Profijtontneming, ontnemingsvordering, 36a Sr, BV, afgescheiden vermogen, enig aandeelhouder

Hoge Raad 22 mei 2012, LJN BW5645


Verdachte is veroordeeld voor het medeplegen van in de uitoefening van een bedrijf opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet door hennepstekjes te verkopen.

Verdachte is enig aandeelhouder en bestuurder van de BV.

Het middel klaagt over de verwerping van een verweer door het Hof dat betrekking had op de berekening van het aan de veroordeelde toe te rekenen bedrag van het wederrechtelijke verkregen voordeel.

Het Hof is van oordeel dat uit het feit dat verdachte enig aandeelhouder en bestuurder is van de BV volgt dat al het voordeel dat in totaal met deze onderneming wordt genoten, uiteindelijk aan veroordeelde kan worden toegerekend.

De Hoge Raad oordeelt dat dit oordeel van het Hof geen stand kan houden. “Voor zover het Hof ervan is uitgegaan dat het vermogen van een rechtspersoon steeds te vereenzelvigen valt met het vermogen van haar bestuurder/enig aandeelhouder, getuigt het van een onjuiste rechstopvatting. Voor zover het Hof heeft onderkend dat de rechtspersoon een eigen, afgescheiden vermogen heeft doch aannemelijk heeft geacht dat de veroordeelde desalniettemin zonder meer en tot het volledig bedrag kan beschikken over het geld dat als resultaat van de bedrijfsvoering in het vermogen van de rechtspersoon is gevloeid, is dat oordeel zonder nadere motivering niet begrijpelijk.”

De Hoge Raad vernietigt de uitspraak en wijst de zaak terug naar het Hof.

Advocaat-Generaal Silvis
“Indien een wederrechtelijk verkregen voordeel terechtkomt in het vermogen van een onderneming, gedreven in een rechtsvorm waaraan de wet een zelfstandige rechtspersoonlijkheid toekent, zal de rechter aan de hand van de bijzondere omstandigheden van het geval moeten bepalen of het vermogen van die rechtspersoon zozeer kan worden vereenzelvigd met het vermogen van de betrokkene, dat het voordeel kan worden geacht door de laatste te zijn genoten.”

Gebrekkige motivering Hof, het middel slaagt.

Print Friendly and PDF ^

Art. 414 lid 1 tweede volzin Sv. Overleggen nieuwe bescheiden of stukken van overtuiging.

Hoge Raad 22 mei 2012, LJN BW6199

Ter zitting van 24 september 2010 heeft het Hof het verzoek gemeld van de advocaat-generaal om het proces-verbaal in de terechtzitting bij het Hof van medeverdachte betrokkene 4 van 22 september 2010 te voegen in het dossier van verdachte. De advocaat-generaal had ook een kopie van het schriftelijke verzoek aan de raadsman gezonden, die niet op de terechtzitting van 24 september 2010 aanwezig was. De raadsman was dus ondanks zijn afwezigheid wel op de hoogte gekomen van het verzoek tot voeging van het proces-verbaal. Op de terechtzitting van 28 oktober 2010 deelt de voorzitter mee dat de advocaat-generaal het proces-verbaal van de terechtzitting van verdachte betrokkene 4 in het dossier heeft gevoegd en dat de advocaat-generaal daarom betrokkene 4 heeft opgeroepen als getuige. 

Het middel klaagt dat het Hof in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde de voeging van stukken heeft toegestaan. Voorts klaagt het middel dat het Hof zijn beslissing om de voeging toe te staan onvoldoende heeft gemotiveerd. 

De Hoge Raad herhaalt relevante overwegingen uit HR 16 november 1999, LJN ZD1451, NJ 2000/214.

Ingevolge art. 414, eerste lid tweede volzin, Sv zijn de advocaat-generaal bij het hof en de verdachte bevoegd voor of bij de behandeling van een zaak in hoger beroep nieuwe bescheiden of stukken van overtuiging over te leggen. De uitoefening van die bevoegdheid is evenwel onderworpen aan de eisen die voortvloeien uit de beginselen van een behoorlijke procesorde. Een algemene regel daaromtrent valt niet te geven. Van geval tot geval zal dus moeten worden beoordeeld of aan die eisen is voldaan, waarbij mede betekenis toekomt aan de (belastende dan wel ontlastende) aard van de over te leggen bescheiden of stukken en, indien het gaat om belastende bescheiden of stukken, aan de (al dan niet complexe) aard van de te berechten zaak en het stadium waarin de procedure zich bevindt.

Het kennelijke oordeel van het Hof dat het voegen van het proces-verbaal van de terechtzitting van de medeverdachte betrokkene 4 in het dossier van de verdachte niet in strijd is met de eisen die voortvloeien uit de beginselen van een behoorlijke procesorde, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Mede gelet op de omstandigheid dat niet blijkt dat de raadsman enig bezwaar heeft aangevoerd tegen deze voeging, was het Hof niet tot een nadere motivering gehouden. 


Het middel faalt. 
Print Friendly and PDF ^

Salduz, bewijsuitsluiting, 359a Sv, vormverzuim, Rechtsbijstand bij politieverhoor, verhoor na vrijwillige melding bij politie

Hoge Raad 22 mei 2012, LJN BW5640

Verdachte is, na zich vrijwillig gemeld te hebben bij de politie, aangehouden en verhoord als verdachte van poging tot zware mishandeling, en is daarbij niet in de gelegenheid gesteld een advocaat te raadplegen.

Tijdens het politieverhoor legt hij een belastende verklaring af. Er zijn geen getuigen.

De verdediging verwijst in hoger beroep naar de Salduz-jurisprudentie en bepleit vrijspraak. Het Hof oordeelt dat er weliswaar sprake is van een vormverzuim in de zin van art. 359a Sv, maar dat de omstandigheid dat verdachte de gelegenheid heeft gehad een advocaat te raadplegen alvorens zich te melden bij de politie maakt dat de belastende verklaring van verdachte niet van bewijs uitgesloten behoeft te worden en dat het door de verdachte geleden nadeel in de strafmaat zal worden gecompenseerd. 

De Hoge Raad herhaalt de overwegingen uit LJN BH3079: dat het niet danwel niet binnen redelijke grenzen bieden van de gelegenheid om voorafgaand aan het eerste verhoor een advocaat te raadplegen in beginsel een vormverzuim in de zin van art. 359a Sv oplevert. Het vormverzuim dient behoudens twee gevallen te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen van de verdachte die zijn afgelegd voordat hij een advocaat kon raadplegen. Die gevallen zijn (i) dat de verdachte uitdrukkelijk danwel stilzwijgend doch in eider geval ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn recht een advocaat te raaplegen, danwel (ii) er dwingende redenen bestaan om dat recht te beperken. (ro. 2.3)
Het Hof heeft miskend dat nu dat de bovengenoemde uitzonderingen zich niet voor hebben gedaan, het vormverzuim tot gevolg heeft dat de verklaring van de verdachte niet tot het bewijs mag worden gerekend. Er is, anders dan het Hof heeft geoordeeld, geen plaats meer voor een nadere afweging in het licht van de beoordelingsfactoren van art. 359a lid 2 Sv (vgl. LJN BQ8907).

Het arrest wordt vernietigd en de zaak wordt teruggewezen naar het Hof.

Print Friendly and PDF ^

Meineed, art. 207 Sr.

Hoge Raad 22 mei 2012, LJN BW6213



Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens "In een geval, waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert, mondeling, persoonlijk opzettelijk een valse verklaring onder ede afleggen" veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 maanden.
Namens verdachte is cassatie ingesteld.
Het eerste middel behelst voorts de klacht dat uit de bewijsconstructie niet kan volgen dat de verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd vals en in strijd met de waarheid is, noch dat verdachte met het door artikel 207 Sr verlangde opzet heeft gehandeld.
Hoge Raad
Uit 's Hofs bewijsvoering kan niet zonder meer worden afgeleid dat het opzet van de verdachte ten tijde van het afleggen van haar verklaring op 30 oktober 2007 was gericht op het afleggen van een valse verklaring omtrent de aanwezigheid van betrokkene 1 bij een verjaardagsfeest dat op 2 juli 2005 werd gevierd in Dippidoo. De bewezenverklaring is derhalve ontoereikend gemotiveerd. Het middel slaagt in zoverre.
Conclusie AG
Uit de bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat op 2 juli 2005 geen feestje heeft plaatsgevonden of dat betrokkene 1 niet op dat feestje is geweest. Uit de gebezigde bewijsmiddelen is niet af te leiden dat verdachte bewust valselijk heeft verklaard. Naar beste weten van verdachte heeft het verjaardagsfeestje plaatsgevonden op 2 juli 2005.
Dat het verjaardagspartijtje niet op 2 juli 2005 heeft plaatsgevonden staat inderdaad niet onomstotelijk vast. Uit bewijsmiddel 4 is slechts af te leiden dat verdachte niet meer zeker was van de datum toen de rechter haar met nadruk over de datum bevroeg. Dat de broer van verdachte niet bij het verjaardagspartijtje is geweest is evenmin uit de gebezigde bewijsmiddelen af te leiden. Ter terechtzitting in hoger beroep van 23 juli 2009 heeft verdachte verklaard dat zij, als getuige ter terechtzitting van de rechtbank Roermond, niet twijfelde dat de datum van het feestje 2 juli 2005 was. Zij wist dat het feestje viel tijdens haar verhuizing en zij heeft op 1 juli 2005 de sleutel van haar nieuwe huis in [plaats B] gekregen. Uit de verklaringen van verdachte is af te leiden dat zij reconstructief tot deze datum is gekomen. Zij werd hierin bevestigd door uitlatingen van haar schoonzus. Twijfel sloeg toe toen de rechter maar bleef vragen over de datum.
Waarin schuilt nu de valsheid van haar verklaring? Wanneer het verjaardagspartijtje heeft plaatsgevonden staat niet vast. Onder 1 van de bewijsoverwegingen in het verkorte arrest heeft het hof wel overwogen dat verdachte is gehoord in de strafzaak tegen haar broer die werd verdacht van een poging tot diefstal met geweld in de gemeente Venlo op 2 juli 2005, maar het hof vermeldt niet aan welk wettig bewijsmiddel het dit gegeven heeft ontleend. Evenmin heeft het hof vastgesteld dat de broer van verdachte onherroepelijk voor dit feit is veroordeeld. In ieder geval is niet bewezen dat het partijtje zeker niet op 2 juli 2005 is geweest. De enige onjuistheid in de verklaring van verdachte zou kunnen zijn dat zij heeft gezegd er zeker van te zijn dat de datum 2 juli 2005 was, omdat zij twijfelde toen zij haar verklaring tekende.

Veroordeling voor meineed (artikel 207 Sr) verlangt dat de getuige opzettelijk een valse verklaring onder ede heeft afgelegd. Voorwaardelijk opzet is voldoende. Dan zal wel moeten vaststaan dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft beseft en op de koop toegenomen dat zij een onjuiste verklaring heeft afgelegd.
De bewezenverklaring is mede in het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd ontoereikend gemotiveerd.

Beide onderdelen van het eerste middel treffen doel.

Print Friendly and PDF ^

Art. 36f Sr. Schadevergoedingsmaatregel en wettelijke rente

Hoge Raad 22 mei 2012, LJN BW6214

Moet de hoogte van de schadevergoedingsmaatregel voor wat betreft de wettelijke rente in een concreet bedrag worden uitgedrukt? 

Hoge Raad

Nee, uit de relevante wettelijke bepalingen (art. 6:162, eerste lid, BW, art. 6:119, eerste lid, BW, art. 6:83, aanhef en onder b, BW) in onderling verband beschouwd, vloeit voort dat de wettelijke rente over het als schadevergoeding te betalen bedrag, verschuldigd wegens de vertraagde voldoening daarvan, behoort tot de door het strafbare feit toegebrachte schade waarvoor de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is als bedoeld in art. 36f, tweede lid, Sr. Deze wettelijke rente is zonder ingebrekestelling verschuldigd vanaf het moment waarop de schade is ingetreden, te weten het moment waarop het bewezenverklaarde strafbare feit is gepleegd, tot aan de dag der algehele voldoening. Dit brengt mee dat de verplichting tot betaling van een geldsom ten behoeve van het slachtoffer het bedrag van de wettelijke rente kan en mag omvatten.


De omvang van het bedrag van de wettelijke rente hoeft niet nader of in een concreet bedrag te worden uitgedrukt. Het verschuldigde bedrag staat immers met voldoende mate van nauwkeurigheid vast indien het bedrag van de door het strafbare handelen veroorzaakte schade is bepaald en ten aanzien daarvan is vastgesteld vanaf welke dag de wettelijke rente is verschuldigd.

AG Hofstee

Ingevolge de aangehaalde bepalingen heeft de onrechtmatige gedraging van de verdachte tot gevolg dat hij schadeplichtig is jegens de benadeelde partij en dat hij zonder ingebrekestelling de wettelijke rente over het schadebedrag verschuldigd is vanaf het moment dat de schade is ingetreden. Anders dan het middel stelt, dient de rechter de hiervoor bedoelde rente niet op een concreet bedrag te bepalen.

Print Friendly and PDF ^