HvJ EU: Britse belastingdienst kan in BTW-carrouselfraudezaak Deense beslagprocedure starten

HvJ EU 12 september 2013, C‑49/12 (The Commissioners for Her Majesty’s Revenue & Customs tegen Sunico ApS, M & B Holding ApS, Sunil Kumar Harwani)

Feiten

Naar aanleiding van vermeende btw carrouselfraude, waardoor btw ten onrechte niet aan de schatkist van het Verenigd Koninkrijk werd afgedragen, hebben de Commissioners zowel in het Verenigd Koninkrijk als in Denemarken een gerechtelijke procedure ingeleid.

In het Verenigd Koninkrijk hebben de Commissioners op 17 mei 2010 bij de High Court of Justice beroep ingesteld tegen meerdere natuurlijke personen en rechtspersonen in Denemarken, waaronder Sunico.

Voor dat gerecht kwam de vraag aan de orde of de Commissioners niet-ingezeten verweerders zoals Sunico in het kader van een schadevordering konden aanspreken tot betaling van de door een in het Verenigd Koninkrijk btw-plichtige persoon niet afgedragen btw, op grond dat die niet-ingezetenen hadden deelgenomen aan samenspanning tot het plegen van fraude naar Engels recht. Meer in het bijzonder betoogden de Commissioners dat die niet-ingezetenen zich op het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk schuldig hadden gemaakt aan btw-carrouselfraude. De Commissioners voerden ook aan dat bedoelde niet-ingezetenen, die in het Verenigd Koninkrijk niet btw-plichtig waren, de reële begunstigden waren van de door dit mechanisme van belastingontduiking verkregen bedragen.

De in het Verenigd Koninkrijk btw-plichtige persoon die bij deze btw-carrousel betrokken was is geen partij in het geding voor de High Court en evenmin in het hoofdgeding.

Aangezien de betrokken niet-ingezetenen in het Verenigd Koninkrijk niet konden worden aangesproken op basis van de btw-wetgeving, hebben de Commissioners hun vordering voor de High Court of Justice gebaseerd op de regels van deze lidstaat inzake onrechtmatige daad, die op samenspanning met ongeoorloofde middelen betrekking hebben.

Vóór de aanhangigmaking van die procedure hadden de Deense autoriteiten de Commissioners desgevraagd overeenkomstig verordening (EG) nr. 1798/2003 van de Raad van 7 oktober 2003 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 218/92 (PB L 264, blz. 1) inlichtingen over de voor de High Court of Justice gedaagde niet-ingezetenen verstrekt.

De Commissioners hebben daarnaast een procedure in Denemarken aanhangig gemaakt.

Op 18 mei 2010 heeft het Executiegerecht te Kopenhagen (Fogedret i København) conservatoir beslag toegestaan op de activa van Sunico die zich op Deens grondgebied bevonden, tot zekerheid van de schadevordering van de Commissioners.

Het daartegen door Sunico ingestelde beroep is op 2 juli 2010 door het Østre Landsret (Denemarken) verworpen.

Bij afzonderlijk verzoekschrift, op 25 mei 2010 neergelegd bij het Københavns Byret [gerecht van eerste aanleg te Kopenhagen), hebben de Commissioners overeenkomstig § 634, lid 1, retsplejelov bij dit gerecht een vordering ingediend tot vanwaardeverklaring van het door het Fogedret i København toegestane conservatoir beslag en tot betaling van een bedrag van 40 391 100,01 GBP, overeenkomend met het bedrag van de niet-afgedragen btw.

Sunico heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring althans ongegrondverklaring van de vordering tot betaling van de Commissioners en, voor het deel van het verzoek betreffende het beslag, tot intrekking van die conservatoire maatregelen.

Bij beschikking van 8 september 2010 heeft het Københavns Byret de zaak naar het verwijzende gerecht verwezen.

Dit laatste gerecht heeft besloten eerst de vraag te beantwoorden of de behandeling van de bij hem aanhangige zaak krachtens § 634, lid 5, moet worden geschorst tot de sluiting van de procedure voor de High Court of Justice.

Prejudiciële vraag

Het verwijzende gerecht vraagt zich onder meer af of een beroep zoals op 17 mei 2010 ingesteld bij de gerechten in het Verenigd Koninkrijk onder de werkingssfeer van verordening nr. 44/2001 valt, zodat een door die gerechten gegeven beslissing krachtens de Overeenkomst EG-Denemarken in Denemarken zou kunnen worden erkend en ten uitvoer gelegd.

In deze omstandigheden heeft het Østre Landsret de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld: "Moet artikel 1 van verordening (EG) nr. 44/2001 aldus worden uitgelegd dat de werkingssfeer ervan zich uitstrekt tot een zaak waarin overheidsorganen van een lidstaat een schadevordering tegen in een andere lidstaat gevestigde ondernemingen en woonachtige natuurlijke personen instellen wegens een – in de zin van het nationale recht van de eerste lidstaat – onrechtmatige daad in de vorm van samenspanning tot het plegen van fraude, bestaande in deelneming aan ontduiking van de aan de eerste lidstaat verschuldigde btw?”

Hof van Justitie

Met zijn vraag wenst het verwijzende gerecht in hoofdzaak te vernemen of het begrip „burgerlijke en handelszaken” in artikel 1, lid 1, van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat daaronder valt een vordering waarmee een overheidsorgaan van een lidstaat van in een andere lidstaat gevestigde rechtspersonen en natuurlijke personen vergoeding vordert van schade die is veroorzaakt door samenspanning tot het plegen van fraude ter ontduiking van in de eerste lidstaat verschuldigde btw.

Sunico, die wenst dat de bij het verwijzende gerecht aanhangig gemaakte procedure wordt voortgezet, betoogt dat een beslissing van een gerecht van het Verenigd Koninkrijk in het kader van de tegen haar ingediende schadevordering geen bindende gevolgen kan hebben in Denemarken. Volgens verordening nr. 44/2001 zou een dergelijke beslissing in Denemarken niet uitvoerbaar zijn, daar de schadevordering van de Commissioners is gebaseerd op de omstandigheid dat een in het Verenigd Koninkrijk btw-plichtige derde die belasting niet heeft betaald, zodat die vordering door Engels btw-recht wordt beheerst. Volgens Sunico valt een dergelijke vordering dan ook niet onder de werkingssfeer van die verordening, nu belastingzaken er uitdrukkelijk van zijn uitgesloten.

De Commissioners, die hebben geconcludeerd tot schorsing van de behandeling van de zaak voor het verwijzende gerecht, hebben betoogd dat op grond van verordening nr. 44/2001 en de Overeenkomst EG-Denemarken een beslissing van een gerecht van het Verenigd Koninkrijk over de tegen Sunico ingediende schadevordering in Denemarken uitvoerbaar moet zijn.

Vooraf dient in herinnering te worden gebracht dat, voor zover verordening nr. 44/2001 voortaan in de betrekkingen tussen de lidstaten in de plaats is getreden van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32; hierna: „Executieverdrag”), de door het Hof verstrekte uitlegging met betrekking tot dit verdrag ook geldt voor de verordening, wanneer de bepalingen van deze laatste en die van het Executieverdrag als gelijkwaardig kunnen worden aangemerkt (zie onder meer arrest van 11 april 2013, Sapir e.a., C‑645/11, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 31). Bovendien volgt uit punt 19 van de considerans van verordening nr. 44/2001 dat de continuïteit in de uitlegging tussen het Executieverdrag en deze verordening moet worden gewaarborgd.

In dit verband moet worden vastgesteld dat de werkingssfeer van verordening nr. 44/2001 evenals die van het Executieverdrag is beperkt tot „burgerlijke en handelszaken”. Uit vaste rechtspraak van het Hof blijkt dat dit toepassingsgebied in wezen wordt afgebakend door de aard van de rechtsbetrekkingen tussen de procespartijen of het voorwerp van het geschil (zie onder meer arrest van 18 oktober 2011, Realchemie Nederland, C‑406/09, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 39, en arrest Sapir, reeds aangehaald, punt 32).

Zo heeft het Hof verklaard dat bepaalde geschillen tussen een overheidsorgaan en een privaatrechtelijke persoon weliswaar onder de werkingssfeer van verordening nr. 44/2001 kunnen vallen, doch dat dit anders is wanneer het overheidsorgaan handelt in de uitoefening van openbaar gezag (zie in die zin onder meer arrest Sapir e.a., reeds aangehaald, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

Om te bepalen of dit laatste het geval is in een geschil zoals in het hoofdgeding moeten de grondslag van de vordering die de Commissioners in het Verenigd Koninkrijk bij de High Court hebben ingediend en de nadere regels voor de geldendmaking van die vordering worden onderzocht (zie naar analogie arresten van 14 november 2002, Baten, C‑271/00, Jurispr. blz. I‑10489, punt 31, en 15 mei 2003, Préservatrice foncière TIARD, C‑266/01, Jurispr. blz. I‑4867, punt 23).

In dit verband moet worden geconstateerd dat de feitelijke grondslag van de vordering die bij dat gerecht is ingediend bestaat in het beweerde frauduleuze handelen van Sunico en de overige voor bedoeld gerecht gedaagde niet-ingezetenen, die wordt verweten op het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk te hebben deelgenomen aan een warentransactieketen die bedoeld was belastingontduiking in de vorm van een btw-carrousel te organiseren, waardoor het mogelijk werd dat een belastingplichtige van die lidstaat de in een later stadium verschuldigde btw niet afdroeg, en aldus de werkelijke begunstigden te zijn van de door die belastingontduiking verkregen bedragen.

Wat de rechtsgrondslag betreft berust de vordering van de Commissioners tegen Sunico niet op de btw-wetgeving van het Verenigd Koninkrijk, maar op de beweerde deelneming van Sunico aan samenspanning tot het plegen van fraude, die valt onder de regels van die lidstaat op het gebied van aansprakelijkheid wegens onrechtmatige daad.

Evenzo volgt uit de verwijzingsbeslissing dat Sunico en de overige voor de High Court gedaagde niet-ingezetenen in het Verenigd Koninkrijk niet btw-plichtig zijn, zodat zij die belasting volgens de wetgeving van die lidstaat niet verschuldigd zijn.

Zoals de Commissie en de regering van het Verenigd Koninkrijk hebben opgemerkt, oefenen de Commissioners in het kader van deze rechtsverhouding geen bevoegdheden uit die buiten het bestek vallen van de in de betrekkingen tussen privaatrechtelijke personen geldende regels. Inzonderheid kunnen de Commissioners, zoals de advocaat-generaal in punt 44 van haar conclusie heeft opgemerkt, anders dan gebruikelijk is in het kader van de uitoefening van hun bevoegdheden als openbaar gezag, niet zelf de executoriale titel uitvaardigen op grond waarvan zij tot inning van hun vordering kunnen overgaan, maar moeten zij in een context zoals de onderhavige zaak de normale rechtswegen volgen.

Bijgevolg is de rechtsbetrekking tussen de Commissioners en Sunico geen publiekrechtelijke – in casu belastingrechtelijke – betrekking die de uitoefening van openbaar gezag impliceert.

Blijkens de verwijzingsbeslissing stemt het bedrag van de schadevordering van de Commissioners overeen met de btw die een in het Verenigd Koninkrijk belastingplichtige persoon moet afdragen. Nu echter vaststaat dat de rechtsbetrekking tussen de Commissioners en Sunico niet wordt beheerst door de btw-wetgeving van het Verenigd Koninkrijk, maar door de wetgeving van die lidstaat op het gebied van aansprakelijkheid wegens onrechtmatige daad, kan de omstandigheid dat de omvang van de aansprakelijkheid wegens onrechtmatige daad van Sunico tegenover de Commissioners en het bedrag van de belastingvordering van de Commissioners op een belastingplichtige overeenstemmen, niet worden beschouwd als een bewijs dat de Commissioners met hun beroep bij de High Court openbaar gezag uitoefenen tegenover Sunico.

Aangaande de vraag tot slot of het verzoek om inlichtingen dat de Commissioners op basis van verordening nr. 1798/2003 tot de Deense autoriteiten hebben gericht alvorens beroep in te stellen bij de High Court, van invloed is op de aard van de rechtsbetrekkingen tussen de Commissioners en Sunico, moet worden opgemerkt dat uit de stukken in het dossier waarover het Hof beschikt niet blijkt dat de Commissioners in de voor de High Court aanhangige procedure gebruikt hebben gemaakt van bewijs dat zij in de uitoefening van hun openbaar gezag hebben verkregen.

Zoals de advocaat-generaal in punt 45 van haar conclusie heeft opgemerkt, is het echter aan het verwijzende gerecht om te verifiëren dat zulks niet het geval was en dat de Commissioners zich in voorkomend geval in het kader van hun beroep tegen Sunico en de overige voor de High Court of Justice gedaagde niet-ingezetenen in dezelfde situatie bevonden als een privaatrechtelijke persoon.

Antwoord

Gelet op het voorgaande moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord dat het begrip „burgerlijke en handelszaken” in artikel 1, lid 1, van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat daaronder valt een vordering waarmee een overheidsorgaan van een lidstaat van in een andere lidstaat gevestigde rechtspersonen en natuurlijke personen vergoeding vordert van schade die is veroorzaakt door samenspanning tot het plegen van fraude ter ontduiking van in de eerste lidstaat verschuldigde btw.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Commissie vraagt advies EU-Hof over toetreding EU-EVRM

Is het ontwerp-verdrag inzake de toetreding van de EU tot het EVRM verenigbaar met de EU-verdragen? Deze vraag heeft de Commissie voorgelegd aan het EU-Hof. Volgens de Commissie zijn de diverse aspecten van het toetredingsverdrag in lijn met de eisen die daaraan in het Verdrag van Lissabon werden gesteld. Het advies van het EU-Hof zal naar verwachting pas na de jaarwisseling beschikbaar komen.

In het verzoek schetst de Commissie het juridisch toetsingskader. Het gaat dan om de diverse elementen van artikel 6, tweede lid, EU-Verdrag en Protocol nr. 8. Een belangrijke voorwaarde is dat de bevoegdheden van de Unie niet mogen worden aangetast door het akkoord. Ook mogen de bevoegdheden van de EU-instellingen niet worden aangetast. Verder moet het akkoord de specifieke karakteristieken van de EU en van het recht van de EU eerbiedigen als het gaat om het toezicht op de naleving van de uitspraken van het Hof Straatsburg en bij het mechanisme om individuele klachten correct tot de lidstaten en/of de EU te richten. De positie van de lidstaten ten opzichte van de protocollen, hun derogaties en voorbehouden moet worden geëerbiedigd, alsmede het verbod voor de lidstaten om over hun onderlinge geschillen niet buiten de EU-verdragen om te procederen. Bovendien moet het verdrag de autonomie van de rechtsorde van de EU eerbiedigen door te voorkomen dat het Hof Straatsburg of het toezichthoudende Comité van Ministers de rechtsregels van de EU uitleggen. Dit laatste is enkel voorbehouden aan het EU-Hof.

Bron: Expertisecentrum Europees recht

Print Friendly and PDF ^

Conclusie AG in afvalstoffen-zaak van Shell Nederland en Shell België naar aanleiding van verzoek van de Rechtbank te Rotterdam om een prejudiciële beslissing

In deze zaak gaat het erom of Shell Nederland Verkoopmaatschappij BV en Belgian Shell afvalstoffen hebben overgebracht naar een van hun vestigingen in Nederland, te weten ruim 333 000 kilo van een door een koper in België geretourneerd olieproduct. De koper kon het olieproduct niet opslaan of onder zich houden wegens de onjuiste samenstelling ervan, die was veroorzaakt door een fout tijdens het laden vóór de eerste overbrenging van het product van Nederland naar België. In feite is de vraag of dit olieproduct als „afvalstof” moet worden aangemerkt, de enige kwestie waarvoor de verwijzende nationale rechter een beroep op het Hof doet in het kader van de strafrechtelijke berechting van Shell wegens niet-naleving van de procedurele vereisten van het Nederlandse en het Unierecht betreffende het overbrengen van afvalstoffen.

Artikel 3, lid 1, van verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap, verlangt dat aan de bevoegde autoriteit van bestemming vooraf kennis wordt gegeven van het overbrengen van afvalstoffen, terwijl artikel 5, lid 1, van verordening nr. 259/93 overbrenging zonder vergunning verbiedt. Beide verplichtingen zijn een uitwerking van het voorzorgsbeginsel van artikel 191, lid 2, VWEU, en het staat vast dat Shell noch aan de bevoegde autoriteiten kennisgeving heeft gedaan van de overbrenging van het product in kwestie, noch hiervoor vergunning had verkregen.

Geschil in het hoofdgeding en prejudiciële vragen

Op 3 september 2006 is door Shell zogenoemde Ultra Light Sulphur Diesel (ULSD) in een schip verladen en naar een Belgische klant (Gebr. Carens BVBA) gebracht. Op het moment van laden van het schip waren de tanks niet helemaal leeg, waardoor de ULSD vermengd is geraakt met Methyl Tertiary Butyl Ether (MTBE).

Het gevolg van deze vermenging was dat de ULSD niet aan de overeengekomen productkenmerken voldeed en door Carens niet meer kon worden gebruikt voor het oorspronkelijk beoogde doel, te weten verkoop door Carens als dieselbrandstof aan de pomp. Het vlampunt van het mengsel was daarvoor te laag; bovendien mocht Carens op grond van haar milieuvergunning een mengsel met een dergelijk vlampunt niet opslaan. De vermenging van de ULSD met MTBE werd pas ontdekt nadat de partij was overgedragen aan Carens in België. Volgens de schriftelijke opmerkingen van de Commissie zond Shell de partij tussen 20 en 22 september 2006 terug naar Nederland, waar zij deze opnieuw heeft laten blenden om het nieuwe mengsel als brandstof te verkopen. Zoals reeds vermeld heeft Shell vóór de overbrenging noch een kennisgeving in de zin van verordening nr. 259/93 gedaan, noch om een vergunning verzocht.

Shell werd daarop strafrechtelijk vervolgd voor de Rechtbank te Rotterdam. Shell wordt ten laste gelegd dat zij in of omstreeks het tijdvak van 20 tot en met 22 september 2006 te Barendrecht en/of te Rotterdam, in elk geval te Nederland, in elk geval binnen het grondgebied van de Europese Unie, (een) handeling(en) heeft verricht als bedoeld in artikel 26, lid 1, van verordening nr. 259/93, omdat zij in het motortankschip Nimitz afvalstoffen, te weten (ongeveer 333 276 kilogram) gasolie en/of dieselolie verontreinigd met MTBE, in elk geval olieafval, in elk geval een afvalstof als genoemd onder code AC 030 in bijlage III bij verordening nr. 259/93, heeft overgebracht van België naar Nederland, welke overbrenging geschiedde zonder kennisgeving aan en/of toestemming van alle/de betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomstig verordening nr. 259/93.

In het licht hiervan heeft de Rechtbank verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

1. Moet een partij diesel worden aangemerkt als een afvalstof in de zin van [verordeningen nr. 259/93 en nr. 1013/2006] in de volgende omstandigheden:

  • de partij bestaat uit Ultra Light Sulphur Diesel, die ongewild vermengd is geraakt met Methyl Tertiary Butyl Ether;
  • de partij blijkt na levering aan een koper – door de vermenging – niet aan de tussen de koper en verkoper overeengekomen specificaties te voldoen (het is daarmee: ,off-spec’);
  • de partij wordt – na reclame door de koper – uit hoofde van de koopovereenkomst teruggenomen door de verkoper en deze betaalt de koopprijs terug;
  • de verkoper heeft de intentie om de partij – al dan niet na vermenging met een ander product – weer op de markt te brengen.

2. Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend is:

  • is er een moment aan te wijzen in bovengenoemde feitelijke omstandigheden vanaf hetwelk dit het geval is?;
  • verandert de status van de partij naar niet-afvalproduct op enig moment tussen de aflevering aan de koper en een nieuwe menging door of namens de verkoper, en zo ja, op welk moment?

3. Is het voor het antwoord op vraag 1 van belang:

  • of de partij op dezelfde wijze gebruikt kon worden als brandstof als pure ULSD, maar door zijn lagere vlampunt niet meer voldeed aan (veiligheids)eisen;
  • of de partij door de nieuwe samenstelling door de koper niet mocht worden opgeslagen onder een milieuvergunning;
  • of de partij door de koper niet gebruikt kon worden voor het doel waarvoor deze was aangekocht, namelijk verkoop als dieselbrandstof aan de pomp;
  • of de wil van de koper wel of niet op teruggave aan de verkoper onder de koopovereenkomst was gericht;
  • of de wil van de verkoper inderdaad was gericht op terugname van de partij met het oog op bewerking door menging en terugbrengen op de markt;
  • of de partij wel of niet hersteld kan worden, hetzij in de originele beoogde staat, hetzij tot een product dat verhandelbaar is tegen een prijs die de marktwaarde van de oorspronkelijke partij ULSD benadert;
  • of die herstelhandeling een gebruikelijk productieproces is;
  • of de marktwaarde van de partij in de staat waarin het zich bevindt op het moment dat het wordt teruggenomen door de verkoper, (nagenoeg) overeenkomt met de prijs van een product dat wel aan de overeengekomen specificaties voldoet;
  • of de teruggenomen partij in de staat waarin het zich bevindt op het moment dat het wordt teruggenomen, zonder bewerking op de markt kan worden verkocht;
  • of de handel in producten zoals de partij gebruikelijk is en in het handelsverkeer niet als handel in afvalstoffen wordt beschouwd.”

Beoordeling AG JÄÄSKINEN

De AG geeft in overweging op de prejudiciële vragen van de Rechtbank te Rotterdam het volgende antwoord te geven:

„Een partij brandstof die de verkoper terugneemt en bewerkt door menging, met de bedoeling het mengsel weer op de markt te brengen, omdat die brandstof onbedoeld was vermengd met een andere stof en daardoor niet langer voldeed aan veiligheidsvoorschriften en derhalve niet door de koper kon worden opgeslagen uit hoofde van diens milieuvergunning, moet worden aangemerkt als een partij afvalstof in de zin van artikel 2, sub a, van verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap, vanaf het moment van de onbedoelde verontreiniging tot aan de nuttige toepassing door de nieuwe menging ervan.”

Lees hier de volledige conclusie.

Print Friendly and PDF ^

Jaarlijkse boeten voor zwartspaarders

De Hoge Raad heeft vandaag geoordeeld dat belastingplichtigen van wie de belastinginspecteur heeft bewezen dat zij op 31 januari 1994 een aanzienlijk tegoed op een geheime Luxemburgse bankrekening hadden, in beginsel voor alle jaren vanaf 1993 een boete kan worden opgelegd wegens opzettelijk verzwegen inkomsten.

In 2000 heeft de Belastingdienst van de Belgische belastingdienst microfiches ontvangen die gegevens bevatten over rekeningen van inwoners van Nederland bij de Kredietbank Luxembourg (KB-Lux). De microfiches vermelden saldi op rekeningen bij KB-Lux op 31 januari 1994. De Belastingdienst heeft vervolgens de (vermoedelijke) rekeninghouders benaderd met vragen. Sommigen hebben meegewerkt en opening van zaken gegeven (‘meewerkers’). Anderen hebben ontkend rekeninghouder te zijn (‘ontkenners’) dan wel geweigerd mee te werken (‘weigeraars’). Ten aanzien van ontkenners en weigeraars heeft de Belastingdienst (navorderings-)aanslagen in de inkomstenbelasting (IB) en vermogensbelasting (VB) opgelegd over, veelal, de jaren 1990 tot en met 2000, alsmede boeten van 100% van het belastingbedrag.

Belastingplichtigen zijn voor de belastingheffing verplicht om alle door de inspecteur gevraagde inlichtingen te geven. Dat betekent, zoals de Hoge Raad al eerder heeft beslist, dat de belastinginspecteur aan de ontkenners en weigeraars navorderingsaanslagen mag opleggen naar geschatte bedragen.

Voor het opleggen van boeten ligt dat anders. Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) geeft een verdachte het recht om te zwijgen. Dat betekent dat de rekeninghouders niet verplicht zijn om mee te werken aan het bewijs dat zij opzettelijk inkomsten hebben verzwegen. Dat bewijs moet de inspecteur leveren. Als de inspecteur enkel over een KB-Lux-saldo per 31 januari 1994 beschikt, heeft hij geen hard bewijs dat de ontkenners en weigeraars ook in de jaren daarvóór en de jaren daarná zwart geld in Luxemburg hadden.

De Hoge Raad heeft nu beslist dat de inspecteur in deze gevallen met een bewijsvermoeden mag werken. Als hij heeft bewezen dat de belastingplichtige op 31 januari 1994 een aanzienlijk saldo op de KB-Lux-rekening had, mag de belastinginspecteur daaraan het vermoeden ontlenen dat dit saldo er ook al in de loop van 1993 was, en ook dat dat geld na 31 januari 1994 niet is verdwenen. Het is dan ook aan de belastingplichtige om dat vermoeden te ontzenuwen. Doet hij dat niet, dan mag de inspecteur hem een boete opleggen.

Als de inspecteur geen verder bewijs heeft, mag hij met het opleggen van boeten niet verder terug gaan dan tot 1993. Boeten over de inkomstenbelasting over de jaren 1990 tot en met 1992 en voor de vermogensbelasting over de jaren 1991 tot en met 1993 vervallen dan dus.

In het hier berechte geval ligt dat anders. De belastingplichtige had verklaard dat de rekening al rond 1991 was geopend. Er was dus wel aanvullend bewijs. Ook de boeten over de jaren vóór 1993 bleven hierdoor in stand.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Wel of geen verlenging redelijke termijn ingeval van prejudiciële vragen aan EU-Hof?

De hoogste rechters gaan één lijn trekken bij het meetellen van de duur van een prejudiciële procedure bij het EU-Hof voor de beoordeling van de redelijke termijn waarbinnen een rechter uitspraak moet doen. Vertegenwoordigers van de hoogste rechtscolleges buigen zich gezamenlijk over een geschikte zaak en laten zich daarbij adviseren door een advocaat-generaal van de Raad van State. Nieuwe procesregels maken deze bijzondere aanpak mogelijk.

Wanneer een rechter uitleg vraagt aan het EU-Hof duurt dat intermezzo al gauw anderhalf jaar. Toch moet die rechter binnen een redelijke termijn uitspraak doen. Dat eist het EVRM. Anders moet er schadevergoeding worden betaald. Eerder oordeelde de Centrale Raad van Beroep in een schadevergoedingsprocedure dat de duur van de prejudiciële procedure niet meetelt voor de beoordeling van de overschrijding van de redelijke termijn. Kennelijk bestond bij de andere hoogste rechters behoefte hierover gezamenlijk te besluiten en ook te kijken naar de overschrijding van de redelijke termijn in het algemeen.

In samenwerking met de andere hoogste bestuursrechters maakt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State nu voor de eerste keer gebruik van de mogelijkheid om in een aanhangige procedure een conclusie te vragen aan de bestuursrechtelijke ‘advocaat-generaal’. Deze mogelijkheid wordt de hoogste bestuursrechters sinds 1 januari 2013 geboden in het kader van de bevordering van de rechtsontwikkeling en de rechtseenheid. Op die datum is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht in werking getreden. Prof. mr. Rob Widdershoven, die begin dit jaar naast mr. Leen Keus is benoemd tot bestuursrechtelijke ‘advocaat-generaal’ bij de Afdeling bestuursrechtspraak, de Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfsleven, wordt belast met het nemen van deze conclusie.

Grote kamer met vijf leden

In het najaar van 2013 zal de desbetreffende zaak op een rechtszitting worden behandeld door een zogenoemde grote kamer met vijf leden. Ook deze mogelijkheid bestaat pas sinds 1 januari van dit jaar. De grote kamer zal in ieder geval bestaan uit de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak, de presidenten van de Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfsleven en een lid van de Hoge Raad dat tevens staatsraad in buitengewone dienst is.

Inhoud van de zaak

Het geschil bij de Afdeling bestuursrechtspraak waarin nu om het nemen van een conclusie is verzocht, heeft betrekking op de vraag of in deze procedure die al zes jaar duurt, de redelijke termijn van artikel 6 van het EVRM is overschreden. In haar uitspraak van 1 februari jl. waartegen het hoger beroep is ingesteld, heeft de rechtbank in Den Bosch overwogen dat in zaken als deze in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste drie jaar redelijk is te achten. Het gaat dan om zaken die uit een bezwaarschriftenprocedure en – tot op het moment van de uitspraak van de rechtbank – één rechterlijke instantie bestaan. Hierbij mag de behandeling van het bezwaar hoogstens één jaar duren en de behandeling van het beroep hoogstens twee jaar. Naar het oordeel van de rechtbank is de lange behandelingsduur van het beroep in dit geval gerechtvaardigd, omdat de zaak was aangehouden in afwachting van de beantwoording van zogenoemde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie in Luxemburg. De rechtbank heeft bij de vaststelling van de overschrijding van de redelijke termijn de periode van bijna drie jaar die met de aanhouding was gemoeid, geheel buiten beschouwing gelaten. Met uitzondering van deze periode, kwam zij tot de slotsom dat de procedure tot dat moment drie jaar heeft geduurd, zodat de redelijke termijn niet is overschreden en dus geen grond bestaat voor toekenning van schadevergoeding. In het hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak wordt opgekomen tegen het niet meetellen van de periode van drie jaar waarin de zaak is aangehouden.

Verzoek aan de advocaat-generaal

Ten behoeve van de rechtseenheid is de advocaat-generaal verzocht in een conclusie in te gaan op de uiteenlopende jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak, de Centrale Raad van Beroep, het College van Beroep voor het bedrijfsleven en de Hoge Raad met betrekking tot artikel 6 van het EVRM. Hem is gevraagd welke behandelingsduren de rechtscolleges voor de verschillende fasen van de procedures en voor de procedures als geheel, nog als redelijk kunnen aanmerken in het licht van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, als zij daarbij een uniforme benadering zouden gaan volgen. Aan de orde zal komen of voor alle type zaken dezelfde termijnen moeten worden gehanteerd of dat daarbij moet of kan worden gedifferentieerd. Daarbij is het voor de rechtscolleges belangrijk dat zij voor de rechtspraktijk een goed en eenvoudig systeem kunnen hanteren.

Nemen van een conclusie

Met het nemen van een conclusie door de advocaat-generaal wordt meer dan met de rechterlijke uitspraak zelf gelegenheid geboden om een rechtsvraag te plaatsen in een breder verband. De conclusie kan een bijdrage leveren aan de kwaliteit en de inzichtelijkheid van de rechtsontwikkeling door de rechter. Het gaat in de eerste plaats om zaken waarin de rechtsvraag 'college-overstijgend' is en die rechtsvraag in de rechtspraak niet eerder of niet eenduidig is beantwoord. Samen met de mogelijkheid van behandeling van een zaak door een grote kamer met vijf leden die deel uitmaken van de hoogste bestuursrechtelijke colleges, biedt het een aantrekkelijk perspectief voor de bevordering van de rechtsontwikkeling en de rechtseenheid.

Verdere verloop van de procedure

Naar verwachting zal de grote kamer de zaak op donderdag 12 september 2013 op een rechtszitting behandelen. De advocaat-generaal brengt zijn conclusie uiterlijk zes weken na de zitting uit. Deze wordt gepubliceerd en aan partijen toegezonden met de mogelijkheid om hierop te reageren. Na het verstrijken van die reactietermijn zal de grote kamer uitspraak doen in deze zaak.

Bron: Expertisecentrum Europees Recht

Print Friendly and PDF ^