HR: Profijtontneming. Art. 36e lid 3 (oud) Sr.

Hoge Raad 12 juni 2012, LJN BW7954

De klacht berust op de opvatting dat ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van art. 36e derde lid (oud) Sr slechts mogelijk is indien uit wettige bewijsmiddelen, zoals (de verslaglegging van) het strafrechtelijke financieel onderzoek, blijkt, dat er andere strafbare feiten zijn begaan die tot dat voordeel hebben geleid. De klacht faalt omdat deze uitgaat van een eis die de wet niet stelt. Bij toepassing van art. 36e derde lid Sr geldt wat betreft de daar genoemde "andere feiten" als maatstaf of gelet op het strafrechtelijk financieel onderzoek aannemelijk is dat dergelijke feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Geen rechtsregel schrijft voor dat uit de inhoud van de wettige bewijsmiddelen waaraan de rechter de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft ontleend, moet blijken om welke andere feiten het gaat vgl. HR 4 april 2006, LJN AV0397.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF