HR: Wijzen van een "herstelbeslissing"

Hoge Raad 12 juni 2012, LJN BW1478
Herstelbeslissing

Blijkens HR 6 juli 2010, LJN BJ7243, NJ 2012/248 is het de feitenrechter in strafzaken toegestaan een zogenoemde herstelbeslissing te geven indien de oorspronkelijk gewezen beslissing, kort gezegd, een onmiddellijk kenbare fout bevat. Het is gebleken dat de uitoefening van deze bevoegdheid in de praktijk tot enkele vragen aanleiding heeft gegeven. Daarom voegt de Hoge Raad het volgende toe aan zijn eerdere arrest.

Het gaat hier om een zelfstandige, niet in de wet verankerde en beperkte mogelijkheid voor de feitenrechter om een in zijn uitspraak voorkomende kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent te verbeteren. Dat brengt mee dat de feitenrechter slechts in evidente gevallen gebruik kan maken van de bevoegdheid het dictum te verbeteren, mede met het oog op de richtige executie van de uitspraak.

Er is gelet op het voorgaande geen aanleiding in strafzaken de procespartijen in de gelegenheid te stellen zich over een voorgenomen verbetering uit te laten.

Een herstelbeslissing dient te worden gewezen door de rechter(s) die op de zaak heeft/hebben gezeten (vgl. HR 10 januari 2012, LJN BT8778, NJ 2012/249). De griffier dient er zorg voor te dragen dat de herstelbeslissing wordt aangetekend op dan wel wordt gehecht aan het origineel van de uitspraak en per gewone brief ter kennis van de procespartijen wordt gebracht.
Tegen de verbetering (of de weigering daarvan) staat geen rechtsmiddel open. Een herstelbeslissing (of de weigering daarvan) heeft evenmin invloed op de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel in de strafzaak.

Hoge Raad

Met zijn "herstelbeslissing" (zie hieronder) heeft het Hof ernstige twijfel doen ontstaan omtrent de opgelegde vrijheidsstraf. Daarin vindt de Hoge Raad aanleiding de bestreden uitspraak ten aanzien van de strafoplegging te vernietigen.

Gerechtshof

Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 2 juni 2010 verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.

Het Hof heeft op 29 juni 2010 een "herstelbeslissing" gegeven waarin het de opgelegde straf aanzienlijk heeft verlaagd.

Het Hof heeft bij arrest van 2 juni 2010, voor zover hier van belang, als volgt beslist:


Het hof (...) Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 (tweeëntwintig) maanden. Bepaalt, dat een op 10 (tien) maanden bepaald gedeelte van de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. (...) 

De herstelbeslissing van 29 juni 2010 houdt het navolgende in.


"Overweging ten aanzien van de opgelegde straf

Het arrest van dit hof van 2 juni 2010 is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 3 februari 2010 en 19 mei 2010. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest. Op 19 mei 2010 zijn eveneens, gelijktijdig doch niet gevoegd, de zaken behandeld tegen de verdachte met rolnummers 22-004072-08 en 22-004228-08. In de zaak met rolnummer 22-004228-08 is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging verklaard en is de zaak teruggewezen naar de rechtbank Rotterdam. In de zaak met rolnummer 22-004072-08 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest. De tijd die de verdachte heeft doorgebracht in verzekering en in voorlopige hechtenis in de strafzaak met rolnummer 22-004228-08 is bij de uitvoering van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf in de zaak met rolnummer 22-004072-08 in mindering gebracht - voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht - nu de dagvaarding in de zaak met rolnummer 22-004228-08 dezelfde feiten behelst als waarvoor de verdachte gelijktijdig is vervolgd in de zaak met rolnummer 22-004072-08(2) en welke vervolging niet in een veroordeling tot vrijheidstraf Is geëindigd, zodat het in die zaak ondergane voorarrest - gelet op artikel 27, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht - in de zaak met rolnummer 22-004072-08 voor aftrek in aanmerking komt.


De verdachte heeft de periode van 20 november 2007 tot 7 januari 2010 in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. Naar het oordeel van het hof had de verdachte met deze ondergane detentie in de zaken met rolnummers 22-006112- 07 en 22-004072-08 zijn - in rechte nog vast te stellen - onvoorwaardelijke vrijheidstraffen feitelijk al volledig uitgezeten. Met de in de zaken met rolnummers 22-006112- 07 en 22-004072-08 opgelegde straffen beoogde het hof dienovereenkomstig recht te doen en te bewerkstelligen dat de verdachte niet behoefde terug te keren naar de gevangenis.

Naar het hof thans is gebleken, heeft de verdachte bovengenoemd voorarrest echter alleen in de zaken met rolnummers 22-004072-08 en 22-004228-08 doorgebracht, zodat het voorarrest, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, slechts in de zaak met rolnummer 22-004072-08 voor aftrek in aanmerking komt.

Deze herstelbeslissing strekt ertoe te bereiken hetgeen het hof voor ogen stond, te weten dat de verdachte niet alsnog detentie behoeft te ondergaan.

Op grond van voorgaande komt het hof tot oplegging van na te melden voorwaardelijke gevangenisstraf, in plaats van de straf opgelegd bij arrest van dit hof van 2 juni 2010, welke straf het hof passend en geboden acht.


BESLISSING
Het hof Bepaalt dat het dictum van het arrest van het gerechtshof 's-Gravenhage van 2 juni 2010 in de zaak met rolnummer 22-006112-07 als volgt gelezen moet worden: (...) Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden. Beveelt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. (...)"

Uit de strafmotivering in deze casus blijkt niet dat hier sprake is van een onmiddellijk kenbare fout, verschrijving of verrekening. Het Hof heeft, zo blijkt uit het herstelarrest, op grond van een omstandigheid die pas ná het wijzen van het arrest tot hem is doorgedrongen de opgelegde straf willen wijzigen om te bereiken wat het Hof bij het wijzen van de bestreden uitspraak voor ogen stond: dat de verdachte niet alsnog detentie behoeft te ondergaan. Dat dit het Hof voor ogen stond, volgt echter niet uit de bestreden uitspraak. Het voorgaande brengt mee dat het Hof de oplegde straf niet bij herstelbeslissing had mogen wijzigen.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF