Vrijspraak marktplaatsoplichting. Niet bewogen door valse naam. Ontoereikende tenlastelegging.

Gerechtshof Amsterdam 23 maart 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1214 Dertien personen hebben aangifte gedaan van oplichting. In alle gevallen hadden de benadeelden via Marktplaats digitale apparatuur (iPads en/of telefoons van de merken Apple of Blackberry) willen aanschaffen en hadden zij daartoe contact gezocht met een verkoper daarvan. Met die persoon was een prijs voor de gewenste goederen bepaald en deze goederen zouden per post worden opgestuurd na overschrijving van de overeengekomen prijs op het door die persoon verstrekte bankrekeningnummer. De benadeelden hebben deze goederen - na betaling van het overeengekomen geldbedrag - echter niet ontvangen. Bij het aanmaken van de in totaal negen advertenties voor deze telefoons en tablets is gebruik gemaakt van verschillende gebruikersnamen, e-mailadressen, adresgegevens en IP-adressen. Hetgeen telkens wel overeenkwam was het bankrekeningnummer en de bijbehorende tenaamstelling, te weten de naam van de verdachte. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte erkend dat voornoemde bankrekening in de ten laste gelegde periode hem toebehoorde.

Oplichting

De vraag die het hof heeft te beantwoorden is of de verdachte de benadeelden door aanwending van een of meer oplichtingsmiddelen (het aannemen van een valse naam of een valse hoedanigheid, het toepassen van listige kunstgrepen en/of het gebruik maken van een samenweefsel van verdichtsels) heeft bewogen tot een bepaalde gedraging, te weten de afgifte van een geldbedrag. Hierbij is van belang (telkens) te bepalen of het aangewende oplichtingsmiddel ertoe bestemd en geschikt is slachtoffers daadwerkelijk tot afgifte te bewegen, oftewel dat sprake is van een causaal verband.

Valse naam en e-mailadressen

De verdachte heeft weliswaar een valse naam aangenomen en bijpassende e-mailadressen gebruikt, maar niet is gebleken dat de slachtoffers daardoor zijn bewogen tot de afgifte van de gelden. Integendeel, de slachtoffers zijn over het verschil in de namen die de verdachte in zijn contacten met de slachtoffers gebruikte c.q. de tenaamstelling van zijn e-mailadres en bankrekening heengestapt. Immers, zij hebben de geldbedragen overgemaakt op een op naam van de verdachte tenaamgestelde bankrekening.

De omstandigheid dat de verdachte een valse naam heeft aangenomen, met bijbehorende e-mailadressen, kan derhalve niet als oplichting in de zin van 326 Wetboek van Strafrecht (Sr) worden aangemerkt.

Valse hoedanigheid

Aan de in artikel 326 Sr neergelegde regeling ligt ten grondslag dat van de koper behoedzaamheid wordt verwacht bij het uitkiezen van zijn contractspartij (blijkens de Memorie van Toelichting bij titel XXV van boek II van het Wetboek van Strafrecht). Volgens bestendige - op voornoemde wetsgeschiedenis geënte - jurisprudentie van de Hoge Raad levert het enkele zich in strijd met de waarheid voordoen als een bonafide verkoper die in staat en voornemens is het goed te leveren, niet het aannemen van een valse hoedanigheid op. In dat geval kan sprake zijn van civielrechtelijk niet-nakoming, maar het is niet zonder meer als oplichting te kwalificeren. Daarvoor dienen de gedragingen van de verdachte meer te omvatten.

Samenweefsel van verdichtsels

Voor het antwoord op de vraag of een slachtoffer, dat door een verdachte is geconfronteerd met leugenachtige mededelingen, door een samenweefsel van verdichtsels is bewogen tot afgifte van een goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld als bedoeld in art. 326 Sr, komt het aan op alle omstandigheden van het geval. Tot die omstandigheden behoren de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) onware mededelingen in hun onderlinge samenhang, de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid degene tot wie de mededelingen zijn gericht aanleiding had moeten geven de onwaarheid te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen en de persoonlijkheid van het slachtoffer (Hoge Raad 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8600).

In de onderhavige zaak zijn de volgende uitvoeringshandelingen te ontwaren:

  • In de zaak naam 1 heeft de verkoper in strijd met de waarheid in de advertentie gesteld dat hij iPhones aanbood wegens een faillissement. Uit een bij de aangifte gevoegde e-mailwisseling blijkt dat de verkoper heeft aangegeven dat hij woonachtig is in Oostburg (West-Zeeuws-Vlaanderen), waar de benadeelde - in verband met de werktijden van de verkoper - het product elke werkdag tussen 06:00 uur en 09:00 uur kon komen ophalen.
  • In de zaak naam 4 heeft de verkoper in strijd met de waarheid in de advertentie vermeld dat hij iPhones verkocht omdat hij zijn zaak heeft moeten sluiten.
  • In de zaak naam 8 heeft de verkoper in de advertentie naar voren gebracht dat hij iPhones verkocht omdat hij zijn telefoonzaak heeft moeten sluiten.
  • In de zaak naam 9 heeft de verkoper in de advertentie vermeld dat hij iPads verkoopt omdat hij zijn zaak heeft moeten sluiten. De verkoper heeft in een aan de koper gerichte e-mail aangegeven dat hij op Texel woont en dat de koper het product daar elke werkdag tussen 07:00 uur en 09:00 uur kan komen ophalen.
  • In de zaak naam 10 heeft de verkoper aan de koper gemeld dat hij wegens beëindiging van zijn telecomwinkel iPhones te koop aanbiedt.
  • In de zaak naam 11 heeft de verkoper in strijd met de waarheid in de advertentie vermeld dat hij iPhones verkocht omdat hij zijn telefoonzaak heeft moeten sluiten, en uit de e-mailwisseling tussen de koper en de verkoper blijkt dat laatstgenoemde heeft gezegd dat hij in Oosterend (Texel) woont en dat de koper op werkdagen tussen 07:00 uur en 09:00 uur welkom is het product daar op te halen.

Gelet op al het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, staat vast dat de verdachte ten opzichte van naam 1, naam 9 en naam 11 meerdere onwaarheden heeft verkondigd, die erop waren gericht hen te bewegen een koopovereenkomst te sluiten en hun eigen uit die koopovereenkomst voortvloeiende verplichting - de betaling van de koopsom - voorafgaand aan het afleveren van het gekochte goed na te komen. Door de onware mededelingen - dat hij een winkel had gehad, dat hij de door hem aangeboden producten in voorraad had alsmede dat de kopers de producten bij hem konden ophalen - heeft de verdachte zich in strijd met de waarheid als bonafide leverancier gepresenteerd, waarbij hij daarnaast in een aantal gevallen door te suggereren dat hij in Oostburg c.q. Texel woonde een dermate hoge drempel opwierp dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kon worden voorzien dat van dat ophalen zou worden afgezien. Dat de verdachte deze personen door dit samenweefsel van verdichtselen heeft trachten te bewegen tot het sluiten van de koopovereenkomst en het voorafgaand aan de levering betalen van de koopsom, is waarschijnlijk. Uit de aangiftes blijkt echter niet waardoor de aangevers nu echt zijn bewogen, anders dan door de wens het aangeboden goed te kopen en ook anderszins is niet duidelijk geworden dat zij tot het overmaken van de koopsom zijn gekomen door de aanwending van oplichtingsmiddelen door de verdachte.

De tenlastelegging houdt als de door de verdachte aangewende oplichtingsmiddelen in de kern slechts in dat de verdachte op de internetsite “www.marktplaats.nl” goederen heeft aangeboden, dat hij daarbij gebruik heeft gemaakt van een gefingeerde naam en een e-mailadres waarin zijn eigen naam niet voorkwam, dat hij met de kopers een prijs van aankoop heeft afgesproken en dat de verdachte zijn rekeningnummer heeft gegeven, waarop het overeengekomen bedrag diende te worden overgemaakt, hetgeen naar de kern genomen een normale marktplaatstransactie niet overstijgt. Integendeel, het ten laste gelegde gedrag is grotendeels kenmerkend voor elke normale Marktplaatstransactie. De verdachte dient derhalve van het primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken, nu ook niet blijkt dat de verdachte een listige kunstgreep heeft toegepast.

Het hof acht hetgeen aan de verdachte subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde evenmin wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte ook van die onderdelen van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling "spil" in criminele organisatie die zich bezighield met valsheid in geschrifte, faillissementsfraude en omzetbelastingfraude. Hof: Het opnemen van valse facturen in de administratie is niet strafbaar als belastingdelict

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 12 april 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:1365

Verdachte heeft deel uitgemaakt van een criminele organisatie die zich bezighield met valsheid in geschrifte, faillissementsfraude en omzetbelastingfraude. De verdachte heeft zich daarbij persoonlijk, als bestuurder van bedrijf 8, beziggehouden met faillissementsfraude en is tevens, als feitelijk leidinggevende, betrokken geweest bij andere strafbare feiten, die door bedrijf 8 en bedrijf 1 zijn begaan (valsheid in geschrifte en omzetbelastingfraude). De verdachte was de spil van de criminele organisatie.

De raadsvrouwe heeft ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde feit in subsidiaire zin bepleit dat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het bewijs tekortschiet om te kunnen vaststellen dat er sprake is van valse in- en verkoopfacturen, laat staan dat de verdachte daarbij als feitelijk leidinggevende betrokken is geweest. Een bewezenverklaring zou hoofdzakelijk berusten op de belastende onderdelen van de verklaringen van medeverdachte D, terwijl diens verklaringen doorspekt zijn van aannames en conclusies en daarom niet voor het bewijs zouden mogen worden gebruikt, aldus de raadsvrouwe.

Het hof verwerpt dit verweer. Het hof gaat, evenals de rechtbank en de advocaat-generaal, uit van de betrouwbaarheid van de voor de verdachte belastende verklaringen van medeverdachte D.

De verdediging kan weliswaar worden toegegeven dat hij wisselend heeft verklaard en dat in zijn verklaring ten overstaan van de raadsheer-commissaris op onderdelen omstandigheden naar voren komen die hij niet zelf heeft waargenomen of ondervonden, maar daartegenover staat dat ook na eliminatie van die onderdelen een overtuigende bevestiging resteert van de eerdere, voor de verdachte belastende, verklaringen.

Daarbij neemt het hof in aanmerking dat hij bij de raadsheer-commissaris een duidelijke uitleg heeft gegeven voor de wisselingen in zijn verklaringen:

“U houdt mij voor dat ik bij mijn eerste FIOD verhoor heb verklaard dat ik het voor het zeggen had bij bedrijf 1 en dat ik bij mijn tweede tot en met vijfde verhoor bij de FIOD heb verklaard over facturen die ik in opdracht van de verdachte in de administratie heb verwerkt, en dat ik bij de rechter-commissaris weer anders heb verklaard. U vraagt mij hoe het komt dat mijn verklaringen zo verschillend zijn. In die tijd, voor het verhoor bij de rechter-commissaris, zagen voornaam van verdachte (het hof: de verdachte ) en ik elkaar regelmatig en hij zou ook zorgen dat ik een advocaat zou krijgen. U vraagt mij hoe het zit met het verschil tussen het eerste en tweede tot en met vijfde FIOD verhoor. Tijdens de lunchpauze hebben zij mij op mijn rechten en plichten gewezen. Ik kreeg steeds meer punten waar ik niet uitkwam. Ik was nog nooit eerder in contact gekomen met justitie. Toen heb ik een besluit genomen om het uit te leggen in plaats van 103 dagen in bewaring te zitten. Met uitleggen bedoel ik vertellen zoals het werkelijk gegaan is.”

Het hof neemt ten aanzien van zijn oordeel omtrent de betrouwbaarheid van meerbedoelde verklaringen voorts in aanmerking dat hij daarin authentiek overkomt en daarmee ook zichzelf belast. Bovendien vinden de verklaringen steun in de verklaringen van medeverdachten. Zo hebben de medeverdachten A en F ook verklaard over de leidinggevende rol van de verdachte bij bedrijf 1 en over het op verzoek van de verdachte opmaken van valse facturen.

De betrokkenheid van de verdachte reikt dan ook veel verder dan het optreden als een commissionair, zoals de verdachte heeft verklaard en door de raadsvrouwe is aangevoerd. De verdachte heeft, zo volgt uit de bewijsmiddelen, grote feitelijke betrokkenheid gehad bij de strafbare feiten die door bedrijf 1 zijn begaan. Het hof is daarom met de rechtbank en de advocaat-generaal van oordeel dat de verdachte, evenals medeverdachte D overigens, als feitelijk leidinggevende van bedrijf 1 was te beschouwen.

Op grond van de bewijsmiddelen wordt ook vastgesteld dat de in de bewezenverklaring omschreven in- en verkoopfacturen vals waren. Het hof sluit zich ten aanzien daarvan aan bij de motivering van de rechtbank. Hetgeen de raadsvrouwe daartegen heeft ingebracht, brengt het hof niet tot een ander oordeel.

In het voorgaande ligt besloten dat ook het verweer van de raadsvrouwe ten aanzien van het onder 6 bewezen verklaarde feit niet slaagt. Uit de betrouwbaar geachte verklaringen van medeverdachte D volgt immers dat de verdachte ook ten aanzien van de in de bewezenverklaring omschreven aangiften een leidinggevende rol heeft gehad. Dat geldt ook ten aanzien van de aangiften over het tweede kwartaal van 2005 tot en met het tweede kwartaal van 2006. Medeverdachte D heeft tenslotte ten overstaan van de FIOD verklaard:

“Na de zoeking van 12 april 2005 is alles op verzoek van de verdachte gewoon doorgegaan, zoals voor 12 april 2005. (…) de verdachte heeft tegen mij gezegd dat ik op de aangiftebiljetten omzetbelasting van bedrijf 1 vanaf 12 april 2005 tot en met heden geen te betalen omzetbelasting moest aangeven.” (V25-05, pagina 2).

Voorts heeft hij verklaard:

“Elke keer als er een aangifte voor de BTW voor bedrijf 1 na 12 april 2005 moest worden gedaan kreeg ik het weer benauwd. Ik besprak met de verdachte dat ik er weinig voor voelde om weer een valse aangifte BTW in te dienen. Elke keer weer wist de verdachte mij te overtuigen dat hij het zou oplossen.”(V25-06, pagina 2).

Na te zijn geconfronteerd met de omzet van bedrijf 1 over 2005 en het eerste kwartaal van 2006, verklaarde hij ook:

“de verdachte wilde nooit de gefactureerde en verschuldigde omzetbelasting betalen. Het hele gedoe met het valselijk facturen, het inboeken van de valse inkoop en exportfacturen ging er nu juist om om met de BTW te frauderen. Als we juist en volledig hadden aangegeven had het hele gedoe geen enkel nut gehad.” (V25-06, pagina 5)

Ten aanzien van het onder 5 bewezen verklaarde feit volgt het hof in grote lijnen de redenering van de rechtbank. Het verweer van de raadsvrouwe, dat zich tegen die redenering keert, wordt verworpen.

Het hof overweegt als volgt. Vaststaat dat medeverdachte E op 10 september 2003 het faillissement van bedrijf 8 heeft aangevraagd en dat onder andere de facturen D/123 t/m D/126 aan die aanvraag ten grondslag hebben gelegen.

Op grond van de verklaring van medeverdachte G, de secretaresse van medeverdachte E, en de resultaten van het onderzoek van de FIOD kan worden vastgesteld dat de factuur D/126 - gedateerd 6 januari 2003 - op 3 september 2003 is opgemaakt. Die factuur ziet op een (vermeende) “taxatie ter plaatse te Oudenbosch” van een “Krone oplegger” door bedrijf 13. De datum waarop die taxatie zou hebben plaatsgevonden, vermeldt de factuur niet. In het dossier bevindt zich echter ook een verkoopfactuur die betrekking heeft op de Krone oplegger (factuur D/129). Die factuur, afkomstig van bedrijf 8 en gericht aan bedrijf 14, is gedateerd van 14 oktober 2002. De inkoper van laatstgenoemde firma was destijds de getuige H. Hij heeft, naar aanleiding van een vraag over de hiervoor genoemde verkoopfactuur, onder meer verklaard:

“Ik herken deze factuur. Dat is de factuur van de aankoop door bedrijf 14 van dat containerchassis (…). Ik ben met een chauffeur van bedrijf 14 naar Meer gereden met een vrachtwagentrekker. Er werd door bedrijf 14 telefonisch betaald. Toen dat was geregeld konden we het chassis meenemen. Dat was in oktober 2002. (…) Er is onderhandeld over de prijs. (…) Ik wist wat een chassis nieuw moest kosten en de prijs die bedrijf 8 (het hof: bedrijf 8 ) vroeg was scherp. Daarom heb ik niet laten taxeren. Ik denk ook niet dat dat gebruikelijk is. (…) Er is niet getaxeerd.” (G06-01, pagina 2 en 3)

Nadat hem de taxatiefactuur (D/126) wordt voorgehouden, verklaarde hij:

“Ik zie dit voor het eerst, het zegt mij niets. Ik heb dit nog nooit gezien. In januari 2003 was het chassis al in het bezit van bedrijf 14 Ik weet niets van een taxatie af. (…) Het chassis is ook niet meer terug geweest bij bedrijf 8 na oktober 2002. Wij laten het onderhoud van het chassis ook niet uitvoeren door bedrijf 8. Er is niet getaxeerd in januari 2003.” (G06-01, pagina 3)

Het hof zijn uit het onderzoek ter terechtzitting geen feiten of omstandigheden gebleken op grond waarvan aan de verklaringen van medeverdachte G en getuige H zou moeten worden getwijfeld. Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat de oplegger in ieder geval niet is getaxeerd in de periode na 14 oktober 2002. Dat de taxatie eerder zou hebben plaatsgevonden, is niet gesteld ( E verklaarde zeker te weten dat de taxatie in december 2002/januari 2003 heeft plaatsgevonden), maar ook niet aannemelijk. Immers, in het dossier bevindt zich ook een inkoopfactuur (D/128) van de oplegger; ook die factuur is gedateerd van 14 oktober 2002. Opvallend is dat, indien deze gegevens de werkelijke gang van zaken zouden weergeven, bedrijf 8 in een zeer kort tijdsbestek een verliesgevende transactie zou moeten zijn aangegaan: de inkoopprijs zou namelijk € 17.000,-- exclusief BTW zijn geweest, de verkoopprijs € 17.500,-- exclusief BTW en de taxatiekosten € 1.750,--. Ook dat maakt de gang van zaken allerminst aannemelijk. De getuige H bracht het als volgt onder woorden:

“Het lijkt mij sterk dat bedrijf 8 iets met verlies heeft verkocht. Ik had niet de indruk dat bedrijf 8 van dat chassis af moest. (…) Zo te zien doet bedrijf 8 iets niet goed.” (G06-01, pagina 4)

Het hof komt daarom tot de conclusie dat de factuur D/126 vals moet zijn geweest. Dat het valselijk opmaken is begaan door een nauwe en bewuste samenwerking tussen bedrijf 8 en E, die daarbij handelde onder de naam van bedrijf 13, en dat de verdachte daaraan feitelijk leiding heeft gegeven, kan onder meer uit de door E bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring worden afgeleid: 

“de verdachte had een waardebepaling nodig van (…) die Krone oplegger. (…) Ik heb alleen een factuur met daarop vermeld de waardebepaling aan De bedrijf 8 verzonden. (…) De taxatie (het hof: beweerde taxatie) is uitgevoerd door mij in privé onder de naam bedrijf 13.”

Naar het oordeel van het hof moeten de facturen D/123 t/m D/125 tegen deze achtergrond worden bezien. Deze facturen - respectievelijk gedateerd 30 juni 2003, 24 juli 2003 en 21 augustus 2003 - zien op de huur van kantoorruimte aan een adres te Baarle-Nassau voor achtereenvolgens de maanden juli, augustus en september van het jaar 2003. De facturen zijn afkomstig van een ander bedrijf van E, namelijk bedrijf 11, en gericht aan bedrijf 8 Uit de huurovereenkomst volgt echter dat de kantoorruimte werd verhuurd aan bedrijf 12, een ander bedrijf van de verdachte. Medeverdachte E heeft ten overstaan van de FIOD onder meer verklaard:

“De huurder van het kantoor boven, unit 8, moest met ingang van 1 juli 2003 niet meer bedrijf 12 maar bedrijf 8 (…) zijn. Ik had die afspraak mondeling met de verdachte gemaakt op 11 juni 2003 (…). Ik heb voornaam van G (het hof: medeverdachte G ) opdracht gegeven (…) om de reeds uitgeschreven en uitgereikte huurnota’s over de maanden juli tot en met september 2003, D/123 tot en met D/125, aan bedrijf 12 om te zetten in bedrijf 8, zoals eerder was afgesproken met de verdachte. (…) De naamswijziging is van de verdachte gekomen.” (V14-03, pagina 4 en 5)

Medeverdachte G heeft voorts ten overstaan van de FIOD verklaard:

"Huurfacturen maakte ik absoluut niet van tevoren op. De facturen voorzien van de stickers met bijlagennummer D/123 tot en met D/125 heb ik oorspronkelijk opgemaakt met als geadresseerde bedrijf 12 op of omstreeks de op de facturen vermelde data. Ik moet dus (het hof: gelet op de data van de facturen) na 21 augustus 2003 de opdracht van mijn directeur E hebben gekregen om de tenaamstelling van de oorspronkelijke huurder bedrijf 12 om te zetten in bedrijf 8 ”(V29-01, pagina 4)

Voor zover E heeft verklaard dat ook de huurovereenkomst van bedrijf 12 naar bedrijf 8 zou zijn overgezet, is het hof met de rechtbank van oordeel dat aan die verklaring geen geloof kan worden gehecht. Die verklaring wordt niet gesteund door enig bewijsmiddel. Zo is er bijvoorbeeld geen schriftelijke huurovereenkomst met bedrijf 8 aangetroffen in de administratie van de bedrijven van E.

De verklaring van medeverdachte G duidt bovendien op het tegendeel. Dat van haar verklaring moet worden uitgegaan, blijkt ook uit een brief (D/440) die in opdracht van E naar bedrijf 12 is uitgegaan. Die brief is gedateerd van 30 juni 2003 - en aldus ruim nadat de afspraak zou zijn gemaakt om de huurovereenkomst over te zetten naar bedrijf 8 - en vermeldt dat alle openstaande huurnota’s tot en met juni 2003 per kas zijn voldaan en dat de huurnota voor juli 2003 is bijgevoegd.

Het hof concludeert op grond van al het voorgaande (derhalve eveneens op grond van hetgeen ten aanzien factuur D/126 is overwogen) dat het niet anders kan zijn dan dat de facturen D/123 t/m D/125 valselijk zijn opgemaakt ten behoeve van de faillissementsaanvraag van bedrijf 8.

Een extra aanwijzing dat die conclusie juist is, is gelegen in de omstandigheid dat de originele facturen zich bevonden in het faillissementsdossier dat E had opgemaakt voor de aanvraag van het faillissement van bedrijf 8, terwijl in de administratie van bedrijf 8 louter kopiefacturen zijn aangetroffen. In het handelsverkeer is het immers zeer gebruikelijk om de originele factuur toe te zenden aan degene voor wie de factuur is bestemd.

Het valselijk opmaken moet gelet daarop hebben plaatsgevonden ná 21 augustus 2003 (verklaring medeverdachte G ) en vóór 10 september 2003 (dag waarop het faillissement is aangevraagd).

Naar het oordeel van het hof is dat het resultaat van een nauwe en bewuste samenwerking tussen bedrijf 8 en bedrijf 11, in die zin dat E degene is geweest die aan medeverdachte G (als secretaresse van zijn bedrijf bedrijf 11 ) de opdracht heeft gegeven om de huurfacturen opnieuw op te maken en dat de verdachte daarbij betrokken was als feitelijk leidinggevende van bedrijf 8.

Bij het oordeel omtrent de betrokkenheid van de verdachte ten aanzien van alle hiervoor genoemde facturen betrekt het hof, evenals de rechtbank, nog dat die niet alleen een uitvloeisel waren van tussen E en de verdachte gemaakte afspraken, maar dat de verdachte ook wist dat die afspraken daadwerkelijk hadden geresulteerd in het valselijk opmaken van facturen. De verdachte heeft immers, toen hij op 8 september 2003 werd aangemaand om de facturen nog dezelfde dag te betalen, op 9 september 2003 een fax naar E gestuurd met de boodschap dat hij niks meer zou betalen; uit de bijlage bij dat faxbericht blijkt dat hij daarbij doelde op de meergenoemde facturen (D/424 en D425). Dat de verdachte samen met E het plan heeft opgevat om de facturen valselijk op te maken, ligt ook in de rede, zoals de rechtbank reeds heeft overwogen: de verdachte had namelijk belang bij het gebruik van die facturen.

Het hof verwerpt ten slotte ook het verweer van de raadsvrouwe ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit. Het hof verwijst daarvoor naar de uitgebreide overwegingen van de rechtbank, als weergegeven op pagina 24 tot en met 29 van het vonnis, en maakt die tot de zijne. Anders dan de raadsvrouwe meent, volgt daaruit dat het bewijs voor deelneming aan een criminele organisatie toereikend is.

Het voorwaardelijke verzoek dat de raadsvrouwe in dit verband heeft gedaan, namelijk het verzoek tot het horen van medeverdachte I, wordt door het hof afgewezen. Het hof is van oordeel dat de noodzaak daartoe ontbreekt. Daarbij heeft het hof enerzijds gelet op hetgeen de raadsvrouwe daaromtrent naar voren heeft gebracht en anderzijds op de steun die de verklaringen van medeverdachte I vinden in andere bewijsmiddelen, zoals de verklaringen van medeverdachten A en B.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: Opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voorhanden hebben, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.
  • Feit 2: Als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon baten niet verantwoorden of enig goed aan de boedel onttrekken, meermalen gepleegd.
  • Feit 3: Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
  • Feit 4: Feitelijk leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van ingevolge de Invorderingswet 1990 verplicht zijnde inlichtingen of gegevens te verstrekken, deze opzettelijk onjuist verstrekken, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt ingevorderd, meermalen gepleegd.
  • Feit 5: Feitelijk leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.
  • Feit 6: Feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd, en feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.

Strafoplegging 

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 3 jaren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

OM niet-ontvankelijk in de vervolging wegens overschrijding redelijke termijn. Vervolging i.v.m. in georganiseerd verband opzettelijk overtreden van de Wet op de accijns duurt bijna 13 jaar.

Gerechtshof Amsterdam 28 januari 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1356

Het hof staat voor de vraag of de vervolging tegen de verdachte, die inmiddels bijna 13 jaar duurt, nog moet worden voortgezet. Het hof heeft daartoe als uitgangspunt genomen het bepaalde in artikel 6, eerste lid EVRM dat onder meer bepaalt dat een verdachte recht heeft op een behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn. Het zijn de staatsorganen – het openbaar ministerie en de zittende magistratuur – die daartoe de gelegenheid moeten bieden. Eerst zal derhalve dienen te worden vastgesteld of sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid EVRM. Mocht dat het geval zijn, dan is de vraag wat de consequenties van de overschrijding van de redelijke termijn dienen te zijn. Het antwoord op die vraag kan worden gevonden enerzijds in het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008, NJ 2008, 358, waarin de Hoge Raad heeft uitgesproken dat overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, ook niet in uitzonderlijke gevallen maar anderzijds in het uitgangspunt dat de beslissing om tot (verdere) vervolging over te gaan zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing leent, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkheidverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde om de reden dat geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voorzetting van) die vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn (ECLI:NL:HR:2012:BX4280). In dit spanningsveld dient het hof de voorliggende zaak te beoordelen.

Achtergrond
  • De onder 1 en 2 ten laste gelegde betreft feiten (in georganiseerd verband opzettelijk overtreden van artikel 5 van de Wet op de accijns) zouden feiten betreffen uit de periode van eind 2002 tot juni 2003. De verdachte is op verdenking hiervan aangehouden op 26 juni 2003. Hij is vervolgens gedagvaard voor de terechtzitting van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam van 19 oktober 2005.
  • Op het onderzoek ter terechtzitting van 19 oktober 2005 is de verdachte niet verschenen, maar wel de gemachtigd raadsman van de verdachte, die is gebleken niet tijdig in het bezit te zijn gesteld van verdachtes (complete) strafdossier, waarop de zaak voor onbepaalde tijd moest worden aangehouden.
  • Op 6 juli 2006 is er niemand ter terechtzitting verschenen. De raadsman heeft op voorhand door middel van een brief te kennen gegeven niet te zullen verschijnen, omdat hij zich op dat moment niet meer gemachtigd achtte aangezien hij geen contact meer had met verdachte.
  • Ter terechtzitting van 13 april 2007 is de verdachte zonder raadsman verschenen. Hij verbleef tot dat moment in het buitenland en had eerst de dag voor de zitting gehoord dat zijn zaak op 13 april 2007 zou dienen. De verdachte heeft te kennen gegeven wel de bijstand van een betaalbare advocaat te wensen en hij heeft om aanhouding verzocht wegens een gebrek aan voorbereidingstijd.
  • Op 13 juli 2007 heeft de verdachte ter terechtzitting een verklaring afgelegd en zijn verdediging gevoerd. Hij had geen bijstand van een raadsman. De zaak is aangehouden, aangezien dit in een zaak tegen een medeverdachte gebeurde en de rechtbank het wenselijk achtte dat de zaken tegelijkertijd zouden worden afgedaan. Ter terechtzitting van 15 augustus 2007 is de verdachte verschenen zonder raadsman. Hij heeft op deze zitting naar voren gebracht dat op 6 maart 2007 de officier van justitie in drie zaken van medeverdachten niet-ontvankelijk in de vervolging is verklaard wegens een schending van de redelijke termijn. De verdachte heeft verzocht de officier van justitie ook in zijn zaak niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging.
  • Op 29 augustus 2007 heeft de rechtbank uitspraak in zijn zaak gedaan en hem veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.
  • Hiertegen is op 4 september 2007 door de verdachte hoger beroep ingesteld. De eerste terechtzitting in hoger beroep op 22 januari 2009 is aangehouden om de reden dat de raadsman van de verdachte kort voor de zitting een hartaanval had gehad.
  • De daarop volgende terechtzitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2010. De zaken tegen de medeverdachten medeverdachte 1 en medeverdachte 2 zijn toen gelijktijdig, doch niet gevoegd behandeld. Het aanhoudingsverzoek van de raadsman is door het hof op voorhand ingewilligd wegens de in zijn brief vermelde redenen én de samenhang met de zaken tegen de medeverdachten, welke zaken eveneens op voorhand waren aangehouden.
  • Ter terechtzitting van 14 oktober 2013 is de verdachte met diens raadsvrouw verschenen. Het hof heeft het preliminaire niet-ontvankelijkheidsverweer van de raadsvrouw verworpen en de zaak vervolgens aangehouden wegens de verwevenheid van de zaak met de zaken tegen de medeverdachten. Het hof heeft op de terechtzitting van 14 oktober 2013 voorts bepaald dat de zaak uiterlijk in maart 2014 op de terechtzitting bij het hof dient te worden behandeld.
  • Niettegenstaande voormelde beslissing van het hof dient de zaak pas weer ter terechtzitting van 28 januari 2016. De raadsman en de verdachte zijn verschenen. De raadsvrouw heeft het hiervoor omschreven standpunt ingenomen.

Overwegingen

De procedure bij het hof heeft jarenlang geduurd, mede wegens de verknochtheid met de zaken van de, inmiddels overleden, medeverdachte 2 en de medeverdachte 1. Alles bij elkaar heeft de strafprocedure tegen de verdachte in hoger beroep acht jaren en vier maanden geduurd, terwijl de rechtbank van oordeel was, welk oordeel het hof deelt, dat in eerste aanleg sprake was van een overschrijding van één jaar en negen maanden. Voorts is het hof ambtshalve ermee bekend dat:

  • in de zaak van medeverdachte 2 sprake is geweest van tijdsverloop wegens het toewijzen van onderzoekswensen en ondervonden problemen bij de uitvoering daarvan. Hierdoor heeft ook de afdoening van de strafzaak van de verdachte, wiens zaak op dezelfde zittingen als die van medeverdachte 2 is aangebracht, ernstige vertraging ondervonden;
  • dat in de zaak van medeverdachte 1, wiens zaak op dezelfde zittingen is aangebracht als die van de verdachte, sprake is geweest van problemen bij de oproeping voor de zittingen bij het hof, en dat afhandeling van diens zaak binnen een aanvaardbare termijn na heden niet valt te verwachten. Het verzoek van de advocaat-generaal alsnog over te gaan tot afsplitsing van de zaak van de verdachte van die van medeverdachte 1 heeft het hof afgewezen wegens de verknochtheid van de zaken;
  • dat in beide zaken tegen voornoemde medeverdachten het openbaar ministerie inmiddels niet-ontvankelijk is verklaard in de strafvervolging, respectievelijk op de grond dat de verdachte (medeverdachte 2) was overleden, dan wel op de grond dat – kort samengevat – geen redelijk belang meer bestond bij de verdere vervolging van de verdachte (medeverdachte 1).

Uit het voorgaande blijkt dat de afdoening van de strafzaak van de verdachte om meerdere redenen, waarvan er geen in overwegende mate aan de verdediging valt toe te rekenen dan wel in de invloedsfeer van de verdachte of diens verdediging heeft gelegen, grote vertraging heeft ondervonden.

Bij deze stand van zaken stelt het hof vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid EVRM is geschonden. Niet alleen heeft de procedure in eerste aanleg langer geduurd dan twee jaar, maar ook in hoger beroep is deze termijn van twee jaar ruimschoots overschreden. De gehele procedure heeft dan ook veel langer dan vier jaren geduurd (bijna 13 jaren).

Ten aanzien van de consequenties die daaraan moeten worden verbonden overweegt het hof het volgende.

De staat als verantwoordelijke voor een juiste uitvoering van internationale verdragen waaraan zij zich heeft gecommitteerd, zoals het EVRM, dient ervoor te zorgen dat schending daarvan niet plaatsvindt. In dit specifieke geval hebben de namens de staat handelende organen niet voldaan aan de verplichting als bedoeld in 6, eerste lid, van het EVRM.

Gelet op de aard van de ten laste gelegde feiten en de betrekkelijk eenvoud daarvan, in relatie tot het bijzonder lange tijdsverloop tot op heden, is het hof van oordeel dat de vervolgende staat bij een redelijke en billijke belangenafweging – daarbij mede acht slaande op de afdoening van de andere bij deze zaak betrokken verdachten (sepots en niet-ontvankelijkheid) – thans geen rechtens te respecteren belang meer heeft bij een verdere strafvervolging van de verdachte. Het hof heeft hierbij betrokken het belang dat de samenleving heeft bij berechting van deze strafbare feiten. In dit uitzonderlijke geval is derhalve plaats voor een niet-ontvankelijkheidverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte.

Lees hier de volledige uitspraak.
Print Friendly and PDF ^

Veroordeling rechtspersoon en dierenarts wegens fraude met documenten om Blue Tongue Virus positieve runderen te kunnen exporteren naar het buitenland. Vrijspraak voor directeur.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 april 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:2961 Verdachte heeft samen met haar mededaders gefraudeerd met documenten betreffende het bloed van 50 runderen die eerder positief op het Blue Tongue Virus (BTV) waren getest en derhalve niet geschikt waren voor de export naar Roemenië.

De bloedmonsters van deze 50 runderen zijn vervangen door bloedmonsters afkomstig van (een of meer) andere runderen die negatief op het BTV waren getest en die derhalve wel geschikt waren voor genoemde export. De op deze te exporteren runderen betrekking hebbende formulieren zijn vervolgens valselijk door verdachte en haar mededaders opgemaakt. Zij hebben daarop vermeld dat de betreffende runderen, inclusief de hiervoor genoemde 50 runderen, alle BTV vrij waren en hebben de data van monstername van genoemde 50 runderen veranderd. Vervolgens hebben zij opzettelijk van deze formulieren gebruik gemaakt door deze, vergezeld van laatstgenoemde bloedmonsters, te doen toekomen aan het Centraal Instituut voor dierziekte Controle - Lelystad Wageningen UR (thans genaamd het Centraal Veterinair Instituut Wageningen UR), teneinde van dit instituut een rapport te kunnen verkrijgen waarin was vermeld dat al deze runderen BTV vrij waren, om te kunnen bewijzen dat al deze runderen geschikt waren voor de export naar Roemenië. Met dit valse rapport is de Voedsel en Warenautoriteit van het Ministerie van landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit opgelicht. Door de inhoud van dit rapport is deze autoriteit bewogen tot de afgifte van (een) gezondheidscertific(a)t(en) voor de export van al deze runderen naar Roemenië, inclusief de hiervoor genoemde 50 runderen die eerder positief op het Blue Tongue Virus (BTV) waren getest en die derhalve niet geschikt waren voor genoemde export. Vervolgens zijn al deze runderen geëxporteerd naar Roemenië.

Aannemelijk is geworden dat verdachte kort na het ontdekken van de feiten de nodige maatregelen heeft getroffen om soortgelijk handelen als bewezenverklaard te voorkomen.

Toerekening

Medeverdachte was ten tijde van de onder 1A, 2A en 3A gepleegde feiten als inkoopcoördinator in dienstbetrekking bij verdachte. Hij werd binnen het bedrijf niet gecontroleerd en hield geen administratie bij van zijn handelen. Hij had vergaande bevoegdheden om voor het bedrijf te handelen en kon zijn gang gaan. Het handelen van [medeverdachte 3] paste in de normale bedrijfsvoering van verdachte. Het handelen van [medeverdachte3] is verdachte voorts dienstig geweest in het door haar uitgeoefende bedrijf. Als gevolg van het door het hof bewezen geachte handelen zijn runderen geëxporteerd, een bedrijfsactiviteit van verdachte, die zonder dit handelen niet hadden mogen worden geëxporteerd. De gedragingen van [medeverdachte 3] werden blijkens de feitelijke gang van zaken door de verdachte aanvaard. Onder dat aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van verdachte kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedragingen van [medeverdachte 3] . Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat het onder 1A, 2A en 3A tenlastegelegde redelijkerwijs (ook) aan verdachte kan worden toegerekend.

Bewezenverklaring

Feit 1A: medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;

Feit 2A: medeplegen van oplichting, begaan door een rechtspersoon;

Feit 3A: medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 25.000.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 april 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:2960 (vrijspraak directeur)

Het hof acht niet bewezen dat verdachte in zijn functie van directeur van de rechtspersoon, dan wel in persoon, eerder wetenschap heeft gekregen van, of betrokken is geweest bij, de ten laste gelegde feiten, dan nadat deze feiten door een medewerker van die rechtspersoon en de dierenarts, die in die functie werkzaamheden voor deze rechtspersoon verrichtte, waren gepleegd. Verdachte wordt dan ook van de ten laste gelegde feiten vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 april 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:2959 (veroordeling dierenarts)

Verdachte heeft als dierenarts gefraudeerd met documenten zodat Blue Tongue Virus positieve runderen konden worden geëxporteerd naar het buitenland.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 april 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:2958

Verdachte heeft samen met zijn mededaders gefraudeerd met documenten betreffende het bloed van 50 runderen die eerder positief op het Blue Tongue Virus (BTV) waren getest en derhalve niet geschikt waren voor de export naar Roemenië.

Voorts heeft verdachte 5 rapporten van het Centraal Veterinair Instituut Wageningen UR vervalst door daarin enkele positieve uitslagen van bloedonderzoeken van runderen op een specifieke dierziekte te vervalsen in negatieve uitslagen om daarmee aan te kunnen tonen dat deze runderen, die eerder positief op die specifieke dierziekte waren getest en derhalve niet geschikt waren voor de export buiten Nederland, wel geschikt waren voor genoemde export. Van twee van deze vervalste rapporten heeft verdachte vervolgens opzettelijk gebruik gemaakt door deze te overleggen aan de Voedsel en Warenautoriteit van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, ten einde gezondheidscertificaten voor deze runderen ten behoeve van genoemde export te verkrijgen. Met de vervalste rapporten heeft verdachte deze autoriteit bewogen tot de afgifte van genoemde gezondheidscertificaten.

Verdachte is aan te merken als medepleger van de onder 1A, 2A en 3A ten laste gelegde feiten.

Ontslag van alle rechtsvervolging ter zake van het onder 5C, 5D en 5E ten laste gelegde nu daarin het bestanddeel "opzettelijk" ontbreekt, zodat het ten laste gelegde niet oplevert enig strafbaar feit.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 april 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:2962 (medepleger)

Het hof acht niet bewezen dat verdachte zelf dan wel als medepleger de ten laste gelegde gedragingen heeft verricht zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken. Het hof stelt vast dat verdachte de (mede-)plegers mogelijk heeft uitgelokt tot het plegen van deze gedragingen, maar uitlokking is niet ten laste gelegd.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Het als gevolg van de duur van de procedure langer verstoken blijven van een VOG vormt geen zelfstandige grond voor het oordeel dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn

Gerechtshof Den Haag 6 april 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:910 In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een geldboete van € 200, subsidiair vier dagen hechtenis. 

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid EVRM is geschonden, aangezien tussen de ten laste gelegde feiten en de terechtzitting in hoger beroep van 23 maart 2016 meer dan vierentwintig maanden is verlopen.

In dit verband heeft de raadsman aangevoerd dat er geen sprake is van een “zware zaak” terwijl het uitstel ertoe leidt dat de verdachte langer op een verklaring omtrent het gedrag zal moeten wachten, nu de termijn na verloop waarvan zo’n verklaring weer wordt afgegeven ingaat na het einde van de vervolging.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Anders dan door de raadsman is betoogd, stelt het hof vast dat de behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn in de zin van de in de jurisprudentie aan artikel 6 EVRM ontleende maatstaven.

Daarbij gaat het hof ervan uit dat de redelijke termijn is aangevangen op 3 januari 2014, toen de verdachte voor verhoor (als verdachte) is uitgenodigd. Nu door de politierechter op 14 augustus 2015 vonnis is gewezen, is geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg. Ook in hoger beroep is daarvan geen sprake omdat na het instellen van het rechtsmiddel op 26 augustus 2015 thans einduitspraak wordt gedaan. Evenmin is de inzendingstermijn overschreden, noch is sprake van een bijzonder geval waarbij de totale duur van het geding zodanig is dat een inbreuk op artikel 6, eerste lid, EVRM moet worden aangenomen.

Daarmee komt het hof toe aan de vraag of het als gevolg van de duur van de procedure in deze strafzaak langer verstoken blijven van een verklaring omtrent het gedrag zelfstandig grond kan vormen voor het oordeel dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn in de zojuist besproken zin.

Veronderstellenderwijs uitgaand van de juistheid van het betoog van de raadsman omtrent de betekenis daarvoor van het moment waarop de vervolging eindigt, gaat het hof ervan uit dat deze kwestie de verlening van een verklaring omtrent het gedrag betreft en derhalve in een daarop betrekking hebbende procedure aan de orde kan worden gesteld. Gegeven de uiteenlopende belangen die betrokken zijn bij het antwoord op de vraag of met de duur van een strafzaak de redelijke termijn is overschreden, is het hof van oordeel dat het door de verdediging aangevoerde belang in de onderhavige strafzaak niet tot een ander oordeel kan leiden.

Het hof verwerpt het verweer daarom.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^