de daar genoemde agenten is gedaan krachtens art. 2.1.1. onder 2 APV Ridderkerk, in elk geval krachtens enig wettelijk voorschrift. Het hof heeft bewezenverklaard dat verdachte geen gevolg heeft gegeven aan een vordering gedaan krachtens art. 2.1.1.1 onder 2 APV Ridderkerk. In aanmerking genomen dat die bepaling niet uitdrukkelijk inhoudt dat de ambtenaar van politie is gerechtigd tot het doen van die vordering, is de bewezenverklaring, voor zover deze inhoudt dat de vordering krachtens wettelijk voorschrift is gedaan, niet naar de eis der wet met redenen omkleed.


Steun voor deze opvatting is te ontlenen aan HR 24 januari 2012, LJN BT7085, waarin het hof ook voor het opzettelijk niet voldoen aan een vordering, gedaan door politieambtenaren die waren belast met de uitoefening van enig toezicht, had veroordeeld. De bewezenverklaring hield in dat de vordering was gedaan krachtens art. 10 APV 's-Hertogenbosch, de gelijkluidende equivalent van art. 2.1.1.1 APV Ridderkerk.


De Hoge Raad overwoog dat art. 10 APV niet uitdrukkelijk inhoudt dat de ambtenaar van politie gerechtigd is tot het doen van de vordering als waarvan hier sprake was, te weten om zich te verwijderen. Het oordeel van het hof dat de vordering "krachtens wettelijk voorschrift" was gedaan was daarom niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

Het middel slaagt.

Print Friendly and PDF ^