OM niet-ontvankelijk nu namens de staat handelende organen niet hebben voldaan aan verplichting uit art. 6 lid 1 EVRM

Gerechtshof Amsterdam 28 januari 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:802 Het hof staat voor de vraag of de vervolging tegen de verdachte, die inmiddels bijna 13 jaren duurt en waarin de verdachte thans wederom niet ter terechtzitting – in dit geval in hoger beroep – is verschenen op grond van een incorrecte wijze van oproeping, moet worden voortgezet, hoewel hij te kennen heeft gegeven, zoals is af te leiden uit uitlatingen van zijn raadsman, dat hij graag de strafzaak tegen hem in persoon in persoon wil bijwonen.

Het hof heeft daartoe als uitgangspunt genomen het bepaalde in artikel 6, eerste lid EVRM dat onder meer bepaalt dat een verdachte recht heeft op een behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn. Het zijn de staatsorganen – het openbaar ministerie en de zittende magistratuur – die daartoe de gelegenheid moeten bieden. Eerst zal derhalve dienen te worden vastgesteld of sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid EVRM.

Mocht dat het geval zijn, dan is de vraag wat de consequenties van de overschrijding van de redelijke termijn dienen te zijn. Het antwoord op die vraag kan worden gevonden enerzijds in het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008, NJ 2008, 358, waarin de Hoge Raad heeft uitgesproken dat overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, ook niet in uitzonderlijke gevallen maar anderzijds in het uitgangspunt dat de beslissing om tot (verdere) vervolging over te gaan zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing leent, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkheidverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde om de reden dat geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voorzetting van) die vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn (ECLI:NL:HR:2012:BX4280). In dit spanningsveld dient het hof de voorliggende zaak te beoordelen.

Feiten

Het hof stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast.

  • De onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten (in georganiseerd verband opzettelijk overtreden van artikel 5 van de Wet op de accijns) zouden feiten betreffen uit de periode van eind 2002 tot eind juni 2003. De verdachte is op verdenking hiervan aangehouden op 23 september 2003. Op 20 september 2005 wordt de verdachte gedagvaard om op 19 oktober 2005 ter terechtzitting van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam te verschijnen teneinde terecht te staan voor hetgeen hem ten laste is gelegd. De betekening van de dagvaarding is in persoon gedaan op 20 september 2005 aan adres 2.
  • Op het onderzoek ter terechtzitting van 19 oktober 2005 is de verdachte niet verschenen, maar wel de gemachtigd raadsman van de verdachte, die niet in het bezit van verdachtes (complete) strafdossier is gebleken te zijn, waarop de zaak voor onbepaalde tijd moest worden aangehouden.
  • Op 6 juli 2006 is de verdachte niet verschenen. Hij wenste, zo liet zijn gemachtigd raadsman weten, dat zijn zaak werd beëindigd, maar wenste daarbij wel ter terechtzitting aanwezig te zijn. De raadsman van de verdachte verklaarde evenwel dat hij nog steeds niet in het bezit was gesteld van het volledige schaduwdossier, hoewel dat door de officier van justitie was toegezegd.
  • Op 13 april 2007 heeft in eerste aanleg de inhoudelijke behandeling van de strafzaak tegen de verdachte plaatsgevonden, maar hij noch zijn raadsman is op de zitting verschenen. De oproeping van de verdachte is juist betekend, doch niet in persoon. Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 13 april 2007 (en evenmin uit het dossier) blijkt waarom de raadsman niet is verschenen.
  • Op 27 april 2007 heeft de rechtbank uitspraak in verdachtes zaak gedaan en hem veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde. In het vonnis heeft de rechtbank een overschrijding van de redelijke termijn geconstateerd met een periode van 1 jaar en 10 maanden.
  • Hiertegen is op 3 mei 2007 door de raadsman, namens de verdachte, hoger beroep ingesteld. Op 22 januari 2009 heeft het eerste onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep plaatsgevonden – het betrof een regiezitting – waarop mr. C. Lieftink is verschenen als raadsman, maar zich niet gemachtigd achtte, omdat de verdachte mr. G.L.D. Thomas prefereerde als raadsman.
  • De daarop volgende terechtzitting vond plaats op 4 februari 2010. De zaken tegen de medeverdachten medeverdachte 1 (23-005445-07) en medeverdachte 2 (23-003097-07) zijn toen gelijktijdig, doch niet gevoegd behandeld. De verdachte – die niet was verschenen – bleek niet te zijn gedagvaard, noch te zijn opgeroepen op zijn adres te Southport (Engeland), het adres dat hij bij zijn aanhouding op 23 september 2003 had opgegeven. Het proces-verbaal van die zitting bepaalde dat de verdachte voor de volgende zitting diende te worden opgeroepen aan adres 2, Amsterdam, de laatste feitelijk bekende verblijfplaats, aan de adres 3 (Engeland) en als zonder vaste woon- of verplaats in Nederland woonachtige of verblijvende.
  • Op de terechtzitting van 14 oktober 2013 is het hof gebleken dat de verdachte niet was verschenen, maar wel de gemachtigd raadsman. De zaak tegen de verdachte is opnieuw aangevangen. Ter terechtzitting heeft de raadsman een aanhoudingsverzoek gedaan, omdat hij niet beschikte – hoewel hij daarnaar had gevraagd – over een compleet dossier. Hij miste nagenoeg alle stukken. De raadsman merkte op dat zijn voorganger alle stukken van deze zaak had teruggestuurd naar het openbaar ministerie. De advocaat-generaal repliceerde daarop dat het gerechtshof verantwoordelijk is geworden voor de verstrekking van de procestukken. Het hof heeft toen beslist de zaak aan te houden en de raadsman alsnog een afschrift van het dossier te verstrekken, nu de raadsman niet over voldoende gelegenheid heeft beschikt de zaak tegen zijn cliënt voor te bereiden. Tevens heeft het hof beslist de verdachte op te roepen op het laatst van hem bekend geworden adres in geboorteland. De advocaat-generaal heeft daarop medegedeeld dat het oproepen van de verdachte in geboorteland niet mogelijk is gelet op de plaatselijke omstandigheden aldaar.
  • Het hof heeft op de terechtzitting van 14 oktober 2013 voorts bepaald dat de zaak uiterlijk in maart 2014 op de terechtzitting bij het hof dient te worden behandeld en heeft een lijstje toegevoegd van adressen waarop de verdachte dient te worden opgeroepen dan wel waaraan een afschrift dient te worden verzonden.
  • Niettegenstaande voormelde beslissing van het hof heeft de zaak pas weer ter terechtzitting van 28 januari 2016 gediend. De verdachte is niet verschenen en evenmin de raadsman, die bij brief van 27 januari 2016 heeft medegedeeld dat hij geen contact meer heeft gehad met zijn cliënt, stellende dat hij zich niet gemachtigd voelt het woord te voeren, aangezien er – kennelijk ook van zijn zijde – geen contact met de verdachte kan worden gelegd.
  • Ter terechtzitting van het hof op 28 januari 2016 heeft het hof vastgesteld dat een oproeping van de verdachte niet is uitgegaan aan zijn eerder opgegeven adres aan de adres 3 (Engeland), noch aan het adres te Amsterdam en dat evenmin een oproeping heeft plaatsgevonden aan zijn adres in geboorteland. De advocaat-generaal heeft medegedeeld dat het door het openbaar ministerie eerder ingenomen standpunt met betrekking tot verzending van een oproeping aan zijn bekende adres in geboorteland – gelet op de berichten van het Ministerie van Veiligheid en Justitie – nog steeds heeft te gelden. Enkel een als zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland woonachtige of verblijvende oproeping is aan de griffie betekend.
  • Voorts heeft het hof vastgesteld dat de zaak tegen de medeverdachte 2 is geëindigd in de niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie op 27 mei 2015, wegens het overlijden van deze medeverdachte (tevens getuige in de zaak verdachte).

Overwegingen hof

De procedure bij het hof heeft jarenlang geduurd, mede wegens de verknochtheid met de zaken van de, inmiddels overleden, medeverdachte 2, parketnummer 23-003097-07, en de medeverdachte 1, parketnummer 23-005445-07. Alles bij elkaar heeft de strafprocedure tegen de verdachte in hoger beroep acht jaren en negen maanden geduurd, terwijl de rechtbank van oordeel was, welk oordeel het hof deelt, dat in eerste aanleg sprake was van een overschrijding van één jaar en negen maanden.

Het hof is ambtshalve ermee bekend dat in de zaak van medeverdachte 2 sprake is geweest van tijdsverloop wegens het toewijzen van onderzoekswensen en ondervonden problemen bij de uitvoering daarvan. Hierdoor heeft ook de afdoening van de strafzaak van de verdachte, wiens zaak op dezelfde zittingen als die van medeverdachte 2 is aangebracht, vertraging ondervonden.

Ter terechtzitting van het hof van 4 februari 2010 is geconstateerd dat de verdachte niet mede was opgeroepen op het van hem bekend zijnde (toenmalige) adres in Engeland. Ter terechtzitting van het hof van 14 oktober 2013 is geconstateerd dat de raadsman van de verdachte niet in het bezit was van een compleet dossier. Ter terechtzitting van heden is geconstateerd dat de raadsman van de verdachte blijkens diens brief van 28 januari 2016 geen contact meer heeft met de verdachte en niet is gemachtigd diens verdediging te voeren en voorts dat de oproeping van de verdachte voor deze zitting niet op rechtsgeldige wijze heeft plaatsgevonden. Uit informatie van het openbaar ministerie leidt het hof af dat een eventueel toekomstige rechtsgeldige oproeping van de verdachte op het thans van hem bekende adres in geboorteland aanmerkelijke risico’s voor diens veiligheid met zich zou brengen.

Uit het voorgaande blijkt dat in de loop van de strafprocedure tegen de verdachte problemen zijn opgetreden met betrekking tot de volledigheid van het voor de verdediging beschikbare dossier, alsmede de oproepingen van de verdachte voor enkele terechtzittingen. Voorts heeft de zaak vertraging opgelopen wegens de verknochtheid ervan met de zaak van medeverdachte en getuige medeverdachte 2.

Bij deze stand van zaken stelt het hof vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid EVRM is geschonden. Niet alleen heeft de procedure in eerste aanleg langer geduurd dan twee jaar, maar ook in hoger beroep is deze termijn van twee jaar ruimschoots overschreden. De gehele procedure heeft dan ook veel langer dan vier jaren geduurd (bijna 13 jaren).

Ten aanzien van de consequenties die daaraan moeten worden verbonden overweegt het hof het volgende.

De staat als verantwoordelijke voor een juiste uitvoering van internationale verdragen waaraan zij zich heeft gecommitteerd, zoals het EVRM, dient ervoor te zorgen dat schending daarvan niet plaatsvindt. In dit specifieke geval hebben de namens de staat handelende organen niet voldaan aan de verplichting als bedoeld in 6, eerste lid, van het EVRM.

Gelet op de aard van de ten laste gelegde feiten en de betrekkelijk eenvoud daarvan, in relatie tot het bijzonder lange tijdsverloop tot op heden, gevoegd bij de omstandigheid dat een rechtsgeldige oproeping van de verdachte in geboorteland niet (binnen afzienbare tijd) valt te verwachten, is het hof van oordeel dat de vervolgende staat bij een redelijke en billijke belangenafweging – daarbij mede acht slaande op de afdoening van de andere bij deze zaak betrokken verdachten (sepots en niet-ontvankelijkheid) – thans geen rechtens te respecteren belang meer heeft bij een verdere strafvervolging van de verdachte. Het hof heeft hierbij betrokken het belang dat de samenleving heeft bij berechting van deze strafbare feiten. In dit uitzonderlijke geval is derhalve plaats voor een niet-ontvankelijkheidverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling wegens overtreding van de Sanctiewet

Gerechtshof Den Haag 8 maart 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:586 De verdachte heeft door geld over te maken ten behoeve van de IJU, bijgedragen aan de voortzetting van de deelname van deze organisatie in de gewapende jihadstrijd en de grove mensenrechtenschendingen die deze strijd met zich meebrengt. Echter, het totaalbedrag is zodanig gering, dat er vrijspraak volgt voor deelneming aan een organisatie die het oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven.

Ontvankelijkheid OM – redelijke termijn

De raadsvrouw van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte. Zij heeft hiertoe – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in de onderhavige zaak is aangevangen op 21 januari 2010, de dag dat de verdachte voor de eerste keer in verzekering is gesteld, een handeling waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld. Eerst bijna vijf en een half jaar later is de zaak voor een inhoudelijke behandeling door de rechtbank aangebracht.

De raadsvrouw is van mening dat deze excessieve overschrijding van de redelijke termijn - die de verdediging niet kan worden verweten -, in combinatie met de schadelijke invloed die deze lange periode van onzekerheid heeft gehad op de (psychische) gezondheid van de verdachte, niet alleen een schending is van de redelijke termijn maar ook heeft geleid tot een schending van de beginselen van een goede procesorde en daarmee van artikel 6 EVRM. De raadsvrouw heeft bepleit dat in deze zaak om die reden niet kan worden volstaan met een andere sanctie op de termijnoverschrijding dan de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte. Hij heeft aangevoerd – kort en zakelijk weergegeven – dat de redelijke termijn in deze zaak niet is aangevangen op 21 januari 2010, maar op 19 maart 2012, de dag dat de verdachte voor de tweede keer is aangehouden en in verzekering is gesteld. Op 21 januari 2010 is de verdachte ongeveer 8 uur lang in verzekering gesteld, slechts iets langer dan de termijn van 6 uur voor het ophouden voor verhoor. In deze periode heeft er één verhoor plaatsgevonden. De advocaat-generaal is van oordeel dat de inverzekeringstelling op 21 januari 2010 een slechts met het oog op mogelijke transportproblemen en daarmee samenhangend oponthoud noodzakelijke formaliteit was, uit welke omstandigheid de verdachte niet in redelijkheid kon afleiden dat er door het openbaar ministerie tegen haar een strafrechtelijke vervolging zou worden ingesteld.

De advocaat-generaal concludeert dat de overschrijding van de redelijke termijn (die zou zijn gaan lopen vanaf 19 maart 2012) in de onderhavige zaak, in lijn met bestendige jurisprudentie, niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging, en er ook geen sprake is van dermate grove veronachtzaming van de processuele beginselen dat daarop slechts zou kunnen worden gereageerd met een niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Beoordeling hof

Het hof stelt vast dat de verdachte op 21 januari 2010 in het kader van een inverzekeringstelling voor het eerst door de politie over de feiten is gehoord. Het inhoudelijk verhoor van verdachte duurt op die dag van omstreeks 15.55 uur tot 19.45 uur en in opdracht van officier van justitie mr. Schram vindt daarvan een auditieve opname plaats. De verdachte wordt nog dezelfde dag in vrijheid gesteld. Op 19 maart 2012 wordt de verdachte, op grond van dezelfde verdenking, opnieuw aangehouden en in verzekering gesteld.

Verdachte is vervolgens voor, kort gezegd, verdenking van deelneming aan een (criminele) terroristische organisatie, deelneming aan voortzetting van de werkzaamheden van een verboden organisatie, alsmede voor overtreding van de Sanctiewet 1977 gedagvaard voor de rechtbank Rotterdam en daar heeft de inhoudelijke behandeling plaatsgevonden op 9 juli 2015. Op 22 juli 2015 heeft de rechtbank Rotterdam vonnis gewezen. Er is tegen dit vonnis door de officier van justitie op 4 augustus 2015 (tijdig) hoger beroep ingesteld. De verdachte heeft op 5 augustus 2015 hoger beroep ingesteld. De behandeling in hoger beroep heeft een aanvang genomen op 6 januari 2016.

Ten aanzien van de aanvang van de redelijke termijn overweegt het hof het volgende. Ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, begint de redelijke termijn te lopen vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de inleidende dagvaarding dienen als een zodanige handeling te worden aangemerkt. Anders dan de advocaat-generaal leest het hof hierin geen andere, bijkomende voorwaarde(n). Derhalve is met de eerste inverzekeringstelling van de verdachte op 21 januari 2010 de redelijke termijn aangevangen.

Het hof is met de verdediging van oordeel – gelet op de hierboven beschreven gang van zaken sedert de eerste inverzekeringstelling van de verdachte d.d. 21 januari 2010 – dat de behandeling van de zaak, gelet op het tijdsbeslag van de gehele procedure en met name de gang van zaken in eerste aanleg, evident lang heeft geduurd en dat de behandeling van deze zaak niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM. Het hof is voorts van oordeel dat deze ernstige mate van overschrijding niet aan de verdediging is te wijten.

Bijzondere omstandigheden, die tot een ander oordeel zouden hebben kunnen of moeten leiden, zijn gesteld noch gebleken.

Bij de beoordeling van de door de verdediging gevorderde niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie heeft het hof acht geslagen op de door de Hoge Raad in voornoemd arrest genoemde uitgangspunten, waaronder het uitgangspunt dat overschrijding van de redelijke termijn niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie leidt, ook niet in uitzonderlijke gevallen.

De verdediging heeft zich echter op het standpunt gesteld dat het in onderhavige zaak gaat om een zodanige overschrijding van de redelijke termijn dat daardoor de beginselen van een behoorlijke procesorde wezenlijk zijn geschonden omdat de verdachte onredelijk lang in onzekerheid heeft verkeerd omtrent (de voortzetting van) haar vervolging en de voltooiing van de strafzaak met een inhoudelijk oordeel van de rechter over haar strafzaak. Haar geestelijke gezondheid heeft hier ernstig onder geleden.

Wat er zij van het gestelde psychisch lijden, niet kan worden vastgesteld dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen dat lijden en de geconstateerde te lange duur van de strafvervolging en voorts is niet aannemelijk geworden dat er sprake is van ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan, zodat het hof dit verweer in zoverre verwerpt.

Het hof zal evenwel – als het toekomt aan de oplegging van een straf of maatregel – daarbij rekening houden met de geconstateerde verdragsschending.

Ontvankelijkheid OM feit 2 en 3

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vervolging van de verdachte van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten.

Hij heeft daartoe aangevoerd dat thans, gelet op de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 29 juni 2010 in de (gevoegde) zaken C-539/10 P (stichting Al-Aqsa/Raad) en C-550/10 P (Nederland/Al-Aqsa), niet zonder meer kan worden gesteld dat de plaatsing van de Islamic Jihad Union (IJU) op de Europese Sanctielijst van terroristische groepen rechtmatig is, nu niet is gebleken van een ‘statement of reasons’. De nationale rechter mag zich over de rechtmatigheid van die plaatsing niet uitlaten. Als het openbaar ministerie op de hoogte was geweest van de bedoelde jurisprudentie ten tijde van het opstellen van de tenlastelegging, zouden de feiten waarschijnlijk niet op de tenlastelegging hebben gestaan, of zou destijds verzocht zijn over te gaan tot het stellen van prejudiciële vragen. Gelet daarop en gelet op het standpunt van de advocaat-generaal met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde, ontbreekt voor het openbaar ministerie het belang bij de beoordeling door het hof van het onder 2 en 3 ten laste gelegde en dient het openbaar ministerie in de vervolging van die feiten niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft zich met betrekking tot het onder 2 en 3 ten laste gelegde aangesloten bij het standpunt van de advocaat-generaal en heeft verzocht het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging van de verdachte.

Beoordeling hof

Het hof stelt, met het openbaar ministerie, voorop dat de nationale rechter zich in beginsel niet mag uitlaten over de rechtmatigheid van de plaatsing van de IJU op de lijst van natuurlijke en rechtspersonen, groepen en entiteiten (door het openbaar ministerie ook nader aangeduid als “de EU lijst van terroristische organisaties” of “Europese terrorismelijst”) als Bijlage I gevoegd bij de Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van de Europese Unie (hierna: de Raad) van 27 mei 2002 (PB L 139), welke bijlage nadien, voor zover hier relevant, is gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 853/2005 van de Commissie van de Europese Unie Raad (hierna: de Commissie) van 3 juni 2005 (PB L 141/8) en van Verordening (EG) nr. 198/2008 van de Commissie van 3 maart 2008 (PB L 59/10). Wel kan het hof, bij gerede twijfel over de rechtmatigheid van de plaatsing, prejudiciële vragen stellen aan het Europees Hof van Justitie teneinde daarover duidelijkheid te krijgen. De vraag die thans primair aan de orde is, is de vraag in hoeverre hetgeen de advocaat-generaal heeft aangevoerd, daartoe aanleiding geeft.

Hiertoe overweegt het hof als volgt.

In resolutie 1267 (1999) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties (hierna: de Veiligheidsraad), is onder meer vastgelegd dat alle lidstaten moeten overgaan tot bevriezing van de tegoeden van de Taliban, Osama bin Laden en de met hem geassocieerde personen en entiteiten. In onder andere de nadien gewijzigde resolutie 1390 (2002) van de Veiligheidsraad, wordt geconcludeerd dat de Taliban niet is ingegaan op de in een aantal eerdere resoluties geformuleerde verzoeken. Voorts wordt de Taliban veroordeeld omdat zij heeft toegestaan dat Afghanistan als thuisbasis voor de opleiding van terroristen en voor terroristische activiteiten wordt gebruikt. De resolutie voorziet in beperkende maatregelen tegen Osama bin Laden, leden van de Al-Qa’ida organisatie, de Taliban en andere daarmee verbonden groepen, ondernemingen en entiteiten die het internationale terrorisme ondersteunen. Resolutie 1390 (2002) houdt, naast een aanpassing van de reeds opgelegde sancties, verdere maatregelen in met het oog op het uitroeien van het Al Qa’ida-netwerk.

Vorenbedoelde maatregelen hebben onder meer geleid tot het opstellen door een speciaal VN-sanctiecomité (hierna: het Sanctiecomité) van een geconsolideerde lijst van bedoelde groepen, ondernemingen en entiteiten, in navolging waarvan de Raad van de Europese Unie (hierna: de Raad) ter uitvoering van deze resoluties een optreden van de Europese Gemeenschap noodzakelijk heeft geacht. Op EU-niveau zijn deze resoluties ten uitvoer gelegd in gemeenschappelijke standpunten en EG-Verordeningen.

Resolutie 1390 (2002) is ten uitvoer gelegd in het gemeenschappelijk standpunt 2002/402/GBVB van de Raad van 27 mei 2002 en Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van 27 mei 2002 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met Usama bin Laden, het Al Qa’ida-netwerk en de Taliban en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 467/2001 (PB L 139, blz. 9-22).

Aan de Verordening (EG) nr. 881/2002 is, als Bijlage I, net als aan de eerdergenoemde resoluties van de Veiligheidsraad, een lijst verbonden van natuurlijke en rechtspersonen, groepen en entiteiten (hierna: de litigieuze lijst). Gedragingen strekkende tot onder andere directe of indirecte financiële of economische ondersteuning van de op litigieuze lijst geplaatste personen en organisaties worden verboden. Handelingen in strijd met Verordening nr. 881/2002 zijn verboden in de Sanctieregeling Osama bin Laden, Al-Qa’ida en Taliban 2002 (Stc. 24 juni 2002, nr. 117) en strafbaar gesteld als economische delict door middel van de Sanctiewet 1977 juncto artikel 1, aanhef en onder 1 van de Wet op de economische delicten.

De personen, groepen en entiteiten die op de litigieuze lijst (behoren te) staan worden ook, zo blijkt uit artikel 2 van de Verordening, door het Sanctiecomité aangewezen als hebbende banden met het Al-Qa’ida netwerk. Artikel 7, eerste lid, van de Verordening bepaalt vervolgens dat de Commissie wordt gemachtigd Bijlage I te wijzigen of aan te vullen op basis van besluiten van de Veiligheidsraad of het Sanctiecomité. Met andere woorden, de litigieuze sanctielijst van de Europese Unie volgt die van de Veiligheidsraad.

Het hof heeft vastgesteld dat de na(a)m(en) van de Islamic Jihad Union/Islamic Jihad Group, in de eerste versie van de litigieuze lijst niet voor kwam(en).

Op 1 juni 2005 heeft het Sanctiecomité een nieuw addendum bij de geconsolideerde lijst gepubliceerd, met de naam van de volgende groep of entiteit als geassocieerd met Al-Qa’ída, Usama bin Laden of de Taliban voor “deelnemen aan het financieren, plannen, faciliteren, voorbereiden of plegen van handelingen of activiteiten van, in samenhang met, uit naam van, namens of ter ondersteuning van” of “op andere wijze ondersteunen van daden of activiteiten van” Al-Qa’ida en de Taliban:

- Islamic Jihad Group (ook bekend als (…) Islamic Jihad Union).

Sindsdien is die plaatsing op de geconsolideerde lijst gehandhaafd. Een eerste, en voor de tenlastegelegde periode relevante, update van de motivering van de redenen voor de plaatsing van Islamic Jihad Group is gepubliceerd op de website van het Sanctiecomité d.d. 7 september 2010. Blijkens het plaatsingsbesluit dient de Islamic Jihad Group te worden vereenzelvigd met de IJU.

De plaatsing van de IJU op de geconsolideerde lijst is door het Sanctiecomité uitvoerig gemotiveerd in een ‘statement of reasons’. Blijkens de motivering is de IJU – kort en zakelijk weergegeven – een terroristische organisatie die in Centraal-Azië actief is geweest. De IJU voerde een aantal zelfmoordaanslagen (en andere aanvallen) uit bij een lokale bazaar tegen Oezbeekse politiedoelen in Tasjkent en een huis in Bukhara, Oezbekistan, tussen 28 maart en 1 april 2004. Op 11 april 2004 heeft de IJU een verklaring afgegeven waarin zij verantwoordelijkheid claimde voor alle terroristische operaties in Oezbekistan. Op 30 juli 2004 heeft de IJU een gecoördineerde bomaanslag in Tasjkent uitgevoerd tegen de ambassades van de Verenigde Staten van Amerika en Israël en het kantoor van de procureur-generaal, waarbij twee personen en negen gewonden zijn gevallen. Ook voor deze aanslagen heeft de IJU de verantwoordelijkheid opgeëist. In september 2007 hebben de autoriteiten in Duitsland drie IJU agenten aangehouden en daarmee een IJU samenzwering verstoord tegen de Verenigde Staten of andere faciliteiten in Duitsland. De betrokkenen hadden ongeveer 700 kg waterstofperoxide verworven en een grondstof voor explosieven, die zij in het geheim in een ​​garage in Zuid Duitsland hadden opgeslagen. Dit was genoeg grondstof om ongeveer 1.200 pond TNT van te maken. De IJU heeft de verantwoordelijkheid voor het verijdelde complot geclaimd. De IJU beweerde ook verantwoordelijk te zijn voor meerdere aanslagen in Afghanistan in het voorjaar en de zomer van 2008 tegen de International Security Assistance Force (ISAF), met inbegrip van een zelfmoordaanslag tegen een Amerikaanse wachtpost waarbij vier mensen zijn gedood. Ook hebben IJU agenten op 26 mei 2009 een bomaanslag in de regio Andizhan in Oezbekistan uitgevoerd, waarbij een persoon is gedood en 16 personen zijn verwond. De IJU heeft ook in dit geval de verantwoordelijkheid voor de aanval opgeëist. Vervolgens is een IJU aanhanger gearresteerd in verband met de in maart-april 2004 gepleegde aanslagen in Bukhara. De IJU leider Jalolov werd beschouwd als de leider Mullah Omar, die als Mohammed Omar Ghulam Nabi (TAi.004) op de Sanctielijst van 1988 voorkwam; Jalolov had ook directe banden met wijlen Osama bin Laden. Genoemde Jalolov kreeg een speciale opleiding op het gebied van mijnen en explosieven in het Al-Qaida kamp in de provincie Khost, Afghanistan. Jalolov en een zekere Buranov hebben ook deelgenomen aan militaire operaties in Afghanistan en Pakistan ter ondersteuning van de Taliban.

Twee dagen na publicatie van een nieuw addendum bij de geconsolideerde lijst door het Sanctiecomité, op 3 juni 2005, heeft de Commissie de Verordening (EG) nr. 853/2005 vastgesteld tot wijziging van de eerdergenoemde Verordening (EG) nr. 881/2002 en is de “Islamic Jihad Group”(ook bekend als: a) Jama’at al-Jihad, b) Libyan Society, c) Kazakh Jama’at, d) Jamaat Mojahedin, e) Jamiyat, f) Jamiat al Jihad al-Islami, g) Dzhamaat Modzhakhedov, h) Islamic Jihad Group of Uzbekistan en i) al-Djihad al-Islami) toegevoegd aan de litigieuze lijst (PB L 141/8). Deze Verordening is op 4 juni 2005 inwerking getreden.

Bij Verordening nr. 198/2008 van de Commissie van 3 maart 2008 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 881/2002, welk besluit door bekendmaking in werking is getreden op 4 maart 2008 (PB L 59/10), is de eerdere vermelding “Islamic Jihad Group” op de litigieuze lijst vervangen door “Islamic Jihad Group” (ook bekend als (…) Islamic Jihad Union).

Gezien al het bovenstaande, is het standpunt van de advocaat-generaal dat de plaatsing van de IJU op de litigieuze lijst niet is voorzien van een ‘statement of reasons’ en dat bijgevolg aan de geldigheid van de plaatsing in verband met die motiveringsplicht kan worden getwijfeld, onjuist. Immers heeft deze plaatsing van de IJU plaatsgevonden naar aanleiding van en onder verwijzing naar de plaatsing van de IJU op de VN-Sanctielijst door het Sanctiecomité en de daaraan ten grondslag liggende zeer uitvoerige motivering, die inhoudt dat er serieuze en geloofwaardige aanwijzingen bestaan inzake de betrokkenheid van de IJU bij terroristische activiteiten.

Nu ook overigens, noch door het openbaar ministerie noch door de verdediging, feiten of omstandigheden zijn gesteld of anderszins aannemelijk zijn geworden die de rechtmatigheid van de plaatsing van de IJU op de litigieuze lijst in zodanige twijfel trekken dat daarover eerst het oordeel van de Unierechter moet worden afgewacht, ziet het hof geen aanleiding om om die reden ter zake prejudiciële vragen te stellen. Daarbij komt dat de verdachte niet het voorwerp vormt van de voornoemde plaatsing, terwijl evenmin is gebleken dat de verdachte enige positie binnen de IJU inneemt die haar de bevoegdheid verleent die organisatie te vertegenwoordigen in het kader van een voor de Europese rechter in te stellen beroep tot nietigverklaring.

Onder deze omstandigheden ziet het hof tenslotte, alles afwegende, geen redenen om het openbaar ministerie, conform eigen verzoek, niet ontvankelijk te verklaren in de vervolging van het onder 2 en 3 ten laste gelegde.

Het hof komt aldus mede tot een inhoudelijke beoordeling van het onder 2 en 3 ten laste gelegde.

Vrijspraak feit 1

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Hij heeft daartoe – kort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:

  • de verdachte had de volle wetenschap van het terroristisch oogmerk van de organisaties van Manavbasi, DTM en IJU.
  • de verklaringen van de verdachte dat zij van niets afwist zijn ongeloofwaardig, nu zij blijkens de bij haar thuis aangetroffen spullen en bezochte internetadressen zeer uitvoerig in de materie van de gewapende strijd is gedoken;
  • de verdacht heeft willens en wetens geld geworven en (middels vier money transfers via Western Union) gedoneerd en heeft daarmee in juridische zin deelgenomen aan de organisaties IJU en DTM.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat, nu:

  • primair niet kan worden vastgesteld dat de door de verdachte overgemaakte bedragen door de tussenpersonen zijn doorgestuurd en ook niet dat deze bedragen vervolgens daadwerkelijk zijn ontvangen door de IJU en/of de DTM;
  • subsidiair de verdachte geen (terroristisch) oogmerk heeft gehad zoals dat is vereist voor deelname aan een criminele c.q. terroristische organisatie.

De verdediging concludeert dat hetgeen over de verdachte bekend is in het dossier haar geen strafbare deelnemer maakt en verzoekt het hof derhalve om de verdachte vrij te spreken.

Beoordeling door het hof

Het hof dient de vraag te beantwoorden of de verdachte (opzettelijk) heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Uit bestendige jurisprudentie volgt dat er voor deelneming aan een criminele dan wel terroristische organisatie twee vereisten gelden.

  1. De verdachte dient lid te zijn van of te behoren tot het gestructureerde samenwerkingsverband.
  2. Voorts dient de verdachte een aandeel te hebben in gedragingen, dan wel gedragingen te ondersteunen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Elke bijdrage aan een organisatie kan strafbaar zijn. Een dergelijke bijdrage kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten en (dus) het verrichten van handelingen die op zichzelf niet strafbaar zijn, zolang van bovenbedoeld aandeel of ondersteuning kan worden gesproken.

Bij de invoering van de Wet Terrorismebestrijding is een vierde lid aan artikel 140 Sr toegevoegd, ingegeven door het streven de strafrechtelijke aansprakelijkheid van deelnemers aan terroristische organisaties scherper te markeren. Het derde lid van artikel 140a Sr verklaart deze toevoeging van overeenkomstige toepassing. De toevoeging luidt als volgt:

Onder deelneming wordt mede begrepen het verlenen van geldelijke of andere stoffelijke steun aan alsmede het werven van gelden of personen ten behoeve van de daar omschreven organisatie.

Dit artikellid beoogde een verduidelijking te zijn van het begrip deelneming, maar voegde daar overigens niets aan toe en deed daar niets aan af. Aan de hierboven genoemde twee vereisten dient derhalve te worden voldaan.

Voor wat betreft het voornoemde eerste vereiste merkt het hof op dat de verdachte, om onder het bereik van artikel 140a van het Wetboek van Strafrecht te vallen, lid moet zijn geweest van of hebben behoord tot het betreffende duurzame en gestructureerde samenwerkingsverband. Daarvoor bevat het dossier naar het oordeel van het hof onvoldoende bewijs. De verdachte heeft weliswaar in de tenlastegelegde periode en daaraan voorafgaand veel interesse gehad in en onderzoek gedaan naar de gewapende strijd en diverse terroristische organisaties, wier gedachtengoed en doelstelling zij wellicht ook aanhing en wilde ondersteunen, maar daaruit kan niet zonder meer worden afgeleid dat zij lid was van of behoorde tot het samenwerkingsverband van de IJU en/of DTM. Zij heeft naar het oordeel van het hof als buitenstaander geld opgestuurd naar tussenpersonen die waren verbonden aan deze organisaties.

Het voorgaande maakt dat het hof van oordeel is dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde deelneming aan een of meerdere terroristische organisaties en het hof zal de verdachte derhalve vrijspreken van het onder 1 ten laste gelegde.

Vrijspraak feit 2 Uit het hiervoor overwogene volgt dat niet kan worden bewezen dat de verdachte lid was van of deel heeft uitgemaakt van de IJU. Daar vloeit uit voort dat evenmin bewezen kan worden de deelneming van de verdachte aan de voortzetting van de verboden organisatie IJU, zoals onder 2 ten laste gelegd. Derhalve zal het hof de verdachte eveneens vrijspreken van het onder 2 ten laste gelegde.

Feit 3

De raadsvrouw van de verdachte heeft ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd:

  • primair, dat niet kan worden vastgesteld dat de door de verdachte overgemaakte bedragen zijn doorgestuurd en ook niet dat deze bedragen daadwerkelijk zijn ontvangen door (een) terroristische organisatie(s);
  • subsidiair, dat niet kan worden vastgesteld dat de bedragen bij de IJU zijn terechtgekomen zoals ten laste is gelegd, nu Manavbasi op het moment dat de verdachte voor het eerst geld overmaakte op 14 augustus 2009, reeds leider van de DTM was en dat aldus de bedragen bij de DTM zouden zijn terechtgekomen en niet bij de IJU;
  • meer subsidiair, dat de verdachte niet het opzet heeft gehad, ook niet in voorwaardelijke zin, dat het door haar overgemaakte geld aan terroristische organisaties ten goede zou komen.

De raadsvrouw verzoekt derhalve de verdachte van het onder 3 ten laste gelegde vrij te spreken wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

Beoordeling hof

Bij de beoordeling van het onder 3 ten laste gelegde stelt het hof het volgende voorop. Het ten laste gelegde ‘opzet’ is een vorm van ‘opzet’ zoals bedoeld in de Wet op de economische delicten (WED), waarbij voorwaardelijk opzet volstaat. Opzet in de zin van de WED betreft ‘kleurloos opzet’. De dader van een economisch delict is strafbaar indien hij willens en wetens heeft gehandeld (of nagelaten) zoals in de strafbepaling is omschreven. Hierbij is voldoende dat het opzet van de verdachte gericht was op de verboden feitelijke gedraging (het direct of indirect verrichten van betalingen ten behoeve van de IJU) en niet op het overtreden van de wet.

Met andere woorden, het opzet van de verdachte hoeft niet te zijn gericht op het wederrechtelijke aspect van zijn of haar gedraging, in de onderhavige zaak: het feit dat de IJU een op de litigieuze lijst voorkomende (rechts)persoon, groep of entiteit is en dat door het verrichten van betalingen de verboden van de krachtens de Sanctiewet vastgestelde Sanctieregeling worden ontdoken.

Voorts gaat het in het onder 3 ten laste gelegde in de kern om de beoordeling van vier beweerdelijke betalingen die de verdachte direct of indirect heeft gedaan in de periode van 1 februari 2009 t/m 31 maart 2010.

Uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting is te dier zake het volgende komen vast te staan.

De verdachte heeft in de tenlastegelegde periode vier money transfers via Western Union verricht aan Taner Kasapoglu en Yakub Erdal. De verdachte heeft over de geldstortingen verklaard dat zij niet wist of het geld dat zij stortte naar de behoeftigen zou gaan of naar de mudjahidin, dat de mudjahidin strijders zijn die voor hun land opkwamen, dat de mudjahidin ook vallen onder het brede begrip behoeftige en dat ze hoopte dat haar geld in landen waar oorlog is, zoals Tsjetsjenië, ook zou worden besteed aan mensen die voor het land opkwamen.

Uit het Duitse onderzoek Engel is gebleken dat genoemde Kasapoglu en Erdal functioneerden als vaste tussenpersonen die het geld dat zij ontvingen via Turkije doorstuurden naar Ahmet Manavbasi, ten behoeve van zowel de DTM als de IJU.

De verdachte heeft verklaard dat zij de namen van de tussenpersonen kreeg van Manavbasi zelf of ene ‘Mirza’, een goede vriend van Manavbasi die zij via internet had leren kennen (zijn naam stond onder een oproep om Tsjetsjeense strijders te ondersteunen). Via Mirza is ook het contact tussen de verdachte en Manavbasi tot stand gekomen. De website www.sehadetvakti.com (vertaling: tijd om te sterven),

de voorloper van de website www.sehadetzamani.com (vertaling: tijd voor de martelaarsdood) stond op naam Mirza. Deze sites boden informatie over de gewapende strijd en werden gebruikt om video’s met oproepen te verspreiden en de verdachte heeft de laatstgenoemde site ook bezocht.

Op 18 maart 2009 heeft de verdachte van Manavbasi een bericht ontvangen. In dat bericht heeft Manavbasi geschreven dat hij deel uitmaakt van de Taliban. Volgens haar eigen verklaring is de verdachte nadien enige tijd verloofd geweest met Manavbasi. Manavbasi was lid van de IJU en tevens verantwoordelijk voor de public relations en het propaganda netwerk van de IJU en DTM door middel van Elif Medya. De verdachte heeft in de tenlastegelegde periode ook over een foto van Manavbasi beschikt, waarop hij staat afgebeeld met een automatisch vuurwapen, voor een niet geheel zichtbare vlag waarop leesbaar is “Islam ihad” In de loop van 2009 is Manavbasi leider geworden van de DTM, een autonome terroristische organisatie die door de afscheiding van de Duitstalige leden van de IJU is ontstaan. Hij droeg onder meer zorg voor het inzamelen van giften in Duitsland en het werven van nieuwe strijders. Voorts zijn onder de verdachte twee documenten in beslag genomen waarin de IJU en door hen gepleegde aanslagen zijn beschreven.

Op 28 april 2010 werd Manavbasi bij een vuurgevecht in Pakistan gedood. In het op zijn lichaam aangetroffen notitieboekje stond genoteerd dat er een viertal ‘akaki’ (offers) zijn gebracht door ‘voornaam verdachte’, zijnde de roepnaam van de verdachte. De naam van de verdachte komt ook voor in het document ‘Ramazon.doc’, dat als bijlage is gevoegd bij een email die binnen het mediabureau Elif Medya is verstuurd op 27 september 2009. Het totaal van de bedragen die op naam van de verdachte staan, komt (omgerekend naar de toen geldende wisselkoers) nagenoeg overeen met het bedrag van € 340,00 dat door de verdachte op 22 september 2009 aan Taner Kasapoglu via Western Union is overgemaakt. De verdachte heeft verklaard dat zij over dit soort giften en over persoonlijke dingen contact had met elifmedya@hotmail.com en dat als zij met Manavbasi sprak, dit onder andere via dit emailadres ging.

Gelet op vorenstaande feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, is naar het oordeel van het hof buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat de door verdachte (door tussenkomst van derden) overgemaakte geldbedragen – anders dan door de verdediging is betoogd –, zijn doorgestuurd naar Manavbasi en bij hem terecht zijn gekomen.

Het hof deelt voorts niet het standpunt van de verdediging dat Manavbasi reeds op 14 augustus 2009 leider van de DTM was en dat het daarmee uitgesloten is dat hij geld aanwendde voor de IJU. Uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt naar het oordeel van het hof niet meer dan dat de DTM ‘in de loop van 2009’ is opgericht. Op 22 september 2009 is de eerste video over DTM in omloop op het internet en pas eind december 2009 worden de eerste aanslagen door DTM opgeëist.

Nergens blijkt verder dat Manavbasi alle banden met de IJU heeft doorgesneden toen hij samen met enkele andere Duitse rekruten (die allen oorspronkelijk bij de IJU zaten) de DTM oprichtte. Zijn doorlopende werkzaamheden voor de Elif Medya, het mediabureau dat ook voor IJU werkzaam was, duiden eerder op het tegenovergestelde. Ook blijkt uit het dossier overduidelijk, zoals hierboven weergegeven, dat het geld dat Manavbasi via zijn tussenpersonen in de ten laste gelegde periode van derden kreeg afwisselend voor de doeleinden van zowel de IJU als de DTM werd aangewend, ook nog in december 2009.

De verdachte wist voorts uit de emailcorrespondentie dat Manavbasi lid was van de Taliban, waarvan algemeen bekend is dat het een terroristische organisatie betreft en dat hij daarvoor activiteiten ontplooide. Bovendien had de verdachte een foto van Manavbasi in haar bezit waarop hij staat afgebeeld voor de vlag van de IJU, alsmede een print met informatie van de IJU (naast vele andere documenten over de gewapende strijd). Gelet op al het voorgaande is het hof van oordeel dat het niet anders kan dan dat de verdachte op de hoogte was van de nauwe connectie tussen Manavbasi en de IJU. Zij heeft onder deze omstandigheden met het overmaken van geld op zijn minst bewust de zeer aanmerkelijke kans aanvaard dat de geldbedragen door tussenkomst van Kasapoglu en Erdal via Manavbasi ten behoeve van de IJU zouden komen.

Het vorenstaande leidt het hof tot de slotsom dat de verweren van de verdediging falen.

Bewezenverklaring

  • Feit 3: opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 2 van de Sanctiewet 1977, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

 

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan elf maanden voorwaardelijk.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling wegens oplichting: Hof komt tot andere straf dan Rb. Onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou verdiencapaciteit in de weg staan en dus de verhaalsmogelijkheden voor gedupeerden

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 4 maart 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:1647 Het hof bevestigt de beslissing van de rechtbank betreffende de bewezenverklaring van oplichting van een groot aantal personen die op Marktplaats.nl hadden geadverteerd onder de rubriek “te koop gevraagd”.

De verdachte en zijn raadsman hebben zich ter terechtzitting van het hof van 5 februari 2016 beperkt tot het voeren van een strafmaatverweer. Een bewijsverweer is in hoger beroep niet (meer) gevoerd.

Verdachte heeft 143 personen opgelicht. In de meeste gevallen nam verdachte uit eigen beweging contact op met personen die via Marktplaats.nl een bepaald goed zochten. Nadat verdachte contact met deze personen had opgenomen, creëerde hij een sfeer van vertrouwen bij de slachtoffers, door onder andere te vertellen dat het goed toebehoorde aan zijn overleden vader of moeder. Daarna liet hij hen in goed vertrouwen het geld overmaken, maar de door de aangevers gekochte goederen werden nimmer geleverd. Zoals verdachte zelf heeft verklaard was hij hier op een gegeven moment dagelijks mee bezig. Gelet op de soms zeer omvangrijke e-mailwisselingen met aangevers, mag ook wel worden aangenomen dat verdachte hier op verschillende dagen een dagtaak aan had.

Verdachte heeft met deze gedragingen welbewust anderen benadeeld, kennelijk met geen ander doel dan zijn eigen financieel gewin. Verdachte heeft daarmee het vertrouwen van aangevers beschaamd en - meer in het algemeen - het vertrouwen aangetast dat personen in elkaar moeten en kunnen hebben bij het deelnemen aan het handelsverkeer via internet.

Verdachte heeft met zijn handelwijze in ongeveer een jaar ruim € 24.000 verdiend.

Verdachte is niet eerder veroordeeld voor oplichting. Uit het recÏasseringsrapport komt naar voren dat verdachte vanaf zijn vroege jeugd gedragsproblemen heeft gehad, zonder dat duidelijkheid bestaat over de oorzaken daarvan en vanaf zijn 20e verslaafd is aan cocaïne.

De rechtbank heeft opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest, en met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij GGZ Reclassering in Den Haag en een ambulante behandelverplichting bij een forensische polikliniek van Palier of een polikliniek van de GGZ.

Het hof sluit zich grotendeels aan bij de strafmotivering van de rechtbank, maar komt in de staart daarvan tot de oplegging van een wezenlijk andere strafmodaliteit dan de rechtbank.

Het hof komt hiertoe omdat het hof - evenals de advocaat-generaal - een zwaarwegend belang toekent aan het optimaliseren van de kans dat de gedupeerden hun geld zo veel mogelijk terug zullen krijgen van de verdachte. Daarmee wordt immers evenzeer recht gedaan aan het aantal en de ernst van de door de verdachte gepleegde oplichtingszaken, zij het niet zo zeer op het punt van vergelding maar meer op het punt van de mogelijke financiële genoegdoening van de gedupeerden. Alhoewel de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf hier in beginsel zonder meer passend zou zijn, is dat in dit geval een minder geschikte vorm van bestraffing. Een dergelijke straf kan immers behoorlijk in de weg staan aan de verdiencapaciteit van de verdachte en aan de verhaalsmogelijkheden voor de gedupeerden. De gedupeerden hebben er uiteindelijk niets aan wanneer de verdachte na het uitzitten van zijn gevangenisstraf op zwart zaad zit en zij naar hun centen kunnen fluiten.

De verdachte heeft ter terechtzitting van het hof van 5 februari 2016 stellig toegezegd dat hij er alles aan zal doen om alle gedupeerden schadeloos te stellen. Hij heeft erkend dat dit nog een hele opgave voor hem gaat worden in de komende jaren, maar heeft tevens aangegeven dat hij hier niet voor weg wil draaien en dat hij daartoe voldoende verdiencapaciteit kan genereren wanneer zijn thans in de opstartfase verkerende bedrijf goed van de grond komt.

Het hof heeft er tevens acht op geslagen dat de verdachte heeft verklaard dat hij is afgekickt van zijn jarenlange stevige verslaving aan cocaïne, dat de Reclassering hem ondergebracht heeft bij Palier en dat hij een nieuw (gezins)leven heeft opgebouwd.

Deze wending ten goede in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte lijkt te worden geïllustreerd door het uitblijven van nieuwe contacten met de politie en justitie.

Dit alles maakt dat de oplegging van de bijzondere voorwaarden die de rechtbank heeft verbonden aan het voorwaardelijk strafdeel thans niet meer aangewezen is.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 jaren met een proeftijd van 3 jaar en een taakstraf van 240 uur. 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Hof: Poker is een 'kansspel' en geen 'behendigheidsspel' en dus vergunningplichtig

Twee verdachten zijn door het Gerechtshof Amsterdam op 3 maart jl. veroordeeld voor het medeplegen van de organisatie van pokertoernooien zonder vergunning in een café. Een derde verdachte, de eigenaar van het café, is veroordeeld voor de medeplichtigheid daaraan. Het gerechtshof Amsterdam heeft dat op 3 maart 2016 uitgesproken.

Behendigheidsspel of kansspel?

Aan de orde was de vraag of poker een behendigheidsspel is of een kansspel. De rechtbank was van oordeel dat poker als een behendigheidsspel moet worden beschouwd en heeft de verdachten daarom vrijgesproken van overtredingen van de Wet op de kansspelen. Daartegen heeft het Openbaar Ministerie hoger beroep ingesteld.

Het hof is van oordeel dat het pokerspel zoals dat in dit café werd georganiseerd een kansspel is. Texas Hold ’em werd er gespeeld. Het verweer dat poker een behendigheidsspel is, heeft het hof verworpen. De wetgever is altijd uitgegaan van een ruim bereik van de Wet op de kansspelen: het gaat om een spel waarbij kans enige rol speelt in de aanwijzing van de winnaar. Aan de hand van de spelregels blijkt dat de winnaar van het toernooi wordt aangewezen door ook een element van toeval: het toekennen van de kaarten. Op deze onzekere factor hebben de deelnemers, hoe behendig ze ook zijn, geen overwegende invloed. Poker valt hier dus onder de Wet op de kansspelen.

Geheel voorwaardelijke geldboete

Het hof heeft de verdachten een geheel voorwaardelijke geldboete met een proeftijd van een jaar opgelegd. Bij de strafoplegging is rekening gehouden met het grote tijdsverloop in de zaken.

 

Lees hier de volledige uitspraken:

 

 

Print Friendly and PDF ^

Grootschalige hypotheekfraude, faciliterende rol van verdachte

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11 februari 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:1056

Verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan het medeplegen van valsheid in geschrift. Deze feiten zijn gepleegd in het kader van een crimineel samenwerkingsverband, waarbinnen verdachte, medeverdachte 3 en rechtspersoon bedrijf 1 actief zijn geweest. Door de organisatie is met behulp van katvangers hypotheekfraude gepleegd. Deze katvangers waren veelal van Vietnamese afkomst en waren de Nederlandse taal niet of nauwelijks machtig. Verdachte heeft bij het voorgaande een faciliterende rol gespeeld door bedrijven op naam te nemen en valse werkgeversverklaringen te ondertekenen.

 

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft ter terechtzitting van het hof bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging omdat:

  1. 1. De Bovenregionale Recherche Noordoost Nederland (BRNON) heeft gehandeld in strijd met artikel 152 Sv, door geen proces-verbaal op te maken van contacten met fraudespecialisten van banken, en
  2. De kennisname van het dossier “naam” aan de verdediging is onthouden, zodat er sprake is van een schending van het recht op kennisname van processtukken, en
  3. Verbalisant in strijd met de waarheid verklaringen heeft afgelegd over het dossier “naam” en daardoor de beginselen van een behoorlijke procesorde heeft geschonden.

De advocaat-generaal heeft voornoemd verweer bestreden en tot ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie geconcludeerd.

Bij de beoordeling van het verweer stelt het hof voorop dat uit het dossier voldoende blijkt naar aanleiding waarvan het onderzoek Kastanje is aangevangen en hoe na verloop van tijd de verdenking jegens verdachte is ontstaan. De rechtbank heeft hieromtrent overwogen:

“De Rabobank heeft naar aanleiding van een brand in een woning in plaats, waar een hennepkwekerij werd aangetroffen en ten aanzien waarvan de aflossingen van de ten behoeve van die woning afgesloten hypothecaire lening vervolgens stopten, intern onderzoek gedaan naar mogelijke hypotheekfraude ten aanzien van de financiering van die woning. (…)

Naar aanleiding van dit interne onderzoek heeft de Rabobank in het najaar van 2006 aangifte gedaan van negen gevallen van zogenaamde hypotheekfraude. In de onderscheiden aangiftes wordt door de bank verklaard - kort gezegd - dat zij vermoedt dat de bij die bank afgesloten hypothecaire lening is verkregen door overlegging van één of meerdere valse werkgeversverklaringen en valse loonspecificaties welke afkomstig zijn van de ondernemingen bedrijf 1 of bedrijf 2. Er wordt in die aangiften uitgebreid en gedetailleerd aangegeven op welke wijze de fraude zou hebben plaatsgevonden en welke personen en bedrijven daarbij betrokken zouden zijn. Op de bij die aangiften

gevoegde werkgeversverklaringen staat als werkgever en ondertekenaar verdachte vermeld en ze zijn voorzien van een firmastempel. Verdachte was volgens het uittreksel uit het voor een ieder toegankelijke handelsregister van de Kamer van Koophandel algemeen directeur van bedrijf 1 en de eenmanszaak bedrijf 2 werd voor zijn rekening gedreven.”

Deze overweging van de rechtbank is juist. Het hof neemt die over. Met de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof aldus van oordeel dat volstrekt helder en controleerbaar is op welke wijze en op welk moment de verdenking jegens verdachte is gerezen. Uit het dossier blijkt tevens het verband met andere rechtspersonen en medeverdachten als medeverdachte 1, medeverdachte 2 en medeverdachte 3 en hoe de verdenking in dat opzicht is ontstaan.

Zowel ten aanzien van de gestelde schending van de verbaliseringsplicht als ten aanzien van het ontbreken van het dossier naam heeft de raadsman enkel aangevoerd dat hierdoor mogelijk relevante informatie aan verdachte is onthouden, zonder dit op enige wijze te concretiseren.

Het hof heeft, gelet op bovenstaand relaas omtrent de totstandkoming van de verdenking jegens verdachte en het feit dat er door de verdediging niets is aangevoerd dat erop zou kunnen wijzen dat één en ander toch anders is geweest, geen aanleiding te veronderstellen dat er op enige wijze informatie aan verdachte is onthouden die voor de beoordeling van zijn zaak relevant is. Voor zover er derhalve al sprake zou zijn van een schending van de verbaliseringsplicht en/of het recht op kennisname van processtukken, is niet gebleken in welk opzicht verdachte daardoor in zijn belangen is geschaad. De door de raadsman geschetste situatie waarin beginselen van een behoorlijke procesorde in ernstige mate zijn geschonden waardoor doelbewust of met een grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan en/of dat er gehandeld is in strijd met de grondslagen van het strafproces waardoor het wettelijk systeem in de kern is geraakt, doet zich niet voor.

Ten aanzien van de verklaring van verbalisant stelt het hof voorop dat niet is gebleken dat verbalisant bewust onjuiste verklaringen heeft afgelegd zoals door de raadsman is aangevoerd. Voorts geldt dat, voor zover er verschillen zijn vast te stellen tussen de verklaring van verbalisant en de overige gegevens uit het dossier aangaande de totstandkoming van de verdenking ten opzichte van verdachte, deze verschillen niet zodanig zijn dat op grond daarvan geconcludeerd zou moeten worden dat er concrete feiten en omstandigheden verborgen zijn gehouden ten aanzien van die totstandkoming van de verdenking. Zij kunnen derhalve niet de conclusie rechtvaardigen dat er doelbewust of met een grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan, noch dat er is gehandeld in strijd met de grondslagen van het strafproces waardoor het wettelijk systeem in de kern is geraakt.

Het verweer wordt verworpen. Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging.

Oordeel hof 

De raadsman heeft bepleit dat verdachte van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte op het moment van ondertekenen van de werkgeversverklaringen wist dat deze vals waren.

De advocaat-generaal heeft voornoemd verweer bestreden en tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten geconcludeerd.

Het hof overweegt als volgt.

Feit 1 (werkgeversverklaring medeverdachte 4)

Uit het dossier blijkt dat in het kader van de aanvraag van een hypothecaire lening voor de woning aan adres 1 een werkgeversverklaring op naam van medeverdachte 4 is ingediend, welke is ondertekend door verdachte. Volgens deze werkgeversverklaring is medeverdachte 4 sinds 1 november 2004 in dienst bij het bedrijf 1 als algemeen medewerker. medeverdachte 4 heeft bij de politie evenwel verklaard dat zij dit bedrijf niet kent en nooit voor dit bedrijf heeft gewerkt. De werkgeversverklaring die ten behoeve van de verkrijging van een hypothecaire geldlening aan de Rabobank is overgelegd, berust, gezien het hiervoor overwogene, niet op de waarheid en kan als vals worden aangemerkt.

Blijkens een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel is verdachte sinds 7 september 2004 directeur en enig aandeelhouder van het bedrijf 1. Verdachte heeft hieromtrent bij de politie verklaard: “Dit bedrijf is van mij geweest, maar medeverdachte 3 runde het bedrijf. Ik was eigenlijk alleen op papier eigenaar. Ik ken mevrouw medeverdachte 4 niet en weet dus ook niet of zij daar wel of niet gewerkt heeft. medeverdachte 3 heeft mij gevraagd dit bedrijf op naam te zetten.” Nadat verdachte werd voorgehouden dat medeverdachte 4 heeft verklaard dat zij in werkelijkheid niet bij bedrijf 1 heeft gewerkt, heeft verdachte verklaard: “Ik ken die mensen helemaal niet. Ik wist niet wie er kwamen. Van de feitelijke gang van zaken wist ik ook niets af. Ik had het bedrijf, zoals ik zei, alleen op papier. Ik kwam daar ook helemaal niet. Ik heb donderdag al aangegeven dat dit mijn handtekening was (het hof begrijpt: de handtekening op de werkgeversverklaring). Als medeverdachte 3 aan mij vroeg om een handtekening te zetten onder een werkgeversverklaring, dan deed ik dat. (…)” In een eerdere verklaring heeft verdachte aangegeven dat hij voor het feit dat hij voor medeverdachte 3 een BV op naam zou nemen een vergoeding van € 2.500,- zou ontvangen. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat medeverdachte 3 alle documenten regelde en dat verdachte slechts hoefde te tekenen. Verdachte heeft onder andere werkgeversverklaringen ondertekend, waarbij hij heeft verklaard dat hij nooit heeft gezien dat de (vermeende) werknemers daadwerkelijk aan het werk waren en dat hij ook nooit iemand opdracht heeft gegeven om bepaalde werkzaamheden uit te voeren. Verdachte kende de mensen waarvoor hij de werkgeversverklaringen ondertekende niet en heeft ze ook nooit gezien. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij ook een bankrekening heeft geopend op naam van de onderneming en dat hij alles aan medeverdachte 3 heeft afgegeven, dus ook de pasjes.

Op basis van het voorgaande stelt het hof vast dat verdachtes taak beperkt was tot het tekenen van de werkgeversverklaring en het dus niet anders geweest kan zijn dan dat een ander de daarop vermelde gegevens heeft ingevuld.

Omtrent de vraag of verdachte bij het ondertekenen van de werkgeversverklaring wist dat de informatie daarop vals was, stelt het hof voorop dat verdachte formeel eigenaar en directeur was van bedrijf 1 maar dat hij - zoals hiervoor aangegeven - van de feitelijke gang van zaken niets afwist en dat hij ook niet wist wie er wel of niet werkte.

Het hof is van oordeel dat indien iemand, van wiens betrouwbaarheid niet is gebleken, een ander vraagt om tegen betaling een bedrijf op naam te krijgen en daarbij een rekening te openen waarvan de bankpas moet worden afgegeven, zoals hiervoor omschreven, dit moet worden aangemerkt als een zeer ongebruikelijke situatie die reden vormt voor waakzaamheid. Immers, een verdachte relatief onbekende persoon die claimt zelf geen bedrijf in eigendom te kunnen hebben, vraagt hem mee te werken aan een constructie die niet conform de werkelijkheid is. Verdachte heeft vrijwillig ingestemd met het creëren van deze schijnconstructie. Verdachte is vervolgens in de hoedanigheid van directeur overgegaan tot het tekenen van stukken, waaronder een werkgeversverklaring, zonder op enigerlei wijze na te gaan of de gegevens op die door hem getekende werkgeversverklaring conform de werkelijkheid waren.

Onder deze omstandigheden levert de medewerking aan een dergelijke constructie de aanmerkelijke kans op dat het bedrijf in verband kan worden gebracht met het plegen van strafbare feiten en dat de te ondertekenen stukken niet berusten op waarheidsgetrouwe informatie. Aldus kan worden vastgesteld dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de door hem getekende werkgeversverklaring vals was.

Een werkgeversverklaring wordt per definitie tegenover derden gebruikt bij het aangaan van financiële verplichtingen, met als doel het aantonen van een dienstverband en bijbehorend salaris. Uit het feit dat verdachte een dergelijke werkgeversverklaring heeft ondertekend, kan niet anders worden geconcludeerd dan dat hij dat heeft gedaan met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Feit 2 (werkgeversverklaring medeverdachte 5)

Op 16 februari 2009 is door aangever van de Rabobank Noordwest Friesland U.A. te Leeuwarden aangifte gedaan. Blijkens de aangifte hebben medeverdachte 9 en medeverdachte 5 op 15 juni 2005 bij de Rabobank een aanvraag ingediend voor een financiering ten behoeve van de door hen op 19 mei 2005 gekochte woning aan adres 2. Bij deze aanvraag is door medeverdachte 5 een werkgeversverklaring overgelegd, welke op 18 mei 2005 is ondertekend door verdachte. Volgens de werkgeversverklaring is medeverdachte 5 vanaf 1 februari 2005 werkzaam bij het bedrijf bedrijf 2 als assistent bedrijfsleidster. Medeverdachte 5 heeft bij de politie verklaard dat zij in werkelijkheid niet voor het bedrijf bedrijf 2 heeft gewerkt. De werkgeversverklaring die bij de hypotheekaanvraag aan de Rabobank is overgelegd, kan gezien het voorgaande als vals worden aangemerkt.

Uit de handelsregisterhistorie van de Kamer van Koophandel blijkt dat het bedrijf 2 is opgericht op 10 januari 2005 en dat het geen BV maar een eenmanszaak betrof die voor rekening van verdachte werd gedreven. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat het bedrijf 2 het tweede bedrijf was dat hij op verzoek van medeverdachte 3 op naam heeft gekregen. Verdachte: “Het werd mij zo gebracht dat ik meer geld zou krijgen omdat ik dan twee keer de winstpremie zou ontvangen. Ik had namelijk twee bedrijven op naam”. Verdachte heeft voorts erkend dat hij ook voor het bedrijf 2 werkgeversverklaringen heeft ondertekend, waaronder die van medeverdachte 5.

Op basis van het voorgaande, daaronder begrepen hetgeen bij feit 1 werd overwogen over de handelwijze van verdachte bij het ondertekenen van werkgeversverklaringen, kan worden vastgesteld dat verdachte voornoemde werkgeversverklaring heeft ondertekend en dat een ander de gegevens op de werkgeversverklaring heeft ingevuld.

Overeenkomstig hetgeen bij de bespreking van feit 1 is overwogen acht het hof bewezen dat verdachte door aldus te handelen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de door hem ondertekende werkgeversverklaring vals was en dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte dat heeft gedaan met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Medeplegen

Met betrekking tot zowel feit 1 als feit 2 geldt dat sprake is van medeplegen, nu iemand anders de gegevens heeft ingevuld en verdachte, conform de afspraak met medeverdachte 3, de stukken heeft ondertekend. Aldus was sprake van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en één of meerdere andere perso(o)n(en).

Feit 3 (deelname aan een criminele organisatie)

Onder 3 wordt verdachte verweten dat hij heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van oplichting, valsheid in geschrifte, hennepteelt en/of witwassen. Volgens de raadsman kan niet worden bewezen dat verdachte wetenschap heeft gehad van het in georganiseerd verband plegen van strafbare feiten en/of dat hij deel heeft uitgemaakt van een dergelijke organisatie zodat hij van feit 3 dient te worden vrijgesproken.

Onder een organisatie zoals hiervoor bedoeld wordt verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen verdachte en ten minste één andere persoon. Een zekere bestendigheid is vereist, echter is niet vereist dat de samenstelling van het samenwerkingsverband telkens dezelfde is.

Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat er in de onderhavige zaak sprake is van een dergelijke organisatie. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij als directeur van bedrijf 1 en bedrijf 2 meerdere werkgeversverklaringen heeft ondertekend, volgens hem in totaal maximaal 10. Naast de onder 1 en 2 ten laste gelegde werkgeversverklaringen blijkt uit het dossier dat verdachte werkgeversverklaringen op naam van medeverdachte 10, medeverdachte 11, medeverdachte 12, medeverdachte 13 en medeverdachte 14 heeft ondertekend, welke werkgeversverklaringen door een ander waren ingevuld en vervolgens zijn gebruikt voor de koop van woningen en het verkrijgen van de daarvoor benodigde hypothecaire leningen. Verdachte heeft hierbij telkens gehandeld op verzoek van medeverdachte 3, van wie is gebleken dat dit medeverdachte medeverdachte 3 betreft. In weerwil van verdachtes ontkenning, ziet het hof, gelet op verdachtes verklaring omtrent de gang van zaken en het aantal ondertekende verklaringen, alsmede het voor het oog gelijkende handschrift gebruikt voor de handtekening onder de model-werkgeversverklaring van medeverdachte 14 ten opzichte van de verklaringen waarvan verdachte aangeeft dat het wel zijn handtekening is (vgl. Bv. medeverdachte 4 en medeverdachte 5) die eronder staat, geen aanleiding om aan te nemen dat verdachte de model-werkgeversverklaring van medeverdachte 14 niet heeft ondertekend.

Zoals onder feit 1 en 2 is overwogen is een werkgeversverklaring per definitie bedoeld om tegenover derden te worden gebruikt bij het aangaan van financiële verplichtingen, met als doel het aantonen van een dienstverband en bijbehorend salaris. Door het onder voornoemde omstandigheden ondertekenen van dergelijke stukken heeft verdachte de aanmerkelijke kans op de koop toegenomen dat deze stukken zouden worden gebruikt bij het oplichten van derden, en tevens dat daarmee gelden of goederen werden verkregen die zouden worden witgewassen.

Aldus kan worden vastgesteld dat verdachte en zijn bedrijven 1 en 2 op een duurzame en gestructureerde wijze met medeverdachte 3 heeft/hebben samengewerkt, met het doel het plegen van oplichting, valsheid in geschrifte en witwassen. Dat de organisatie zich tevens schuldig heeft gemaakt aan hennepteelt en dat verdachte daarvan wetenschap heeft gehad en/of daarbij betrokken is geweest, kan niet worden bewezen zodat hij van dat onderdeel wordt vrijgesproken.

Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring 

  • Feit 1 en 2: medeplegen van valsheid in geschrift.
  • Feit 4: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^